SmPC (samenvatting van de productkenmerken) - Teicoplanine Hikma 100 mg poeder voor oplossing voor injectie of infusie, Drank
1. NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
Teicoplanine Hikma 100 mg poeder voor oplossing voor injectie/infusie of orale oplossing
2. KWALITATIEVE EN KWANTITATIEVE SAMENSTELLING
Elke injectieflacon bevat 100 mg teicoplanine equivalent aan minstens 100.000 IE.
Na reconstitutie bevatten de oplossing 100 mg teicoplanine in 1,5 ml.
Voor de volledige lijst van hulpstoffen, zie rubriek 6.1.
3. FARMACEUTISCHE VORM
Poeder voor oplossing voor injectie/infusie of orale oplossing
Wit tot geelachtig poeder
4. KLINISCHE GEGEVENS
4.1 Therapeutische indicaties
Teicoplanine Hikma is geïndiceerd bij volwassenen en bij kinderen vanaf de geboorte, voor de parenterale behandeling van de volgende infecties (zie rubrieken 4.2, 4.4 en 5.1):
- gecompliceerde infecties van de huid en de weke delen,
- bot- en gewrichtsinfecties,
- binnen het ziekenhuis verworven longontsteking (hospital-acquired pneumonia),
- buiten het ziekenhuis verworven longontsteking (community-acquired pneumonia),
- gecompliceerde urineweginfecties,
- infectieuze endocarditis,
- peritonitis geassocieerd met continue ambulante peritoneale dialyse (CAPD),
- bacteriëmie die optreedt samen met één van de hierboven vermelde indicaties.
Teicoplanine Hikma is ook geïndiceerd als een alternatieve orale behandeling voor met Clostridioides difficile infectie geassocieerd met diarree en colitis.
Waar van toepassing, moet teicoplanine worden toegediend in combinatie met andere antibacteriële middelen.
Er moet bijzondere aandacht worden besteed aan de officiële richtlijnen inzake het correct gebruik van antibacteriële middelen.
4.2 Dosering en wijze van toediening
Dosering
De dosis en de behandelingsduur moeten worden aangepast aan het onderliggende type en de ernst van de infectie, de klinische respons van de patiënt, en patiëntfactoren zoals leeftijd en nierfunctie.
Meten van serumconcentraties
Dalconcentraties van teicoplanine in serum moeten in steady-state worden gemonitord na voltooiing van het oplaaddosisschema om zeker te zijn dat een minimale dalconcentratie in serum is bereikt:
- Voor de meeste Gram-positieve infecties, dalconcentraties van teicoplanine van minstens 10 mg/l wanneer gemeten aan de hand van een High Performance Liquid Chromatography (HPLC), of minstens 15 mg/l wanneer gemeten met de Fluorescentie Polarisatie Immunoassay (FPIA) methode.
- Voor endocarditis en andere ernstige infecties, dalconcentraties van teicoplanine van 15-30 mg/l wanneer gemeten met HPLC, of 30-40 mg/l wanneer gemeten met de FPIA-methode.
Tijdens de onderhoudsbehandeling kan controle van dalconcentraties van teicoplanine in serum ten minste eenmaal per week plaatsvinden om zeker te zijn dat deze concentraties stabiel zijn.
Volwassenen en oudere patiënten met normale nierfunctie
| Indicaties | Oplaaddosis | Onderhoudsdosis | ||
|---|---|---|---|---|
| Oplaaddosis-schema | Doelwaarden voor dalconcentraties op dag 3 tot 5 | Onderhoudsdosis | Doelwaarden voor dalconcentraties tijdens de onderhoudsfase | |
| 400 mg intraveneus of intramusculair (dit komt overeen met ongeveer 6 mg/kg lichaamsgewicht) elke 12 uur voor 3 toedieningen | >15 mg/l1 | 6 mg/kg lichaamsgewicht intraveneus of intramusculair eenmaal daags | >15 mg/l1 eenmaal per week |
| 800 mg intraveneus of intramusculair (dit komt overeen met ongeveer 12 mg/kg lichaamsgewicht)elk e 12 uur voor 3 tot 5 toedieningen | >20 mg/l1 | 12 mg/kg lichaamsgewicht intraveneus of intramusculair eenmaal daags | >20 mg/l1 |
| 800 mg intraveneus (dit komt overeen met ongeveer 12 mg/kg lichaamsgewicht) elke 12 uur voor 3 tot 5 toedieningen | 30-40 mg/l1 | 12 mg/kg lichaamsgewicht intraveneus of intramusculair eenmaal daags | >30 mg/l1 |
1 Gemeten met FPIA
De dosis moet worden bepaald aan de hand van het lichaamsgewicht, ongeacht het gewicht van de patiënt.
Behandelingsduur
De behandelingsduur moet worden bepaald op basis van de klinische respons. Voor infectieuze endocarditis wordt een minimum van 21 dagen doorgaans als geschikt beschouwd. De behandeling mag niet langer duren dan 4 maanden.
Combinatietherapie
Teicoplanine heeft een beperkt spectrum van antibacteriële activiteit (Gram-positief). Het is niet geschikt voor gebruik als monotherapie voor de behandeling van enkele soorten infecties, tenzij het pathogeen reeds gedocumenteerd is en zeker gevoelig is, of wanneer er een sterk vermoeden bestaat dat het/de meest waarschijnlijke pathoge(e)n(en) geschikt zou(den) zijn voor behandeling met teicoplanine.
Met Clostridioides difficile-infectie geassocieerde diarree en colitis
De aanbevolen dosis is 100-200 mg tweemaal daags oraal toegediend gedurende 7 tot 14 dagen.
Ouderen
Er is geen dosisaanpassing vereist, behalve bij nierinsufficiëntie (zie hieronder).
Volwassenen en oudere patiënten met verminderde nierfunctie
Dosisaanpassing is niet vereist tot de vierde behandelingsdag, waarop de dosis moet worden aangepast om een dalconcentratie in serum te handhaven van minstens 10 mg/l.
Na de vierde behandelingsdag:
- Bij lichte tot matige nierinsufficiëntie (creatineklaring 30-80 ml/min): de onderhoudsdosis dient te worden gehalveerd, hetzij door de dosis om de twee dagen toe te dienen, hetzij door de helft van deze dosis eenmaal daags toe te dienen.
- Bij ernstige nierinsufficiëntie (creatinineklaring minder dan 30 ml/min) en bij hemodialysepatiënten: de dosis dient een derde van de gebruikelijke dosis te zijn, hetzij door toediening van de initiële eenheidsdosis om de drie dagen, hetzij door toediening van een derde van deze dosis eenmaal daags.
Teicoplanine wordt niet verwijderd door hemodialyse.
Patiënten in continue ambulante peritoneale dialyse (CAPD)
Na een enkele intraveneuze oplaaddosis van 6 mg/kg lichaamsgewicht, wordt 20 mg/l toegediend in de zak met dialyseoplossing in de eerste week, 20 mg/l in verschillende zakken in de tweede week, en dan 20 mg/l in de zak die ’s nachts toegediend wordt in de derde week.
Pediatrische patiënten
De dosisaanbevelingen zijn hetzelfde bij volwassenen en bij kinderen ouder dan 12 jaar.
Neonaten en kinderen tot de leeftijd van 2 maanden:
Oplaaddosis
Eén enkele dosis van 16 mg/kg lichaamsgewicht, intraveneus toegediend via een infuus op de eerste dag.
Onderhoudsdosis
Eén enkele dosis van 8 mg/kg lichaamsgewicht, eenmaal daags intraveneus toegediend via een infuus.
Kinderen (2 maanden tot 12 jaar): Oplaaddosis
Eén enkele dosis van 10 mg/kg lichaamsgewicht, elke 12 uur intraveneus toegediend, 3 maal te herhalen.
Onderhoudsdosis
Eén enkele dosis van 6-10 mg/kg lichaamsgewicht, eenmaal daags intraveneus toegediend.
Wijze van toediening
Teicoplanine moet intraveneus of intramusculair worden toegediend. De intraveneuze injectie kan ofwel als een bolus gedurende 3 tot 5 minuten, ofwel als een infuus van 30 minuten worden toegediend.
Bij neonaten mag alleen de infusiemethode worden toegepast en zuigelingen tot 2 maanden.
Voor Clostridioides difficile-infectie-gerelateerde diarree en colitis moet de orale route worden gebruikt.
Voor instructies over reconstitutie en verdunning van het geneesmiddel voorafgaand aan toediening, zie rubriek 6.6.
4.3 Contra-indicaties
Overgevoeligheid voor de werkzame stof of voor één van de in rubriek 6.1 vermelde hulpstoffen.
4.4 Bijzondere waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik
Teicoplanine mag niet intraventriculair worden toegediend.
Overgevoeligheidsreacties
Ernstige, levensbedreigende, soms fatale overgevoeligheidsreacties, zijn gemeld met teicoplanine (bijvoorbeeld anafylactische shock). Indien een allergische reactie op teicoplanine optreedt, moet de behandeling onmiddellijk worden gestopt en moeten de geschikte noodmaatregelen worden gestart.
Teicoplanine moet met voorzichtigheid worden toegediend aan patiënten met bekende overgevoeligheid voor vancomycine, omdat er zich kruisreacties van overgevoeligheid, waaronder fatale anafylactische shock, kunnen voordoen.
Het “red man syndrome” met vancomycine in de voorgeschiedenis is echter geen contra-indicatie voor het gebruik van teicoplanine.
Infusiegerelateerde reacties
In zeldzame gevallen (zelfs bij de eerste dosis), werd “red man syndrome” (een symptomencomplex van pruritus, urticaria, erytheem, angioneurotisch oedeem, tachycardie, lage bloeddruk, dyspneu) waargenomen. Het infuus stoppen of vertragen kan deze reacties doen verdwijnen. Infusiegerelateerde reacties kunnen worden beperkt indien de dagelijkse dosis niet via een bolusinjectie wordt toegediend, maar via een infusie van 30 minuten.
Ernstige cutane bijwerkingen
Ernstige cutane bijwerkingen (SCAR) waaronder Stevens-Johnson syndroom (SJS), toxische epidermale necrolyse (TEN) en geneesmiddelreactie met eosinofilie en systemische symptomen (DRESS), die levensbedreigend of fataal kunnen zijn, werden gemeld bij het gebruik van teicoplanine (zie rubriek 4.8). Acute gegeneraliseerde exanthemateuze pustulose (AGEP) is ook gemeld bij het gebruik van teicoplanine (zie rubriek 4.8). Op het moment van voorschrijven moeten patiënten worden geïnformeerd over de tekenen en symptomen van ernstige huidreacties (bijvoorbeeld progressieve huiduitslag vaak met blaarvorming of mucosale laesies of pustulaire huiduitslag, of elk ander teken van overgevoeligheid voor de huid) en nauwlettend worden gecontroleerd. Als er tekenen en symptomen optreden die wijzen op ernstige huidreacties, moet teicoplanine worden gestopt en moet een alternatieve behandeling worden overwogen.
Spectrum van antibacteriële activiteit
Teicoplanine heeft een beperkt spectrum van antibacteriële activiteit (Gram-positief). Het is niet geschikt voor gebruik als monotherapie voor de behandeling van enkele soorten infecties, tenzij het pathogeen reeds gedocumenteerd is en zeker gevoelig is, of wanneer er een sterk vermoeden bestaat dat het/de meest waarschijnlijke pathoge(e)n(en) geschikt zou(den) zijn voor behandeling met teicoplanine.
Bij verantwoord gebruik van teicoplanine moet rekening worden gehouden met het spectrum van bacteriële activiteit, het veiligheidsprofiel en de geschiktheid van een standaard antibacteriële activiteit voor behandeling van de individuele patiënt. Op grond daarvan zal naar verwachting in de meeste gevallen teicoplanine worden gebruikt voor de behandeling van ernstige infecties bij patiënten voor wie de standaard antibacteriële activiteit als ongeschikt wordt beschouwd.
Oplaaddosisregime Aangezien de gegevens over veiligheid beperkt zijn, moeten patiënten zorgvuldig worden gecontroleerd op bijwerkingen wanneer teicoplanine-doseringen van 12 mg/kg lichaamsgewicht tweemaal daags worden toegediend. Bij dit dosisregime moeten de creatininewaarden in het bloed worden gecontroleerd naast het aanbevolen periodiek hematologisch onderzoek. Teicoplanin mag niet intraventriculair worden toegediend.
Trombocytopenie
Trombocytopenie werd gemeld met teicoplanine (zie rubriek 4.8). Tijdens de behandeling worden periodieke bloedonderzoeken aanbevolen, inclusief volledige bloedtelling.
Nefrotoxiciteit
Nefrotoxiciteit en nierfalen werden gemeld bij met teicoplanine behandelde patiënten (zie rubriek 4.8). Patiënten met nierinsufficiëntie, patiënten die het hoge oplaaddosisregime van teicoplanine krijgen en diegenen die teicoplanine krijgen samen met of opeenvolgend op geneesmiddelen met gekende mogelijke nefrotoxiciteit (bijv. aminoglycosiden, colistine, amfotericine B, ciclosporine, en cisplatine) moeten onder zorgvuldig toezicht blijven, en ook gehoortesten doen (zie “Ototoxiciteit” hieronder).
Aangezien teicoplanine hoofdzakelijk uitgescheiden wordt door de nieren, moet de dosis teicoplanine bij patiënten met nierinsufficiëntie worden aangepast (zie rubriek 4.2).
Ototoxiciteit
Net zoals met andere glycopeptiden werd ototoxiciteit (doofheid en tinnitus) gemeld bij met teicoplanine behandelde patiënten (zie rubriek 4.8). Patiënten die tekenen en symptomen van gehoorstoornis of stoornissen van het binnenoor ontwikkelen tijdens de behandeling met teicoplanine moeten zorgvuldig worden geëvalueerd en gemonitord, vooral bij langdurige behandeling en bij patiënten met nierinsufficiëntie.
Patiënten die teicoplanine gelijktijdig of opeenvolgend met andere geneesmiddelen met gekend nefrotoxisch en/of neurotoxisch/ototoxisch potentieel krijgen (bijv. aminoglycosiden, colistine, amfotericine B, ciclosporine, cisplatine, furosemide en etacrynezuur) moeten zorgvuldig worden gemonitord en het voordeel van teicoplanine moet worden geëvalueerd indien het gehoorvermogen verslechtert.
Er moeten speciale voorzorgsmaatregelen worden genomen wanneer teicoplanine wordt toegediend aan patiënten die gelijktijdige behandeling moeten krijgen met ototoxische en/of nefrotoxische geneesmiddelen, waarvoor wordt aanbevolen regelmatig hematologische, leverfunctie- en nierfunctietesten te doen.
Superinfectie
Net als met andere antibiotica kan het gebruik van teicoplanine, vooral bij langdurig gebruik, tot een overgroei van niet-gevoelige organismen leiden. Indien superinfectie optreedt tijdens de behandeling, moeten de geschikte maatregelen worden getroffen.
Hulpstoffen
Dit geneesmiddel bevat minder dan 1 mmol natrium (23 mg) per injectieflacon, d.w.z. in wezen ‘natriumvrij’.
4.5 Interacties met andere geneesmiddelen en andere vormen van interactie
Er is geen specifiek onderzoek naar interacties uitgevoerd.
Teicoplanine- en aminoglycoside-oplossingen zijn onverenigbaar en mogen niet worden gemengd voor injectie; ze zijn echter wel verenigbaar in dialysevloeistof en mogen vrij worden gebruikt bij de behandeling van CAPD-gerelateerde peritonitis. Teicoplanine moet met voorzichtigheid worden gebruikt samen met of opeenvolgend op andere geneesmiddelen met gekendnefrotoxisch en/of neurotoxisch/ototoxisch potentieel. Deze omvatten bijv. aminoglycosiden, colistine, amfotericine B, ciclosporine, cisplatine, furosemide en etacrynezuur (zie rubriek 4.4 “Nefrotoxiciteit” en “Ototoxiciteit”). Er is echter geen bewijs van synergistische toxiciteit in combinaties met teicoplanine.
Teicoplanine werd in klinische onderzoeken toegediend aan vele patiënten die reeds verschillende geneesmiddelen kregen waaronder andere antibiotica, antihypertensiva, anesthetica, hartmedicatie en antidiabetesmiddelen, zonder tekenen van negatieve interactie.
Pediatrische patiënten
Onderzoek naar interacties is alleen bij volwassenen uitgevoerd.
4.6 Vruchtbaarheid, zwangerschap en borstvoeding
Zwangerschap
Er is een beperkte hoeveelheid gegevens over het gebruik van teicoplanine bij zwangere vrouwen. Dieronderzoek heeft reproductietoxiciteit aangetoond bij hoge doses (zie rubriek 5.3): bij ratten was er een verhoogde incidentie van doodgeboren jongen en neonatale mortaliteit. Het mogelijke risico voor de mens is niet bekend.
Daarom mag teicoplanine niet tijdens de zwangerschap worden gebruikt, tenzij duidelijk noodzakelijk. Een mogelijk risico op schade aan het binnenoor en de nieren bij de foetus kan niet worden uitgesloten (zie rubriek 4.4).
Borstvoeding
Het is niet bekend of teicoplanine in de moedermelk wordt uitgescheiden. Er is geen informatie beschikbaar over de uitscheiding van teicoplanine in dierlijke melk. Er moet worden besloten of borstvoeding ofwel behandeling met teicoplanine respectievelijk moet worden gecontinueerd of gestaakt, waarbij het voordeel van borstvoeding voor het kind en het voordeel van behandeling voor de vrouw in overweging moeten worden genomen.
Vruchtbaarheid
Reproductieonderzoek bij dieren heeft geen bewijs voor een verminderde vruchtbaarheid aangetoond.
4.7 Beïnvloeding van de rijvaardigheid en het vermogen om machines te bedienen
Teicoplanine Hikma heeft geringe invloed op de rijvaardigheid en op het vermogen om machines te bedienen. Teicoplanine kan duizeligheid en hoofdpijn veroorzaken. Dit kan invloed hebben op de rijvaardigheid of het vermogen om machines te bedienen. Patiënten die deze bijwerkingen ondervinden mogen niet rijden of machines bedienen.
4.8 Bijwerkingen
Getabelleerde lijst van bijwerkingen
In de onderstaande tabel zijn alle bijwerkingen die met een hogere frequentie voorkwamen dan met de placebo genoteerd volgens de volgende conventie:
Zeer vaak (≥1/10); vaak (≥1/100, <1/10); soms (≥1/1.000, <1/100), zelden (≥1/10.000, <1/1.000), zeer zelden (<1/10.000), niet bekend (kan met de beschikbare gegevens niet worden bepaald).
Binnen elke frequentiegroep worden de bijwerkingen voorgesteld in dalende volgorde van ernst.
Bijwerkingen dienen te worden gecontroleerd wanneer tweemaal daags teicoplanine doseringen van 12 mg/kg lichaamsgewicht worden toegediend (zie rubriek 4.4).
| Systeem/orgaan- | Vaak | Soms | Zelden | Zeer zelden | Niet bekend (kan met de |
|---|---|---|---|---|---|
| klassen | (≥1/100, | (≥1/1.000, | (≥1/10.000, | (<1/10.000) | beschikbare gegevens niet |
| <1/10) | <1/100) | (<1/1.000) | worden bepaald) | ||
| Infecties en parasitaire aandoeningen | Abces | Superinfectie (overgroei van niet-gevoelige organismen) | |||
| Bloed- en lymfestelselaan-doeningen | Leukopenie trombocytopenie, eosinofilie | Agranulocytose, neutropenie, pancytopenie | |||
| Immuun-systeem-aandoeningen | Anafylactische reactie (anafylaxie) (zie rubriek 4.4) | Geneesmiddelenreactie met eosinofilie en systemische symptomen (DRESS), anafylactische shock (zie rubriek 4.4) | |||
| Zenuwstelsel-aandoeningen | Duizelig-heid, hoofdpijn | Convulsies | |||
| Evenwichts-orgaan- en ooraandoe-ningen | Doofheid, gehoorverlies (zie rubriek 4.4), tinnitus, vestibulaire aandoening | ||||
| Bloedvat-aandoeningen | Flebitis | Tromboflebitis | |||
| Ademhalings-stelsel-, borstkas- en mediastinum-aandoeningen | Bronchospasme | ||||
| Maagdarm-stelselaan-doeningen | Diarree, braken, misselijk-heid |
| Huid- en onderhuidaan-doeningen | Huid-uitslag, ery-theem, pruritus | Red man syndrome (bijv. rood worden van het bovenlichaam) (zie rubriek 4.4) | Toxische epidermale necrolyse, Stevens-Johnson syndroom, Acute gegeneraliseerde exanthemateuze pustulose, erythema multiforme, angio-oedeem, exfoliatieve dermatitis, urticaria (zie rubriek 4.4) | ||
|---|---|---|---|---|---|
| Nier- en urineweg-aandoeningen | Bloed creatinine verhoogd | Renaal falen (inclusief acuut nierfalen) (zie hieronder de beschrijving van geselecteerde bijwerkingen)* | |||
| Algemene aandoeningen en toedieningsplaats-stoornissen | Pijn, py-rexie | Abces op de injectieplaats, koude rillingen (rigors) | |||
| Onderzoeken | Transaminasen verhoogd (tijdelijke afwijking in transaminasen), bloedalkalinefosfatase verhoogd (tijdelijke afwijking in alkalische fosfatase) |
Beschrijving van geselecteerde bijwerkingen
*Op basis van literatuurverslagen is het geschatte percentage nefrotoxiciteit bij patiënten die een lage oplaaddosis van gemiddeld 6 mg/kg tweemaal daags kregen, gevolgd door een onderhoudsdosis van gemiddeld 6 mg/kg eenmaal daags, ongeveer 2%.
In een observationele veiligheidsstudie na autorisatie waarbij 300 patiënten werden geïncludeerd met een gemiddelde leeftijd van 63 jaar (behandeld voor bot- en gewrichtsinfectie, endocarditis of andere ernstige infecties) die het hoge oplaaddosisregime kregen van 12 mg/kg tweemaal daags (en gemiddeld 5 oplaaddoses kregen), gevolgd door een onderhoudsdosis van 12 mg/kg eenmaal daags, was het waargenomen percentage bevestigde nefrotoxiciteit 11,0% (95%-BI = [7,4%; 15,5%]) gedurende de eerste 10 dagen. Het cumulatieve percentage nefrotoxiciteit vanaf het begin van de behandeling tot 60 dagen na de laatste dosis was 20,6% (95%-BI = [16,0%; 25,8%]). Bij patiënten die meer dan 5 hoge oplaaddoses van 12 mg/kg tweemaal daags kregen, gevolgd door een onderhoudsdosis van 12 mg/kg eenmaal daags, was het waargenomen cumulatieve percentage nefrotoxiciteit vanaf het begin van de behandeling tot 60 dagen na de laatste toediening 27% (95%-BI = [20,7%; 35,3%]) (zie rubriek 4.4).
Melding van vermoedelijke bijwerkingen
Het is belangrijk om na toelating van het geneesmiddel vermoedelijke bijwerkingen te melden. Op deze wijze kan de verhouding tussen voordelen en risico’s van het geneesmiddel voortdurend worden gevolgd. Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg wordt verzocht alle vermoedelijke bijwerkingen te melden via het Nederlands Bijwerkingen Centrum Lareb, website: www.lareb.nl.
4.9 Overdosering
Symptomen
Er zijn gevallen gemeld van accidentele toediening van excessieve doses aan pediatrische patiënten. In één geval trad agitatie op bij een 29 dagen oude baby die 400 mg intraveneus (95 mg/kg) had gekregen.
Behandeling
De behandeling van een overdosering met teicoplanine dient symptomatisch te zijn.
Teicoplanine wordt niet verwijderd door hemodialyse en slechts langzaam door peritoneale dialyse.
5. FARMACOLOGISCHE EIGENSCHAPPEN
5.1 Farmacodynamische eigenschappen
Farmacotherapeutische categorie: Glycopeptide antibacteriële middelen, ATC-code: J01XA 02
Werkingsmechanisme
Teicoplanine remt de groei van gevoelige organismen door het verstoren van de biosynthese van de celwand op een andere locatie dan de door bèta-lactamasen aangetaste plaatsen. De peptidoglycansynthese wordt geremd door specifieke binding aan residuen van D-alanyl-D-alanine.
Resistentiemechanisme
Resistentie tegen teicoplanine kan gebaseerd zijn op de volgende mechanismen:
- Gemodificeerde doelstructuur: deze vorm van resistentie kwam vooral voor bij Enterococcus faecium. De modificatie is gebaseerd op de uitwisseling van de terminale D-alanine-D-alaninefunctie van de aminozuurketen in een mureïne voorloper met D-Ala-D-lactaat, waardoor de affiniteit voor vancomycine vermindert. De verantwoordelijke enzymen zijn een nieuw gesynthetiseerd D-lactaatdehydrogenase of ligase.
- De verminderde gevoeligheid of resistentie van stafylokokken tegen teicoplanine is gebaseerd op de overproductie van mureïne voorlopers waaraan teicoplanine is gebonden.
Er kan kruisresistentie optreden tussen teicoplanine en de glycoproteïne vancomycine. Een aantal vancomycine-resistente enterokokken zijn gevoelig voor teicoplanine (VanB fenotype).
Breekpunten in gevoeligheidstesten
Het Europees Comité voor testen op antimicrobiële resistentie (EUCAST) heeft voor teicoplanine interpretatiecriteria voor gevoeligheidstesten vastgesteld met betrekking tot de MRC (minimale remmende concentratie). U kunt die criteria raadplegen via de volgende link:
https://www.ema.europa.eu/documents/other/minimum-inhibitory-concentration-mic
breakpoints_en.xlsx
Farmacokinetische/farmacodynamische relatie
De antimicrobiële activiteit van teicoplanine hangt hoofdzakelijk af van de tijdsduur waarin de concentratie van de substantie hoger is dan de minimale remmende concentratie (MIC) van het pathogeen.
Gevoeligheid
De prevalentie van resistentie kan geografisch en in de tijd variëren voor geselecteerde soorten, en lokale informatie over de resistentie is gewenst, vooral bij behandeling van ernstige infecties. Zo nodig dient deskundig advies te worden ingewonnen waar de lokale prevalentie van resistentie van die aard is dat het nut van het middel bij ten minste enkele types van infecties, twijfelachtig is.
Algemeen gevoelige soorten
Aërobische Gram-positieve bacteriën
Corynebacterium jeikeium a
Enterococcus faecalis
Staphylococcus aureus (waaronder meticillineresistente stammen)
Streptococcus agalactiae
Streptococcus dysgalactiae ondersoort equisimilis a
(Groep C & G streptokokken)
Streptococcus pneumoniae
Streptococcus pyogenes
Streptokokken in de viridans-groep a b
Anaërobische Gram-positieve bacteriën
Clostridioides difficile a
Peptostreptococcus spp. a
Soorten waarvoor verworven resistentie een probleem kan zijn
Aërobische Gram-positieve bacteriën
Enterococcus faecium
Staphylococcus epidermidis
Staphylococcus haemolyticus
Staphylococcus hominis
Inherent resistente bacteriën
Alle Gram-negatieve bacteriën
Andere bacteriën
Chlamydia spp.
Chlamydophila spp.
Legionella pneumophila
Mycoplasma spp.
- a Er waren geen actuele gegevens beschikbaar op het tijdstip van publicatie van de tabellen. De primaire literatuur, standaard volumes en behandelingsaanbevelingen veronderstellen gevoeligheid
- b Collectieve term voor een heterogene groep streptokokkensoorten. Het resistentiepercentage kan variëren afhankelijk van de actuele streptokokkensoort
5.2 Farmacokinetische eigenschappen
Absorptie
Teicoplanine wordt via parenterale weg (intraveneus of intramusculair) toegediend. Na intramusculaire toediening, is de biologische beschikbaarheid van teicoplanine (in vergelijking met intraveneuze toediening) nagenoeg volledig (90%). Na zes dagelijkse intramusculaire toedieningen van 200 mg bedraagt de gemiddelde (SD) maximale concentratie teicoplanine (Cmax) 12,1 (0,9) mg/l en deze treedt 2 uur na toediening in.
Na een oplaaddosis van 6 mg/kg elke 12 uur intraveneus toegediend voor een totaal van 3 tot 5 toedieningen, liggen de Cmax-waarden (maximale concentratie) in het bereik van 60 tot 70 mg/l en is de Cdal doorgaans hoger dan 10 mg/l. Na een intraveneuze oplaaddosis van 12 mg/kg elke 12 uur toegediend voor een totaal van 3 toedieningen, zijn de gemiddelde waarden van Cmax en Cdal naar schatting respectievelijk ongeveer 100 mg/l en 20 mg/l.
Na een onderhoudsdosis van 6 mg/kg eenmaal daags toegediend zijn de Cmax- en Cdal-waarden respectievelijk ongeveer 70 mg/l en 15 mg/l. Na een onderhoudsdosis van 12 mg/kg eenmaal daags liggen de Cdal-waarden binnen het bereik van 18 tot 30 mg/l.
Wanneer teicoplanine oraal wordt toegediend, wordt het niet geabsorbeerd vanuit het maagdarmkanaal. Wanneer teicoplanine in een eenmalige dosis van 250 of 500 mg via orale weg wordt toegediend aan gezonde proefpersonen, wordt het niet in serum of urine gedetecteerd, maar enkel in de feces (ongeveer 45% van de toegediende dosis) als het geneesmiddel in onveranderde vorm.
Distributie
De binding aan humane serumeiwitten ligt in het bereik van 87,6 tot 90,8% zonder variatie in functie van de teicoplanine-concentraties. Teicoplanine bindt zich hoofdzakelijk aan humaan serumalbumine. Teicoplanine wordt niet verdeeld in rode cellen.
Het distributievolume in steady-state (Vss) varieert van 0,7 tot 1,4 ml/kg. De hoogste Vss-waarden werden waargenomen in de recente onderzoeken waarin de staalnameperiode langer was dan 8 dagen.
Distributie van teicoplanine gebeurt hoofdzakelijk in de longen, het myocardium en in botweefsel met een verhouding weefsel/serum hoger dan 1. In blaarvocht, synoviaal vocht en peritoneaal vocht lagen de verhoudingen weefsel/serum in het bereik van 0,5 tot 1. De uitscheiding van teicoplanine uit peritoneaal vocht gebeurt met dezelfde snelheid als uit serum. In pleuraal vocht en subcutaan vetweefsel liggen de verhoudingen weefsel/serum tussen 0,2 en 0,5. Teicoplanine dringt niet gemakkelijk door in het cerebrospinaal vocht (CSV).
Biotransformatie
Teicoplanine in onveranderde vorm is de belangrijkste stof die in plasma en urine aangetroffen wordt, wat op een minimaal metabolisme wijst. Er worden twee metabolieten gevormd, waarschijnlijk door hydroxylering, en deze vertegenwoordigen 2 tot 3% van de toegediende dosis.
Eliminatie
Onveranderd teicoplanine wordt hoofdzakelijk uitgescheiden via de urinewegen (80% binnen 16 dagen) terwijl 2,7% van de toegediende dosis in de feces wordt aangetroffen (via galuitscheiding) binnen 8 dagen na de toediening. De eliminatiehalfwaardetijd van teicoplanine varieert van 100 tot 170 uur in de meest recente onderzoeken met een duur van bloedstaalname van ongeveer 8 tot 35 dagen.
Teicoplanine heeft een lage totale klaring in het bereik van 10 tot 14 ml/h/kg en een renale klaring binnen het bereik van 8 tot 12 ml/h/kg, wat erop wijst dat teicoplanine hoofdzakelijk via de nieren wordt uitgescheiden.
Lineariteit
Teicoplanine vertoonde een lineaire farmacokinetiek bij een dosisbereik van 2 tot 25 mg/kg.
Speciale populaties
- Nierinsufficiëntie:
Aangezien teicoplanine via de nieren wordt uitgescheiden, daalt de uitscheiding van teicoplanine volgens de graad van nierinsufficiëntie. De totale en renale klaring van teicoplanine hangt af van de creatinineklaring.
- Oudere patiënten:
Bij ouderen wordt de farmacokinetiek van teicoplanine niet gewijzigd behalve in gevallen van nierinsufficiëntie.
- Pediatrische patiënten
Er werd een hogere totale klaring (15,8 ml/h/kg voor neonaten, 14,8 ml/h/kg voor een gemiddelde leeftijd van 8 jaar) en een kortere eliminatiehalfwaardetijd (40 uur voor neonaten; 58 uur voor 8 jaar) waargenomen in vergelijking met volwassen patiënten.
5.3 Gegevens uit het preklinisch veiligheidsonderzoek
Na herhaalde parenterale toediening aan ratten en honden, werden effecten op de nieren waargenomen die dosisafhankelijk en reversibel bleken. Onderzoeken naar eventueel potentieel voor ototoxiciteit bij cavia’s wijst uit dat een lichte stoornis van de cochleaire en vestibulaire functies mogelijk is, zonder morfologische schade.
Subcutane toediening van teicoplanine tot 40 mg/kg/dag had geen invloed op de vruchtbaarheid van mannetjes- en vrouwtjesratten. In embryo-foetale ontwikkelingsstudies werden geen misvormingen waargenomen na subcutane toediening van doses tot 200 mg/kg/dag bij ratten en intramusculaire toediening van doses tot 15 mg/kg/dag bij konijnen. Bij ratten was er echter een verhoogde incidentie van doodgeboren jongen met doses van 100 mg/kg/dag en hoger, en neonatale mortaliteit met 200 mg/kg/dag. Dit effect werd niet gemeld met 50 mg/kg/dag. Een peri- en postnatale studie met ratten bracht geen effecten op de vruchtbaarheid van de F1-generatie aan het licht, noch op de overleving en ontwikkeling van de F2-generatie na subcutane toediening van doses tot 40 mg/kg/dag.
Teicoplanine vertoonde geen potentieel voor antigeniciteit (bij muizen, cavia’s of konijnen), genotoxiciteit of lokale irritatie.
6. FARMACEUTISCHE GEGEVENS
6.1 Lijst van hulpstoffen
Natriumchloride
Natriumhydroxide (voor pH-aanpassing)
6.2 Gevallen van onverenigbaarheid
Teicoplanine en aminoglycoside zijn onverenigbaar wanneer ze direct worden gemengd en mogen niet worden vermengd vóór injectie.
Wanneer teicoplanine in combinatietherapie samen met andere antibiotica wordt toegediend, moet het preparaat afzonderlijk worden toegediend.
Dit geneesmiddel mag niet gemengd worden met andere geneesmiddelen dan die welke vermeld zijn in rubriek 6.6.
6.3 Houdbaarheid
Houdbaarheid van het poeder in de oorspronkelijke verpakking:
3 jaar
Houdbaarheid van de gereconstitueerde oplossing:
Chemische en fysische gebruiksstabiliteit van de gereconstitueerde oplossing, bereid zoals aanbevolen, is aangetoond voor 24 uur bij 2 tot 8 °C.
Vanuit microbiologisch standpunt moet het product onmiddellijk worden gebruikt. Indien niet onmiddellijk gebruikt, zijn de bewaartijd en bewaarcondities in gebruiksklare toestand vóór gebruik, de verantwoordelijkheid van de gebruiker; dit is normaliter niet langer dan 24 uur bij 2 tot 8 °C, tenzij de reconstitutie onder gecontroleerde en gevalideerde antiseptische condities heeft plaatsgevonden.
Houdbaarheid van het verdunde geneesmiddel:
Chemische en fysische gebruiksstabiliteit van de gereconstitueerde/verdunde oplossing is aangetoond voor 24 uur bij 2 tot 8 °C.
Vanuit microbiologisch standpunt moet het product onmiddellijk worden gebruikt. Indien niet onmiddellijk gebruikt, zijn de bewaartijd en bewaarcondities in gebruiksklare toestand vóór gebruik, de verantwoordelijkheid van de gebruiker; dit is normaliter niet langer dan 24 uur bij 2 tot 8 °C, tenzij de reconstitutie/verdunning onder gecontroleerde en gevalideerde antiseptische condities heeft plaatsgevonden.
6.4 Speciale voorzorgsmaatregelen bij bewaren
Voor dit geneesmiddel zijn er geen speciale bewaarcondities.
Voor de bewaarcondities van het geneesmiddel na reconstitutie/verdunning, zie rubriek 6.3.
6.5 Aard en inhoud van de verpakking
Kleurloze glazen, type I injectieflacons van 6 ml voor teicoplanine 100 mg, afgesloten met een bromobutylrubberen stop en verzegeld met een flip-off dop van aluminium/plastic.
Verpakkingsgrootte: 1 injectieflacon
Het is mogelijk dat niet alle genoemde verpakkingsgrootten in de handel worden gebracht.
6.6 Speciale voorzorgsmaatregelen voor het verwijderen en andere instructies
Dit geneesmiddel is bestemd voor één enkele toediening.
Bereiding van de gereconstitueerde oplossing:
- Het poeder moet worden gereconstitueerd met water voor injecties (1,5 ml – 100 mg)
- Rol de flacon zachtjes tussen de handen tot het poeder volledig is opgelost. Indien de oplossing begint te schuimen, gedurende 15 minuten laten staan. Enkel heldere en geelachtige oplossingen mogen worden gebruikt.
Na reconstitutie bevatten de oplossingen 100 mg teicoplanine in 1,5 ml.
| Nominale teicoplanine-inhoud van de injectieflacon | 100 mg |
|---|---|
| Volume met nominale dosis teicoplanine (opgetrokken met een injectiespuit van 5 ml en 23G naald) | 1,5 ml |
Na reconstitutie mag de oplossing onmiddellijk worden geïnjecteerd ofwel verder worden verdund, ofwel oraal toegediend.
Bereiding van de verdunde oplossing vóór infusie:
Teicoplanine Hikma kan in de volgende infusieoplossingen worden toegediend:
- 9 mg/ml (0,9%) natriumchlorideoplossing
- Ringer oplossing
- Ringerlactaat oplossing
- 5% dextrose injectie
- 10% dextrose injectie
- 0,18% natriumchloride- en 4% glucoseoplossing
- 0,45% natriumchloride- en 5% glucoseoplossing
- Peritoneale dialyseoplossing met 1,36% of 3,86% glucoseoplossing.
Al het ongebruikte geneesmiddel of afvalmateriaal dient te worden vernietigd overeenkomstig lokale voorschriften.
7. HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
Hikma Farmacêutica (Portugal), S.A.
Estrada do Rio da Mó 8, 8A e 8B – Fervença
2705-906 Terrugem SNT, Portugal
Tel.: +351 219608410
e-mail: portugalgeral@hikma.com
8. NUMMERS VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
RVG 131925, Teicoplanine Hikma 100 mg poeder voor oplossing voor injectie/infusie of orale oplossing
9. DATUM VAN EERSTE VERLENING VAN DE VERGUNNING/VERLENGING VAN DE VERGUNNING
Datum van eerste verlening van de vergunning: 11 juli 2025
