SmPC (samenvatting van de productkenmerken) - Fomicyt
1 NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
Fomicyt 40 mg/ml poeder voor oplossing voor infusie
2 KWALITATIEVE EN KWANTITATIEVE SAMENSTELLING
Eén ml oplossing voor infusie bevat 40 mg fosfomycine.
Elke fles met 2,69 g poeder bevat 2,64 g dinatriumfosfomycine, wat overeenkomt met 2 g fosfomycine en 0,64 g natrium, voor oplossing in 50 ml oplosmiddel.
Elke fles met 5,38 g poeder bevat 5,28 g dinatriumfosfomycine, wat overeenkomt met 4 g fosfomycine en 1,28 g natrium, voor oplossing in 100 ml oplosmiddel.
Elke fles met 10,76 g poeder bevat 10,56 g dinatriumfosfomycine, wat overeenkomt met 8 g fosfomycine en 2,56 g natrium, voor oplossing in 200 ml oplosmiddel.
Voor de volledige lijst van hulpstoffen, zie rubriek 6.1.
3 FARMACEUTISCHE VORM
Poeder voor oplossing voor infusie.
Wit tot crèmekleurig poeder.
4 KLINISCHE GEGEVENS
4.1 Therapeutische indicaties
Fomicyt is geïndiceerd in alle leeftijdsgroepen voor de behandeling van de volgende infecties wanneer het niet gepast wordt geacht antibacteriële middelen te gebruiken die gewoonlijk worden aanbevolen voor de initiële behandeling (zie rubriek 4.2, 4.4 en 5.1):
- gecompliceerde urineweginfecties
- infectieuze endocarditis
- bot- en gewrichtsinfecties
- in het ziekenhuis opgelopen pneumonie, met inbegrip van longontsteking door mechanische beademing
- gecompliceerde infecties van huid en weke delen
- bacteriële meningitis
- gecompliceerde intra-abdominale infecties
- bacteriëmie die optreedt in verband met of waarvan vermoed wordt dat deze verband houdt met een van de bovengenoemde infecties
Er moet rekening worden gehouden met de officiële richtlijnen voor een correct gebruik van antibacteriële middelen.
4.2 Dosering en wijze van toediening
Dosering
De dagelijkse dosis fosfomycine wordt bepaald op basis van de indicatie, ernst en plaats van de infectie, gevoeligheid van de ziekteverwekker(s) voor fosfomycine en de nierfunctie. Bij kinderen, wordt het ook bepaald door de leeftijd en het gewicht.
Volwassenen en adolescenten (≥ 12 jaar) (≥ 40 kg):
De algemene doseringsrichtlijnen voor volwassenen en adolescenten met een geschatte creatinineklaring > 80 ml/min zijn als volgt:
Tabel 1 – Dosering bij volwassenen en adolescenten met CrCl > 80 ml/min
| Indicatie | Dagelijkse dosis |
|---|---|
| Gecompliceerde urineweginfectie | 12-24 g a in 2-3 verdeelde doses |
| Infectieuze endocarditis | 12-24 g a in 2-3 verdeelde doses |
| Bot- en gewrichtsinfecties | 12-24 g a in 2-3 verdeelde doses |
| In het ziekenhuis opgelopen pneumonie, met inbegrip van longontsteking door mechanische beademing | 12-24 g a in 2-3 verdeelde doses |
| Gecompliceerde infecties van huid en weke delen | 12-24 g a in 2-3 verdeelde doses |
| Bacteriële meningitis | 16-24 g a in 3-4 verdeelde doses |
| Gecompliceerde intra-abdominale infecties | 12-24 g a in 2-3 verdeelde doses |
| Bacteriëmie die optreedt in verband met of waarvan vermoed wordt dat deze verband houdt met een van de bovengenoemde infecties | 12-24 g a in 2-3 verdeelde doses |
Individuele doses mogen niet hoger zijn dan 8 g.
a Het regime met hoge dosering verdeeld over 3 doses moet worden gebruikt bij ernstige infecties waarvan verwacht wordt of bekend is dat ze veroorzaakt worden door minder gevoelige bacteriën.
Er zijn beperkte veiligheidsgegevens in het bijzonder bij doses hoger dan 16 g/dag. Bijzondere voorzichtigheid is geboden wanneer dergelijke doses worden voorgeschreven.
Duur van de behandeling
Bij de duur van de behandeling moet rekening worden gehouden met het type infectie, de ernst van de infectie en de klinische respons van de patiënt.
Ouderen
De aanbevolen doses voor volwassenen moeten worden gebruikt bij oudere patiënten. Voorzichtigheid is geboden wanneer doses worden overwogen die hoger zijn dan het aanbevolen bereik (zie ook aanbevelingen voor de dosering voor patiënten met een nierfunctiestoornis).
Nierfunctiestoornis
Aanpassing van de dosering wordt niet aanbevolen bij patiënten met een geschatte creatinineklaring tussen 40–80 ml/min. Voorzichtigheid is echter geboden in deze gevallen, met name wanneer de hogere doses binnen het aanbevolen bereik worden overwogen.
Bij patiënten met nierfunctiestoornis dient de dosis fosfomycine te worden aangepast aan de ernst van de nierfunctiestoornis.
Dosistitratie moet gebaseerd zijn op creatinineklaringswaarden.
Tabel 2 toont de aanbevolen dosisaanpassingen voor patiënten met een CrCl van minder dan 40 ml/min:
Tabel 2 – Dosisaanpassing voor patiënten met een CrCl van minder dan 40 ml/min
| CrCl patiënt | CrCl patiënt/ CrCl normaal | Dagelijkse aanbevolen doseringa |
|---|---|---|
| 40 ml/min | 0,333 | 70% (in 2-3 verdeelde doses) |
| 30 ml/min | 0,250 | 60% (in 2-3 verdeelde doses) |
| 20 ml/min | 0,167 | 40% (in 2-3 verdeelde doses) |
| 10 ml/min | 0,083 | 20% (in 1-2 verdeelde doses) |
a De dosis wordt uitgedrukt als een percentage van de dosis die zou worden beschouwd als gepast als de nierfunctie normaal was zoals berekend volgens de Cockcroft-Gault-formule.
De eerste dosis (oplaaddosis) moet worden verhoogd met 100%, maar mag niet meer zijn dan 8 g.
Patiënten die een nierfunctievervangende behandeling ondergaan
Patiënten die chronische intermitterende dialyse (om de 48 uur) ondergaan, dienen 2 g fosfomycine toegediend te krijgen aan het einde van elke dialysesessie.
Tijdens continue venoveneuze hemofiltratie (CVVH na verdunning) wordt fosfomycine effectief geëlimineerd. Voor patiënten die CVVH na verdunning ondergaan, is geen dosisaanpassing nodig (zie rubriek 5.2).
Leverfunctiestoornis
Er is geen aanpassing van de dosis noodzakelijk voor patiënten met leverinsufficiëntie.
Pediatrische patiënten
Aanbevolen doseringen zijn gebaseerd op zeer beperkte gegevens.
Pasgeborenen, zuigelingen en kinderen < 12 jaar (< 40 kg)
De dosering van fosfomycine bij kinderen moet worden gebaseerd op de leeftijd en het lichaamsgewicht (LG):
Tabel 3 – Dosering bij kinderen en pasgeborenen
| Leeftijd/gewicht | Dagelijkse dosis |
|---|---|
| Premature pasgeborenen (leeftijd a < 40 weken) | 100 mg/kg LG in 2 afzonderlijke doses |
| Pasgeborenen (leeftijd a 40-44 weken) | 200 mg/kg LG in 3 afzonderlijke doses |
| Zuigelingen 1-12 maanden (tot 10 kg LG) | 200-300 b mg/kg LG in 3 afzonderlijke doses |
|---|---|
| Zuigelingen en kinderen van 1 ≤ 12 jaar (10 ≤ 40 kg LG) | 200-400 b mg/kg LG in 3-4 afzonderlijke doses |
a Som van zwangerschapsduur en postnatale leeftijd
b Het hogedosisregime kan worden overwogen voor hevige infecties en/of ernstige infecties (zoals meningitis), met name wanneer bekend is of vermoed wordt dat deze veroorzaakt wordt door organismen met matige gevoeligheid.
Er kunnen geen dosisaanbevelingen worden gedaan voor kinderen met nierinsufficiëntie.
Wijze van toediening
Fomicyt is bedoeld voor intraveneus gebruik.
De duur van infusie moet ten minste 15 minuten zijn voor de 2 g verpakkingsgrootte, ten minste 30 minuten voor de 4 g verpakkingsgrootte en ten minste 60 minuten voor de 8g-verpakkingsgrootte.
Omdat onbedoelde intra-arteriële toediening van producten die niet specifiek zijn aanbevolen voor intra-arteriële toediening schadelijk kunnen zijn, is het essentieel om ervoor te zorgen dat fosfomycine alleen wordt toegediend in de venen.
Voor instructies over reconstitutie en verdunning van het geneesmiddel voorafgaand aan toediening, zie rubriek 6.6.
4.3 Contra-indicaties
Overgevoeligheid voor de werkzame stof of voor een van de in rubriek 6.1 vermelde hulpstoffen.
4.4 Bijzondere waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik
Risico op selectie van resistentie en de noodzaak van combinatietherapie
Uit in vitro onderzoek is gebleken dat bij therapie met fosfomycine resistente mutanten worden uitgeselecteerd. Ook in klinische onderzoeken is het gebruik van intraveneus fosfomycine als monotherapie in verband gebracht met de selectie van resistentie. Het wordt daarom aanbevolen, waar mogelijk, fosfomycine toe te dienen als onderdeel van een antibacteriële combinatiebehandeling om zo het risico op selectie van resistentie te verlagen.
Beperkingen van de klinische gegevens
De klinische gegevens ter ondersteuning van het gebruik van intraveneus fosfomycine voor de behandeling van sommige van de genoemde indicaties wordt beperkt door een gebrek aan voldoende gerandomiseerde gecontroleerde onderzoeken. Verder zijn verschillende doseringsschema's gebruikt en wordt geen enkel intraveneus dosisregime sterk ondersteund door klinische onderzoeksgegevens. Het wordt aanbevolen fosfomycine alleen te selecteren voor de behandeling van de vermelde indicaties wanneer het niet passend wordt geacht antibacteriële middelen te gebruiken die gewoonlijk worden aanbevolen voor initiële behandeling.
Overgevoeligheidsreacties
Ernstige en soms fatale overgevoeligheidsreacties, waaronder anafylaxie en anafylactische shock, kunnen optreden tijdens behandeling met fosfomycine (zie rubriek 4.3 en 4.8). Als een dergelijke reactie optreedt, moet de behandeling met fosfomycine onmiddellijk worden stopgezet en moeten passende noodmaatregelen worden gestart.
Clostridium difficile-geassocieerde diarree
Clostridium difficile-geassocieerde colitis en pseudomembraneuze colitis zijn gemeld met fosfomycine en kunnen variëren van licht tot levensbedreigend (zie rubriek 4.8). Daarom is het belangrijk om deze diagnose in overweging te nemen bij patiënten die zich presenteren met diarree tijdens of na de toediening van fosfomycine. Stopzetting van de behandeling met fosfomycine en toediening van specifieke behandeling voor Clostridium difficile dient te worden overwogen. Geneesmiddelen die de peristaltiek, remmen mogen niet worden gegeven.
Natrium- en kaliumniveaus en risico op natriumoverbelasting
Natrium- en kaliumniveaus moeten regelmatig worden gecontroleerd bij patiënten die fosfomycine krijgen, met name tijdens langdurige behandeling. Gezien het hoge gehalte aan natrium (0,32 gram) per gram fosfomycine, moet het risico op hypernatriëmie en hypervolemie worden beoordeeld vóór het begin van de behandeling, met name bij patiënten met een voorgeschiedenis van congestief hartfalen of onderliggende comorbiditeiten als nefrotisch syndroom, levercirrose, hypertensie, hyperaldosteronisme, longoedeem of hypoalbuminemie en bij pasgeborenen met natriumbeperking. Een natriumarm dieet wordt aanbevolen tijdens de behandeling. Een toename van de infusieduur en/of een verlaging van de individuele dosis (met frequentere toediening) kan ook worden overwogen. Fosfomycine kan de kaliumspiegels in serum of plasma verlagen, daarom moet kaliumsuppletie altijd worden overwogen.
Hematologische reacties (waaronder agranulocytose)
Bij patiënten die fosfomycine intraveneus krijgen, hebben zich hematologische reacties voorgedaan, waaronder neutropenie of agranulocytose (zie rubriek 4.8). Daarom moeten er regelmatig leukocytentellingen plaatsvinden en als een dergelijke reactie optreedt, dient een adequate medische behandeling te worden gestart.
Nierfunctiestoornis
Bij patiënten met een nierfunctiestoornis moet de dosis worden aangepast, afhankelijk van de ernst van nierinsufficiëntie (zie rubriek 4.2).
Hulpstoffen
1 g fosfomycine (overeenkomend met 1,32 g dinatriumfosfomycine) bevat 14 mmol (320 mg) natrium, overeenkomend met 16% van de door de Wereldgezondheidsorganisatie aanbevolen maximale dagelijkse inname via het voedsel van 2 g natrium door een volwassene. Eén fles met 2 g fosfomycine bevat 28 mmol (640 mg) natrium, één fles met 4 g fosfomycine bevat 56 mmol (1280 mg) natrium en één fles met 8 g fosfomycine bevat 111 mmol (2560 mg) natrium.
4.5 Interacties met andere geneesmiddelen en andere vormen van interactie
Specifieke problemen in verband met veranderingen van de international normalised ratio (INR):
Een groot aantal gevallen van verhoogde werking van orale anticoagulantia is gemeld bij patiënten die antibacteriële middelen kregen. De ernst van de infectie of ontsteking, leeftijd van de patiënt en algehele gezondheidstoestand lijken risicofactoren te zijn. Onder deze omstandigheden is het moeilijk te bepalen in welke mate de infectie of de behandeling ervan een rol spelen bij de verandering van de (INR). Bepaalde klassen antibiotica spelen echter vaker een rol, met name: fluoroquinolonen, macroliden, cyclines, co-trimoxazol, en bepaalde cefalosporines.
4.6 Vruchtbaarheid, zwangerschap en borstvoeding
Zwangerschap:
Er zijn geen gegevens over het gebruik van intraveneus toegediend fosfomycine bij zwangere vrouwen. Fosfomycine passeert de placenta. De resultaten van dieronderzoek duiden niet op directe of indirecte schadelijke effecten wat betreft reproductietoxiciteit (zie rubriek 5.3). Fosfomycine mag daarom niet worden voorgeschreven aan zwangere vrouwen, tenzij de voordelen groter zijn dan de risico's.
Borstvoeding:
Na toediening van fosfomycine werden kleine hoeveelheden gevonden in de moedermelk. Er is weinig informatie beschikbaar over gebruik van fosfomycine tijdens het geven van borstvoeding, daarom wordt deze behandeling niet aanbevolen als eerste keuze voor een vrouw die borstvoeding geeft, vooral als ze borstvoeding geeft aan een premature of pasgeboren baby. Er werden geen specifieke risico's aangetoond voor een kind dat borstvoeding krijgt, maar zoals met alle andere antibiotica, moet rekening worden gehouden met een potentieel risico op veranderingen in de darmflora van de pasgeboren baby.
Vruchtbaarheid:
Er zijn geen gegevens beschikbaar over mensen. Bij mannelijke en vrouwelijke ratten had orale toediening van fosfomycine van maximaal 1000 mg/kg/dag geen invloed op de vruchtbaarheid (zie rubriek 5.3).
4.7 Beïnvloeding van de rijvaardigheid en het vermogen om machines te bedienen
Er zijn geen specifieke onderzoeken uitgevoerd, maar patiënten moeten geïnformeerd worden dat melding is gedaan van verwardheid en asthenie. Dit kan bij sommige patiënten van invloed zijn op hun rijvaardigheid en op het vermogen om machines te bedienen (zie rubriek 4.8).
4.8 Bijwerkingen
Samenvatting van het veiligheidsprofiel
De vaakst gemelde bijwerkingen tijdens behandeling zijn erythemateuze uitslag, verstoorde elektrolytenbalans (zie rubriek 4.4), reacties op de injectieplaats, dysgeusie en gastro-intestinale stoornissen. Andere belangrijke bijwerkingen zijn onder andere anafylactische shock, antibiotica-geassocieerde colitis en verlaagd aantal witte bloedcellen (zie rubriek 4.4).
Tabel met bijwerkingen
Bijwerkingen vermeld volgens systeem/orgaanklasse en frequentie volgens de volgende conventie:
Zeer vaak: ≥ 1/10
Vaak: ≥ 1/100, < 1/10
Soms: ≥ 1/1.000, < 1/100
Zelden: ≥ 1/10.000, < 1/1.000
Zeer zelden: < 1/10.000
Niet bekend: kan met de beschikbare gegevens niet worden bepaald
Binnen elke frequentiegroepering worden bijwerkingen weergegeven in volgorde van afnemende ernst.
| Systeem/orgaanklasse | Frequentie | Bijwerking |
|---|---|---|
| Bloed- en lymfestelselaandoeningen | Niet bekend | Agranulocytose (van voorbijgaande aard), leukopenie, trombocytopenie, neutropenie |
| Immuunsysteemaandoeningen | Zeer zelden | Anafylactische reacties, waaronder anafylactische shock en overgevoeligheid (zie rubriek 4.4) |
| Zenuwstelselaandoeningen | Vaak | Dysgeusie |
| Soms | Hoofdpijn | |
| Onderzoeken | Vaak | Hypernatriëmie, hypokaliëmie* (zie rubriek 4.4) |
| Maagdarmstelselaandoeningen | Soms | Misselijkheid, braken, diarree |
| Niet bekend | Antibiotica-geassocieerde colitis (zie rubriek 4.4) | |
| Lever- en galaandoeningen | Soms | Alkalische fosfatase in bloed verhoogd (van voorbijgaande aard), verhoogde transaminasen (ALAT, ASAT), gamma-GT verhoogd |
| Niet bekend | Hepatitis | |
| Huid- en onderhuidaandoeningen | Vaak | Erythemateuze eruptie |
| Soms | Huiduitslag | |
| Niet bekend | Angio-oedeem, pruritus, urticaria | |
| Algemene aandoeningen en toedieningsplaatsstoornissen | Vaak | Flebitis op de injectieplaats |
| Soms | Asthenie |
* zie rubriek hieronder (Beschrijving van bepaalde bijwerkingen)
Beschrijving van bepaalde bijwerkingen:
Hypokaliëmie kan resulteren in diffuse symptomen als zwakte, vermoeidheid of oedeem en/of spiertrekkingen. Ernstige vormen kunnen leiden tot hyporeflexie en hartritmestoornissen. Hypernatriëmie kan gepaard gaan met dorst, hypertensie en tekenen van hypervolemie zoals oedeem (zie rubriek 4.4). Ernstige vormen kunnen leiden tot verwardheid, hyperreflexie, epileptische aanvallen en coma.
Pediatrische patiënten
Beperkte veiligheidsinformatie is beschikbaar over de pediatrische populatie. Verwacht kan worden dat frequentie, type en de ernst van bijwerkingen vergelijkbaar zijn met die in de volwassen populatie.
Melding van vermoedelijke bijwerkingen
Het is belangrijk om na toelating van het geneesmiddel vermoedelijke bijwerkingen te melden. Op deze wijze kan de verhouding tussen voordelen en risico’s van het geneesmiddel voortdurend worden gevolgd. Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg wordt verzocht alle vermoedelijke bijwerkingen te melden via het Nederlands Bijwerkening Centrum Lareb (website: ww.lareb.nl).
4.9 Overdosering
Ervaring met betrekking tot overdosering van fosfomycine is beperkt. Gevallen van hypotonie, slaperigheid, verstoorde elektrolytenbalans, trombocytopenie en hypoprotrombinemie zijn gemeld bij parenteraal gebruik van fosfomycine. In geval van overdosering moet de patiënt worden bewaakt (met name voor elektrolytenspiegels in serum en plasma) en de behandeling moet symptomatisch en ondersteunend zijn. Rehydratatie wordt aanbevolen ter bevordering van de eliminatie van de werkzame stof via de urine. Fosfomycine wordt effectief uit het lichaam geklaard door hemodialyse met een gemiddelde eliminatiehalfwaardetijd van ongeveer 4 uur.
5 FARMACOLOGISCHE EIGENSCHAPPEN
5.1 Farmacodynamische eigenschappen
Farmacotherapeutische categorie: Antibiotica voor systemisch gebruik; Andere antibiotica
ATC-code: J01XX01
Werkingsmechanisme
Fosfomycine oefent een bacteriedodende werking uit op vermenigvuldigende pathogenen door preventie van enzymatische synthese van de bacteriële celwand. Fosfomycine remt de eerste fase van intracellulaire synthese van de bacteriële celwand door het blokkeren van de peptidoglycaansynthese.
Fosfomycine wordt actief tot in de bacteriële cel getransporteerd via twee verschillende transportsystemen (het sn-glycerol-3-fosfaat- en het hexose-6-transportsysteem).
Farmacokinetische/farmacodynamische relatie
Beperkte gegevens geven aan dat fosfomycine werkt op een tijdsafhankelijke manier.
Resistentiemechanisme
Het belangrijkste resistentiemechanisme is een chromosomale mutatie die de transportsystemen van fosfomycine in de bacteriën wijzigt. Andere resistentiemechanismen, met plasmiden of transposonen, veroorzaken enzymatische de-activering van fosfomycine door respectievelijk de molecule te binden aan glutathion of door de koolstof fosforverbinding in het fosfomycinemolecuul te splitsen.
Kruisresistentie
Kruisresistentie tussen fosfomycine en andere antibioticaklassen is niet bekend.
Gevoeligheidstestbreekpunten
Het Europees Comité voor tests op antimicrobiële resistentie (EUCAST) heeft voor intraveneus fosfomycine interpretatiecriteria voor gevoeligheidstests vastgesteld met betrekking tot de MRC (minimale remmende concentratie). U kunt die criteria raadplegen via de volgende link:
https://www.ema.europa.eu/documents/other/minimum-inhibitory-concentration-mic-breakpoints_en.xlsx
Gevoeligheid
De prevalentie van verworven resistentie van individuele soorten kan geografisch en in de tijd variëren. Plaatselijke informatie over de resistentiesituatie is daarom noodzakelijk, vooral om te zorgen voor passende behandeling van ernstige infecties.
De informatie hieronder geeft slechts bij benadering een richtlijn over de waarschijnlijkheid dat het micro-organisme gevoelig is voor fosfomycine of niet.
Veelal gevoelige soorten
Aerobe grampositieve micro-organismen
Staphylococcus aureus
Aerobe gramnegatieve micro-organismen
Citrobacter freundii
Citrobacter koseri
Escherichia coli
Haemophilus influenzae
Neisseria meningitidis
Salmonella enterica
Anaerobe micro-organismen
Fusobacterium spp.
Peptococcus spp.
Peptostreptococcus spp.
Soorten waarbij verworven resistentie een probleem kan zijn
Aerobe grampositieve micro-organismen
Staphylococcus epidermidis
Streptococcus pneumoniae
Enterococcus spp.
Aerobe gramnegatieve micro-organismen
Enterobacter cloacae
Klebsiella aerogenes
Klebsiella oxytoca
Klebsiella pneumonia
Proteus mirabilis
Pseudomonas aeruginosa
Serratia marcescens
Anaerobe grampositieve micro-organismen
Clostridium spp.
Inherent resistente soorten
Aerobe grampositieve micro-organismen
Staphylococcus saprophyticus
Streptococcus pyogenes
Aerobe gramnegatieve micro-organismen
Legionella pneumophila
Morganella morganii
Stenotrophomonas maltophilia
Anaerobe gramnegatieve micro-organismen
Bacteroides spp.
Andere micro-organismen
Chlamydia spp.
Chlamydophila spp.
Mycoplasma spp.
5.2 Farmacokinetische eigenschappen
Farmacokinetiek
Een eenmalige intraveneuze infusie van 4 g of 8 g fosfomycine bij jonge gezonde mannen resulteerde in maximale serumconcentraties (Cmax) van respectievelijk ongeveer 200 en 400 μg/ml. De serumhalfwaardetijd bedroeg circa 2 uur. Bij oudere en/of ernstig zieke mannelijke en vrouwelijke proefpersonen, resulteerden eenmalige intraveneuze doses van 8 g fosfomycine in gemiddelde Cmax en halfwaardetijden in plasma van respectievelijk ongeveer 350–380 μg/ml en 3,6–3,8 uur.
Distributie
Het schijnbare distributievolume van fosfomycine is ongeveer 0,30 liter per kg lichaamsgewicht. Fosfomycine wordt goed naar weefsels gedistribueerd. Hoge concentraties worden bereikt in ogen, botten, wondafscheiding, spierstelsel, cutis, subcutis, longen en gal. Bij patiënten met ontstoken hersenvliezen bereiken cerebrospinale vloeistofconcentraties ongeveer 20–50% van de corresponderende serumspiegels. Fosfomycine passeert de placenta. Lage hoeveelheden werden gevonden in moedermelk (ongeveer 8% van de serumconcentraties). De plasma-eiwitbinding is verwaarloosbaar.
Metabolisme
Fosfomycine wordt niet gemetaboliseerd door de lever en ondergaat geen enterohepatische circulatie. Daarom is geen stapeling te verwachten bij patiënten met leverinsufficiëntie.
Eliminatie
80–90% van de hoeveelheid fosfomycine die wordt toegediend aan gezonde volwassenen wordt renaal geëlimineerd binnen 12 uur na een eenmalige intraveneuze toediening. Een klein deel van het antibioticum wordt gevonden in feces (0,075%). Fosfomycine wordt niet gemetaboliseerd, d.w.z. dat het biologisch werkzame bestanddeel wordt geëlimineerd. Bij patiënten met normale of licht tot matig verminderde nierfunctie (creatinineklaring ≥ 40 ml/min), wordt ongeveer 50–60% van de totale dosis uitgescheiden in de eerste 3-4 uur.
Lineariteit
Fosfomycine vertoont lineair farmacokinetisch gedrag na intraveneuze infusie van therapeutisch gebruikte doses.
Speciale populaties
Er zijn zeer beperkte gegevens beschikbaar over speciale populaties.
Ouderen
Er is geen dosisaanpassing nodig op basis van alleen leeftijd. De nierfunctie moet echter worden beoordeeld en de dosis moet worden verlaagd als er sprake is van een nierfunctiestoornis (zie rubriek 4.2).
Pediatrische patiënten
De farmacokinetiek van fosfomycine bij kinderen en adolescenten in de leeftijd van 3–15 jaar en in voldragen pasgeborenen met een normale nierfunctie zijn doorgaans vergelijkbaar met die van gezonde volwassen proefpersonen. Bij renaal gezonde pasgeborenen en kinderen tot 12 maanden is de glomerulaire filtratiesnelheid echter fysiologisch verminderd vergeleken met die van oudere kinderen en volwassenen. Dit leidt tot een verlenging van de eliminatiehalfwaardetijd van fosfomycine afhankelijk van het stadium van nierontwikkeling. Nierfunctiestoornis
Bij patiënten met een verminderde nierfunctie neemt de eliminatiehalfwaardetijd verhoudingsgewijs toe volgens de ernst van de nierinsufficiëntie. Bij patiënten met een creatinineklaring van 40 ml/min of minder is aanpassing van de dosis vereist (zie ook rubriek 4.2. "Nierfunctiestoornis" voor verdere details).
In een onderzoek naar 12 patiënten met CVVH werden gebruikelijke polyethyleen sulfon hemofilters met een membraanoppervlak van 1,2 m2 en een gemiddelde ultrafiltratie frequentie van 25 ml/min gebruikt. In deze klinische setting waren de gemiddelde waarden van plasmaklaring en eliminatiehalfwaardetijd in plasma respectievelijk 100 ml/min en 12 u.
Leverfunctiestoornis
Er is geen dosisaanpassing nodig bij patiënten met leverinsufficiëntie aangezien de farmacokinetiek van fosfomycine onaangetast blijft in deze patiëntengroep.
5.3 Gegevens uit het preklinisch veiligheidsonderzoek
Niet-klinische gegevens duiden niet op een speciaal risico voor mensen. Deze gegevens zijn afkomstig van conventioneel onderzoek op het gebied van veiligheidsfarmacologie, toxiciteit bij herhaalde dosering, genotoxiciteit en reproductietoxiciteit.
Er zijn geen gegevens beschikbaar over carcinogeniciteit voor fosfomycine.
6 FARMACEUTISCHE GEGEVENS
6.1 Lijst van hulpstoffen
Barnsteenzuur.
6.2 Gevallen van onverenigbaarheid
Hoewel geen chemische/farmaceutische onverenigbaarheden zijn gevonden, mogen Fomicyt-oplossingen niet worden gemengd met andere parenterale bereidingen dan die welke vermeld zijn in rubriek 6.6.
6.3 Houdbaarheid
4 jaar.
De chemische en fysische stabiliteit tijdens gebruik van de uiteindelijke verdunde oplossing die onder aseptische omstandigheden is geproduceerd, is aangetoond gedurende 24 uur bij 25°C indien beschermd tegen licht.
Vanuit microbiologisch oogpunt moet het product onmiddellijk worden gebruikt. Als het product niet onmiddellijk wordt gebruikt, zijn de bewaartijden tijdens gebruik en de omstandigheden vóór gebruik de verantwoordelijkheid van de gebruiker en mogen ze normaal gezien niet langer zijn dan 24 uur bij 2 tot 8°C, tenzij de bereiding heeft plaatsgevonden onder gecontroleerde en gevalideerde aseptische omstandigheden.
6.4 Speciale voorzorgsmaatregelen bij bewaren
Voor dit geneesmiddel zijn er geen speciale bewaarcondities.
Voor de bewaring van de oplossing voor infusie zie rubriek 6.3.
6.5 Aard en inhoud van de verpakking
Heldere glazen type I-flessen met een rubberen stop (broombutylrubber) en sluiting die de volgende hoeveelheid Fomicyt volgende bevatten
- 2 g (in fles van 30 ml) in verpakkingen van 10 flessen
- 4 g (in fles van 30 ml) in verpakkingen van 10 flessen
- of 8 g (in fles van 50 ml) in verpakking(en) van 1 of 10 fles(sen).
Niet alle genoemde verpakkingsgrootten worden in de handel gebracht.
6.6 Speciale voorzorgsmaatregelen voor het verwijderen en andere instructies
Uitsluitend voor eenmalig gebruik.
Al het ongebruikte geneesmiddel of afvalmateriaal dient te worden vernietigd overeenkomstig de lokale voorschriften.
Bereiding van de oplossing voor infusie
Fomicyt moet voor toediening worden gereconstitueerd en verdund.
Water voor injecties en glucose-infusie 50 mg/ml (5%) of glucose-infusie 100 mg/ml (10%) kan gebruikt worden als oplosmiddel voor de reconstitutie en verdunning. Natriumchloride met oplosmiddelen dient niet gebruikt te worden (zie rubriek 4.4).
Reconstitutie
Schud de flacon voorafgaand aan de reconstitutie om het poeder los te maken. Reconstitueer de 2 g of 4 g flacons met 20 ml en de 8 g flacon met 40 ml oplosmiddel. Goed schudden om op te lossen.
De oplossing warmt een beetje op wanneer het poeder is opgelost.
Let op: deze voorlopige oplossing is niet bedoeld voor directe infusie. Trek de oplossing volledig op uit de oorspronkelijke flacon. Breng de opgetrokken vloeistof over in een infuuszak of andere geschikte infuuscontainer voor verdere verdunning als volgt.
Verdunning
Breng de gereconstitueerde inhoud van 2 g flacons over in een infuuscontainer met nog eens 30 ml oplosmiddel.
Breng de gereconstitueerde inhoud van 4 g flacons over in een infuuscontainer met nog eens 80 ml oplosmiddel.
Breng de gereconstitueerde inhoud van 8 g flacons over in een infuuscontainer met nog eens 160 ml oplosmiddel.
De gereconstitueerde oplossing is helder en kleurloos tot licht geelachtig.
Vervangingswaarde
De vervangingswaarden voor de gereconstitueerde oplossingen bedragen 1 ml voor de verpakking van 2 g, 2 ml voor de verpakking van 4 g en 4 ml voor de verpakking van 8 g.
Deze volumes komen overeen met een volumestijging van 2%. Daarmee moet rekening worden gehouden wanneer niet het gehele volume van de uiteindelijke verdunde oplossing wordt gebruikt.
7 HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
InfectoPharm Arzneimittel und Consilium GmbH
Von-Humboldt-Str. 1
64646 Heppenheim
Duitsland
8 NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
RVG 115433
9 DATUM VAN EERSTE VERLENING VAN DE VERGUNNING/HERNIEUWING VAN DE VERGUNNING
Datum van eerste verlening van de vergunning: 31 juli 2015
Datum van laatste verlenging: 04 juni 2020
10 DATUM VAN HERZIENING VAN DE TEKST
Laatste gedeeltelijke wijziging betreft rubriek 5.1: 14 augustus 2024
