SmPC (samenvatting van de productkenmerken) - Levofloxacine Fresenius Kabi
1. NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
Levofloxacine Fresenius Kabi 5 mg/ml oplossing voor infusie.
2. KWALITATIEVE EN KWANTITATIEVE SAMENSTELLING
50 ml gevuld in een 100 ml fles/zak:
Elke ml oplossing voor infusie bevat 5 mg levofloxacine (als levofloxacine hemihydraat).
50 ml oplossing voor infusie bevat 250 mg levofloxacine als werkzaam bestanddeel.
50 ml gevuld in een 100 ml fles/zak:
Elke ml oplossing voor infusie bevat 5 mg levofloxacine (als levofloxacine hemihydraat).
100 ml oplossing voor infusie bevat 500 mg levofloxacine als werkzaam bestanddeel.
Hulpstof(fen) met gekende werking: Het geneesmiddel bevat 3,54 mg natrium per ml
Voor de volledige lijst van hulpstoffen, zie rubriek 6.1
3. FARMACEUTISCHE VORM
Oplossing voor infusie.
Gele tot groengele oplossing.
4. KLINISCHE GEGEVENS
4.1 Therapeutische indicaties
Levofloxacine Fresenius Kabi oplossing voor infusie is geïndiceerd bij volwassenen voor de behandeling van de volgende infecties (zie rubrieken 4.4 en 5.1): • Acute pyelonefritis en gecompliceerde urineweginfecties (UWI) (zie rubriek 4.4)• Chronische bacteriële prostatitis
- Inhalatie-anthrax: profylaxe na blootstelling en curatieve behandeling (zie rubriek 4.4).
Voor de hieronder vermelde infecties mag Levofloxacine Fresenius Kabi uitsluitend worden gebruikt wanneer het ongeschikt wordt geacht om andere antibacteriële middelen te gebruiken die doorgaans worden aanbevolen voor de behandeling van die infecties.
- Buiten het ziekenhuis opgelopen pneumonie
- Gecompliceerde infecties van de huid en de weke delen
Er dient rekening te worden gehouden met de officiële richtlijnen voor het juiste gebruik van antibacteriële middelen.
4.2 Dosering en wijze van toediening
Levofloxacine Fresenius Kabi oplossing voor infusie wordt één- of tweemaal daags toegediend via langzame intraveneuze infusie. De dosering is afhankelijk van het type en de ernst van de infectie en van de gevoeligheid van het vermoedelijk oorzakelijke pathogeen. Na het initieel gebruik van het intraveneus preparaat mag de behandeling met Levofloxacine Fresenius Kabi voltooid worden met een gepaste orale vorm in overeenstemming met de SPK voor de filmomhulde tablet en zoals geschikt wordt geacht voor de individuele patiënt.
Aangezien de parenterale en orale vormen bio-equivalent zijn, kan dezelfde dosering worden gebruikt.
Dosering
De volgende dosisaanbevelingen kunnen gegeven worden voor Levofloxacine Fresenius Kabi:
Dosering bij patiënten met een normale nierfunctie (creatinineklaring >50 ml/min)
| Indicatie | Dagelijkse dosering (naargelang de Ernst) | Totale behandelingsduur1 (naargelang de ernst) |
| Buiten het ziekenhuis opgelopen pneumonie | 500 mg een- of tweemaal daags | 7 - 14 dagen |
| Acute pyelonefritis | 500 mg eenmaal daags | 7 - 10 dagen |
| Gecompliceerde urineweginfecties | 500 mg eenmaal daags | 7 - 14 dagen |
| Chronische bacteriële prostatitis | 500 mg eenmaal daags | 28 dagen |
| Gecompliceerde infecties van de huid en de weke delen | 500 mg een- of tweemaal daags | 7 - 14 dagen |
| Inhalatie-anthrax | 500 mg eenmaal daags | 8 weken |
1De behandelingsduur omvat de intraveneuze plus de orale behandeling. De tijd tot overschakeling van de intraveneuze op de orale behandeling is afhankelijk van de klinische situatie maar bedraagt normaal 2 tot 4 dagen.
Speciale populaties
Verminderde nierfunctie (creatinineklaring 50 ml/min)
| Doseringsschema | ||||||
| 250 mg/24 u | 500 mg/24 u | 500 mg/12 u | ||||
| Creatinineklaring | Startdosis: 250 mg | Startdosis: 500 mg | Startdosis: 500 mg | |||
| 50 -20 ml/min | daarna: 125 mg/24 uur | daarna: 250 mg/24uur | daarna: 250 mg/12 uur | |||
| 19 -10 ml/min | daarna: 125 mg/48 uur | daarna: 125 mg/24uur | daarna: 125 mg/12 uur | |||
| <10 ml/min | ||||||
| (met inbegrip van | daarna: 125 mg/48 uur | daarna: 125 mg/24uur | daarna: 125 mg/24 uur | |||
| hemodialyse en CAPD)1 | ||||||
1Na hemodialyse of continue ambulante peritoneale dialyse (CAPD) is geen supplementaire dosis noodzakelijk.
Verminderde leverfunctie
De dosis hoeft niet te worden aangepast aangezien levofloxacine niet in relevante mate door de lever wordt gemetaboliseerd en hoofdzakelijk door de nieren wordt uitgescheiden.
Ouderen
De dosering bij ouderen hoeft alleen te worden aangepast als dit op grond van de nierfunctie noodzakelijk wordt geacht (zie rubriek 4.4 ‘Tendinitis en peesruptuur’ en ‘Verlenging van het QTinterval’).
Pediatrische patiënten
Levofloxacine Fresenius Kabi is gecontra-indiceerd bij kinderen en adolescenten in de groeifase (zie rubriek 4.3).
Wijze van toediening
Levofloxacine Fresenius Kabi oplossing voor infusie is uitsluitend bedoeld voor langzame intraveneuze infusie; deze wordt een- of tweemaal daags toegediend. De infusietijd moet minstens 30 minuten zijn voor 250 mg of 60 minuten voor 500 mg Levofloxacine Fresenius Kabi oplossing voor infusie (zie rubriek 4.4).
Voor gevallen van onverenigbaarheid, zie rubriek 6.2; voor verenigbaarheid met andere oplossingen voor infusie, zie rubriek 6.6.
4.3 Contra-indicaties
Levofloxacine Fresenius Kabi oplossing voor infusie mag niet worden gebruikt:
- bij patiënten die overgevoelig zijn voor levofloxacine of voor andere chinolonen en voor een van de in rubriek 6.1 vermelde hulpstoffen
- bij patiënten met epilepsie
- bij patiënten met antecedenten van peesaandoeningen veroorzaakt door de toediening van fluorochinolonen
- bij kinderen of opgroeiende adolescenten
- tijdens de zwangerschap
- Tijdens de borstvoedingsperiode
4.4 Bijzondere waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik
Bij patiënten die in het verleden ernstige bijwerkingen hebben gehad bij gebruik van producten die chinolonen of fluorochinolonen bevatten, moet het gebruik van levofloxacine worden vermeden (zie rubriek 4.8). Behandeling van die patiënten met levofloxacine mag pas worden gestart als er geen andere behandelingsmogelijkheden zijn en na zorgvuldige evaluatie van de voordelen tegen de risico's (zie ook rubriek 4.3).
Aorta-aneurysma en aortadissectie, en hartklepregurgitatie/-incompetentie
In epidemiologische studies wordt melding gemaakt van een verhoogd risico op aorta-aneurysma en aorta dissectie, met name bij oudere patiënten, en van aortaklep- en mitralisklepregurgitatie na gebruik van fluorochinolonen.
Er zijn gevallen gemeld van aorta-aneurysma en aortadissectie, soms gecompliceerd door scheuringen (waaronder fatale), en van regurgitatie/incompetentie van een van de hartkleppen bij patiënten die fluorochinolonen toegediend kregen (zie rubriek 4.8).
Bijgevolg mogen Fluorochinolonen alleen worden gebruikt na een zorgvuldige afweging van de voordelen tegen de risico’s en na afweging van andere therapeutische opties bij patiënten met een positieve familiaire voorgeschiedenis van aneurysma of aangeboren hartklepziekte, of bij patiënten bij wie een reeds bestaand(e) aorta aneurysma en/of aorta dissectie of hartklepziekte zijn/is vastgesteld of bij aanwezigheid van andere risicofactoren of predisponerende aandoeningen
- voor zowel aorta-aneurysma en aorta dissectie als hartklepregurgitatie/-incompetentie (bijvoorbeeld bindweefselaandoeningen zoals Marfansyndroom of Ehlers-Danlossyndroom, syndroom van Turner, ziekte van Behçet, hypertensie, reumatoïde artritis) of
- voor aorta-aneurysma en aortadissectie (bijvoorbeeld bloedvataandoeningen zoals Takayasu-arteritis of reuzencelarteritis, of bekende atherosclerose, of Sjögren-syndroom) of
- voor hartklepregurgitatie/-incompetentie (bijvoorbeeld infectieuze endocarditis).
Het risico op aorta-aneurysma en aortadissectie, en scheuring daarvan, kan ook verhoogd zijn bij patiënten die gelijktijdig worden behandeld met systemische corticosteroïden.
Patiënten dienen erop te worden gewezen dat ze in geval van plotselinge buik-, borst- of rugpijn onmiddellijk een arts op een afdeling Spoedeisende hulp moeten raadplegen.
Patiënten moet worden geadviseerd onmiddellijk een arts te raadplegen in geval van acute dyspneu, het nieuw ontstaan van hartkloppingen of wanneer oedeem van de buik of de onderste ledematen optreedt.
Acute pancreatitis
Acute pancreatitis kan worden waargenomen bij patiënten die levofloxacine gebruiken. Patiënten moeten worden geïnformeerd over de kenmerkende symptomen van acute pancreatitis. Patiënten die misselijkheid, malaise, ongemak in de buik, acute buikpijn of braken ervaren, moeten onmiddellijk medisch worden geëvalueerd. Als acute pancreatitis wordt vermoed, moet levofloxacine worden stopgezet; indien bevestigd, mag levofloxacine niet opnieuw worden gestart. Voorzichtigheid is geboden bij patiënten met een voorgeschiedenis van pancreatitis (zie rubriek 4.8).
Bloedaandoeningen
Beenmergfalen, waaronder leukopenie, neutropenie, pancytopenie, hemolytische anemie, trombocytopenie, aplastische anemie of agranulocytose, kunnen zich ontwikkelen tijdens de behandeling met levofloxacine (zie rubriek 4.8). Als een van deze bloedaandoeningen wordt vermoed, moet het bloedbeeld worden gecontroleerd. In geval van abnormale resultaten dient stopzetting van de behandeling met levofloxacine te worden overwogen.
Risico’s van resistentie
Methicilline-resistente S. aureus bezit zeer waarschijnlijk co-resistentie tegen fluorochinolonen, waaronder levofloxacine. Bijgevolg wordt levofloxacine niet aanbevolen voor de behandeling van bekende of vermoede MRSA-infecties tenzij de laboratoriumresultaten de gevoeligheid van het organisme voor levofloxacine hebben bevestigd (en gangbare aanbevolen antibacteriële middelen voor de behandeling van MRSA-infecties als ongeschikt worden beschouwd).
De resistentie tegen fluorochinolonen van E. coli – de meest frequente pathogeen die betrokken is bij urineweginfecties – varieert in de Europese Unie. Voorschrijvers worden geadviseerd om rekening te houden met de lokale prevalentie van resistentie van E. coli tegen fluorochinolonen.
Inhalatie-anthrax
Inhalatie-anthrax: Het gebruik bij de mens is gebaseerd op in vitro gevoeligheidsgegevens van Bacillus anthracis en op gegevens van dieronderzoek samen met beperkte gegevens bij de mens. De behandelende artsen moeten verwijzen naar de nationale en/of internationale consensusdocumenten over de behandeling van anthrax.
Infusietijd
De aanbevolen infusietijd van minstens 30 minuten voor 250 mg of 60 minuten voor 500 mg Levofloxacine Fresenius Kabi oplossing voor infusie dient in acht te worden genomen. Bij infusie van ofloxacine is bekend dat tachycardie en een tijdelijke daling van de bloeddruk kunnen optreden. In zeldzame gevallen kan deze sterke bloeddrukdaling leiden tot een circulaire collaps. Als de bloeddruk sterk daalt tijdens een infusie van levofloxacine (l-isomeer van ofloxacine), moet de infusie meteen worden stopgezet.
Natriumgehalte
Dit geneesmiddel bevat 177 mg natrium per 50 ml, gelijk aan 8,85% van de, door de Wereldgezondheidsorganisatie aanbevolen, maximale dagelijkse inname van 2 g natrium voor een volwassene.
Langdurige, invaliderende en mogelijk irreversibele ernstige bijwerkingen
Zeer zelden voorkomende gevallen van langdurige (gedurende maanden of jaren), invaliderende en mogelijk irreversibele ernstige bijwerkingen die verschillende, soms meerdere, lichaamssystemen aantasten (skeletspierstelsel, zenuwstelsel, psychisch en zintuigen), zijn gemeld bij patiënten die chinolonen en fluorochinolonen kregen, ongeacht hun leeftijd en vooraf bestaande risicofactoren. Bij de eerste tekenen of symptomen van een ernstige bijwerking moet het gebruik van levofloxacine onmiddellijk worden gestaakt en moet patiënten worden geadviseerd om voor advies contact op te nemen met de arts die het middel heeft voorgeschreven.
Tendinitis en peesruptuur
Tendinitis en peesruptuur (in het bijzonder, maar niet beperkt tot de achillespees), soms bilateraal, kunnen al optreden binnen 48 uur na het begin van de behandeling met chinolonen en fluorochinolonen en het optreden ervan is gemeld tot zelfs enkele maanden na het beëindigen van de behandeling. Het risico op tendinitis en peesruptuur is groter bij patiënten die dagelijkse doses van 1000 mg levofloxacine krijgen, bij oudere patiënten, patiënten met een nierfunctiestoornis, patiënten met een transplantatie van solide organen, en patiënten die gelijktijdig worden behandeld met corticosteroïden.
Daarom moet het gelijktijdige gebruik van corticosteroïden worden vermeden.
Bij het eerste teken van tendinitis (bijvoorbeeld pijnlijke zwelling, ontsteking) moet de behandeling worden gestaakt en moet een andere behandeling worden overwogen. De aangetaste ledema(a)t(en) moet(en) op geschikte wijze worden behandeld (bijvoorbeeld immobilisatie). Corticosteroïden mogen niet worden gebruikt als zich tekenen van tendinopathie voordoen.
Myoclonus Er zijn gevallen van myoclonus gemeld bij patiënten die levofloxacine kregen (zie rubriek 4.8). Het risico op myoclonus is verhoogd bij oudere patiënten en bij patiënten met nierinsufficiëntie als de dosis levofloxacine niet wordt aangepast volgens de creatinineklaring. Levofloxacine dient onmiddellijk te worden stopgezet bij het eerste optreden van myoclonus en de juiste behandeling dient te worden gestart.
Door Clostridium difficile veroorzaakte infecties
Indien er tijdens of na de behandeling met levofloxacine (inclusief enkele weken na de behandeling) diarree optreedt, in het bijzonder als deze ernstig, aanhoudend en/of bloederig is, kan dit een symptoom zijn van een door Clostridium difficile veroorzaakte infectie (CDAD: Clostridium difficileassociated disease). De ernst van CDAD kan variëren van licht tot levensbedreigend; de ernstigste vorm ervan is pseudomembraneuze colitis (zie rubriek 4.8). Het is bijgevolg belangrijk om deze diagnose te overwegen bij patiënten die ernstige diarree ontwikkelen tijdens of na een behandeling met levofloxacine. Als CDAD wordt vermoed of bevestigd, moet de behandeling met levofloxacine onmiddellijk worden gestaakt en moet onverwijld een geschikte behandeling worden ingesteld. Middelen die de peristaltiek remmen zijn in deze klinische situatie gecontra-indiceerd.
Patiënten met aanleg tot convulsies
Chinolonen kunnen de convulsiedrempel verlagen en convulsies uitlokken. Levofloxacine is gecontra-indiceerd bij patiënten met een voorgeschiedenis epilepsie (zie rubriek 4.3) en dient, net als andere chinolonen, met de grootste voorzichtigheid te worden gebruikt bij patiënten met aanleg tot convulsies of patiënten die gelijktijdig behandeld worden met werkzame stoffen die de cerebrale convulsiedrempel verlagen, zoals theofylline (zie rubriek 4.5). Indien convulsies optreden (zie rubriek 4.8), dient de behandeling met levofloxacine stopgezet te worden.
Patiënten met G-6-fosfaatdehydrogenasedeficiëntie
Patiënten met latente of feitelijke defecten in de glucose-6-fosfaatdehydrogenase activiteit, kunnen gevoelig zijn voor hemolytische reacties indien ze behandeld worden met chinoloneantibiotica. Bijgevolg, als levofloxacine gebruikt moet worden bij deze patiënten, moet het potentiële optreden van hemolyse worden gecontroleerd.
Patiënten met nierinsufficiëntie
Aangezien levofloxacine hoofdzakelijkdoor de nieren wordt uitgescheiden, moet de dosering Levofloxacine Fresenius Kabi oplossing voor infusie worden aangepast bij patiënten met een verminderde nierfunctie (zie rubriek 4.2).
Overgevoeligheidsreacties
Levofloxacine kan ernstige, potentieel fatale overgevoeligheidsreacties uitlokken (bijv. van angio-oedeem tot anafylactische shock), soms na de eerste dosis (zie rubriek 4.8). In dit geval moet de patiënt onmiddellijk stoppen met de behandeling en contact opnemen met zijn/haar behandelend arts of de arts op de eerste hulp die de juiste eerste hulp zal verlenen.
Ernstige cutane bijwerkingen
Ernstige cutane bijwerkingen (SCAR’s) waaronder toxische epidermale necrolyse (TEN: ook bekend als het syndroom van Lyell), Stevens-Johnsonsyndroom (SJS) en geneesmiddelenreactie met eosinofilie en systemische symptomen (DRESS) en acute gegeneraliseerde exanthemateuze pustulose (AGEP), welke levensbedreigend of fataal kunnen zijn, zijn gemeld bij het gebruik van levofloxacine (zie rubriek 4.8). Tijdens het voorschrijven dient men de patiënt te informeren over de tekenen en symptomen van ernstige huidreacties, en men dient de patiënt nauwgezet te controleren. Indien tekenen en symptomen verschijnen die deze reacties suggereren, stop dan onmiddellijk met levofloxacine en overweeg een alternatieve behandeling. Heeft de patiënt een ernstige reactie ontwikkeld, zoals SJS, TEN, DRESS of AGEP door het gebruik van levofloxacine, dan de behandeling met levofloxacine bij deze patiënt nooit opnieuw starten.
Dysglykemie
Zoals voor alle chinolonen werden stoornissen in bloedglucose, waaronder hypoglykemie en hyperglykemie, gemeld, vaker voorkomend bij ouderen, gewoonlijk bij diabetespatiënten die tegelijkertijd behandeld worden met orale hypoglykemiërende middelen (bijv. glibenclamide) of insuline. Er werden gevallen van hypoglykemisch coma gemeld. Bij diabetespatiënten wordt aanbevolen het bloedsuikergehalte nauwkeurig op te volgen (zie rubriek 4.8). Behandeling met Levofloxacine Fresenius Kabi moet onmiddellijk worden gestopt als een patiënt een stoornis in de bloedglucose meldt en men dient een alternatieve niet-fluoroquinolone antibacteriële behandeling te overwegen.
Preventie van fotosensibilisatie
Fotosensibilisatie werd gemeld met levofloxacine (zie rubriek 4.8). Patiënten worden aangeraden zich niet onnodig bloot te stellen aan fel zonlicht of aan kunstmatige UV-straling (bijvoorbeeld hoogtezon, zonnebank) tijdens de behandeling en gedurende 48 uur na stopzetting van de behandeling om fotosensibilisatie te voorkomen.
Patiënten die behandeld worden met vitamine K antagonisten
Omwille van demogelijke toename van coagulatietesten (PT/INR) en/of bloedingen bij patiënten die behandeld worden met Levofloxacine in combinatie met een vitamine K antagonist (bijv. warfarine), moeten de coagulatietesten gecontroleerd worden wanneer deze geneesmiddelen gelijktijdig worden toegediend (zie rubriek 4.5).
Psychotische reacties
Psychotische reacties zijn gemeld bij patiënten die chinolonen kregen, waaronder levofloxacine. In zeer zeldzame gevallen ontwikkelden deze zich tot suïcidale gedachten en gedrag waarbij de patiënt zichzelf in gevaar brengt – soms na slechts één enkele dosis levofloxacine (zie rubriek 4.8). Indien deze reacties zich bij een patiënt ontwikkelen, dient levofloxacine te worden gestopt bij de eerste tekenen of symptomen van deze reacties, en moeten patiënten geadviseerd worden om contact op te nemen met hun voorschrijver voor advies. Alternatieve niet-fluoroquinolone antibacteriële behandeling moet worden overwogen en dienen gepaste maatregelen ingenomen te worden. Voorzichtigheid is geboden bij gebruik van levofloxacine bij psychotische patiënten of patiënten met een voorgeschiedenis van psychiatrische ziekte
Verlenging van het QT-interval
Fluorochinolonen, levofloxacine inbegrepen, dienen met voorzichtigheid gebruikt te worden bij patiënten met bekende risicofactoren voor QT-intervalverlenging, zoals:
- Congenitaal lang QT-interval
- gelijktijdig gebruik van geneesmiddelen waarvan bekend is dat ze het QT-interval verlengen (bijv. anti-aritmica klasse IA en klasse III, tricyclische antidepressiva, macroliden, antipsychotica)
- niet-gecorrigeerde verstoorde elektrolytenbalans (bijv. hypokaliemie, hypomagnesiemie)
- hartaandoening (bijv. hartfalen, myocardinfarct, bradycardie)
Oudere patiënten en vrouwen kunnen gevoeliger zijn voor QTc-verlengende geneesmiddelen. Daarom is, in deze populaties, voorzichtigheid geboden bij het gebruik van fluorochinolonen, inclusief levofloxacine (Zie rubriek 4.2 'Ouderen', rubriek 4.5, 4.8 en 4.9).
Perifere neuropathie
Bij patiënten die chinolonen en fluorochinolonen gebruiken, zijn gevallen van sensorische of sensomotorische polyneuropathie gemeld, die resulteerden in paresthesie, hypesthesie, dysesthesie of krachtsverlies. Patiënten die met levofloxacine worden behandeld, moet aangeraden worden om hun arts te informeren voordat de behandeling wordt voortgezet als zich symptomen van neuropathie ontwikkelen zoals pijn, branderig gevoel, tintelingen, doof gevoel of krachtsverlies, om de ontwikkeling van een potentieel irreversibele aandoening te voorkomen (zie rubriek 4.8).
Lever- en galaandoeningen
Gevallen van levernecrose tot fataal leverfalen werden met levofloxacine gerapporteerd, en dit vooral bij patiënten met een ernstige onderliggende ziekten, zoals sepsis (zie rubriek 4.8). Patiënten moeten worden geadviseerd om de behandeling stop te zetten en contact op te nemen met hun arts, indien zij klachten en verschijnselen van leverziekte ontwikkelen, zoals anorexie, geelzucht, donkere urine, jeuk of een gevoelige buik.
Verergering van myasthenia gravis
Fluorochinolonen, waaronder levofloxacine, hebben een neuromusculaire blokkerende activiteit en kunnen de spierzwakte verergeren bij patiënten met myasthenia gravis. Er zijn postmarketing ernstige bijwerkingen gemeld, waaronder sterfgevallen en de noodzaak tot respiratoire ondersteuning, die in verband konden worden gebracht met het gebruik van fluorochinolonen bij patiënten met myasthenia gravis. Levofloxacine wordt niet aanbevolen bij patiënten met een bekende voorgeschiedenis van myasthenia gravis.
Oogaandoeningen
Indien het zicht vermindert of enig ander effect op het oog wordt waargenomen, moet een oogarts onmiddellijk geraadpleegd worden (zie rubrieken 4.7 en 4.8).
Superinfectie
Het gebruik van levofloxacine, in het bijzonder indien langdurig, kan leiden tot overgroei van nietgevoelige organismen. Als tijdens de behandeling een superinfectie optreedt, moeten gepaste maatregelen worden genomen.
Interferentie met laboratoriumtesten
Bij patiënten die met levofloxacine behandeld worden, kan de bepaling van opiaten in de urine valspositieve resultaten opleveren. Het kan nodig zijn om positieve opiaattesten door meer specifieke methoden te bevestigen.
Levofloxacine kan de groei remmen van Mycobacterium tuberculosis en kan bijgevolg vals-negatieve resultaten geven bij de bacteriologische diagnose van tuberculose.
4.5 Interacties met andere geneesmiddelen en andere vormen van interactie
Invloed van andere geneesmiddelen op Levofloxacine Fresenius Kabi
Theofylline, fenbufen of gelijkaardige niet-steroïdale anti-inflammatoire geneesmiddelen.
Een klinische studie toonde geen farmacokinetische interacties tussen levofloxacine en theofylline. De cerebrale convulsiedrempel kan echter wel uitgesproken dalen wanneer chinolonen samen met theofylline, niet-steroïdale anti-inflammatoire geneesmiddelen of andere producten die de convulsiedrempel verlagen, worden toegediend.
De concentratie van levofloxacine in aanwezigheid van fenbufen waren ongeveer 13% hoger dan bij toediening van levofloxacine alleen.
Probenecide en cimetidine
Probenecide en cimetidine hebben een statistisch significant effect op de eliminatie van levofloxacine. Cimetidine en probenecide verlaagden de renale klaring van levofloxacine met respectievelijk 24% en 34%. Dat komt omdat beide geneesmiddelen de renale tubulaire secretie van levofloxacine kunnen blokkeren. Maar voor de doses die in de studie werden getest, hebben de statistisch significante verschillen in farmacokinetiek waarschijnlijk geen klinische betekenis.
Voorzichtigheid is geboden wanneer levofloxacine gelijktijdig wordt toegediend met geneesmiddelen die de renale tubulaire secretie beïnvloeden, zoals probenecide en cimetidine, en dit vooral bij patiënten met een gestoorde nierfunctie.
Andere relevante informatie
Klinisch-farmacologische studies hebben aangetoond dat de farmacokinetiek van levofloxacine niet in klinisch relevante mate beïnvloed werd bij gelijktijdige toediening van levofloxacine en de volgende geneesmiddelen: calciumcarbonaat, digoxine, glibenclamide, ranitidine.
Invloed van Levofloxacine Fresenius Kabi op andere geneesmiddelen.
Ciclosporine
De halfwaardetijd van ciclosporine nam met 33% toe wanneer het samen met levofloxacine werd toegediend.
Vitamine K antagonisten
Bij patiënten die behandeld werden met levofloxacine in combinatie met een vitamine K antagonist (bijv. warfarine) werden verhoogde coagulatiewaarden (PT/INR) en/of bloedingen gemeld, die ernstig kunnen zijn. De coagulatietesten moeten derhalve gecontroleerd worden bij patiënten die met vitamine K antagonisten worden behandeld (zie rubriek 4.4).
Geneesmiddelen waarvan bekend is dat ze het QT-interval verlengen
Zoals andere fluorochinolonen dient levofloxacine met voorzichtigheid gebruikt te worden bij patiënten die reeds met geneesmiddelen behandeld worden waarvan bekend is dat zij het QT-interval verlengen (bijv. klasse IA en klasse III anti-aritmica, tricyclische antidepressiva, macroliden, antipsychotica) (zie rubriek 4.4 Verlenging van het QT-interval).
Andere relevante informatie
In een farmacokinetische interactiestudie had levofloxacine geen invloed op de farmacokinetiek van theofylline (dat een probe substraat is voor CYP1A2), wat erop wijst dat levofloxacine geen CYP1A2- inhibitor is.
4.6 Vruchtbaarheid, zwangerschap en borstvoeding
Zwangerschap
Er zijn beperkte gegevens over het gebruik van levofloxacine bij zwangere vrouwen. De resultaten van dieronderzoek duiden niet op directe of indirecte schadelijke effecten wat betreft reproductietoxiciteit (zie rubriek 5.3).
Echter, in afwezigheid van gegevens bij de mens en omdat experimentele gegevens een risico op beschadiging van het gewichtsdragende kraakbeen bij het groeiende organisme door fluorochinolonen suggereren, mag levofloxacine niet door zwangere vrouwen worden gebruikt (zie rubrieken 4.3 en 5.3).
Borstvoeding
Levofloxacine Fresenius Kabi is gecontra-indiceerd bij vrouwen die borstvoeding geven. Er bestaat onvoldoende informatie over de uitscheiding van levofloxacine in de moedermelk bij de mens; andere fluorochinolonen worden echter uitgescheiden in de moedermelk. In afwezigheid van gegevens bij de mens en omdat experimentele gegevens een risico op beschadiging van het gewichtsdragende kraakbeen bij het groeiende organisme door fluorochinolonen suggereren, mag levofloxacine niet worden gebruikt door vrouwen die borstvoeding geven (zie rubrieken 4.3 en 5.3).
Vruchtbaarheid
Levofloxacine veroorzaakte geen afname van de vruchtbaarheid of het reproductievermogen bij ratten.
4.7 Beïnvloeding van de rijvaardigheid en het vermogen om machines te bedienen
Sommige bijwerkingen (bijvoorbeeld duizeligheid/vertigo, slaperigheid, gezichtsstoornissen) kunnen het concentratie- en reactievermogen verminderen en daarom een risico vormen in situaties waarin deze vaardigheden van bijzonder belang zijn (zoals bij het autorijden of het gebruik van machines).
4.8 Bijwerkingen
De onderstaande informatie is afkomstig van klinische studies die werden uitgevoerd bij meer dan 8300 patiënten, en van uitgebreide postmarketingervaring.
De frequenties in deze tabel worden gedefinieerd volgens de volgende conventie: zeer vaak (≥1/10), vaak (≥1/100, <1/10), soms (≥1/1.000, <1/100), zelden (≥1/10.000, <1/1.000), zeer zelden (<1/10.000), niet bekend (kan met de beschikbare gegevens niet worden bepaald). Binnen iedere frequentiegroep worden bijwerkingen gerangschikt naar afnemende ernst.
| Systeem orgaanklasse | Vaak | Soms | Zelden | Niet bekend |
|---|---|---|---|---|
| Infecties en parasitaire aandoeningen | Schimmelinfecties waaronder Candida infectie Resistentie van pathogenen | |||
| Bloed- en lymfestelselaandoening en | Leukopenie Eosinofilie | Trombocytopenie Neutropenie | Beenmergfalen inclusief aplastische anemie, pantocytopenie agranulocytose hemolytische anemie | |
Immuunsysteem- aandoeningen | Angio-oedeem Overgevoelig-heid (zie rubriek 4.4) | Anafylactische shock a Anafylactoïde shocka (zie rubriek 4.4) | ||
| Endocriene aandoeningen | Syndroom van inadequate secretie van antidiuretisch hormoon (SIADH) | |||
Voedings- en stofwisselingsstoor- nissen | Anorexie | Hypoglykemie in het bijzonder bij diabetespatiënten, hypoglykemisch coma (zie rubriek 4.4) | Hyperglykemie, (zie rubriek 4.4) | |
| Psychische stoornissen* | Slapeloosheid | Angst Verwarde toestand Zenuwachtigheid | Psychotische reacties (met bijv. hallucinaties, paranoia) Depressie Agitatie Abnormale dromen Nachtmerries, Delirium | Psychotische stoornissen met gedrag waarbij de patiënt zichzelf in gevaar brengt, waaronder suïcidale gedachten of suïcidale pogingen (zie rubriek 4.4) Manie Paniekaanval |
Zenuwstelsel- aandoeningen* | Hoofdpijn Duizeligheid | Slaperigheid Tremor Dysgeusie | Convulsies (zie rubrieken 4.3 en 4.4) Paresthesieën), Geheugenverminderi ng | Perifere sensorische neuropathie (zie rubriek 4.4) Perifere sensomotorische neuropathie (zie rubriek 4.4) Parosmie met inbegrip van anosmie Dyskinesie Extrapiramidale stoornis Ageusie Syncope Goedaardige intracraniale Hypertensie Myoclonus Neuralgie |
| Oogaandoeningen* | Gezichtsstroonissen zoals wazig zicht (zie rubriek 4.4) | Tijdelijk gezichtsverlies (zie rubriek 4.4), uveïtis | ||
| Evenwichtsorgaan- en ooraandoeningen* | Vertigo | Tinnitus | Gehoorverlies Verminderd gehoor | |
| Hartaandoeningen** | Tachycardie Palpitaties | Ventriculaire tachycardie, die kan leiden tot hartstilstand Ventriculaire aritmie en torsade de pointes (voornamelijk gerapporteerd bij patiënten met risicofactoren van QTverlenging), | ||
verlenging QT-interval op elektrocardiogram (zie rubrieken 4.4 en 4.9) | ||||
| Bloedvataandoeningen* * | Alleen van toepassingen op de i.v. vorm: Flebitis | Hypotensie | ||
Ademhalingsstelsel-, borstkas- en Mediastinumaan- doeningen | Dyspneu | Bronchospasme Allergische pneumonitis | ||
Maagdarmstelselaan- doeningen | Diarree Braken Misselijkheid | Buikpijn Dyspepsie Flatulentie Constipatie | Hemorragische diarree die in zeer zeldzame gevallen kan wijzen op enterocolitis, inclusief pseudomembraneuze colitis (zie rubriek 4.4) Pancreatitis (zie rubriek 4.4). | |
| Lever- en galaandoeningen | Verhoogde leverenzymen (ALAT/ASAT, alkalisch fosfatase, GGT) | Verhoogd bilirubine in bloed | Geelzucht en ernstige leverbeschadiging, inclusief fatale gevallen met acuut leverfalen, voornamelijk bij patiënten met ernstige onderliggende ziekten (zie rubriek 4.4) Hepatitis | |
Huid- en onderhuidaandoeningen b | Rash Pruritus Urticaria Hyperhidrose | Geneesmiddelenreactie met eosinofilie en systemische symptomen (DRESS) (zie rubriek 4.4), fixed-drug eruption | Toxische epidermale necrolyse Stevens-Johnsonsyndroom Erythema multiforme Fotosensibiliteits- reactie (zie rubriek 4.4) Leukocytoclastische vasculitis Stomatitis Hyperpigmentatie van de huid Acute gegeneraliseerde | |
| exanthemateuze pustulose (AGEP) (zie rubriek 4.4) | ||||
Skeletspierstelsel- en Bindweefselaandoening en* | Artralgie Myalgie | Peesstoornissen (zie rubrieken 4.3 en 4.4) inclusief tendinitis (bijv. Achillespees) Spierzwakte die van bijzonder belang kan zijn bij patiënten met myasthenia gravis (zie rubriek 4.4 ) | Rabdomyolyse Peesruptuur (bijv. Achillespees) (zie rubrieken 4.3 en 4.4) Ligamentruptuur Spierruptuur Artritis | |
Nier- en urinewegaandoeningen | Verhoogd creatinine in bloed | Acuut nierfalen (bijv. als gevolg van interstitiële nefritis) | ||
Algemene aandoeningen en toedieningsplaatsstoorni ssen* | Alleen van toepassing op de i.v. vorm: Reactie op de infusieplaats (pijn, roodheid) | Asthenie | Pyrexie | Pijn (waaronder pijn in de rug, de borst en de ledematen) |
a Anafylactische en anafylactoïde reacties kunnen soms zelfs na de eerste dosis optreden.
b Mucocutane reacties kunnen soms zelfs na de eerste dosis optreden.
*Zeer zelden voorkomende gevallen van langdurige (tot maanden of jaren), invaliderende en potentieel irreversibele ernstige bijwerkingen die verschillende, soms meerdere, systeem/orgaanklassen en zintuigen aantasten (waaronder bijwerkingen zoals tendinitis, peesruptuur, artralgie, pijn in extremiteiten, loopstoornis, neuropathieën geassocieerd met paresthesie en neuralgie, vermoeidheid, psychiatrische symptomen (waaronder slaapstoornissen, angst, paniekaanvallen, depressie en zelfmoordgedachten), geheugen- en concentratiestoornissen, en vermindering van gehoor, zicht, smaak- en reukzin), zijn gemeld in verband met het gebruik van chinolonen en fluorochinolonen, in sommige gevallen ongeacht vooraf bestaande risicofactoren (zie rubriek 4.4).
** Er zijn gevallen gemeld van aorta-aneurysma en aortadissectie, soms gecompliceerd door scheuringen (waaronder fatale), en van regurgitatie/incompetentie van een van de hartkleppen bij patiënten die fluorochinolonen toegediend kregen (zie rubriek 4.4).
Andere bijwerkingen die in verband werden gebracht met de toediening van fluorochinolonen, zijn onder meer:
- aanvallen van porfyrie bij patiënten met porfyrie
Melding van vermoedelijke bijwerkingen
Het is belangrijk om na toelating van het geneesmiddel vermoedelijke bijwerkingen te melden. Op deze wijze kan de verhouding tussen voordelen en risico’s van het geneesmiddel voortdurend worden gevolgd. Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg wordt verzocht alle vermoedelijke bijwerkingen te melden via het Nederlands Bijwerkingen Centrum Lareb, website www.lareb.nl.
4.9 Overdosering
Volgens toxicologisch onderzoek bij dieren of klinisch farmacologisch onderzoek uitgevoerd met supra-therapeutische doses zijn als belangrijkste symptomen na acute overdosering met Levofloxacine Kabi oplossing voor infusie te verwachten: symptomen van het centrale zenuwstelsel, zoals verwardheid, duizeligheid, bewustzijnsstoornissen en convulsieve aanvallen, en verlenging van de QT-interval.
In de postmarketingperiode zijn effecten op het centrale zenuwstelsel waaronder een verwarde toestand, convulsies, myoclonus, hallucinaties en tremor waargenomen.
In geval van overdosering dient symptomatische behandeling te worden gestart. Controle van het ECG moet worden ingesteld, aangezien het QT-interval mogelijk verlengd is. Hemodialyse, inclusief peritoneale dialyse en CAPD, is niet effectief om levofloxacine uit het lichaam te verwijderen. Een specifiek antidotum bestaat niet.
5. FARMACOLOGISCHE EIGENSCHAPPEN
5.1 Farmacodynamische eigenschappen
Farmacotherapeutische categorie: antibacteriële middelen van de groep chinolonen, fluorochinolonen
ATC-code: J01MA12
Levofloxacine is een synthetisch antibacterieel middel van de klasse fluorochinolonen en is de S (-) enantiomeer van de racemische actieve stof ofloxacine.
Werkingsmechanisme
Als antibacterieel middel van het type fluorochinolonen werkt levofloxacine in op het DNA-gyrasecomplex en op het topo-isomerase IV.
PK/PD relatie
De mate van bactericide werking van levofloxacine is afhankelijk van de verhouding van de maximale serumconcentratie (Cmax) of het gebied onder de curve (AUC) en de minimale remmende concentratie (MIC).
Resistentiemechanisme
De resistentie tegen levofloxacine is verworven door een stapsgewijs proces van mutaties op de targetplaats in beide type II topo-isomerasen, DNA-gyrase en topo-isomerase IV. Andere resistentiemechanismen zoals permeatiebarrières (frequent bij Pseudomonas aeruginosa) en effluxmechanismen kunnen ook invloed hebben op de gevoeligheid voor levofloxacine.
Er is kruisresistentie tussen levofloxacine en andere fluorochinolonen waargenomen. Gezien het werkingsmechanisme bestaat er in het algemeen geen kruisresistentie tussen levofloxacine en andere klassen van antibacteriële middelen.
Breekpunten
De door de EUCAST aanbevolen MIC-breekpunten voor levofloxacine, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen gevoelige organismen, organismen met intermediaire gevoeligheid en resistente organismen, worden weergegeven in de onderstaande tabel voor MIC-testen (mg/l).
EUCAST klinische MIC-breekpunten voor levofloxacine (version 10.0, 2020-01-01):
| Pathogeen | Gevoelig | Resistent |
| Enterobacteriales | 0,5 mg/L | >1 mg/L |
| Pseudomonas spp. | ≤1 mg/L | >1 mg/L |
| Acinetobacter spp. | ≤1 mg/L | >1 mg/L |
Staphylococcus spp. S.aureus Coagulase-negatieve staphylococci | ≤0,001 mg/L ≤0,001 mg/L | >1 mg/L >1 mg/L |
| S.pneumoniae 1 | ≤0,001 mg/L | >2 mg/L |
| Streptococcus A,B,C,G | ≤0,001 mg/L | >2 mg/L |
| H.influenzae3 | ≤0,06 mg/L | >0,06 mg/L |
| M.catarrhalis | ≤0,125 mg/L | >0,125 mg/L |
| H.pylori | ≤1 mg/L | >1 mg/L |
A.sanguinicola and urinae1 (enkel ongecompliceerde UTI) | ≤2 mg/L | >2 mg/L |
| K.kingae | ≤0,125 mg/L | >0,125 mg/L |
| Niet-speciesgerelateerde breekpunten4 | ≤0,5 mg/L | >1 mg/L |
| 1Gevoeligheid kan worden afgeleid uit de gevoeligheid voor ciprofloxacine. | ||
De prevalentie van resistentie kan voor gegeven species geografisch en met de tijd variëren en lokale informatie over resistentie is wenselijk, in het bijzonder bij de behandeling van ernstige infecties. Indien nodig dient men een deskundige te raadplegen, wanneer de lokale prevalentie van resistentie van dien aard is dat het gebruik van dit middel voor tenminste een aantal types van infecties in vraag moet worden gesteld.
Gewoonlijk gevoelige species
Aërobe Gram-positieve bacteriën
Bacillus anthracis
Staphylococcus aureus methicilline-gevoelig
Staphylococcus saprophyticus
Streptococci, groep C en G
Streptococcus agalactiae
Streptococcus pneumoniae
Streptococcus pyogenes
Aërobe Gram-negatieve bacteriën
Eikenella corrodens
Haemophilus influenzae
Haemophilus para-influenzae
Klebsiella oxytoca
Moraxella catarrhalis
Pasteurella multocida
Proteus vulgaris
Providencia rettgeriAnaërobe bacteriën
Peptostreptococcus
Overige
Chlamydophila pneumoniae
Chlamydophila psittaci
Chlamydia trachomatis
Legionella pneumophila
Mycoplasma pneumoniae
Mycoplasma hominis
Ureaplasma urealyticum
Species waarbij verworven resistentie een probleem kan zijn
Aërobe Gram-positieve bacteriën
Enterococcus faecalis
Staphylococcus aureus methicilline-gevoelig*
Coagulase-negatieve Staphylococcus spp
Aërobe Gram-negatieve bacteriën
Acinetobacter baumannii
Citrobacter freundii
Enterobacter aerogenes
Enterobacter agglomerans
Enterobacter cloacae *
Escherichia coli
Klebsiella pneumoniae
Morganella morganii
Proteus mirabilis
Providencia stuartii
Pseudomonas aeruginosa
Serratia marcescens
Anaërobe bacteriën
Bacteroides fragilis
Inherent resistente stammen
Aerobe grampositieve bacteriën
Enterococcus faecium
°Methicilline-resistente S. aureus vertoont zeer waarschijnlijk co-resistentie tegen fluorochinolonen, waaronder levofloxacine.
5.2 Farmacokinetische eigenschappen
Absorptie
Na orale toediening wordt levofloxacine snel en bijna volledig geabsorbeerd. De maximale plasmaconcentratie wordt bereikt in 1 uur. De absolute biologische beschikbaarheid bedraagt 99 - 100%. Voedsel heeft weinig effect op de absorptie van levofloxacine.
De steady state wordt bereikt binnen 48 uur na een doseringsschema van 500 mg een- of tweemaal daags.
Distributie
Ongeveer 30 - 40% van levofloxacine wordt gebonden aan serumproteïnen.
Het gemiddelde distributievolume van levofloxacine bedraagt ongeveer 100 l na enkelvoudige en herhaalde toediening van doses van 500 mg, wat wijst op een uitgebreide distributie in de lichaamsweefsels.
Penetratie in de weefsels en in lichaamsvocht:
Er werd aangetoond dat levofloxacine penetreert in bronchiale mucosa, epitheelvloeistof, alveolaire macrofagen, longweefsel, huid (blaarvocht), prostaatweefsel en urine. Levofloxacine penetreert echter slecht in cerebrospinaal vocht.
Biotransformatie
Levofloxacine wordt zeer weinig gemetaboliseerd. Zijn metabolieten zijn demethyllevofloxacine en levofloxacine-N-oxide. Deze metabolieten maken < 5 % uit van de dosis die in de urine wordt uitgescheiden. Levofloxacine is stereochemisch stabiel en ondergaat geen chirale inversie.
Eliminatie
Na orale en intraveneuze toediening van levofloxacine verloopt de eliminatie uit het plasma betrekkelijk traag (t½: 6 - 8 u). Levofloxacine wordt voornamelijk door de nieren uitgescheiden (> 85 % van de toegediende dosis).
De gemiddelde schijnbare totale lichaamsklaring van levofloxacine na een enkelvoudige dosis van 500 mg bedroeg 175 +/-29,2 ml/min.
Er zijn geen grote verschillen in de farmacokinetiek van levofloxacine na intraveneuze en orale toediening, waaruit kan worden afgeleid dat beide toedieningswegen onderling kunnen worden verwisseld.
Lineariteit
Levofloxacine volgt een lineaire farmacokinetiek over een interval van 50 tot 1000 mg
Speciale populaties
Patiënten met nierinsufficiëntie
De farmacokinetiek van levofloxacine wordt beïnvloed door nierinsufficiëntie. Naarmate de nierfunctie afneemt, verminderen de eliminatie en de renale klaring en stijgt de eliminatiehalfwaardetijd zoals in de onderstaande tabel wordt getoond :
Farmacokinetiek bij nierinsufficiëntie na toediening van een enkelvoudige orale dosis van 500mg
| Clcr [ml/min] | < 20 | 20 - 49 | 50 - 80 |
|---|---|---|---|
| ClR [ml/min] | 13 | 26 | 57 |
| t1/2 [u] | 35 | 27 | 9 |
Ouderen
Er bestaat geen groot verschil in de kinetiek van levofloxacine tussen jongeren en ouderen, met uitzondering van de verschillen die te maken hebben met de creatinineklaring.
Verschillen tussen de geslachten
Een differentiële analyse bij mannen en vrouwen wees op geringe tot zelfs marginale verschillen in de farmacokinetiek van levofloxacine tussen beide geslachten. Er zijn geen aanwijzingen dat deze verschillen in geslacht klinisch relevant zijn.
5.3 Gegevens uit het preklinisch veiligheidsonderzoek
Niet-klinische gegevens duiden niet op een speciaal risico voor mensen. Deze gegevens zijn afkomstig van conventioneel onderzoek op het gebied van toxiciteit bij enkelvoudige dosering, toxiciteit bij herhaalde dosering, carcinogeen potentieel, en reproductie- en ontwikkelingstoxiciteit.
Levofloxacine had geen effect op de vruchtbaarheid of het reproductievermogen bij ratten en het enige gevolg voor de foetus was een vertraagde maturatie ten gevolge van de toxiciteit bij het moederdier.
Levofloxacine veroorzaakte geen genmutatie in bacteriële cellen of zoogdiercellen maar leidde wel tot chromosoomafwijkingen in de longcellen van Chinese hamsters in vitro. Deze effecten kunnen toegeschreven worden aan inhibitie van topo-isomerase II. Uit de in vivo testen (testen op microkernen, uitwisseling van zusterchromatiden, onvoorziene DNA-synthese, letale dominantietest) bleek geen enkel genotoxisch potentieel.
Studies bij muizen toonden aan dat levofloxacine enkel in zeer hoge doses fototoxische activiteit heeft. Levofloxacine vertoonde geen genotoxische effecten in een fotomutageniciteitsstudie en verminderde de tumorontwikkeling in een fotocarcinogeniciteitsstudie.
Zoals alle fluorochinolonen heeft levofloxacine een effect op het kraakbeen (vorming van blaren en holtes) bij ratten en honden. Deze effecten waren meer uitgesproken bij jonge dieren.
6. FARMACEUTISCHE GEGEVENS
6.1 Lijst van hulpstoffen
Natriumchloride,
Natriumhydroxide (voor aanpassing van de pH)
Zoutzuur (voor aanpassing van de pH)
Water voor injectie.
6.2 Gevallen van onverenigbaarheid
Levofloxacine Fresenius Kabi oplossing voor infusie mag niet worden gemengd met heparine of alkalische oplossingen (bijv. natriumwaterstofcarbonaat).
Dit geneesmiddel mag niet gemengd worden met andere geneesmiddelen dan die vermeld zijn onder rubriek 6.6.
6.3 Houdbaarheid
Oplossing voor infusie verpakt voor verkoop:
KabiPac flessen50 ml en 100 ml: 3 jaar
freeflex® zakken 50 ml: 18 maanden
freeflex® zakken 100 ml: 2 jaar
Verdunde oplossing:
Verdunning is niet noodzakelijk alvorens toediening.
Voor het verdunde product werd een chemische en fysische stabiliteit tijdens gebruik aangetoond gedurende 3 uur bij 25°C.
Na de eerste opening:
Vanuit microbiologisch oogpunt, dient het product onmiddellijk te worden gebruikt (binnen de 3 uur). Als het niet meteen (binnen de 3 uur) wordt gebruikt, zijn de bewaartijden en -omstandigheden alvorens het gebruik de verantwoordelijkheid van de gebruiker tenzij de reconstitutie/verdunning in gecontroleerde en gevalideerde omstandigheden plaatsvond.
Tijdens infusie is bescherming voor licht niet noodzakelijk.
6.4 Speciale voorzorgsmaatregelen bij bewaren
KabiPac flessen:
De container in de buitenverpakking bewaren ter bescherming tegen licht.
Niet in de koelkast of de vriezer bewaren.
freeflex® zakken
Bewaren beneden 25°C.
De container in de buitenverpakking bewaren ter bescherming tegen licht.
Niet in de koelkast of de vriezer bewaren.
Voor de bewaarcondities van het verdunde product, zie rubriek 6.3.
6.5 Aard en inhoud van de verpakking
50 ml gevuld in een 100 ml fles: Verpakking in polyethyleen met lage densiteit (Kabipac) van 100 ml, afgesloten met een dop die een rubberen schijf bevat.
Verpakkingsgrootten: 1, 10, 20 en 25 flessen
50 ml gevuld in een zak van 100 ml: 100 ml polyolefine Freeflex zak
Verpakkingsgrootte: 10 en 20 zakken
100 ml gevuld in een 100 ml fles: Verpakking in polyethyleen met lage densiteit (Kabipac) van 100 ml, afgesloten met een dop die een rubberen schijf bevat.
Verpakkingsgrootten: 1, 10, 20 en 25 flessen
100 ml gevuld in een zak van 100 ml: 100 ml polyolefine Freeflex zak
Verpakkingsgrootte: 10 en 20 zakken
Niet alle genoemde verpakkingsgrootten worden in de handel gebracht.
6.6 Speciale voorzorgsmaatregelen voor het verwijderen en andere instructies
Al het ongebruikte geneesmiddel of afvalmateriaal dient te worden vernietigd overeenkomstig lokale voorschriften
Mengen met andere oplossingen voor infusie:
Levofloxacine Fresenius Kabi oplossing voor infusie is verenigbaar met de volgende oplossingen voor infusie:
- Glucose 50 mg/ml (5%).
- Glucose in Ringer oplossing 25 mg/ml (2,5%).
- Natriumchloride 9 mg/ml (0,9%).
- Aminozuuroplossing
Zie rubriek 6.2 voor gevallen van onverenigbaarheid.
7. HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
Fresenius Kabi Nederland BV
Amersfoortseweg 10E
3712 BC Huis ter Heide
Nederland
8. NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
RVG 102216
9. DATUM VAN EERSTE VERLENING VAN DE VERGUNNING/HERNIEUWING VAN DE VERGUNNING
Datum van eerste verlening van de vergunning: 24 juni 2009
Datum laatste hernieuwing van de vergunning: 30 januari 2014
10. DATUM VAN HERZIENING VAN DE TEKST
Laatst gedeeltelijke wijziging betreft de rubrieken 4.4 en 4.8: 2 juli 2026
