SmPC (samenvatting van de productkenmerken) - Pazopanib Accord
1. NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
Pazopanib Accord 200 mg filmomhulde tabletten
Pazopanib Accord 400 mg filmomhulde tabletten
2. KWALITATIEVE EN KWANTITATIEVE SAMENSTELLING
Pazopanib Accord 200 mg filmomhulde tabletten
Elke filmomhulde tablet bevat pazopanib-hydrochloride, overeenkomend met 200 mg pazopanib.
Pazopanib Accord 400 mg filmomhulde tabletten
Elke filmomhulde tablet bevat pazopanib-hydrochloride, overeenkomend met 400 mg pazopanib.
Voor de volledige lijst van hulpstoffen, zie rubriek 6.1.
3. FARMACEUTISCHE VORM
Filmomhulde tablet.
Pazopanib Accord 200 mg filmomhulde tabletten
Capsulevormige, roze, filmomhulde tablet met de markering “200” op één zijde, met afmetingen van ongeveer 14,3 mm × 5,7 mm.
Pazopanib Accord 400 mg filmomhulde tabletten
Capsulevormige, witte, filmomhulde tablet met de markering “400” op één zijde, met afmetingen van ongeveer 18,0 mm × 7,1 mm.
4. KLINISCHE GEGEVENS
4.1 Therapeutische indicaties
Niercelcarcinoom (RCC)
Pazopanib Accord is bij volwassenen geïndiceerd voor de eerstelijnsbehandeling van gevorderd niercelcarcinoom (RCC, renal cell carcinoma) en voor patiënten die eerder een cytokinebehandeling hebben ondergaan voor het gevorderde stadium van de ziekte.
Wekedelensarcoom (STS)
Pazopanib Accord is geïndiceerd voor de behandeling van volwassen patiënten met bepaalde subtypes van gevorderd wekedelensarcoom (STS) die eerder chemotherapie voor gemetastaseerde ziekte hebben ondergaan of bij wie binnen 12 maanden na (neo-)adjuvante therapie progressie is opgetreden.
De werkzaamheid en veiligheid zijn alleen vastgesteld bij bepaalde histologische tumorsubtypes van STS (zie rubriek 5.1).
4.2 Dosering en wijze van toediening
De behandeling met Pazopanib Accord mag uitsluitend worden gestart door een arts met ervaring in de toediening van geneesmiddelen tegen kanker.
Dosering
Volwassenen
De aanbevolen dosering voor de behandeling van RCC of STS is 800 mg pazopanib eenmaal daags.
Dosisaanpassingen
Dosisaanpassingen (verhoging of verlaging) moeten gebeuren met stapsgewijze verhogingen of verlagingen van 200 mg, gebaseerd op de individuele verdraagbaarheid om zo bijwerkingen te beheersen. De dosis pazopanib mag de 800 mg niet overschrijden.
Pediatrische patiënten
Pazopanib mag niet worden gebruikt bij kinderen jonger dan 2 jaar vanwege veiligheidsoverwegingen aangaande orgaangroei en ontwikkeling (zie rubriek 4.4 en 5.3).
De veiligheid en werkzaamheid van pazopanib bij kinderen in de leeftijd van 2 tot 18 jaar zijn nog niet vastgesteld.
De momenteel beschikbare gegevens worden beschreven in rubriek 4.8, 5.1 en 5.2, maar er kan geen doseringsadvies worden gegeven.
Ouderen
Er zijn beperkte gegevens beschikbaar over het gebruik van pazopanib bij patiënten van 65 jaar en ouder. In de klinische RCC-studies met pazopanib werden in het algemeen voor pazopanib geen klinisch significante verschillen in veiligheid waargenomen tussen personen van ten minste 65 jaar en jongere personen. Klinische ervaringen hebben geen verschillen in respons laten zien tussen oudere en jongere patiënten, maar een grotere gevoeligheid bij sommige oudere patiënten kan niet worden uitgesloten.
Verminderde nierfunctie
Het is niet waarschijnlijk dat een verminderde nierfunctie een klinisch relevant effect zal hebben op de farmacokinetiek van pazopanib, gezien de beperkte renale uitscheiding van pazopanib en metabolieten daarvan (zie rubriek 5.2). Daarom is geen dosisaanpassing vereist bij patiënten met een creatinineklaring boven 30 ml/min. Voorzichtigheid is geboden bij patiënten met een creatinineklaring minder dan 30 ml/min, aangezien er geen ervaring is met pazopanib bij deze patiëntenpopulatie.
Verminderde leverfunctie
Doseringsaanbevelingen bij patiënten met een verminderde leverfunctie zijn gebaseerd op farmacokinetische onderzoeken met pazopanib bij patiënten met een variërende mate van hepatische disfunctie (zie rubriek 5.2). Alle patiënten moeten leverfunctietesten ondergaan om te bepalen of zij een verminderde leverfunctie hebben voor de start van en tijdens de behandeling met pazopanib (zie rubriek 4.4). Toediening van pazopanib aan patiënten met een licht of matig verminderde leverfunctie moet met voorzichtigheid gebeuren en de tolerantie moet nauwkeurig gecontroleerd worden. De aanbevolen dosering is eenmaal daags 800 mg pazopanib voor patiënten met lichte afwijkingen in de serumspiegels van leverenzymen (gedefinieerd als normale bilirubine en elke mate van alanineaminotransferase (ALAT)-verhoging of als een verhoging van de bilirubine (>35% direct) tot maximaal 1,5 × de bovengrens van normaal (upper limit of normal, ULN), ongeacht de ALAT-waarde). Een verlaagde dosis pazopanib van 200 mg eenmaal daags wordt aanbevolen bij patiënten met een matig verminderde leverfunctie (gedefinieerd als een verhoging van de bilirubine van >1,5 × tot 3 × ULN, ongeacht de ALAT-waarde) (zie rubriek 5.2).
Pazopanib wordt niet aanbevolen bij patiënten met ernstig verminderde leverfunctie (gedefinieerd als totaal bilirubine >3 × ULN, ongeacht de ALAT-waarde).
Zie rubriek 4.4 voor controle van de leverfunctie en dosisaanpassingen voor patiënten met geneesmiddelgeïnduceerde hepatotoxiciteit.
Wijze van toediening
Pazopanib is voor oraal gebruik. Het moet worden ingenomen zonder voedsel, ten minste één uur voor of twee uur na een maaltijd (zie rubriek 5.2). De filmomhulde tabletten moeten heel worden ingenomen met water en mogen niet worden gebroken of vermalen (zie rubriek 5.2).
4.3 Contra-indicaties
Overgevoeligheid voor de werkzame stof of voor een van de in rubriek 6.1 vermelde hulpstof(fen).
4.4 Bijzondere waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik
Effecten op de lever
Er zijn gevallen van leverfalen (waaronder overlijden) gemeld tijdens het gebruik van pazopanib. Pazopanib moet met voorzichtigheid worden toegediend aan patiënten met een licht tot matig verminderde leverfunctie en deze patiënten moeten nauwkeurig gecontroleerd worden. De aanbevolen dosis is eenmaal daags 800 mg pazopanib bij patiënten met lichte afwijkingen in de serumspiegels van leverenzymen (ofwel normaal bilirubine en elke mate van ALAT-verhoging, ofwel een verhoging van de bilirubine tot 1,5 × ULN ongeacht de ALAT-waarde). Er wordt een verlaagde dosis van 200 mg pazopanib eenmaal daags aanbevolen bij patiënten met een matig verminderde leverfunctie (verhoging van de bilirubine >1,5 tot 3 × ULN ongeacht de ALAT-waarde) (zie rubriek 4.2 en 5.2). Pazopanib wordt niet aanbevolen bij patiënten met ernstig leverfalen (totaal bilirubine >3 × ULN ongeacht de ALAT-waarde) (zie rubriek 4.2 en 5.2). Bij deze patiënten is blootstelling bij een dosis van 200 mg aanzienlijk verlaagd, maar wel erg variabel, met waarden die onvoldoende worden geacht om een klinisch relevant effect te bewerkstelligen.
In klinische studies met pazopanib zijn toenames in serumtransaminasen (ALAT, aspartaataminotransferase (ASAT)) en bilirubine waargenomen (zie rubriek 4.8). In de meeste gevallen werden op zichzelf staande toenames in ALAT en ASAT gemeld zonder gelijktijdige verhogingen van alkalische fosfatase of bilirubine. Patiënten ouder dan 60 jaar kunnen een hoger risico hebben op een lichte (>3 × ULN) tot ernstige (>8 × ULN) verhoging van ALAT. Patiënten die drager zijn van het HLA-B*57:01-allel hebben een verhoogd risico op pazopanib-geassocieerde ALAT-verhogingen. De leverfunctie moet worden gecontroleerd bij alle personen die pazopanib krijgen, ongeacht het genotype of de leeftijd (zie rubriek 5.1).
Bepalingen van serumspiegels van leverenzymen moeten worden uitgevoerd voor het begin van de behandeling met pazopanib en in week 3, 5, 7 en 9. Daarna moet controle plaatsvinden in maand 3 en maand 4 met bijkomende testen zoals klinisch geïndiceerd. Na maand 4 moeten periodieke testen blijven plaatsvinden.
Zie tabel 1 voor richtlijnen met betrekking tot dosisaanpassing voor patiënten met totale bilirubine baselinewaarden ≤1,5 × ULN en ASAT en ALAT ≤2 × ULN.
Tabel 1 Dosisaanpassing voor geneesmiddelgeïnduceerde hepatotoxiciteit
| Levertestwaarden | Dosisaanpassing |
|---|---|
| Transaminaseverhoging tussen 3 en 8 × ULN | Pazopanib blijven gebruiken met wekelijkse controle van de leverfunctie totdat de transaminasen terugkeren naar graad 1 of baseline. |
| Transaminaseverhoging >8 × ULN | Behandeling met pazopanib onderbreken totdat de transaminasen terug zijn naar graad 1 of baseline. Als het verwachte voordeel van het hervatten van de behandeling met pazopanib opweegt tegen het risico op hepatotoxiciteit, dan kan de behandeling met pazopanib opnieuw gestart worden met een verlaagde dosis van dagelijks 400 mg en moeten wekelijks serumleverfunctietesten uitgevoerd worden gedurende 8 weken. Indien na het hervatten van de behandeling met pazopanib de transaminaseverhogingen >3 × ULN opnieuw optreden, moet de behandeling met pazopanib permanent worden beëindigd. |
| Transaminaseverhogingen >3 × ULN met tegelijkertijd verhoogd bilirubine >2 × ULN | Permanent de behandeling met pazopanib beëindigen. Patiënten moeten worden gecontroleerd tot terugkeer naar graad 1 of baseline. Pazopanib is een UGT1A1-remmer. Lichte, indirecte (ongeconjugeerde) hyperbilirubinemie kan optreden bij patiënten met het syndroom van Gilbert. Patiënten met een lichte indirecte hyperbilirubinemie, bekend of vermoed syndroom van Gilbert, met een verhoging in ALAT van >3 × ULN moeten worden behandeld volgens de aanbevelingen voor geïsoleerde ALAT-verhogingen. |
Gelijktijdig gebruik van pazopanib en simvastatine vergroot het risico van ALAT-verhogingen (zie rubriek 4.5) en moet met voorzichtigheid gebeuren en er moet een nauwkeurige controle plaatsvinden.
Hypertensie
In klinische studies met pazopanib is hypertensie gemeld, inclusief nieuw gediagnosticeerde symptomatische episodes van verhoogde bloeddruk (hypertensieve crisis). De bloeddruk moet goed onder controle zijn voordat met de behandeling met pazopanib gestart wordt. Patiënten moeten gecontroleerd worden op hypertensie kort na aanvang van de behandeling (niet langer dan een week na het starten van pazopanib) en daarna ook nog regelmatig om zeker te zijn dat de bloeddruk goed is gereguleerd. Verhoogde bloeddruk (systolische bloeddruk ≥150 mm Hg of diastolische bloeddruk ≥100 mm Hg) trad vroeg op in de loop van de behandeling (ongeveer 40% trad op voor dag 9 en ongeveer 90% trad op in de eerste 18 weken). De bloeddruk moet worden gevolgd en bij verhoogde bloeddruk moet deze meteen worden behandeld met een combinatie van antihypertensieve behandeling en dosisaanpassing van pazopanib (onderbreking en hervatten met een lagere dosis op basis van klinisch oordeel) (zie rubriek 4.2 en 4.8). De behandeling met pazopanib moet worden gestaakt als er bewijs is van een hypertensieve crisis of als de hypertensie ernstig is en aanhoudt, ondanks een antihypertensieve behandeling en een verlaging van de pazopanibdosering.
Posterieur reversibel encefalopathiesyndroom (PRES)/reversibel posterieure leuko-encefalopathiesyndroom (RPLS)
Er is PRES/RPLS gemeld in samenhang met pazopanib. PRES/RPLS kan zich uiten als hoofdpijn, hypertensie, insult, lethargie, verwarring, blindheid en andere visuele en neurologische stoornissen, en kan dodelijk zijn. Patiënten die PRES/RPLS ontwikkelen, moeten permanent stoppen met de behandeling met pazopanib.
Interstitiële longziekte (interstitial lung disease, ILD)/pneumonitis
ILD, dat fataal kan zijn, is gemeld in samenhang met pazopanib (zie rubriek 4.8). Patiënten moeten worden gemonitord op pulmonale symptomen die indicatief kunnen zijn voor ILD/pneumonitis en de behandeling met pazopanib moet worden gestaakt bij patiënten die ILD of pneumonitis ontwikkelen.
Hartdisfunctie/hartfalen
De risico’s en voordelen van pazopanib moeten worden overwogen voor aanvang van de therapie bij patiënten met reeds bestaande hartdisfunctie. De veiligheid en farmacokinetiek van pazopanib bij patiënten met matig tot ernstig hartfalen of patiënten met een lagere dan normale linkerventrikelejectiefractie (LVEF) zijn niet onderzocht.
In klinische studies met pazopanib zijn hartdisfunctie, zoals hartfalen en een verminderde LVEF opgetreden (zie rubriek 4.8). In een gerandomiseerde studie waarin pazopanib en sunitinib werden vergeleken bij niercelcarcinoom (VEG108844) kregen proefpersonen baseline- en vervolgmetingen van de LVEF. Myocarddisfunctie kwam voor bij 13% (47/362) van de proefpersonen in de pazopanib-arm, vergeleken met 11% (42/369) van de proefpersonen in de sunitinib-arm. Congestief hartfalen werd gezien bij 0,5% van de proefpersonen in elke behandelingsarm. Congestief hartfalen werd gemeld bij 3 van de 240 proefpersonen (1%) in de fase III-studie VEG110727 STS. Bij 11% (15/140) van de proefpersonen in de pazopanib-arm bij wie na baseline en tijdens follow-up LVEF-metingen plaatsvonden, werd een afname van de LVEF vastgesteld tegenover bij 3% (1/39) van de proefpersonen in de placebo-arm.
Risicofactoren
Dertien van de vijftien proefpersonen in de pazopanib-arm van de fase III-studie bij STS leden gelijktijdig aan hypertensie die de hartdisfunctie bij patiënten met verhoogd risico mogelijk heeft verergerd door het verhogen van cardiale afterload. 99% van de patiënten (243/246) die deelnamen aan de fase III-studie bij STS, onder wie de eerdergenoemde 15 proefpersonen, kreeg anthracyclines. Behandeling met anthracyclines voorafgaand aan pazopanib-behandeling kan een risicofactor voor hartdisfunctie zijn.
Uitkomst
Vier van de vijftien proefpersonen herstelden volledig (binnen 5% van de baseline) en vijf herstelden gedeeltelijk (binnen het normale bereik, maar >5% onder de baseline). Eén proefpersoon herstelde niet en van vijf andere proefpersonen zijn de follow-upgegevens niet beschikbaar.
Behandeling
Onderbreking van pazopanib en/of verlaging van de dosis moeten worden gecombineerd met de behandeling van hypertensie (indien aanwezig, zie de hypertensiewaarschuwing hierboven) bij patiënten met een significante vermindering van de LVEF, zoals klinisch geïndiceerd.
Patiënten moeten zorgvuldig worden gecontroleerd op klinische tekenen of symptomen van congestief hartfalen. Meting van de LVEF bij baseline en periodiek daarna wordt aanbevolen bij patiënten met een risico op hartdisfunctie.
QT-verlenging en torsade de pointes
In klinische studies met pazopanib zijn QT-verlenging en torsade de pointes opgetreden (zie rubriek 4.8). Pazopanib moet met voorzichtigheid worden gebruikt bij patiënten met een geschiedenis van een QT-intervalverlenging, bij patiënten die antiaritmica of andere geneesmiddelen gebruiken die het QT-interval kunnen verlengen en bij patiënten met een relevante, reeds bestaande hartziekte. Bij het gebruik van pazopanib wordt aanbevolen het elektrocardiogram zowel bij baseline als periodiek te controleren en elektrolyten (bijvoorbeeld calcium, magnesium, kalium) binnen het normale bereik te houden.
Arteriële trombotische voorvallen
In klinische studies met pazopanib zijn myocardinfarct, myocardiale ischemie, ischemische beroerte en TIA gemeld (zie rubriek 4.8). Er zijn fatale gevallen gemeld. Pazopanib moet met voorzichtigheid worden gebruikt bij patiënten die een verhoogd risico hebben op trombotische voorvallen of die een trombotisch voorval in hun voorgeschiedenis hebben. Pazopanib is niet onderzocht bij patiënten die in de voorgaande 6 maanden een voorval hebben gehad. De beslissing om te behandelen moet worden genomen na afweging van het voordeel/risico voor de individuele patiënt.
Veneuze trombo-embolische voorvallen
In klinische studies met pazopanib heeft zich veneuze trombo-embolie waaronder veneuze trombose en fatale longembolie voorgedaan. Hoewel dit werd waargenomen in zowel RCC- als STS-studies, was de incidentie hoger in de STS-populatie (5%) dan in de RCC-populatie (2%).
Trombotische microangiopathie (TMA)
TMA is gemeld in klinische studies met pazopanib als monotherapie, met pazopanib in combinatie met bevacizumab en met pazopanib in combinatie met topotecan (zie rubriek 4.8). Patiënten die TMA ontwikkelen, moeten permanent stoppen met de behandeling met pazopanib. Omkering van de TMA-effecten is waargenomen nadat met de behandeling werd gestopt. Pazopanib is niet geïndiceerd voor gebruik in combinatie met andere middelen.
Hemorragische voorvallen
In klinische studies met pazopanib zijn hemorragische voorvallen gemeld (zie rubriek 4.8). Er zijn fatale hemorragische voorvallen gemeld. Pazopanib is niet onderzocht bij patiënten met een voorgeschiedenis van haemoptysis, cerebrale hemorragie of klinisch significante gastro-intestinale (GI) hemorragie in de voorgaande zes maanden. Pazopanib moet met voorzichtigheid worden gebruikt bij patiënten met een significant risico op hemorragie.
Aneurysma’s en arteriële dissecties
Het gebruik van remmers van de VEGF-route bij patiënten met of zonder hypertensie kan de vorming van aneurysma’s en/of arteriële dissecties bevorderen. Voordat een behandeling met pazopanib wordt gestart, moet dit risico zorgvuldig worden afgewogen bij patiënten met risicofactoren zoals hypertensie of een voorgeschiedenis van aneurysma’s.
Gastro-intestinale (GI) perforaties en fistels
In klinische studies met pazopanib zijn gevallen gemeld van gastro-intestinale perforaties en fistels (zie rubriek 4.8). Er zijn fatale perforaties gemeld. Pazopanib moet met voorzichtigheid worden gebruikt bij patiënten met een risico op GI-perforatie en -fistels.
Wondgenezing
Er zijn geen formele studies naar het effect van pazopanib op de wondgenezing uitgevoerd. Aangezien remmers van vasculair endotheliale groeifactor (VEGF) de wondgenezing kunnen verstoren, moet de behandeling met pazopanib ten minste zeven dagen voor een geplande operatie worden gestaakt. De beslissing om na de ingreep weer te starten met de behandeling met pazopanib moet worden gebaseerd op het klinische oordeel ten aanzien van adequate wondgenezing. De behandeling met pazopanib moet worden gestaakt bij patiënten met wonddehiscentie.
Hypothyreoïdie
In klinische studies met pazopanib zijn gevallen van hypothyreoïdie gemeld (zie rubriek 4.8). Er wordt aanbevolen aan het begin van de behandeling laboratoriummetingen van de schildklierfunctie uit te voeren. Patiënten met hypothyreoïdie moeten volgens de standaard worden behandeld voordat met de behandeling met pazopanib wordt gestart. Alle patiënten moeten nauwkeurig worden gevolgd op verschijnselen van schildklierdisfunctie tijdens de behandeling met pazopanib. Er moet periodiek een laboratoriumcontrole plaatsvinden van de schildklierfunctie die op de gebruikelijke wijze behandeld moet worden.
Proteïnurie
In klinische studies met pazopanib is proteïnurie gemeld. Er wordt aanbevolen bij baseline en daarna periodiek een urineanalyse uit te voeren. Patiënten moeten gecontroleerd worden op verergering van proteïnurie. Indien patiënten een nefrotisch syndroom ontwikkelen, moet de behandeling met pazopanib worden gestaakt.
Tumorlysissyndroom (TLS)
Het optreden van TLS, met inbegrip van fataal TLS, werd geassocieerd met het gebruik van pazopanib (zie rubriek 4.8). Patiënten met snelgroeiende tumoren, een hoge tumorlast, nierdisfunctie of dehydratatie hebben een verhoogd risico op TLS. Preventieve maatregelen zoals de behandeling van hoge concentraties urinezuur en intraveneuze hydratatie moeten worden overwogen alvorens met Pazopanib Accord te starten. Risicopatiënten moeten nauwkeurig worden opgevolgd en behandeld volgens de klinische richtlijnen.
Pneumothorax
In klinische studies met pazopanib bij gevorderd wekedelensarcoom hebben zich gevallen van pneumothorax voorgedaan (zie rubriek 4.8). Patiënten die worden behandeld met pazopanib moeten nauwkeurig worden gecontroleerd op klachten en symptomen van pneumothorax.
Pediatrische patiënten
Omdat het werkingsmechanisme van pazopanib de orgaangroei en ontwikkeling tijdens de vroege postnatale ontwikkeling bij knaagdieren ernstig kan aantasten (zie rubriek 5.3), moet pazopanib niet worden toegediend aan kinderen jonger dan 2 jaar.
Infecties
Er zijn gevallen van ernstige infecties (met of zonder neutropenie) gemeld, die in een aantal gevallen een dodelijke afloop hadden.
Combinatie met andere systemische behandelingen tegen kanker
Klinische studies naar pazopanib in combinatie met een aantal andere antikankertherapieën (waaronder bijvoorbeeld pemetrexed, lapatinib of pembrolizumab) zijn voortijdig stopgezet in verband met zorgen over verhoogde toxiciteit en/of mortaliteit. Een veilige en effectieve combinatiedosis is niet vastgesteld voor deze regimes.
Zwangerschap
Preklinische dieronderzoeken hebben reproductietoxiciteit aangetoond (zie rubriek 5.3). Indien pazopanib tijdens de zwangerschap wordt gebruikt, of als de patiënt zwanger wordt tijdens het gebruik van pazopanib, dan moet het mogelijke risico voor de foetus worden uitgelegd aan de patiënt.
Vrouwen die zwanger kunnen worden, moet worden geadviseerd niet zwanger te worden tijdens de behandeling met pazopanib (zie rubriek 4.6).
Interacties
Gelijktijdige behandeling met sterke remmers van CYP3A4, P-glycoproteïne (P-gp) of borstkankerresistentieproteïne (BCRP) moet worden vermeden vanwege het risico op toegenomen blootstelling aan pazopanib (zie rubriek 4.5). Er moet worden overwogen een keuze te maken voor andere gelijktijdig toegediende geneesmiddelen zonder remming of met een minimale remming van CYP3A4, P-gp of BCRP.
Gelijktijdige behandeling met CYP3A4-inductoren moet worden vermeden vanwege het risico op een afgenomen blootstelling aan pazopanib (zie rubriek 4.5).
Gevallen van hyperglykemie zijn waargenomen bij gelijktijdige behandeling met ketoconazol.
Gelijktijdige toediening van pazopanib met substraten voor uridinedifosfaatglucuronosyltransferase-1A1 (UGT1A1) (bijvoorbeeld irinotecan) moet met voorzichtigheid gebeuren aangezien pazopanib een UGT1A1-remmer is (zie rubriek 4.5).
Tijdens de behandeling met pazopanib moet het drinken van grapefruitsap worden vermeden (zie rubriek 4.5).
Hulpstoffen
Dit geneesmiddel bevat minder dan 1 mmol natrium (23 mg) per filmomhulde tablet, dat wil zeggen dat het in wezen ‘natriumvrij’ is.
4.5 Interacties met andere geneesmiddelen en andere vormen van interactie
Effecten van andere geneesmiddelen op pazopanib
In vitro-onderzoeken suggereren dat het oxidatieve metabolisme van pazopanib in menselijke levermicrosomen voornamelijk gemedieerd wordt door CYP3A4, met minimale bijdragen van CYP1A2 en CYP2C8. Vandaar dat CYP3A4-remmers en -inductoren het pazopanib-metabolisme kunnen wijzigen.
CYP3A4-, P-gp-, BCRP-remmers
Pazopanib is een substraat voor CYP3A4, P-gp en BCRP.
Gelijktijdige toediening van pazopanib (400 mg eenmaal daags) met de sterke CYP3A4- en P-gp- remmer ketoconazol (400 mg eenmaal daags) gedurende vijf opeenvolgende dagen resulteerde in een toename van respectievelijk 66% en 45% van de gemiddelde pazopanib AUC(0-24) en Cmax, in vergelijking met de toediening van alleen pazopanib (400 mg eenmaal daags gedurende 7 dagen). Farmacokinetische parametervergelijkingen van de Cmax van pazopanib (bereik van gemiddelde Cmax van 27,5 tot 58,1 µg/ml) en AUC(0-24) (bereik van gemiddelde AUC van 48,7 tot 1040 µg×u/ml) na toediening van alleen 800 mg pazopanib en na toediening van 400 mg pazopanib plus 400 mg ketoconazol (gemiddelde Cmax 59,2 µg/ml, gemiddelde AUC (0-24) 1300 µg×u/ml) toonden aan dat in aanwezigheid van een sterke CYP3A4- en P-gp-remmer een dosisverlaging van 400 mg pazopanib eenmaal daags bij de meeste patiënten zal resulteren in een systemische blootstelling die vergelijkbaar is met die welke wordt waargenomen na toediening van alleen 800 mg pazopanib eenmaal daags. Sommige patiënten kunnen echter een systemische blootstelling aan pazopanib hebben die hoger ligt dan die welke is waargenomen bij toediening van alleen 800 mg pazopanib.
Gelijktijdige toediening van pazopanib met andere sterke CYP3A4-remmers (bijvoorbeeld itraconazol, claritromycine, atazanavir, indinavir, nefazodon, nelfinavir, ritonavir, saquinavir, telitromycine, voriconazol) kan de pazopanibconcentraties verhogen. Grapefruitsap bevat een CYP3A4-remmer en kan eveneens de pazopanib plasmaconcentraties verhogen.
Toediening van 1500 mg lapatinib (een substraat en zwakke remmer van CYP3A4 en P-gp en een sterke remmer van BCRP) met 800 mg pazopanib resulteerde in een toename van ongeveer 50 tot 60% in de gemiddelde pazopanib AUC(0-24) en Cmax vergeleken met toediening van alleen 800 mg pazopanib. Het is waarschijnlijk dat remming van P-gp en/of BCRP door lapatinib heeft bijgedragen aan de toegenomen blootstelling aan pazopanib.
Gelijktijdige toediening van pazopanib met een CYP3A4-, P-gp- en BCRP-remmer zoals lapatinib zal resulteren in een toename in de pazopanib plasmaconcentraties. Gelijktijdige toediening met een sterke P-gp- of BCRP-remmer kan ook de blootstelling en distributie van pazopanib, waaronder de distributie binnen het centrale zenuwstelsel (CZS), veranderen.
Gelijktijdige toediening van pazopanib met een sterke CYP3A4-remmer moet worden vermeden (zie rubriek 4.4). Indien er geen medisch aanvaardbaar alternatief beschikbaar is voor een sterke CYP3A4- remmer, moet de dosering pazopanib worden verlaagd tot 400 mg dagelijks tijdens het gelijktijdige gebruik. In zulke gevallen moet zorgvuldig op bijwerkingen worden gecontroleerd, en een verdere dosisverlaging kan worden overwogen indien er mogelijke geneesmiddelgerelateerde bijwerkingen worden waargenomen.
Een combinatie met sterke P-gp- of BCRP-remmers moet worden vermeden, of er wordt aanbevolen om een alternatief geneesmiddel zonder remming of met een minimaal risico op P-gp- of BCRP-remming te kiezen om gelijktijdig toe te dienen.
CYP3A4-, P-gp-, BCRP-inductoren
CYP3A4-inductoren zoals rifampine kunnen de plasmaconcentraties van pazopanib verlagen. Gelijktijdige toediening van pazopanib met sterke P-gp- of BCRP-inductoren kan de blootstelling aan en distributie van pazopanib, waaronder de distributie binnen het centrale zenuwstelsel, veranderen. Er wordt aanbevolen een alternatieve combinatiemedicatie zonder of met een minimaal enzym- of transportinductiepotentieel te kiezen.
Effecten van pazopanib op andere geneesmiddelen
In vitro studies met menselijke levermicrosomen toonden aan dat pazopanib de CYP-enzymen 1A2, 3A4, 2B6, 2C8, 2C9, 2C19 en 2E1 remde. Mogelijke inductie van humaan CYP3A4 werd aangetoond in een humane PXR-analyse in vitro. In klinische farmacologiestudies, waarin 800 mg pazopanib eenmaal daags werd gebruikt, is aangetoond dat pazopanib geen klinisch relevant effect had op de farmacokinetiek van cafeïne (CYP1A2-onderzoekssubstraat), warfarine (CYP2C9-onderzoekssubstraat) of omeprazol (CYP2C19-onderzoekssubstraat) bij kankerpatiënten. Pazopanib resulteerde in een toename van ongeveer 30% in de gemiddelde AUC en Cmax van midazolam (CYP3A4-onderzoekssubstraat) en toenames van 33% tot 64% in de verhouding van concentraties van dextromethorfan ten opzichte van dextrofan in de urine na orale toediening van dextromethorfan (CYP2D6-onderzoekssubstraat). Gelijktijdige toediening van pazopanib 800 mg eenmaal daags en paclitaxel 80 mg/m2 (CYP3A4- en CYP2C8-substraat) eenmaal per week resulteerde in een gemiddelde toename van respectievelijk 26% en 31% in de AUC en Cmax van paclitaxel.
Gebaseerd op de in vitro-IC50 en in vivo-plasma-Cmax-waarden kunnen de pazopanib-metabolieten GSK1268992 en GSK1268997 bijdragen aan het netto remmende effect dat pazopanib heeft op BCRP. Bovendien kan remming van BCRP en P-gp door pazopanib in het maagdarmkanaal niet worden uitgesloten. Voorzichtigheid is geboden als pazopanib gelijktijdig wordt toegediend met andere oraal ingenomen BCRP- en P-gp-substraten.
Pazopanib remde in vitro het menselijke organische aniontransportpolypeptide (OATP1B1). Er kan niet worden uitgesloten dat pazopanib van invloed zal zijn op de farmacokinetiek van substraten van OATP1B1 (bijvoorbeeld statines, zie “Effect van gelijktijdig gebruik van pazopanib en simvastatine” hieronder).
Pazopanib is in vitro een remmer van het enzym uridinedifosfaatglucuronosyltransferase-1A1 (UGT1A1). De actieve metaboliet van irinotecan, SN-38, is een substraat voor OATP1B1 en UGT1A1. Gelijktijdige toediening van pazopanib 400 mg eenmaal daags met cetuximab 250 mg/m2 en irinotecan 150 mg/m2 resulteerde in een toename van ongeveer 20% in systemische blootstelling aan SN-38. Pazopanib kan van grotere invloed zijn op de beschikbaarheid van SN-38 bij personen met het UGT1A1*28-polymorfisme in vergelijking met personen met het wildtype-allel. Het UGT1A1-genotype is echter niet altijd voorspellend geweest voor het effect van pazopanib op de beschikbaarheid van SN-38. Voorzichtigheid is geboden bij het gelijktijdig toedienen van pazopanib met substraten van UGT1A1.
Effect van gelijktijdig gebruik van pazopanib en simvastatine
Het gelijktijdig gebruik van pazopanib en simvastatine verhoogt de incidentie van ALAT-verhogingen. Resultaten van een meta-analyse met gebruik van gepoolde gegevens van klinische onderzoeken met pazopanib laten zien dat ALAT >3 × ULN is gemeld bij 126 van de 895 (14%) patiënten die geen statines gebruikten, in vergelijking met 11 van de 41 (27%) patiënten die gelijktijdig simvastatine gebruikten (p = 0,038). Volg de richtlijnen voor de dosering van pazopanib en staak simvastatine (zie rubriek 4.4) als een patiënt die gelijktijdig simvastatine gebruikt ALAT-verhogingen ontwikkelt. Daarnaast moet het gelijktijdig gebruik van pazopanib en andere statines met voorzichtigheid gebeuren, aangezien er onvoldoende gegevens beschikbaar zijn om het effect ervan op ALAT-concentraties te beoordelen. Het kan niet worden uitgesloten dat pazopanib de farmacokinetiek van andere statines beïnvloedt (bijvoorbeeld atorvastatine, fluvastatine, pravastatine, rosuvastatine).
Effecten van voedsel op pazopanib
Toediening van pazopanib met een vetrijke of vetarme maaltijd resulteerde in ongeveer een verdubbeling in AUC en Cmax. Vandaar dat pazopanib ten minste 1 uur voor of 2 uur na een maaltijd moet worden toegediend.
Geneesmiddelen die de pH in de maag verhogen
Gelijktijdige toediening van pazopanib met esomeprazol verlaagt de biologische beschikbaarheid van pazopanib met ongeveer 40% (AUC en Cmax) en gelijktijdige toediening van pazopanib met geneesmiddelen die de pH in de maag verhogen moet worden vermeden. Indien het gelijktijdig gebruik van een protonpompremmer (PPI) medisch gezien noodzakelijk is, wordt er aanbevolen de dosering pazopanib eenmaal daags zonder voedsel ‘s avonds in te nemen, tegelijk met de protonpompremmer. Indien het gelijktijdig gebruik van een H2-receptorantagonist medisch gezien noodzakelijk is, moet pazopanib zonder voedsel ten minste 2 uur voor of ten minste 10 uur na toediening van een H2-receptorantagonist worden ingenomen. Pazopanib moet ten minste één uur voor of 2 uur na toediening van kortwerkende antacida worden ingenomen. De aanbevelingen voor gelijktijdige toediening van PPI’s en H2-receptorantagonisten zijn gebaseerd op fysiologische afwegingen.
4.6 Vruchtbaarheid, zwangerschap en borstvoeding
Zwangerschap/anticonceptie bij mannen en vrouwen
Er zijn niet voldoende gegevens over het gebruik van pazopanib bij zwangere vrouwen. Uit dieronderzoek is reproductietoxiciteit gebleken (zie rubriek 5.3). Het mogelijke risico voor mensen is onbekend.
Pazopanib mag niet tijdens de zwangerschap worden gebruikt, tenzij de klinische toestand van de vrouw behandeling met pazopanib noodzakelijk maakt. Indien pazopanib tijdens de zwangerschap wordt gebruikt of als de patiënt zwanger wordt tijdens het gebruik van pazopanib, dan moet het mogelijke risico voor de foetus worden uitgelegd aan de patiënt.
Vrouwen die zwanger kunnen worden moet worden geadviseerd effectieve anticonceptie te gebruiken tijdens de behandeling en gedurende ten minste 2 weken na de laatste dosis pazopanib en niet zwanger te worden tijdens de behandeling met pazopanib.
Mannelijke patiënten (met inbegrip van diegenen die een vasectomie hebben ondergaan) moeten, wanneer ze pazopanib innemen en gedurende ten minste twee weken na de laatste dosis pazopanib, een condoom gebruiken bij seksueel contact om mogelijke blootstelling van zwangere partners en vrouwelijke partners die zwanger kunnen worden aan het geneesmiddel, te vermijden.
Borstvoeding
Er is niet vastgesteld of pazopanib veilig kan worden gebruikt tijdens de borstvoeding. Het is niet bekend of pazopanib of de metabolieten ervan in de moedermelk worden uitgescheiden. Er zijn geen gegevens uit dieronderzoeken over de uitscheiding van pazopanib in dierlijke moedermelk. Risico voor zuigelingen kan niet worden uitgesloten. Borstvoeding moet worden gestaakt tijdens behandeling met pazopanib.
Vruchtbaarheid
Dieronderzoek duidt erop dat mannelijke en vrouwelijke vruchtbaarheid beïnvloed kan worden door de behandeling met pazopanib (zie rubriek 5.3).
4.7 Beïnvloeding van de rijvaardigheid en het vermogen om machines te bedienen
Pazopanib Accord heeft geen of een verwaarloosbare invloed op de rijvaardigheid en op het vermogen om machines te bedienen. Een negatief effect op dergelijke activiteiten kan niet worden voorspeld op basis van de farmacologie van pazopanib. Er moet rekening worden gehouden met de klinische conditie van de patiënt en het bijwerkingenprofiel van pazopanib wanneer moet worden vastgesteld of de patiënt in staat is taken uit te voeren die beoordelingsvermogen of motorische of cognitieve vaardigheden vereisen. Patiënten moeten autorijden of machines bedienen vermijden als ze duizelig zijn of zich moe of zwak voelen.
4.8 Bijwerkingen
Samenvatting van het veiligheidsprofiel
Gepoolde gegevens uit de centrale RCC-studie (VEG105192, n=290), de extensiestudie (VEG107769, n=71), de ondersteunende fase II-studie (VEG102616, n=225) en de gerandomiseerde, open-label, fase III-non-inferioriteitsstudie met parallelle groepen (VEG108844, n=557) zijn geëvalueerd bij de algemene evaluatie van de veiligheid en verdraagbaarheid van pazopanib (totale n = 1149) bij personen met RCC (zie rubriek 5.1).
Gepoolde gegevens van de centrale STS-studie (VEG110727, n = 369) en de ondersteunende fase II- studie (VEG20002, n = 142) werden geëvalueerd bij de algemene evaluatie van de veiligheid en verdraagbaarheid van pazopanib (totale veiligheidspopulatie n = 382) bij patiënten met STS (zie rubriek 5.1).
De belangrijkste ernstige bijwerkingen die in de RCC- en STS-studies werden vastgesteld, waren TIA, ischemische beroerte, myocardischemie, myocard- en herseninfarct, hartdisfunctie, maagdarmperforatie en -fistels, QT-verlenging, torsade de pointes en pulmonale, gastro-intestinale en cerebrale bloedingen. Alle bijwerkingen zijn gemeld bij <1% van de behandelde patiënten. Andere belangrijke ernstige bijwerkingen die werden vastgesteld in de STS-studies omvatten veneuze trombo-embolische voorvallen, linkerventrikeldisfunctie en pneumothorax.
Fatale voorvallen die als mogelijk gerelateerd aan het gebruik van pazopanib werden beschouwd, waren onder meer gastro-intestinale bloedingen, longbloeding/haemoptysis, abnormale leverfunctie, darmperforatie en ischemische beroerte.
De vaakst voorkomende bijwerkingen (bij ten minste 10% van de patiënten) van elke graad in de RCC- en STS-studies waren onder meer: diarree, veranderde haarkleur, hypopigmentatie van de huid, exfoliatieve huiduitslag, hypertensie, misselijkheid, hoofdpijn, vermoeidheid, anorexie, braken, dysgeusie, stomatitis, gewichtsverlies, pijn, verhoogde alanineaminotransferase en verhoogde aspartaataminotransferase.
Bijwerkingen van alle graden die werden gemeld bij RCC- en STS-patiënten of gedurende de postmarketingperiode, worden hieronder weergegeven volgens de systeem/orgaanklassen volgens MedDRA, naar frequentie en ernst. Frequentiegroepen zijn gedefinieerd aan de hand van de volgende conventie: zeer vaak (≥1/10); vaak (≥1/100, <1/10); soms (≥1/1.000, <1/100); zelden (≥1/10.000, <1/1.000); zeer zelden (<1/10.000); en niet bekend (kan met de beschikbare gegevens niet worden bepaald).
De categorieën zijn toegekend op basis van absolute frequenties uit de klinische studiegegevens. Postmarketinggegevens over veiligheid en tolerantie van alle pazopanib klinische studies en van spontane meldingen zijn ook geëvalueerd. Binnen iedere systeem/orgaanklasse worden bijwerkingen met dezelfde frequentie gerangschikt naar afnemende ernst.
Tabel met de lijst van bijwerkingen
Tabel 2 Aan de behandeling gerelateerde bijwerkingen gemeld in RCC-onderzoeken (n = 1149) of gedurende de postmarketingperiode
| Systeem/orgaanklasse | Frequentie (alle graden) | Bijwerkingen | Alle graden, n (%) | Graad 3, n (%) | Graad 4, n (%) |
|---|---|---|---|---|---|
| Infecties en parasitaire aandoeningen | Vaak | Infecties (met of zonder neutropenie)† | niet bekend | niet bekend | niet bekend |
| Soms | Gingivitis | 1 (<1%) | 0 | 0 | |
| Infectieuze peritonitis | 1 (<1%) | 0 | 0 | ||
| Neoplasmata, benigne, maligne en niet-gespecificeerd (inclusief cysten en poliepen) | Soms | Tumorpijn | 1 (<1%) | 1 (<1%) | 0 |
| Bloed- en lymfestelsel- aandoeningen | Vaak | Trombocytopenie | 80 (7%) | 10 (<1%) | 5 (<1%) |
| Neutropenie | 79 (7%) | 20 (2%) | 4 (<1%) | ||
| Leukopenie | 63 (5%) | 5 (<1%) | 0 | ||
| Soms | Polycytemie | 6 (0,03%) | 1 | 0 | |
| Zelden | Trombotische microangiopathie (inclusief trombotische trombocytopenische purpura en hemolytisch uremisch syndroom) † | niet bekend | niet bekend | niet bekend | |
| Endocriene aandoeningen | Vaak | Hypothyreoïdie | 83 (7%) | 1 (<1%) | 0 |
| Voedings- en stofwisselings- stoornissen | Zeer vaak | Afgenomen eetluste | 317 (28%) | 14 (1%) | 0 |
| Vaak | Hypofosfatemie | 21 (2%) | 7 (<1%) | 0 | |
| Dehydratie | 16 (1%) | 5 (<1%) | 0 | ||
| Soms | Hypomagnesiëmie | 10 (<1%) | 0 | 0 | |
| Niet bekend | Tumorlysissyndroom * | niet bekend | niet bekend | niet bekend | |
| Psychische stoornissen | Vaak | Insomnia | 30 (3%) | 0 | 0 |
| Zenuwstelsel- | Zeer vaak | Dysgeusiec | 254 (22%) | 1 (<1%) | 0 |
| aandoeningen | Vaak | Duizeligheid | 55 (5%) | 3 (<1%) | 1 (<1%) |
| Hoofdpijn | 122 (11%) | 11 (<1%) | 0 | ||
| Lethargie | 30 (3%) | 3 (<1%) | 0 | ||
| Paresthesie | 20 (2%) | 2 (<1%) | 0 | ||
| Perifere sensorische neuropathie | 17 (1%) | 0 | 0 | ||
| Soms | Hypo-estesie | 8 (<1%) | 0 | 0 | |
| TIA | 7 (<1%) | 4 (<1%) | 0 | ||
| Somnolentie | 3 (<1%) | 1 (<1%) | 0 | ||
| Cerebrovasculair accident | 2 (<1%) | 1 (<1%) | 1 (<1%) | ||
| Ischemische beroerte | 2 (<1%) | 0 | 1 (<1%) | ||
| Zelden | Posterieure reversibele encefalopathie/ reversibel posterieur leuko-encefalopathisch syndroom† | niet bekend | niet bekend | niet bekend | |
| Oogaandoeningen | Vaak | Wazig zien | 19 (2%) | 1 (<1%) | 0 |
| Soms | Loslaten van de retina† | 1 (<1%) | 1 (<1%) | 0 | |
| Scheuren van de retina† | 1 (<1%) | 1 (<1%) | 0 | ||
| Wimperverkleuring | 4 (<1%) | 0 | 0 | ||
| Hartaandoeningen | Soms | Bradycardie | 6 (<1%) | 0 | 0 |
| Myocard infarct | 5 (<1%) | 1 (<1%) | 4 (<1%) | ||
| Hartdisfunctie f | 4 (<1%) | 1 (<1%) | 0 | ||
| Myocardischemie | 3 (<1%) | 1 (<1%) | 0 | ||
| Bloedvataandoeningen | Zeer vaak | Hypertensie | 473 (41%) | 115 (10%) | 1 (<1%) |
| Vaak | Opvliegers | 16 (1%) | 0 | 0 | |
| Veneus trombolytisch voorval g | 13 (1%) | 6 (<1%) | 7 (<1%) | ||
| Blozen | 12 (1%) | 0 | 0 | ||
| Soms | Hypertensieve crisis | 6 (<1%) | 0 | 2 (<1%) | |
| Hemorragie | 1 (<1%) | 0 | 0 | ||
| Zelden | Aneurysma’s en arteriële dissecties† | niet bekend | niet bekend | niet bekend | |
| Ademhalingsstelsel-, borstkas- en mediastinum- aandoeningen | Vaak | Epistaxis | 50 (4%) | 1 (<1%) | 0 |
| Dysfonie | 48 (4%) | 0 | 0 | ||
| Dyspneu | 42 (4%) | 8 (<1%) | 1 (<1%) | ||
| Haemoptysis | 15 (1%) | 1 (<1%) | 0 | ||
| Soms | Rinorroe | 8 (<1%) | 0 | 0 | |
| Longbloeding | 2 (<1%) | 0 | 0 | ||
| Pneumothorax | 1 (<1%) | 0 | 0 | ||
| Zelden | Interstitiële longziekte / pneumonitis† | niet bekend | niet bekend | niet bekend | |
| Maagdarmstelsel- aandoeningen | Zeer vaak | Diarree | 614 (53%) | 65 (6%) | 2 (<1%) |
| Nausea | 386 (34%) | 14 (1%) | 0 | ||
| Braken | 225 (20%) | 18 (2%) | 1 (<1%) | ||
| Buikpijna | 139 (12%) | 15 (1%) | 0 | ||
| Vaak | Stomatitis | 96 (8%) | 4 (<1%) | 0 | |
| Dyspepsie | 83 (7%) | 2 (<1%) | 0 | ||
| Flatulentie | 43 (4%) | 0 | 0 | ||
| Abdominale distensie | 36 (3%) | 2 (<1%) | 0 | ||
| Mondulceratie | 28 (2%) | 3 (<1%) | 0 | ||
| Droge mond | 27 (2%) | 0 | 0 | ||
| Soms | Pancreatitis | 8 (<1%) | 4 (<1%) | 0 | |
| Rectale bloeding | 8 (<1%) | 2 (<1%) | 0 | ||
| Hematochezie | 6 (<1%) | 0 | 0 | ||
| Gastro-intestinale hemorragie | 4 (<1%) | 2 (<1%) | 0 | ||
| Melaena | 4 (<1%) | 1 (<1%) | 0 | ||
| Frequente stoelgang | 3 (<1%) | 0 | 0 | ||
| Anale hemorragie | 2 (<1%) | 0 | 0 | ||
| Colonperforatie | 2 (<1%) | 1 (<1%) | 0 | ||
| Mondbloeding | 2 (<1%) | 0 | 0 | ||
| Bloeding in het bovenste deel van het maagdarmkanaal | 2 (<1%) | 1 (<1%) | 0 | ||
| Enterocutane fistels | 1 (<1%) | 0 | 0 | ||
| Bloedbraken | 1 (<1%) | 0 | 0 | ||
| Hemorroïdale bloeding | 1 (<1%) | 0 | 0 | ||
| Ileumperforatie | 1 (<1%) | 0 | 1 (<1%) | ||
| Oesofagushemorragie | 1 (<1%) | 0 | 0 | ||
| Retroperitoneale hemorragie | 1 (<1%) | 0 | 0 | ||
| Lever- en galaandoeningen | Vaak | Hyperbilirubinemie | 38 (3%) | 2 (<1%) | 1 (<1%) |
| Afwijkende leverfunctie | 29 (3%) | 13 (1%) | 2 (<1%) | ||
| Hepatotoxiciteit | 18 (2%) | 11 (<1%) | 2 (<1%) | ||
| Soms | Geelzucht | 3 (<1%) | 1 (<1%) | 0 | |
| Geneesmiddel geïnduceerde leverbeschadiging | 2 (<1%) | 2 (<1%) | 0 | ||
| Leverfalen† | 1 (<1%) | 0 | 1 (<1%) | ||
| Huid- en onderhuidaandoeninge n | Zeer vaak | Haarkleurverandering en | 404 (35%) | 1 (<1%) | 0 |
| Palmoplantair erytrodysesthesiesyn droom | 206 (18%) | 39 (3%) | 0 | ||
| Alopecia | 130 (11%) | 0 | 0 | ||
| Huiduitslag (rash) | 129 (11%) | 7 (<1%) | 0 | ||
| Vaak | Huid hypopigmentatie | 52 (5%) | 0 | 0 | |
| Droge huid | 50 (4%) | 0 | 0 | ||
| Pruritus | 29 (3%) | 0 | 0 | ||
| Erytheem | 25 (2%) | 0 | 0 | ||
| Huiddepigmentatie | 20 (2%) | 0 | 0 | ||
| Hyperhidrose | 17 (1%) | 0 | 0 | ||
| Soms | Nagelaandoeningen | 11 (<1%) | 0 | 0 | |
| Huidexfoliatie | 10 (<1%) | 0 | 0 | ||
| Fotosensitiviteitsreact ie | 7 (<1%) | 0 | 0 | ||
| Erythemateuze rash | 6 (<1%) | 0 | 0 | ||
| Huidaandoeningen | 5 (<1%) | 0 | 0 | ||
| Vlekkerige rash | 4 (<1%) | 0 | 0 | ||
| Pruritische rash | 3 (<1%) | 0 | 0 | ||
| Vesiculaire rash | 3 (<1%) | 0 | 0 | ||
| Gegeneraliseerde pruritus | 2 (<1%) | 1 (<1%) | 0 | ||
| Gegeneraliseerde rash | 2 (<1%) | 0 | 0 | ||
| Papulaire rash | 2 (<1%) | 0 | 0 | ||
| Plantair erytheem | 1 (<1%) | 0 | 0 | ||
| Huidulcus† | niet bekend | niet bekend | niet bekend | ||
| Skeletspierstelsel- en bindweefselaandoening en | Vaak | Artralgie | 48 (4%) | 8 (<1%) | 0 |
| Myalgie | 35 (3%) | 2 (<1%) | 0 | ||
| Spierspasmen | 25 (2%) | 0 | 0 | ||
| Soms | Skeletspierpijn | 9 (<1%) | 1 (<1%) | 0 | |
| Nier- en urinewegaandoeningen | Zeer vaak | Proteïnurie | 135 (12%) | 32 (3%) | 0 |
| Soms | Bloeding aan de urinewegen | 1 (<1%) | 0 | 0 | |
| Voortplantings- stelsel- en borst- aandoeningen | Soms | Menorragie | 3 (<1%) | 0 | 0 |
| Vaginale bloeding | 3 (<1%) | 0 | 0 | ||
| Metrorragie | 1 (<1%) | 0 | 0 | ||
| Algemene aandoeningen en toedieningsplaatsstoor nissen | Zeer vaak | Vermoeidheid | 415 (36%) | 65 (6%) | 1 (<1%) |
| Vaak | Slijmvliesontsteking | 86 (7%) | 5 (<1%) | 0 | |
| Asthenie | 82 (7%) | 20 (2%) | 1 (<1%) | ||
| Oedeemb | 72 (6%) | 1 (<1%) | 0 | ||
| Borstpijn | 18 (2%) | 2 (<1%) | 0 | ||
| Soms | Koude rillingen | 4 (<1%) | 0 | 0 | |
| Slijmvliesaandoening | 1 (<1%) | 0 | 0 | ||
| Onderzoeken | Zeer vaak | Verhoogde alanineaminotransfer ase | 246 (21%) | 84 (7%) | 14 (1%) |
| Verhoogde aspartaataminotransf erase | 211 (18%) | 51 (4%) | 10 (<1%) | ||
| Vaak | Gewichtsafname | 96 (8%) | 7 (<1%) | 0 | |
| Verhoogde bloedbilirubine | 61 (5%) | 6 (<1%) | 1 (<1%) | ||
| Verhoogde bloedcreatinine | 55 (5%) | 3 (<1%) | 0 | ||
| Verhoogde lipase | 51 (4%) | 21 (2%) | 7 (<1%) | ||
| Afgenomen aantal witte bloedcellend | 51 (4%) | 3 (<1%) | 0 | ||
| Toegenomen thyroïdstimulerend hormoon in het bloed | 36 (3%) | 0 | 0 | ||
| Toegenomen amylase | 35 (3%) | 7 (<1%) | 0 | ||
| Toegenomen gamma-glutamyltransferase | 31 (3%) | 9 (<1%) | 4 (<1%) | ||
| Verhoogde bloeddruk | 15 (1%) | 2 (<1%) | 0 | ||
| Verhoogd bloedureum | 12 (1%) | 1 (<1%) | 0 | ||
| Abnormale leverfunctietest | 12 (1%) | 6 (<1%) | 1 (<1%) | ||
| Soms | Verhoogde leverenzymen | 11 (<1%) | 4 (<1%) | 3 (<1%) | |
| Verlaagd bloedglucose | 7 (<1%) | 0 | 1 (<1%) | ||
| Verlengd QT-interval op het elektrocardiogram | 7 (<1%) | 2 (<1%) | 0 | ||
| Verhoogde transaminase | 7 (<1%) | 1 (<1%) | 0 | ||
| Abnormale schildklierfunctietest | 3 (<1%) | 0 | 0 | ||
| Verhoogde diastolische bloeddruk | 2 (<1%) | 0 | 0 | ||
| Verhoogde systolische bloeddruk | 1 (<1%) | 0 | 0 | ||
†Deze bijwerkingen zijn postmarketing vastgesteld bij het gebruik van pazopanib (spontane ‘case reports’ en ernstige bijwerkingen uit alle klinische studies met pazopanib). *Behandelingsgerelateerde bijwerking alleen gemeld tijdens de postmarketingperiode. De frequentie kan met beschikbare gegevens niet worden bepaald. De hieronder vermelde termen zijn gecombineerd: a Abdominale pijn, pijn in de bovenbuik en pijn in de onderbuik b Oedeem, perifeer oedeem, oogoedeem, gelokaliseerd oedeem en gezichtsoedeem c Dysgeusie, ageusie en hypogeusie d Afgenomen aantal witte bloedcellen, afgenomen aantal neutrofielen en afgenomen aantal leukocyten e Afgenomen eetlust en anorexie f Cardiale disfunctie, linker ventrikeldisfunctie, hartfalen en restrictieve cardiomyopathie g Veneus trombo-embolisch voorval, diepe veneuze trombose, pulmonaire embolie en trombose | |||||
Neutropenie, trombocytopenie en het palmoplantair erytrodysesthesiesyndroom zijn vaker waargenomen bij patiënten van Oost-Aziatische afkomst.
Tabel 3 Aan de behandeling gerelateerde bijwerkingen gemeld in STS-studies (n=382) of tijdens de postmarketingperiode
| Systeem/orgaanklasse | Frequentie (alle graden) | Bijwerkingen | Alle graden, n (%) | Graad 3, n (%) | Graad 4, n (%) |
|---|---|---|---|---|---|
| Infecties en parasitaire aandoeningen | Vaak | Tandvleesontsteking | 4 (1%) | 0 | 0 |
| Neoplasmata, benigne, maligne en niet-gespecificeerd (inclusief cysten en poliepen) | Zeer vaak | Tumorpijn | 121 (32%) | 32 (8%) | 0 |
| Bloed- en lymfestelselaandoeningenf | Zeer vaak | Leukopenie | 106 (44%) | 3 (1%) | 0 |
| Trombocytopenie | 86 (36%) | 7 (3%) | 2 (<1%) | ||
| Neutropenie | 79 (33%) | 10 (4%) | 0 | ||
| Soms | Trombotische microangiopathie (inclusief trombotische trombocytopenische purpura en hemolytisch uremisch syndroom) | 1 (<1%) | 1 (<1%) | 0 | |
| Endocriene aandoeningen | Vaak | Hypothyreoïdie | 18 (5%) | 0 | 0 |
| Voedings- en stofwisselingsstoornissen | Zeer vaak | Afgenomen eetlust | 108 (28%) | 12 (3%) | 0 |
| Hypoalbuminemief | 81 (34%) | 2 (<1%) | 0 | ||
| Vaak | Dehydratie | 4 (1%) | 2 (1%) | 0 | |
| Soms | Hypomagnesiëmie | 1 (<1%) | 0 | 0 | |
| Niet bekend | Tumorlysissyndroom * | niet bekend | niet bekend | niet bekend | |
| Psychische stoornissen | Vaak | Slapeloosheid | 5 (1%) | 1 (<1%) | 0 |
| Zenuwstelselaandoeningen | Zeer vaak | Dysgeusie | 79 (21%) | 0 | 0 |
| Hoofdpijn | 54 (14%) | 2 (<1%) | 0 | ||
| Vaak | Perifere sensorische neuropathie | 30 (8%) | 1 (<1%) | 0 | |
| Duizeligheid | 15 (4%) | 0 | 0 | ||
| Soms | Slaperigheid | 3 (<1%) | 0 | 0 | |
| Paresthesie | 1 (<1%) | 0 | 0 | ||
| Herseninfarct | 1 (<1%) | 0 | 1 (<1%) | ||
| Oogaandoeningen | Vaak | Wazig gezichtsvermogen | 15 (4%) | 0 | 0 |
| Hartaandoeningen | Vaak | Hartdisfunctieg | 21 (5%) | 3 (<1%) | 1 (<1%) |
| Linkerventrikeldisfun ctie | 13 (3%) | 3 (<1%) | 0 | ||
| Bradycardie | 4 (1%) | 0 | 0 | ||
| Soms | Myocardinfarct | 1 (<1%) | 0 | 0 | |
| Bloedvataandoeningen | Zeer vaak | Hypertensie | 152 (40%) | 26 (7%) | 0 |
| Vaak | Veneuze trombo-embolied | 13 (3%) | 4 (1%) | 5 (1%) | |
| Opvliegers | 12 (3%) | 0 | 0 | ||
| Blozen | 4 (1%) | 0 | 0 | ||
| Soms | Hemorragie | 2 (<1%) | 1 (<1%) | 0 | |
| Zelden | Aneurysma’s en arteriële dissecties | niet bekend | niet bekend | niet bekend | |
| Ademhalingsstelsel-, borstkas- en mediastinumaandoeningen | Vaak | Epistaxis | 22 (6%) | 0 | 0 |
| Dysfonie | 20 (5%) | 0 | 0 | ||
| Dyspneu | 14 (4%) | 3 (<1%) | 0 | ||
| Hoesten | 12 (3%) | 0 | 0 | ||
| Pneumothorax | 7 (2%) | 2 (<1%) | 1 (<1%) | ||
| Hik | 4 (1%) | 0 | 0 | ||
| Longbloeding | 4 (1%) | 1 (<1%) | 0 | ||
| Soms | Orofaryngeale pijn | 3 (<1%) | 0 | 0 | |
| Bronchiale bloeding | 2 (<1%) | 0 | 0 | ||
| Rinorroe | 1 (<1%) | 0 | 0 | ||
| Haemoptysis | 1 (<1%) | 0 | 0 | ||
| Zelden | Interstitiële longziekte / pneumonitis† | niet bekend | niet bekend | niet bekend | |
| Maagdarmstelselaandoeningen | Zeer vaak | Diarree | 174 (46%) | 17 (4%) | 0 |
| Nausea | 167 (44%) | 8 (2%) | 0 | ||
| Braken | 96 (25%) | 7 (2%) | 0 | ||
| Buikpijna | 55 (14%) | 4 (1%) | 0 | ||
| Stomatitis | 41 (11%) | 1 (<1%) | 0 | ||
| Vaak | Abdominale distensie | 16 (4%) | 2 (1%) | 0 | |
| Droge mond | 14 (4%) | 0 | 0 | ||
| Dyspepsie | 12 (3%) | 0 | 0 | ||
| Mondbloeding | 5 (1%) | 0 | 0 | ||
| Flatulentie | 5 (1%) | 0 | 0 | ||
| Anale bloeding | 4 (1%) | 0 | 0 | ||
| Soms | Gastro-intestinale bloeding | 2 (<1%) | 0 | 0 | |
| Rectale bloeding | 2 (<1%) | 0 | 0 | ||
| Enterocutane fistel | 1 (<1%) | 1 (<1%) | 0 | ||
| Maagbloeding | 1 (<1%) | 0 | 0 | ||
| Melena | 2 (<1%) | 0 | 0 | ||
| Oesofagushemorragie | 1 (<1%) | 0 | 1 (<1%) | ||
| Peritonitis | 1 (<1%) | 0 | 0 | ||
| Retroperitoneale hemorragie | 1 (<1%) | 0 | 0 | ||
| Bloeding in het bovenste deel van het maagdarmkanaal | 1 (<1%) | 1 (<1%) | 0 | ||
| Ileumperforatie | 1 (<1%) | 0 | 1 (<1%) | ||
| Lever- en galaandoeningen | Soms | Afwijkende leverfunctie | 2 (<1%) | 0 | 1 (<1%) |
| Niet bekend | Leverfalen* | niet bekend | niet bekend | niet bekend | |
| Huid- en onderhuidaandoeningen | Zeer vaak | Haarkleurverandering en | 93 (24%) | 0 | 0 |
| Hypopigmentatie van de huid | 80 (21%) | 0 | 0 | ||
| Exfoliatieve huiduitslag | 52 (14%) | 2 (<1%) | 0 | ||
| Vaak | Alopecia | 30 (8%) | 0 | 0 | |
| Huidaandoeningc | 26 (7%) | 4 (1%) | 0 | ||
| Droge huid | 21 (5%) | 0 | 0 | ||
| Hyperhydrose | 18 (5%) | 0 | 0 | ||
| Nagelaandoening | 13 (3%) | 0 | 0 | ||
| Pruritus | 11 (3%) | 0 | 0 | ||
| Erytheem | 4 (1%) | 0 | 0 | ||
| Soms | Huidulcus | 3 (<1%) | 1 (<1%) | 0 | |
| Huiduitslag | 1 (<1%) | 0 | 0 | ||
| Papulaire huiduitslag | 1 (<1%) | 0 | 0 | ||
| Fotosensitiviteitsreact ie | 1 (<1%) | 0 | 0 | ||
| Palmoplantair erytrodysesthesiesynd room | 2 (<1%) | 0 | 0 | ||
| Skeletspierstelsel- en bindweefselaandoeningen | Vaak | Skeletspierpijn | 35 (9%) | 2 (<1%) | 0 |
| Myalgie | 28 (7%) | 2 (<1%) | 0 | ||
| Spierspasmen | 8 (2%) | 0 | 0 | ||
| Soms | Artralgie | 2 (<1%) | 0 | 0 | |
| Nier- en urinewegaandoeningen | Soms | Proteïnurie | 2 (<1%) | 0 | 0 |
| Voortplantingsstelsel- en borstaandoeningen | Soms | Vaginale bloeding | 3 (<1%) | 0 | 0 |
| Menorragie | 1 (<1%) | 0 | 0 | ||
| Algemene aandoeningen en | Zeer vaak | Vermoeidheid | 178 (47%) | 34 (9%) | 1 (<1%) |
| toedieningsplaatsstoornissen | Vaak | Oedeemb | 18 (5%) | 1 (<1%) | 0 |
| Borstpijn | 12 (3%) | 4 (1%) | 0 | ||
| Rillingen | 10 (3%) | 0 | 0 | ||
| Soms | Slijmvliesontstekinge | 1 (<1%) | 0 | 0 | |
| Asthenie | 1 (<1% | 0 | 0 | ||
| Onderzoekenh | Zeer vaak | Gewichtsafname | 86 (23%) | 5 (1%) | 0 |
| Vaak | Afwijkend keel-, neus- en ooronderzoeke | 29 (8%) | 4 (1%) | 0 | |
| Verhoogde alanineaminotransfer ase | 8 (2%) | 4 (1%) | 2 (<1%) | ||
| Abnormale bloedcholesterol | 6 (2%) | 0 | 0 | ||
| Verhoogde aspartaataminotransfe rase | 5 (1%) | 2 (<1%) | 2 (<1%) | ||
| Verhoogde gammaglutamyltransf erase | 4 (1%) | 0 | 3 (<1%) | ||
| Soms | Verhoogde bloedbilirubine | 2 (<1%) | 0 | 0 | |
| Aspartaataminotransf erase | 2 (<1%) | 0 | 2 (<1%) | ||
| Alanineaminotransfer ase | 1 (<1%) | 0 | 1 (<1%) | ||
| Afgenomen aantal bloedplaatjes | 1 (<1%) | 0 | 1 (<1%) | ||
| Verlengd QT-interval op het elektrocardiogram | 2 (<1%) | 1 (<1%) | 0 | ||
†Behandelingsgerelateerde bijwerkingen gemeld gedurende de postmarketingperiode (spontane meldingen en ernstige bijwerkingen uit alle klinische studies met pazopanib). *Behandelinggerelateerde bijwerking alleen gemeld tijdens de postmarketingperiode. De frequentie kan met de beschikbare gegevens niet worden bepaald. De hieronder vermelde termen zijn gecombineerd: a Abdominale pijn, pijn in de bovenbuik en maag-darmpijn b Oedeem, perifeer oedeem en ooglidoedeem c In de meeste van deze gevallen betrof het palmoplantair erytrodysesthesiesyndroom d Veneuze trombo-embolie – omvat de begrippen diepe veneuze trombose, longembolie en trombose e De meeste van deze gevallen beschrijven mucositis f Frequentie is gebaseerd op laboratoriumwaardetabellen uit VEG110727 (N=240). Deze werden minder vaak door onderzoekers gemeld als bijwerkingen dan zoals geïndiceerd door laboratoriumwaardetabellen. g Voorvallen van hartdisfunctie – omvatten linkerventrikeldisfunctie, hartfalen en restrictieve cardiomyopathie h Frequentie is gebaseerd op door onderzoekers gemelde bijwerkingen. Afwijkende laboratoriumwaarden werden minder vaak door onderzoekers gemeld dan zoals geïndiceerd door laboratoriumwaardetabellen. | |||||
Neutropenie, trombocytopenie en het palmoplantair erytrodysesthesiesyndroom zijn vaker waargenomen bij patiënten van Oost-Aziatische afkomst.
Pediatrische patiënten
Het veiligheidsprofiel bij pediatrische patiënten was vergelijkbaar met het veiligheidsprofiel gemeld voor pazopanib bij volwassenen in de goedgekeurde indicaties op basis van gegevens van 44 pediatrische patiënten uit de fase I-studie ADVL0815 en 57 pediatrische patiënten uit de fase II- studie PZP034X2203 (zie rubriek 5.1).
Melding van vermoedelijke bijwerkingen
Het is belangrijk om na toelating van het geneesmiddel vermoedelijke bijwerkingen te melden. Op deze wijze kan de verhouding tussen voordelen en risico’s van het geneesmiddel voortdurend worden gevolgd. Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg wordt verzocht alle vermoedelijke bijwerkingen te melden via het Nederlands Bijwerkingen Centrum Lareb. Website: www.lareb.nl
4.9 Overdosering
In klinische studies zijn doseringen pazopanib tot 2000 mg onderzocht. Zowel vermoeidheid van graad 3 (dosisbeperkende toxiciteit) als hypertensie van graad 3 zijn waargenomen bij 1 op de 3 patiënten die dagelijkse doseringen van respectievelijk 2000 mg en 1000 mg kregen.
Er is geen specifiek antidotum voor een pazopanib-overdosering en de behandeling van een overdosering moet bestaan uit algemene ondersteunende maatregelen.
5. FARMACOLOGISCHE EIGENSCHAPPEN
5.1 Farmacodynamische eigenschappen
Farmacotherapeutische categorie: antineoplastische middelen, proteïnekinaseremmers, andere proteïnekinaseremmers, ATC-code: L01EX03
Werkingsmechanisme
Pazopanib is een oraal toegediende, krachtige, op meerdere doelen werkende tyrosinekinaseremmer (TKI) van vasculair endothele groeifactorreceptoren (VEGFR) 1, 2 en 3, uit bloedplaatjes afkomstige groeifactor (platelet derived growth factor, PDGFR) α en β, en stamcelfactorreceptor (c-KIT), met IC50-waarden van respectievelijk 10, 30, 47, 71, 84 en 74 nM. In preklinische onderzoeken remde pazopanib, dosisafhankelijk, de ligand-geïnduceerde auto-fosforylering van VEGFR-2, c-Kit en PDGFR-β-receptoren in cellen. In vivo remde pazopanib VEGF-geïnduceerde VEGFR-2-fosforylering in muizenlongen, angiogenese in verschillende dierenmodellen en de groei van meerdere humane tumorxenotransplantaten bij muizen.
Farmacogenomica
In een farmacogenetische meta-analyse van gegevens uit 31 klinische studies waarin pazopanib ofwel als monotherapie ofwel in combinatie met andere middelen werd toegediend, kwam een ALAT-waarde >5 × ULN (NCI CTC graad 3) voor bij 19% van de dragers van het HLA-B*57:01-allel en bij 10% van de niet-dragers. In deze dataset waren 133/2235 (6%) van de patiënten drager van het HLA-B*57:01-allel (zie rubriek 4.4).
Klinische studies
Niercelcarcinoom (RCC)
De veiligheid en werkzaamheid van pazopanib bij niercelcarcinoom (RCC) zijn onderzocht in een gerandomiseerde, dubbelblinde, placebo-gecontroleerde multicenterstudie. Patiënten (n=435) met lokaal gevorderd en/of gemetastaseerd niercelcarcinoom werden gerandomiseerd en kregen eenmaal daags 800 mg pazopanib of placebo. Het primaire doel van de studie was om de beide behandelingsarmen te evalueren en te vergelijken op progressievrije overleving (progression free survival, PFS). Het belangrijkste secundaire eindpunt was de totale overleving (overall survival, OS). De andere doelen waren evaluatie van de totale responspercentage en de responsduur.
Van de in totaal 435 patiënten die aan deze studie deelnamen, waren 233 patiënten niet eerder behandeld en waren 202 patiënten tweedelijnspatiënten die één eerdere behandeling op basis van IL-2 of INFα hadden gehad. De performancestatus (ECOG) tussen de pazopanib- en placebogroep was vergelijkbaar (ECOG 0: 42% vs. 41%, ECOG 1: 58% vs. 59%). De meerderheid van de patiënten had ofwel gunstige (39%) of gemiddelde (54%) prognosefactoren volgens MSKCC (Memorial Sloan Kettering Cancer Centre) / Motzer. Alle patiënten hadden een heldercellige of een voornamelijk heldercellige histologie. Bij ongeveer de helft van de patiënten waren 3 of meer organen aangetast door hun ziekte en de meeste patiënten hadden in de longen (74%), en/of de lymfeklieren (54%) metastasen door de ziekte bij baseline.
Een vergelijkbaar gedeelte van de patiënten in elke behandelgroep was niet eerder behandeld en met cytokine voorbehandeld (respectievelijk 53% en 47% in de pazopanib-behandelgroep en respectievelijk 54% en 46% in de placebogroep). In de met cytokine voorbehandelde subgroep had de meerderheid (75%) een behandeling met interferon gehad.
Vergelijkbare patiëntenaantallen in elke behandelgroep hadden eerder nefrectomie (respectievelijk 89% in de pazopanib- en 88% in de placebogroep) en/of radiotherapie (respectievelijk 22% in de pazopanib- en 15% in de placebogroep) ondergaan.
De primaire analyse van het primaire eindpunt PFS is gebaseerd op ziekte-evaluatie via een onafhankelijke radiologische controle van de gehele studiepopulatie (zowel onbehandelde als met cytokine voorbehandelde patiënten).
Tabel 4 Totale werkzaamheidsresultaten in RCC via een onafhankelijke controle (VEG105192)
| Eindpunten/studiepopulatie | Pazopanib | Placebo | HR (95% BI) | P-waarde (eenzijdig) | ||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
PFS Algehele* ITT mediaan (maanden) | N=290 9,2 | N=145 4,2 | 0,46 (0,34; 0,62) | <0,0000001 | ||||||||
Responspercentage % (95% BI) | N=290 30 (25,1;35,6) | N=145 3 (0,5; 6,4) | – | <0,001 | ||||||||
| HR = hazard ratio; ITT = intent to treat (intentie tot behandelen); PFS = progression-free survival (progressievrije overleving) * - niet eerder behandelde en met cytokine voorbehandelde populaties | ||||||||||||
Figuur 1 Kaplan-Meier-curve voor progressievrije overleving (onafhankelijke beoordeling) voor de totale populatie (niet eerder behandelde en met cytokine voorbehandelde populatie) (VEG105192)

x-as: maanden, y-as: aandeel progressievrij, pazopanib (N = 290) mediaan 9,2 maanden; placebo (N = 145) mediaan 4,2 maanden; hazard ratio = 0,46; 95% BI (0,34; 0,62), p <0,0000001
Figuur 2 Kaplan-Meier-curve voor progressievrije overleving (onafhankelijke beoordeling) voor de niet eerder behandelde populatie (VEG105192)

x-as: maanden, y-as: aandeel progressievrij, pazopanib (n = 155) mediaan 11,1 maanden; placebo (n = 78) mediaan 2,8 maanden; hazard ratio = 0,40; 95% BI (0,27; 0,60), p <0,0000001
Figuur 3 Kaplan-Meier curve voor progressievrije overleving (onafhankelijke beoordeling) voor de met cytokine voorbehandelde populatie (VEG105192)

x-as: maanden, y-as: aandeel progressievrij, pazopanib (n = 135) mediaan 7,4 maanden; placebo (n = 67) mediaan 4,2 maanden; hazard ratio = 0,54; 95% BI (0,35; 0,84), p <0,001
Voor patiënten die op de behandeling reageerden, bedroeg de mediane tijd tot respons 11,9 weken en bedroeg de mediane responsduur 58,7 weken volgens onafhankelijke controle (VEG105192).
De gegevens over de mediane totale overleving (OS) van de in het protocol gespecificeerde uiteindelijke overlevingsanalyse waren 22,9 maanden en 20,5 maanden [HR = 0,91 (95% BI: 0,71-1,16; p = 0,224)] bij patiënten die gerandomiseerd werden naar respectievelijk de pazopanib- en placebogroep. De OS-resultaten zijn mogelijk vertekend, omdat 54% van de patiënten in de placebogroep in de verlengingsfase van deze studie na ziekteprogressie ook pazopanib kregen. Zesenzestig procent van de patiënten die placebo kregen werden na de studie verder behandeld in vergelijking met 30% van de patiënten die pazopanib kregen.
Er zijn geen statistische verschillen waargenomen tussen de behandelgroepen voor algehele kwaliteit van leven van de EORTC QLQ-C30 en de EuroQoL EQ-5D.
In een fase II-studie bij 225 patiënten met lokaal terugkerende of gemetastaseerd heldercellig niercelcarcinoom bedroeg het objectieve responspercentage 35% en de mediane responsduur 68 weken (onafhankelijke beoordeling). De mediane PFS bedroeg 11,9 maanden.
De veiligheid, werkzaamheid en kwaliteit van leven van pazopanib versus sunitinib zijn geëvalueerd in een gerandomiseerde, open-label, fase III-non-inferioriteitsstudie met parallelle groepen (VEG108844).
In VEG108844 werden patiënten (N=1.110) met lokaal gevorderd en/of gemetastaseerd niercelcarcinoom, die niet eerder systemische therapie hadden gekregen, gerandomiseerd naar óf pazopanib 800 mg eenmaal daags continu óf sunitinib 50 mg eenmaal daags in 6-weekse doseringscycli, waarbij 4 weken met behandeling werden gevolgd door 2 weken zonder behandeling.
Het primaire doel van deze studie was PFS te evalueren bij patiënten behandeld met pazopanib en te vergelijken met sunitinib behandelde patiënten. Demografische kenmerken waren vergelijkbaar tussen beide behandelingsarmen. Kenmerken van de ziekte bij initiële diagnose en bij screening werden uitgebalanceerd over beide behandelingsarmen, waarbij de meerderheid van de patiënten een heldercellige histologie en ziektestadium IV had.
VEG108844 heeft zijn primaire eindpunt, PFS, bereikt en heeft aangetoond dat pazopanib niet inferieur is aan sunitinib, aangezien de bovengrens van het 95% BI voor de hazard ratio minder was dan de in het protocol gespecificeerde non-inferioriteitsmarge van 1,25. De totale werkzaamheidsresultaten zijn samengevat in tabel 5.
Tabel 5 Totale werkzaamheidsresultaten (VEG108844)
| Eindpunt | Pazopanib N = 557 | Sunitinib N = 553 | HR (95% BI) |
|---|---|---|---|
| PFS | 8,4 | 9,5 | 1,047 |
| Totaal | |||
| Mediaan (maanden) | |||
| (95% BI) | (8,3; 10,9) | (8,3; 11,0) | (0,898; 1,220) |
| Totale overleving | |||
| Mediaan (maanden) | 28,3 | 29,1 | 0,915a |
| (95% BI) | (26,0; 35,5) | (25,4; 33,1) | (0,786; 1,065) |
| HR = hazard ratio; PFS = progression-free survival (progressievrije overleving); a P-waarde = 0,245 (2-zijdig) | |||
Figuur 4 Kaplan-Meier-curve voor progressievrije overleving (onafhankelijke beoordeling) voor de totale populatie (VEG108844)

Subgroepanalyses van PFS zijn uitgevoerd voor 20 demografische en voorspellende factoren. Het 95%-betrouwbaarheidsinterval voor alle subgroepen bevat een hazard ratio van 1. In de 3 kleinste van deze 20 subgroepen was de puntschatting van de hazard ratio groter dan 1,25; d.w.z. bij patiënten zonder eerdere nefrectomie [n = 186; HR = 1,403; 95% BI (0,955; 2,061)], baseline LDH >>1,5 × ULN [n = 68; HR = 1,72; 95% BI (0,943; 3,139)] en MSKCC: laag risico [n = 119; HR = 1,472; 95% BI (0,937; 2,313)].
Wekedelensarcoom (STS)
De werkzaamheid en veiligheid van pazopanib bij wekedelensarcoom (STS) werden beoordeeld in een centrale gerandomiseerde, dubbelblinde, placebo-gecontroleerde multicenter fase III-studie (VEG110727). In totaal werden 369 patiënten met gevorderd STS gerandomiseerd en zij kregen eenmaal daags 800 mg pazopanib of placebo. Belangrijk was dat alleen patiënten met selectieve histologische subtypes van STS in de studie werden toegelaten; daarom kan worden gesteld dat de werkzaamheid en veiligheid van pazopanib alleen zijn vastgesteld voor deze subgroepen met STS. Behandeling met pazopanib moet dan ook worden beperkt tot deze subtypes.
De volgende tumorsoorten kwamen in aanmerking:
fibroblastaire tumoren (fibrosarcoom van het volwassen type, myxofibrosarcoom, scleroserend epithelioïd fibrosarcoom, maligne solitaire fibreuze tumoren), zogenoemde fibrohistiocytaire tumoren (pleomorf maligne fibreus histiocytoom [MFH], reuscel-MFH, inflammatoir MFH), leiomyosarcoom, maligne glomustumoren, tumoren in de skeletspieren (pleomorf en alveolair rabdomyosarcoom), vasculaire tumoren (epithelioïd hemangio-endothelioom, angiosarcoom), tumoren met onzekere differentiatie (synoviaal, epithelioïd, alveolair wekedelensarcoom, heldercellig, desmoplastisch klein rondcellig, extrarenaal rabdoïd, maligne mesenchymoom, PECoom, intimasarcoom), maligne perifere zenuwschachttumoren, niet-gedifferentieerde wekedelensarcomen niet anders gespecificeerd (NOS) en andere soorten sarcomen (niet vermeld als niet in aanmerking komend voor inclusie).
De volgende tumorsoorten kwamen niet in aanmerking:
liposarcoom (alle subsoorten), alle rabdomyosarcomen die niet alveolair of pleomorf waren, chondrosarcoom, osteosarcoom, ewingtumoren/primitieve neuro-ectodermale tumoren (PNET), GIST, dermatofibrosarcoom protuberans, inflammatoir myofibroblastachtig sarcoom, maligne mesothelioom en gemengde mesodermale tumoren van de uterus.
Van belang is dat patiënten met liposarcoom uitgesloten waren van de centrale fase III-studie, omdat de werkzaamheid (PFS bij week 12) die werd waargenomen bij de pazopanib-groep in de voorafgaande fase II-studie (VEG20002) niet de noodzakelijke waarde haalde om verdere klinische studies te rechtvaardigen.
Andere belangrijke inclusiecriteria van de VEG110727-studie waren: histologisch bewijs van maligne STS van hoge of intermediaire graad en ziekteprogressie binnen 6 maanden na behandeling voor metastatische ziekte, of opnieuw optreden binnen 12 maanden na (neo-)adjuvante behandeling.
Achtennegentig procent (98%) van de proefpersonen kreeg vooraf doxorubicine, 70% kreeg vooraf ifosfamide en 65% van de proefpersonen had voorafgaand aan deelname aan de studie minstens drie of meer chemotherapeutische middelen gekregen.
Patiënten werden gestratificeerd op basis van de factoren van WHO-prestatiestatus (WHO PS) (0 of 1) bij baseline en het aantal lijnen van eerdere systemische therapie voor gevorderde ziekte (0 of 1 vs. 2+). In elke behandelgroep was er een iets hoger percentage patiënten met 2+ lijnen van eerdere systemische therapie voor gevorderde ziekte (respectievelijk 58% en 55% voor de behandelgroepen met placebo en pazopanib) vergeleken met 0 of 1 lijn van eerdere systemische therapie (respectievelijk 42% en 45% voor behandelingsarmen met placebo en pazopanib). De mediane duur van de follow-up van de proefpersonen (gedefinieerd als datum van randomisatie tot datum van laatste contact of overlijden) was vergelijkbaar voor beide behandelgroepen (9,36 maanden voor placebo [spreiding 0,69 tot 23,0 maanden] en 10,04 maanden voor pazopanib [spreiding 0,2 tot 24,3 maanden].
Het primaire doel van de studie was de progressievrije overleving (PFS) zoals beoordeeld door onafhankelijke radiologische beoordeling; de secundaire eindpunten omvatten totale overleving (OS), totaal responspercentage en responsduur.
Tabel 6 Totale werkzaamheidsresultaten bij STS na onafhankelijke beoordeling (VEG110727)
| Eindpunten / studiepopulatie | Pazopanib | Placebo | HR (95% BI) | P-waarde (tweezijdig) |
|---|---|---|---|---|
| PFS | N = 246 | N = 123 | 0,35 (0,26; 0,48) | <0,001 |
| Algehele ITT | ||||
| Mediaan (weken) | 20,0 | 7,0 | ||
| Leiomyosarcoom | N = 109 | N = 49 | ||
| Mediaan (weken) | 20,1 | 8,1 | 0,37 (0,23; 0,60) | <0,001 |
| Subgroepen synoviaal sarcoom | N = 25 | N = 13 | ||
| Mediaan (weken) | 17,9 | 4,1 | 0,43 (0,19; 0,98) | 0,005 |
| Subgroepen ‘Overige STS’ | N = 112 | N = 61 | ||
| Mediaan (weken) | 20,1 | 4,3 | 0,39 (0,25; | <0,001 |
| 0,60) | ||||
| OS | N = 246 | N = 123 | 0,87 (0,67; 1,12) | 0,256 |
| Algehele ITT | ||||
| Mediaan (maanden) | 12,6 | 10,7 | ||
| Leiomyosarcoma* | N = 109 | N = 49 | ||
| Mediaan (maanden) | 16,7 | 14,1 | 0,84 (0,56; 1,26) | 0,363 |
| Subgroepen synoviaal sarcoom* | N = 25 | N = 13 | ||
| Mediaan (maanden) | 8,7 | 21,6 | 1,62 (0,79; 3,33) | 0,115 |
| Subgroepen ‘overige STS’* | N = 112 | N = 61 | ||
| Mediaan (maanden) | 10,3 | 9,5 | 0,84 (0,59; | 0,325 |
| 1,21) | ||||
| Responspercentage (CR+PR) | 4 (2,3; 7,9) | 0 (0,0; 3,0) | ||
| % (95% BI) | ||||
| Responsduur | ||||
| Mediaan (weken) (95% BI) | 38,9 (16,7; 40,0) | |||
HR = hazard ratio; ITT = intent to treat (intentie tot behandelen); PFS = progression-free survival (progressievrije overleving); CR = complete respons; PR = partiële respons. OS = overall survival (totale overleving) * Totale overleving voor de respectieve histologische subgroepen van STS (leiomyosarcoom, synoviaal sarcoom en “overige” STS) moet met voorzichtigheid worden geïnterpreteerd vanwege het geringe aantal patiënten en de brede betrouwbaarheidsintervallen. | ||||
Een vergelijkbare verbetering in PFS op basis van beoordelingen door onderzoekers werd waargenomen in de pazopanibgroep in vergelijking met de placebogroep (in de totale ITT-groep HR: 0,39; 95% BI, 0,30 tot 0,52; p <0,001).
Figuur 5 Kaplan-Meier-curve voor progressievrije overleving bij STS na onafhankelijke beoordeling voor de totale populatie (VEG110727)

Er werd geen significant verschil in OS waargenomen tussen de twee behandelingsarmen bij de laatste OS-analyse die werd uitgevoerd nadat 76% (280/369) van de voorvallen was opgetreden (HR 0,87; 95% BI 0,67; 1,12 p = 0,256).
Pediatrische patiënten
Een fase I-studie (ADVL0815) met pazopanib werd uitgevoerd bij 44 pediatrische patiënten met verschillende terugkerende of refractaire solide tumoren. Het primaire doel was om de maximale verdragen dosis (MTD, maximum tolerated dose), het veiligheidsprofiel en de farmacokinetische eigenschappen van pazopanib bij kinderen te onderzoeken. De mediane blootstellingsduur in deze studie was 3 maanden (1-23 maanden).
Een fase II-studie (PZP034X2203) met pazopanib werd uitgevoerd bij 57 pediatrische patiënten met refractaire solide tumoren met inbegrip van rabdomyosarcoom (N=12), niet-rabdomyosarcoom wekedelensarcoom (N=11), ewingsarcoom/pPNET (N=10), osteosarcoom (N=10), neuroblastoom (N=8) en hepatoblastoom (N=6). Het onderzoek was een niet-gecontroleerde, open-labelstudie met één onderzoeksmiddel om de therapeutische activiteit van pazopanib te bepalen bij kinderen en adolescenten in de leeftijd van 1 tot <18 jaar. Pazopanib werd dagelijks toegediend als een tablet met een dosis van 450 mg/m2 of als een orale suspensie met een dosis van 225 mg/m2. De maximale toegestane dagelijkse dosis was 800 mg voor de tablet en 400 mg voor de orale suspensie. De mediane blootstellingsduur was 1,8 maanden (1 dag-29 maanden).
De resultaten van deze studie lieten geen betekenisvolle antitumoractiviteit zien bij de respectievelijke pediatrische patiënten. Pazopanib wordt daarom niet aanbevolen voor de behandeling van deze tumoren bij pediatrische patiënten (zie rubriek 4.2 voor informatie over pediatrisch gebruik).
Het Europees Geneesmiddelenbureau heeft besloten af te zien van de verplichting voor de fabrikant om de resultaten in te dienen van onderzoek met het referentiegeneesmiddel dat pazopanib bevat in alle subgroepen van pediatrische patiënten bij de behandeling van nier- en nierbekkencarcinoom (uitgezonderd nefroblastoom, nefroblastomatose, helderecelsarcoom, mesoblastair nefroom, niermergcarcinoom en rabdoïde tumor van de nier) (zie rubriek 4.2 voor informatie over pediatrisch gebruik).
5.2 Farmacokinetische eigenschappen
Absorptie
Na orale toediening van een enkelvoudige dosis van 800 mg pazopanib bij patiënten met solide tumoren werd een maximale plasmaconcentratie (Cmax) van ongeveer 19 ± 13 µg/ml bereikt na mediaan 3,5 uur (spreiding 1,0-11,9 uur) en werd een AUC0-∞ van ongeveer 650 ± 500 µg.u/ml bereikt. Een dagelijkse dosering resulteert in 1,23- tot 4-voudige toename van de AUC0-T.
Er was geen consistente toename in de AUC of de Cmax bij pazopanibdoses hoger dan 800 mg.
De systemische blootstelling aan pazopanib is verhoogd indien het in combinatie met voedsel wordt toegediend. Toediening van pazopanib met een vetrijke of vetarme maaltijd resulteerde in ongeveer een verdubbeling in AUC en Cmax. Vandaar dat pazopanib moet worden toegediend ten minste twee uur na een maaltijd of ten minste één uur voor een maaltijd (zie rubriek 4.2).
Na toediening van een fijngemaakte 400 mg tablet pazopanib was de AUC(0-72) verhoogd met 46% en de Cmax ongeveer verdubbeld en was de tmax met ongeveer 2 uur afgenomen vergeleken met de waarde na toediening van de intacte tablet. Deze resultaten duiden erop dat de biobeschikbaarheid en de opnamesnelheid na orale inname van de pazopanib toegenomen zijn na inname van de fijngemaakte tablet vergeleken met de toediening van de intacte tablet (zie rubriek 4.2).
Distributie
De in vivo-binding van pazopanib aan menselijke plasma-eiwitten was groter dan 99% en er trad in een doseringsbereik van 10-100 μg/ml geen concentratieafhankelijkheid op. In-vitro-onderzoeken suggereren dat pazopanib een substraat is voor P-gp en BCRP.
Biotransformatie
Resultaten uit in vitro-studies tonen aan dat het pazopanib metabolisme voornamelijk wordt gemedieerd door CYP3A4, met minder belangrijke bijdragen door CYP1A2 en CYP2C8. De vier belangrijkste pazopanib metabolieten zijn verantwoordelijk voor slechts 6% van de blootstelling in plasma. Een van deze metabolieten remt de proliferatie van door VEGF gestimuleerde menselijke navelstrengader-endotheelcellen met een potentie vergelijkbaar met pazopanib, de andere zijn tien tot twintig keer minder actief. Vandaar dat de pazopanib activiteit voornamelijk afhankelijk is van de blootstelling aan niet-gemetaboliseerd pazopanib.
Eliminatie
Pazopanib wordt langzaam uitgescheiden met een gemiddelde halfwaardetijd van 30,9 uur na toediening van de aanbevolen dosis van 800 mg. Uitscheiding vindt voornamelijk plaats via de feces, terwijl <4% van de toegediende dosis via de nieren wordt uitgescheiden.
Bijzondere populaties
Verminderde nierfunctie
Resultaten wijzen erop dat minder dan 4% van een oraal toegediende dosis pazopanib als pazopanib en metabolieten via de urine wordt uitgescheiden. De resultaten uit een populatiefarmacokinetisch model (gegevens van patiënten met baseline CLCR-waarden variërend van 30,8 ml/min tot 150 ml/min) toonden aan dat het niet aannemelijk is dat een verminderde nierfunctie een klinisch relevant effect heeft op de pazopanib farmacokinetiek. Vandaar dat geen dosisaanpassing nodig is bij patiënten met een creatinineklaring boven 30 ml/min. Voorzichtigheid is geboden bij patiënten met een creatinineklaring lager dan 30 ml/min, aangezien er geen ervaring is met pazopanib bij deze patiëntenpopulatie (zie rubriek 4.2).
Verminderde leverfunctie
Licht
De mediane Cmax en AUC(0-24) van pazopanib bij steady state bij patiënten met lichte afwijkingen in de leverparameters (gedefinieerd als normale bilirubine en elke mate van ALAT-verhoging of als een verhoging van de bilirubine tot maximaal 1,5 × ULN, ongeacht de ALAT-waarde) na toediening van eenmaal daags 800 mg zijn vergelijkbaar met de mediaan bij patiënten met een normale leverfunctie (zie tabel 7). De aanbevolen dosering is eenmaal daags 800 mg pazopanib bij patiënten met lichte afwijkingen in de bepalingen van serumspiegels van leverenzymen (zie rubriek 4.2).
Matig
De maximaal verdragen dosis (MTD) pazopanib bij patiënten met een matig verminderde leverfunctie (gedefinieerd als een verhoging van de bilirubine >1,5 tot 3 × ULN, ongeacht de ALAT-waarden) bedroeg eenmaal daags 200 mg. Na toediening van eenmaal daags 200 mg pazopanib bij patiënten met een matig verminderde leverfunctie bedroegen de mediane Cmax- en AUC(0-24)-waarden bij steady state respectievelijk ongeveer 44% en 39% van de overeenkomstige mediaanwaarden na toediening van eenmaal daags 800 mg bij patiënten met een normale leverfunctie (zie tabel 7).
Op basis van veiligheids- en verdraagbaarheidsgegevens moet de dosis pazopanib bij patiënten met een matig verminderde leverfunctie worden verlaagd tot 200 mg eenmaal daags (zie rubriek 4.2).
Ernstig
Na toediening van eenmaal daags 200 mg pazopanib bij patiënten met een ernstig verminderde leverfunctie bedroegen de mediane Cmax- en AUC(0-24)-waarden bij steady state ongeveer 18% en 15% van de overeenkomstige mediaanwaarden na toediening van eenmaal daags 800 mg bij patiënten met een normale leverfunctie. Op basis van de verminderde blootstelling en de beperkte leverreserve wordt pazopanib niet aanbevolen bij patiënten met ernstige leverfalen (gedefinieerd als totaal bilirubine >3 × ULN ongeacht de ALAT-waarde) (zie rubriek 4.2).
Tabel 7 Mediane steady-state-farmacokinetiek van pazopanib gemeten bij patiënten met verminderde leverfunctie
| Groep | Onderzochte dosis | Cmax (µg/ml) | AUC (0-24) (µg × u/ml) | Aanbevolen dosis | |||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Normale leverfunctie | 800 mg ED | 52,0 (17,1-85,7) | 888,2 (345,5-1.482) | 800 mg ED | |||||
| Licht verminderde leverfunctie | 800 mg ED | 33,5 (11,3-104,2) | 774,2 (214,7-2.034,4) | 800 mg ED | |||||
| Matig verminderde leverfunctie | 200 mg ED | 22,2 (4,2-32,9) | 256,8 (65,7-487,7) | 200 mg ED | |||||
| Ernstig verminderde leverfunctie | 200 mg ED | 9,4 (2,4-24,3) | 130,6 (46,9-473,2) | niet aanbevolen | |||||
| ED – eenmaal daags | |||||||||
Pediatrische patiënten
Bij toediening van 225 mg/m2 (als een orale suspensie) bij pediatrische patiënten waren de farmacokinetische parameters (Cmax, Tmax en AUC) vergelijkbaar met de eerder gemelde farmacokinetische parameters bij volwassen patiënten die werden behandeld met 800 mg pazopanib. De resultaten toonden geen duidelijk verschil aan in de klaring van pazopanib, genormaliseerd naar lichaamsoppervlakte, tussen kinderen en volwassenen.
5.3 Gegevens uit het preklinisch veiligheidsonderzoek
Het preklinische veiligheidsprofiel van pazopanib is onderzocht bij muizen, ratten, konijnen en apen. In studies met herhaalde toediening bij knaagdieren lijken effecten die optreden in een verscheidenheid aan weefsels (botten, tanden, nagelbed, voortplantingsorganen, hematologische weefsels, nieren en pancreas) gerelateerd aan de farmacologie van VEGFR-remming en/of verstoring van de VEGF-signaaloverdrachtsroutes. De meeste effecten treden op bij plasmablootstellingsniveau beneden het niveau dat was waargenomen in de kliniek. Andere effecten die zijn waargenomen zijn onder meer gewichtsverlies, diarree en/of morbiditeit, die ofwel secundair waren aan lokale maagdarmeffecten veroorzaakt door hoge lokale blootstelling van het slijmvlies aan het geneesmiddel (apen) ofwel farmacologische effecten (knaagdieren) waren. Proliferatieve leverschade (eosinofiele foci en adenomen) is waargenomen bij vrouwelijke muizen bij een blootstelling die 2,5 maal hoger was dan de menselijke blootstelling, op basis van AUC.
In juveniele toxiciteitsstudies waarin ratten, voordat ze gespeend werden, vanaf dag 9 postpartum tot en met dag 14 postpartum het middel toegediend kregen, veroorzaakte pazopanib mortaliteit en afwijkende orgaangroei/ontwikkeling voor nier, long, lever en hart, bij een dosis van circa 0,1 keer de klinische blootstelling op basis van de AUC bij de volwassen mens. Wanneer ratten, nadat ze gespeend waren, vanaf 21 dagen postpartum tot dag 62 postpartum het middel toegediend kregen, waren de toxicologische bevindingen vergelijkbaar met die bij volwassen ratten bij vergelijkbare blootstellingen. Menselijke pediatrische patiënten vertonen een verhoogd risico voor effecten op bot en gebit in vergelijking met volwassenen, aangezien deze veranderingen, inclusief groeiremming (verkorte ledematen), fragiele botten en hermodellering van gebitselementen aanwezig waren in juveniele ratten bij ≥10 mg/kg/dag (gelijk aan circa 0,1-0,2 maal de klinische blootstelling op basis van de AUC bij volwassen mensen) (zie rubriek 4.4).
Voorplantings-, vruchtbaarheids- en teratogene effecten
Er is aangetoond dat pazopanib embryotoxisch en teratogeen is als het werd toegediend aan ratten en konijnen bij blootstelling die meer dan 300 maal lager was dan de menselijke blootstelling (op basis van AUC). De effecten waren onder meer verminderde vrouwelijke vruchtbaarheid, toegenomen pre- en postimplantatieverlies, vroege resorptie, embryoletaliteit, verminderd foetaal lichaamsgewicht en cardiovasculaire misvorming. Een afgenomen aantal corpora lutea, een toegenomen aantal cysten en ovariumatrofie zijn eveneens gemeld bij knaagdieren. In een vruchtbaarheidsonderzoek bij mannelijke ratten was er geen effect op paring of vruchtbaarheid, maar er werd wel afgenomen testiculair en epididymaal gewicht gemeld met een afname in spermaproductieaantallen, spermamotiliteit en epididymale en testiculaire spermaconcentraties bij een blootstelling van 0,3 maal de menselijke blootstelling op basis van AUC.
Genotoxiciteit
Pazopanib veroorzaakte geen genetische schade toen het werd getest in genotoxiciteitsanalyses (Ames-analyse, afwijkingsanalyses van menselijke perifere lymfocytenchromosomen en rattenmicronucleus in vivo). Een synthetische intermediair in de productie van pazopanib, die ook in lage aantallen aanwezig is in het uiteindelijke geneesmiddel, bleek niet mutageen in de Ames-analyse, maar wel genotoxisch in de muizenlymfoomanalyse en muizen-micronucleusanalyse in vivo.
Carcinogeniteit
In twee jaar durende carcinogeniteitsstudies met pazopanib werden verhoogde aantallen leveradenomen waargenomen bij muizen en werden adenocarcinomen waargenomen in het duodenum bij ratten. Op basis van de knaagdierspecifieke pathogenese en de mechanismen voor deze bevindingen wordt niet aangenomen dat deze een verhoogd carcinogeen risico vertegenwoordigen voor patiënten die pazopanib innemen.
6. FARMACEUTISCHE GEGEVENS
6.1 Lijst van hulpstoffen
Pazopanib Accord 200 mg filmomhulde tabletten
Tabletkern
Microkristallijne cellulose (E460)
Natriumzetmeelglycolaat (type A)
Povidon (E1201)
Magnesiumstearaat (E470b)
Filmomhulling (Opadry 13B540026 roze)
Hypromellose (E464)
Titaandioxide (E171)
Macrogol (E1521)
Rood ijzeroxide (E172)
Polysorbaat 80 (E433)
Pazopanib Accord 400 mg filmomhulde tabletten
Tabletkern
Microkristallijne cellulose (E460)
Natriumzetmeelglycolaat (type A)
Povidon (E1201)
Magnesiumstearaat (E470b)
Filmomhulling (Opadry 13B58802 wit)
Hypromellose (E464)
Titaandioxide (E171)
Macrogol (E1521)
Polysorbaat 80 (E433)
6.2 Gevallen van onverenigbaarheid
Niet van toepassing.
6.3 Houdbaarheid
4 jaar
6.4 Speciale voorzorgsmaatregelen bij bewaren
Voor dit geneesmiddel zijn er geen speciale bewaarcondities.
6.5 Aard en inhoud van de verpakking
Pazopanib Accord 200 mg filmomhulde tabletten
Pazopanib Accord is verpakt in dozen met 10, 30, 60 of 90 filmomhulde tabletten in doorzichtige PVC/PE/PVDC/Alu blisterverpakkingen,
of
dozen met 10×1, 30×1, 60×1 of 90×1 filmomhulde tabletten in geperforeerde doorzichtige PVC/PE/PVDC/Alu eenheidsdosisblisterverpakkingen,
of
witte HDPE-flessen met een PP-sluiting die moeilijk te openen is voor kinderen met 30 of 90 filmomhulde tabletten en multiverpakkingen met 90 filmomhulde tabletten (3 verpakkingen van 30) in een doos.
Pazopanib Accord 400 mg filmomhulde tabletten
Pazopanib Accord is verpakt in dozen met 10, 30, 60 of 90 filmomhulde tabletten in doorzichtige PVC/PE/PVDC/Alu blisterverpakkingen,
of
dozen met 10×1, 30×1, 60×1 of 90×1 filmomhulde tabletten in geperforeerde doorzichtige PVC/PE/PVDC/Alu eenheidsdosisblisterverpakkingen,
of
witte HDPE-flessen met een PP-sluiting die moeilijk te openen is voor kinderen met 30 of 60 filmomhulde tabletten in een doos.
Het is mogelijk dat niet alle genoemde verpakkingsgrootten in de handel worden gebracht.
6.6 Speciale voorzorgsmaatregelen voor het verwijderen
Geen bijzondere vereisten.
7. HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
Accord Healthcare B.V.
Winthontlaan 200
3526 KV
Utrecht
Nederland
8. NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
Pazopanib Accord 200 mg filmomhulde tabletten: RVG 130206
Pazopanib Accord 400 mg filmomhulde tabletten: RVG 130207
9. DATUM EERSTE VERLENING VAN DE VERGUNNING/VERLENGING VAN DE VERGUNNING
Datum van eerste verlening van de vergunning: 19 januari 2024
10. DATUM VAN HERZIENING VAN DE TEKST
Laatste gedeeltelijke wijziging betreft rubriek 6.3: 29 januari 2026
