SmPC (samenvatting van de productkenmerken) - Ciprofloxacine Sandoz
1. NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
Ciprofloxacine Sandoz 250 mg, filmomhulde tabletten
Ciprofloxacine Sandoz 500 mg, filmomhulde tabletten
Ciprofloxacine Sandoz 750 mg, filmomhulde tabletten
2. KWALITATIEVE EN KWANTITATIEVE SAMENSTELLING
Ciprofloxacine Sandoz 250 mg:
Elke filmomhulde tablet bevat: 250 mg ciprofloxacine (als hydrochloride monohydraat).
Ciprofloxacine Sandoz 500 mg:
Elke filmomhulde tablet bevat: 500 mg ciprofloxacine (als hydrochloride monohydraat).
Ciprofloxacine Sandoz 750 mg:
Elke filmomhulde tablet bevat: 750 mg ciprofloxacine (als hydrochloride monohydraat).
Voor de volledige lijst van hulpstoffen, zie rubriek 6.1.
3. FARMACEUTISCHE VORM
Filmomhulde tabletten
Ciprofloxacine Sandoz 250 mg: wit, rond, filmomhulde tabletten, aan één kant een breuklijn en aan de andere kant de opdruk ‘cip 250’
De tablet kan verdeeld worden in twee gelijke doses.
Ciprofloxacine Sandoz 500 mg: wit, langwerpig, filmomhulde tabletten, aan beide kanten een breuklijn en aan één kant opdruk ‘cip 500’
De tablet kan verdeeld worden in twee gelijke doses.
Ciprofloxacine Sandoz 750 mg: wit, langwerpig, filmomhulde tabletten, aan beide kanten een breuklijn en aan één kant opdruk ‘cip 750’
De tablet kan verdeeld worden in twee gelijke doses.
4. KLINISCHE GEGEVENS
4.1 Therapeutische indicaties
Ciprofloxacine Sandoz filmomhulde tabletten zijn geïndiceerd voor de behandeling van de volgende infecties (zie rubrieken 4.4 en 5.1). Voordat met de therapie wordt begonnen moet er in het bijzonder gelet worden op beschikbare informatie over resistentie tegen ciprofloxacine.
Volwassenen
Lagere luchtweginfecties veroorzaakt door Gramnegatieve bacteriën:
exacerbaties van chronisch obstructief longlijden
- Bij exacerbatie of chronische obstructieve longziekte mag ciprofloxacine uitsluitend worden gebruikt wanneer het ongeschikt wordt geacht om andere antibacteriële middelen te gebruiken die doorgaans worden aanbevolen voor de behandeling van die infecties.
- bronchopulmonale infecties bij cystische fibrose of bij bronchiëctasieën
- pneumonie
- Chronische purulente otitis media
- Acute exacerbatie van chronische sinusitis, in het bijzonder wanneer deze veroorzaakt is door Gramnegatieve bacteriën
Ongecompliceerde acute cystitis
- Bij ongecompliceerde acute cystitis mag ciprofloxacine uitsluitend worden gebruikt wanneer het ongeschikt wordt geacht om andere antibacteriële middelen te gebruiken die doorgaans worden aanbevolen voor de behandeling van die infecties.
- Acute pyelonefritis
- Gecompliceerde urineweginfecties
- Bacteriële prostatitis
Infecties aan de geslachtsorganen
- door gonokokken veroorzaakte urethritis en cervicitis veroorzaakt door gevoelige Neisseria gonorrhoeae
- epididymo-orchitis waaronder gevallen die veroorzaakt zijn door gevoelige Neisseria gonorrhoeae
- ontsteking in het kleine bekken bij vrouwen (PID, pelvic inflammatory disease) waaronder gevallen die veroorzaakt zijn door gevoelige Neisseria gonorrhoeae
- Infecties van het maagdarmstelsel (bijvoorbeeld reizigersdiarree)
- Intra-abdominale infecties
- Infecties van de huid en weke delen, veroorzaakt door Gramnegatieve bacteriën
- Maligne otitis externa
- Infecties van botten en gewrichten
- Profylaxe van invasieve infecties als gevolg van Neisseria meningitidis
- Inhalatieantrax (profylaxe na blootstelling en curatieve behandeling)
Ciprofloxacine kan worden gebruikt bij de behandeling van neutropene patiënten met koorts die vermoedelijk het gevolg is van een bacteriële infectie.
Kinderen en adolescenten
- Bronchopulmonale infecties als gevolg van Pseudomonas aeruginosa bij patiënten met cystische fibrose
- Gecompliceerde urineweginfecties en acute pyelonefritis
- Inhalatieantrax (profylaxe na blootstelling en curatieve behandeling)
Ciprofloxacine kan ook gebruikt worden om ernstige infecties bij kinderen en adolescenten te behandelen wanneer dit noodzakelijk wordt geacht.
De behandeling mag uitsluitend worden ingesteld door artsen die ervaring hebben met de behandeling van cystische fibrose en/of ernstige infecties bij kinderen en adolescenten (zie rubriek 4.4 en 5.1).
De officiële richtlijnen over het juiste gebruik van antibacteriële middelen dienen in overweging te worden genomen.
4.2 Dosering en wijze van toediening
Dosering
De dosis wordt bepaald op basis van de indicatie, de ernst en de plaats van de infectie, de gevoeligheid voor ciprofloxacine van het/de causatieve organisme(n), de nierfunctie van de patiënt en bij kinderen en adolescenten het lichaamsgewicht van de patiënt.
De behandelingsduur hangt af van de ernst van de ziekte evenals van het klinische en bacteriologische verloop.
Bij de behandeling van infecties veroorzaakt door bepaalde bacteriën (bijvoorbeeld Pseudomonas aeruginosa, Acinetobacter of Staphylococci) kunnen hogere doses ciprofloxacine en gelijktijdige toediening van één of meer andere geschikte antibacteriële middelen nodig zijn.
Bij de behandeling van sommige infecties (bijvoorbeeld ontstekingen in het kleine bekken bij vrouwen, intra-abdominale infecties, infectie bij neutropene patiënten en infecties van de botten of gewrichten) kan gelijktijdige toediening van één of meer andere geschikte antibacteriële middelen nodig zijn, afhankelijk van de pathogenen die deze veroorzaken
Volwassenen
| Indicaties | Dagelijkse dosis in mg | Totale behandelingsduur (inclusief een mogelijk initieel gegeven parenterale behandeling met ciprofloxacine) | |
|---|---|---|---|
| Lagere luchtweginfecties | 500 mg 2 dd tot 750 mg 2 dd | 7 tot 14 dagen | |
Hogere luchtweginfecties | Acute exacerbatie van chronische sinusitis | 500 mg 2 dd tot 750 mg 2 dd | 7 tot 14 dagen |
Chronische purulente otitis media | 500 mg 2 dd tot 750 mg 2 dd | 7 tot 14 dagen | |
| Maligne otitis externa | 750 mg 2 dd | 28 dagen tot 3 maanden | |
| Urineweginfecties (zie rubriek 4.4) | Ongecompliceerde acute cystitis | 250 mg 2 dd tot 500 mg 2 dd | 3 dagen |
| Bij vrouwen in de vruchtbare leeftijd kan een dosis van 500 mg eenmalig gegeven worden | |||
Gecompliceerde cystitis Acute pyelonefritis | 500 mg 2 dd | 7 dagen | |
Gecompliceerde pyelonefritis | 500 mg 2 dd tot 750 mg 2 dd | Ten minste 10 dagen; de behandeling kan na 21 dagen worden voortgezet in bepaalde specifieke gevallen (zoals abcessen) | |
| Bacteriële prostatitis | 500 mg 2 dd tot 750 mg 2 dd | 2 tot 4 weken (acuut) tot 4 tot 6 weken (chronisch) | |
| Infecties van de | Gonokokken uretritis en | 500 mg eenmalig | 1 dag (enkele dosis) |
| geslachtsorganen | cervicitis als gevolg van gevoelige Neisseria gonorrhoeae | ||
|---|---|---|---|
| Epididymo-orchitis en ontstekingen in het kleine bekken, waaronder gevallen als gevolg van vatbare Neisseria gonorrhoeae | 500 mg 2 dd tot 750 mg 2 dd | ten minste 14 dagen | |
Infecties van het maagdarmstelsel en intra-abdominale infecties | Diarree, veroorzaakt door bacteriële pathogenen, waaronder Shigella spp., met uitzondering van Shigella dysenteria type 1 en empirische behandeling van ernstige reizigersdiarree | 500 mg 2 dd | 1 dag |
Diarree, veroorzaakt door Shigella dysenteriae type 1 | 500 mg 2 dd | 5 dagen | |
Diarree, veroorzaakt door Vibrio cholerae | 500 mg 2 dd | 3 dagen | |
| Tyfuskoorts | 500 mg 2 dd | 7 dagen | |
Intra-abdominale infecties als gevolg van Gramnegatieve bacteriën | 500 mg 2 dd tot 750 mg 2 dd | 5-14 dagen | |
| Infecties van de huid en weke delen | 500 mg 2 dd tot 750 mg 2 dd | 7 tot 14 dagen | |
| Infecties van botten en gewrichten | 500 mg 2 dd tot 750 mg 2 dd | max. 3 maanden | |
| Neutropene patiënten met koorts die vermoedelijk het gevolg is van een bacteriële infectie.Ciprofloxacine moet volgens de officiële richtlijnen samen met één of meer geschikte antibacteriële middelen worden toegediend | 500 mg 2 dd tot 750 mg 2 dd | De behandeling moet over de volledige periode van neutropenie worden voortgezet | |
| Profylaxe van invasieve infecties als gevolg van Neisseria meningitidis | 500 mg eenmalig | 1 dag (enkele dosis) | |
| Inhalatieantrax, profylaxe na blootstelling en curatieve behandeling voor personen die in staat zijn om de behandeling oraal te ontvangen wanneer dit klinisch is aangewezen. Met de toediening van geneesmiddelen moet zo snel mogelijk nadat | 500 mg 2 dd | 60 dagen vanaf bevestiging van blootstelling aan Bacillus anthracis | |
blootstelling wordt vermoed of is bevestigd worden begonnen. |
|---|
Pediatrische patiënten
| Indicatie | Dagelijkse dosis in mg | Totale behandelingsduur (inclusief een mogelijk initieel gegeven parenterale behandeling met ciprofloxacin) |
|---|---|---|
| Cystische fibrose | 20 mg/kg lichaamsgewicht 2 dd en maximaal 750 mg per dosis. | 10 tot 14 dagen |
Gecompliceerde urineweginfecties en acute pyelonefritis | 10 mg/kg lichaamsgewicht 2dd tot 20 mg/kg lichaamsgewicht 2 dd en maximaal 750 mg per dosis. | 10 tot 21 dagen |
Inhalatieantrax, profylaxe na blootstelling en curatieve behandeling voor personen die in staat zijn om de behandeling oraal te ontvangen wanneer dit klinisch is aangewezen. Het geneesmiddel moet zo snel mogelijk na een vermoede of bevestigde blootstelling worden toegediend. | 10 mg/kg lichaamsgewicht 2 dd tot 15 mg/kg lichaamsgewicht 2 dd en maximaal 500 mg per dosis. | 60 dagen vanaf bevestiging van blootstelling aan Bacillus anthracis |
| Andere ernstige infecties | 20 mg/kg lichaamsgewicht 2 dd. en maximaal 750 mg per dosis. | Afhankelijk van het type infectie |
Oudere patiënten
Oudere patiënten moeten een dosis krijgen, gekozen aan de hand van de ernst van de infectie en de creatinineklaring van de patiënt.
Patiënten met gestoorde nier- en leverfunctie
Aanbevolen aanvangs- en onderhoudsdoses voor patiënten met een gestoorde nierfunctie:
Creatinineklaring [ml/min/1,73 m²] | Serumcreatinine [μmol/l] | Orale dosis [mg] |
|---|---|---|
| > 60 | < 124 | zie gebruikelijke dosis. |
| 30 – 60 | 124 tot 168 | 250-500 mg om de 12 uur |
| < 30 | > 169 | 250-500 mg om de 24 uur |
Patiënten die hemodialyse ondergaan | > 169 | 250-500 mg om de 24 uur (na de dialyse) |
Patiënten die peritoneale dialyse ondergaan | > 169 | 250-500 mg om de 24 uur |
Voor patiënten met een gestoorde leverfunctie hoeft de dosis niet te worden aangepast.
De dosering bij kinderen met een gestoorde nier- en/of leverfunctie is niet onderzocht.
Wijze van toediening
De tabletten moeten met vloeistof worden doorgeslikt zonder erop te kauwen. Ze kunnen op elk willekeurig tijdstip worden ingenomen, onafhankelijk van de maaltijden. Inname op een lege maag versnelt de absorptie van het actieve bestanddeel. Ciprofloxacine tabletten dienen niet te worden ingenomen met zuivelproducten (bv. melk, yoghurt) of met mineralen verrijkt vruchtensap (bv. met calcium verrijkt sinaasappelsap) (zie rubriek 4.5).
Bij ernstige gevallen of als de patiënt geen tabletten kan inslikken (bv. patiënten met enterale voeding) wordt aanbevolen om de behandeling met intraveneuze ciprofloxacine te starten tot het mogelijk is om op orale toediening over te gaan.
4.3 Contra-indicaties
- Overgevoeligheid voor het werkzame bestanddeel, voor andere chinolonen of voor een van de in rubriek 6.1 vermelde hulpstoffen.
- Gelijktijdige toediening van ciprofloxacine en tizanidine (zie rubriek 4.5).
4.4 Bijzondere waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik
Bij patiënten die in het verleden ernstige bijwerkingen hebben gehad bij gebruik van producten die chinolonen of fluorochinolonen bevatten, moet het gebruik van ciprofloxacine worden vermeden (zie rubriek 4.8). Behandeling van die patiënten met ciprofloxacine mag pas worden gestart als er geen andere behandelingsmogelijkheden zijn en na zorgvuldige evaluatie van de voordelen tegen de risico's (zie ook rubriek 4.3).
Langdurige, invaliderende en mogelijk irreversibele ernstige bijwerkingen
Zeer zelden voorkomende gevallen van langdurige (gedurende maanden of jaren), invaliderende en mogelijk irreversibele ernstige bijwerkingen die verschillende, soms meerdere, lichaamssystemen aantasten (skeletspierstelsel, zenuwstelsel, psychisch en zintuigen), zijn gemeld bij patiënten die chinolonen en fluorochinolonen kregen, ongeacht hun leeftijd en vooraf bestaande risicofactoren. Bij de eerste tekenen of symptomen van een ernstige bijwerking moet het gebruik van ciprofloxacine onmiddellijk worden gestaakt en moet patiënten worden geadviseerd om voor advies contact op te nemen met de arts die het middel heeft voorgeschreven.
Ernstige infecties en gemengde infecties met Grampositieve en anaerobe pathogenen
Ciprofloxacine als monotherapie is niet geschikt voor behandeling van ernstige infecties en infecties die mogelijk het gevolg zijn van Grampositieve of anaerobe pathogenen. Bij dergelijke infecties moet ciprofloxacine met één of meer andere geschikte antibacteriële middelen gecombineerd worden.
Streptokokken-infecties(waaronder Streptococcus pneumoniae)
Ciprofloxacine wordt niet aanbevolen voor de behandeling van streptokokkeninfecties door onvoldoende werkzaamheid hiertegen.
Infecties aan de geslachtsorganen
Door gonokokken veroorzaakte urethritis, cervicitis, epididymo-orchitis en ontstekingen in het kleine bekken bij vrouwen (PID, pelvic inflammatory diseases) kunnen door fluorochinolon-resistente Neisseria gonorrhoeae isolaten worden veroorzaakt. Daarom dient Ciprofloxacine alleen te worden toegediend voor de behandeling van door gonokokken veroorzaakte urethritis of cervicitis als ciprofloxacine-resistente Neisseria gonorrhoeae kan worden uitgesloten.
Voor epididymo-orchitis en ontstekingen in het kleine bekken bij vrouwen (PID, pelvic inflammatory disease) dient empirische toediening van ciprofloxacine alleen te worden overwogen in combinatie met een ander geschikt antibacterieel middel (bijvoorbeeld een cefalosporine), tenzij ciprofloxacine-resistente Neisseria gonorrhoeae kan worden uitgesloten. Indien niet binnen 3 dagen na aanvang van de behandeling klinische verbetering is bereikt, moet de therapie worden heroverwogen.
Urineweginfecties
Resistentie tegen fluorochinolonen van Escherichia coli – de meest voorkomende pathogeen die betrokken is bij urineweginfecties - varieert binnen de Europese Gemeenschap. Artsen worden geadviseerd rekening te houden met de lokale prevalentie van resistentie van Escherichia coli tegen fluorochinolonen.
Een eenmalige dosis ciprofloxacine, die kan worden gebruikt bij ongecompliceerde cystitis bij premenopauzale vrouwen, wordt naar verwachting geassocieerd met een lagere werkzaamheid dan een langere behandelingsduur. Hier moet des te meer rekening mee worden gehouden gezien het toenemende resistentieniveau van Escherichia coli tegen chinolonen.
Intra-abdominale infecties
Er zijn beperkte gegevens over de werkzaamheid van ciprofloxacine voor de behandeling van intra-abdominale infecties na een chirurgische ingreep.
Reizigersdiarree
De keuze voor ciprofloxacine moet worden gebaseerd op informatie over de resistentie voor ciprofloxacine van veroorzakende pathogenen in de bezochte landen.
Infecties van botten en gewrichten
Ciprofloxacine moet in combinatie met andere antimicrobiële middelen gebruikt worden afhankelijk van de resultaten van de microbiologische documentatie.
Inhalatie antrax
Gebruik bij de mens is gebaseerd op in vitro gevoeligheidsdata en op data uit experimenteel onderzoek bij dieren gecombineerd met beperkte data bij de mens. Behandelend artsen moeten de nationale en/of internationale consensusdocumenten met betrekking tot de behandeling van anthrax raadplegen.
Pediatrische patiënten
Bij het gebruik van ciprofloxacine bij kinderen en adolescenten dienen de beschikbare officiële richtlijnen te worden gevolgd. Behandeling met ciprofloxacine mag alleen worden ingesteld door artsen die ervaring hebben met de behandeling van cystische fibrose en/of ernstige infecties bij kinderen en adolescenten.
Van ciprofloxacine is aangetoond dat het artropathie veroorzaakt bij belaste gewrichten van onvolgroeide dieren. Veiligheidsgegevens van een gerandomiseerd, dubbelblind onderzoek waarbij ciprofloxacine bij kinderen werd gebruikt (ciprofloxacine: n=335, gemiddelde leeftijd = 6,3 jaar; vergelijkende middelen: n=349, gemiddelde leeftijd = 6,2 jaar; leeftijdsbereik = 1 tot 17 jaar) toonden op dag +42 een incidentie van 7,2% en 4,6% aan van vermoede geneesmiddelgerelateerde artropathie (wordt onderscheiden van gewrichtsgerelateerde klinische tekenen en symptomen). Bij de opvolging na 1 jaar was de incidentie van geneesmiddelgerelateerde artropathie respectievelijk 9,0% en 5,7%. De stijging van vermoede gevallen van geneesmiddelgerelateerde artropathie na verloop van tijd was niet statistisch significant tussen de groepen.
Pas na de voordelen zorgvuldig tegen de risico’s te hebben afgewogen, mag een behandeling worden ingesteld omdat er bijwerkingen kunnen optreden die verband houden met de gewrichten en/of het omringende weefsel (zie rubriek 4.8).
Bronchopulmonale infecties bij cystische fibrose
Er is klinisch onderzoek verricht bij kinderen en adolescenten van 5-17 jaar. Er is minder ervaring met de behandeling van kinderen tussen 1 en 5 jaar.
Gecompliceerde urineweginfecties en pyelonefritis
Een behandeling met ciprofloxacine moet bij urineweginfecties in overweging worden genomen wanneer andere behandelingen niet gebruikt kunnen worden en moet gebaseerd worden op de resultaten van de microbiologische documentatie.
Er is klinisch onderzoek verricht bij kinderen en adolescenten van 1-17 jaar.
Andere specifieke ernstige infecties
Andere ernstige infecties volgens officiële richtlijnen of wanneer, na zorgvuldige afweging van de voordelen tegen de risico’s, andere behandelingen niet gebruikt kunnen worden of nadat een gebruikelijke therapie gefaald heeft en wanneer de microbiologische gegevens het gebruik van ciprofloxacine rechtvaardigen.
Het gebruik van ciprofloxacine bij andere specifieke ernstige infecties, anders dan degenen die hierboven zijn genoemd, is niet klinisch onderzocht en de klinische ervaring is beperkt. Daarom is voorzichtigheid geboden bij de behandeling van patiënten met deze infecties.
Overgevoeligheid
Overgevoeligheid en allergische reacties, waaronder anafylaxie en anafylactoïde reacties, kunnen na een enkelvoudige dosis optreden (zie rubriek 4.8) en kunnen levensbedreigend zijn. Als een dergelijke reactie optreedt, moet ciprofloxacine stopgezet worden, en is een geschikte medische behandeling vereist.
Skeletspierstelsel
Doorgaans mag ciprofloxacine niet gebruikt worden bij patiënten met een voorgeschiedenis van een peesaandoening als gevolg van een behandeling met chinolonen. In zeer zeldzame gevallen kan desalniettemin na microbiologische documentatie van het causatieve organisme en na de voordelen tegen de risico’s te hebben afgewogen ciprofloxacine aan deze patiënten worden voorgeschreven voor de behandeling van bepaalde ernstige infecties, met name als de standaardbehandeling faalt of bij bacteriële resistentie, waarbij de microbiologische gegevens het gebruik van ciprofloxacine mogelijk rechtvaardigen.
Tendinitis en peesruptuur
Tendinitis en peesruptuur (in het bijzonder, maar niet beperkt tot de achillespees), soms bilateraal, kunnen al optreden binnen 48 uur na het begin van de behandeling met chinolonen en fluorochinolonen en het optreden ervan is gemeld tot zelfs enkele maanden na het beëindigen van de behandeling. Het risico op tendinitis en peesruptuur is groter bij oudere patiënten, patiënten met een nierfunctiestoornis, patiënten met een transplantatie van solide organen, en patiënten die gelijktijdig worden behandeld met corticosteroïden. Daarom moet het gelijktijdige gebruik van corticosteroïden worden vermeden.
Bij het eerste teken van tendinitis (bijvoorbeeld pijnlijke zwelling, ontsteking) moet de behandeling met ciprofloxacine worden gestaakt en moet een andere behandeling worden overwogen. De aangetaste ledema(a)t(en) moet(en) op geschikte wijze worden behandeld (bijvoorbeeld immobilisatie). Corticosteroïden mogen niet worden gebruikt als zich tekenen van tendinopathie voordoen.
Bij enig teken van tendinitis (bv. pijnlijke zwelling, ontsteking) moet de behandeling met ciprofloxacine worden stopgezet. Men moet ervoor zorgen dat de aangedane ledematen rust krijgen.
Ciprofloxacine moet met de nodige voorzichtigheid worden gebruikt bij patiënten met myasthenia gravis, omdat de symptomen kunnen worden verergerd (zie rubriek 4.8).
Lichtgevoeligheid
Het is aangetoond dat ciprofloxacine lichtgevoeligheidsreacties kan veroorzaken. Patiënten die ciprofloxacine innemen, moet men aanraden om rechtstreekse blootstelling aan overvloedig zonlicht of UV-stralen te vermijden tijdens de behandeling (zie rubriek 4.8).
Centraal zenuwstelsel
Van chinolonen, zoals ciprofloxacine, is bekend dat ze epileptische aanvallen uitlokken of de drempel voor epileptische aanvallen verlagen. Er zijn gevallen gemeld van status epilepticus. Ciprofloxacine moet met voorzichtigheid worden gebruikt bij patiënten met een aandoening van het CZS die aanleg kunnen hebben om epileptische aanvallen te krijgen. Als epileptische aanvallen optreden, moet ciprofloxacine worden stopgezet (zie rubriek 4.8). Psychische reacties kunnen zelfs na de eerste toediening van ciprofloxacine optreden. In zeldzame gevallen kan depressie of psychose overgaan zelfmoordideeën/-gedachten die kunnen leiden tot pogingen tot suicide of suicide-. In dergelijke gevallen moet ciprofloxacine worden stopgezet.
Perifere neuropathie
Bij patiënten die chinolonen en fluorochinolonen gebruiken, zijn gevallen van sensorische of sensomotorische polyneuropathie gemeld, die resulteerden in paresthesie, hypesthesie, dysesthesie of krachtsverlies. Patiënten die met ciprofloxacine worden behandeld, moet aangeraden worden om hun arts te informeren voordat de behandeling wordt voortgezet als zich symptomen van neuropathie ontwikkelen zoals pijn, branderig gevoel, tintelingen, doof gevoel of krachtsverlies, om de ontwikkeling van een potentieel irreversibele aandoening te voorkomen (zie rubriek 4.8).
Visuele aandoeningen
Indien het gezichtsvermogen minder wordt of andere effecten op de ogen worden ervaren, dient onmiddellijk een oogarts te worden geraadpleegd.
Hartaandoeningen
Voorzichtigheid is geboden bij het gebruik van fluorochinolonen bij patiënten met bekende risicofactoren voor verlenging van het QT-interval, zoals bijvoorbeeld:
- aangeboren syndroom met lang QT-interval
- gelijktijdig gebruik van geneesmiddelen waarvan bekend is dat ze het QT-interval verlengen (bijv. anti-aritmica klasse IA en klasse III, tricyclische antidepressiva, macroliden, antipsychotica)
- niet-gecorrigeerde verstoorde electrolytenbalans (bijv. hypokaliëmie, hypomagnesiëmie)
- hartaandoeningen (bijv. hartfalen, myocardinfarct, bradycardie)
Oudere patiënten en vrouwen kunnen gevoeliger zijn voor QTc-verlengende geneesmiddelen. Daarom is voorzichtigheid geboden bij het gebruik van Fluorchinolonen, inclusief Ciprofloxacine, bij deze populaties.
(Zie rubriek 4.2 Oudere patiënten en de rubrieken 4.5, 4.8 en 4.9).
Aorta-aneurysma en aortadissectie, en hartklepregurgitatie/-incompetentie
In epidemiologische studies wordt melding gemaakt van een verhoogd risico op aorta-aneurysma en aortadissectie, met name bij oudere patiënten, en van aortaklep- en mitralisklepregurgitatie na gebruik van fluorochinolonen. Er zijn gevallen gemeld van aorta-aneurysma en aortadissectie, soms gecompliceerd door scheuringen (waaronder fatale), en van regurgitatie/incompetentie van een van de hartkleppen bij patiënten die fluorochinolonen toegediend kregen (zie rubriek 4.8).
Bijgevolg mogen fluorochinolonen alleen worden gebruikt na zorgvuldige evaluatie van de voordelen en de risico's en na afweging van andere therapeutische opties bij patiënten met een positieve familiale voorgeschiedenis van aneurysma of aangeboren hartklepziekte, of bij patiënten bij wie een reeds bestaand(e) aorta-aneurysma en/of aortadissectie of hartklepziekte zijn/is vastgesteld, of bij aanwezigheid van andere risicofactoren of predisponerende aandoeningen
- voor zowel aorta-aneurysma en aortadissectie als hartklepregurgitatie/-incompetentie (bijvoorbeeld bindweefselaandoeningen zoals Marfansyndroom of Ehlers-Danlossyndroom, syndroom van Turner, ziekte van Behçet, hypertensie, reumatoïde artritis) of
- voor aorta-aneurysma en aortadissectie (bijvoorbeeld bloedvataandoeningen zoals Takayasu-arteritis of reuzencelarteritis, of bekende atherosclerose, of Sjögren-syndroom) of
- voor hartklepregurgitatie/-incompetentie (bijvoorbeeld infectieuze endocarditis).
Het risico op aorta-aneurysma en aortadissectie, en scheuring daarvan, kan ook verhoogd zijn bij patiënten die gelijktijdig worden behandeld met systemische corticosteroïden.
Patiënten moeten erop worden gewezen dat ze in geval van plotselinge buik- borst- of rugpijn onmiddellijk een arts op een afdeling Spoedeisende hulp moeten raadplegen.
Patiënten moet worden geadviseerd onmiddellijk een arts te raadplegen in geval van acute dyspneu, het nieuw ontstaan van hartkloppingen of wanneer oedeem van de buik of de onderste ledematen optreedt.
Dysglycaemia
Zoals bij alle quinolonen zijn stoornissen in de bloedglucose gemeld, waaronder zowel hypoglykemie als hyperglykemie (zie rubriek 4.8), meestal bij diabetische patiënten die gelijktijdig worden behandeld met een oraal hypoglykemisch middel (bijv. glibenclamide) of met insuline. Gevallen van hypoglykemisch coma zijn gemeld. Zorgvuldige controle van bloedglucose wordt aanbevolen bij alle diabetische patiënten.
Maagdarmstelsel
Ernstige en aanhoudende diarree tijdens of na een behandeling (tot enkele weken na een behandeling) kan wijzen op colitis als gevolg van een antibioticum (dit is levensbedreigend met een mogelijk fatale afloop) die meteen behandeld moet worden (zie rubriek 4.8). In dergelijke gevallen moet ciprofloxacine meteen worden stopgezet, en een geschikte behandeling ingesteld. Antiperistaltica geneesmiddelen zijn bij deze situatie gecontraindiceerd.
Nieren en urinewegen
Er is melding gemaakt van kristalurie als gevolg van het gebruik van ciprofloxacine (zie rubriek 4.8). Patiënten die ciprofloxacine krijgen, moeten goed gehydrateerd zijn en een overmatige alkaliniteit van de urine moet worden vermeden.
Verminderde nierfunctie
Omdat ciprofloxacine vernamelijk onveranderd wordt uitgescheiden via de urinewegen, is een aanpassing van de dosering nodig bij patiënten met een verminderde nierfunctie, zoals aangegeven in rubriek 4.2, om bijwerkingen ten gevolge van de accumulatie van ciprofloxacine te voorkomen.
Lever-/galstelsel
Gevallen van levernecrose en levensbedreigend leverfalen zijn gemeld bij ciprofloxacine (zie rubriek 4.8).
In geval van tekenen en symptomen van een leveraandoening (zoals anorexia, geelzucht, donkere urine, pruritus of een drukgevoelige buik) moet de behandeling worden stopgezet.
Glucose-6-fosfaat-dehydrogenasedeficiëntie
Hemolytische reacties zijn gemeld bij gebruik van ciprofloxacine bij patiënten met glucose-6- fosfaatdehydrogenase-deficiëntie. Ciprofloxacine moet bij deze patiënten vermeden tenzij het potentiële voordeel afweegt tegen het mogelijke risico. In dat geval, moet worden gecontroleerd op het mogelijk optreden van hemolyse.
Resistentie
Gedurende of na de behandeling met ciprofloxacine, kunnen bacteriën worden geisoleerd die resistent zijn voor ciprofloxacine, met of zonder een klinisch manifeste superinfectie. Er kan een speciaal risico zijn op selectie van voor ciprofloxacine resistente bacteriën tijdens verlengde behandeling en bij de behandeling van nosocomiale infecties en/of infecties veroorzaakt door Staphylococcus en Pseudomonas stammen.
Cytochroom P450
Ciprofloxacine remt CYP1A2 en kan dus tot een verhoogde serumspiegel leiden van gelijktijdig toegediende middelen die door dit enzym gemetaboliseerd worden (bv. theofylline, clozapine, ropinirol, tizanidine, duloxetine, agomelatine).
Gelijktijdige toediening van ciprofloxacine en tizanidine is gecontra-indiceerd. Daarom moet er bij patiënten die deze middelen gelijktijdig met ciprofloxacine innemen heel goed gelet worden op klinische tekenen van een overdosering en kan bepaling van de serumspiegels, (bijvoorbeeld van theofylline), noodzakelijk zijn (zie rubriek 4.5).
Methotrexaat
Gelijktijdig gebruik van ciprofloxacine met methotrexaat wordt niet aanbevolen (zie rubriek 4.5).
Interactie met onderzoeksresultaten
De in vitro werking van ciprofloxacine tegen Mycobacterium tuberculosis kan tot vals negatieve bacteriologische onderzoeksresultaten leiden bij monsters van patiënten die momenteel ciprofloxacine gebruiken.
Dit geneesmiddel bevat minder dan 1 mmol natrium (23 mg) per doseringseenheid, dat wil zeggen dat het in wezen 'natriumvrij' is.
4.5 Interacties met andere geneesmiddelen en andere vormen van interactie
Effecten van andere producten op ciprofloxacine:
Geneesmiddelen die het QT-interval
Evenals andere fluorochinolonen moet Ciprofloxacine Sandoz met voorzichtigheid worden gebruikt, bij patiënten die geneesmiddelen krijgen, waarvan bekend is dat ze het QT interval verlengen (bijv. anti-aritmica klasse IA en klasse III, tricyclische antidepressiva, macroliden, antipsychotica) (zie rubriek 4.4).
Chelaatcomplexvorming
Gelijktijdige toediening van ciprofloxacine (oraal) en meerwaardige kationbevattende geneesmiddelen en mineralensupplementen (bv. calcium, magnesium, aluminium, ijzer), polymere fosfaatbinders (bv.
Sevelameer of lanthaancarbonaat), sucralfaat of antacida, en sterk gebufferde geneesmiddelen (bv. didanosinetabletten) die magnesium, aluminium of calcium bevatten, vermindert de absorptie van ciprofloxacine. Daarom moet ciprofloxacine ofwel 1-2 uur vóór of ten minste 4 uur na deze preparaten worden toegediend. De beperking geldt niet voor antacida die tot de klasse van H2-receptorblokkers behoren.
Voedings- en zuivelproducten
Calcium als onderdeel van een maaltijd heeft geen significante invloed op de absorptie. Gelijktijdige toediening van alleen zuivelproducten of met mineralen verrijkte dranken (bv. melk, yoghurt, met calcium verrijkt sinaasappelsap) met ciprofloxacine moet echter worden vermeden, omdat de absorptie van ciprofloxacine verminderd kan zijn.
Probenecide
Probenecide heeft invloed op de uitscheiding van ciprofloxacine via de nieren. Gelijktijdige toediening van probenecide met ciprofloxacine leidt tot een verhoging van de serumspiegel van ciprofloxacine.
Metoclopramide
Metoclopramide versnelt de absorbtie van ciprofloxacine (oraal) waardoor de maximale plasmaconcentratie sneller wordt bereikt. Er werd geen effect gezien op de biologische beschikbaarheid van ciprofloxacine.
Omeprazol
Gelijktijdige toediening van ciprofloxacine en omeprazolbevattende geneesmiddelen resulteren in een lichte verlaging van de Cmax en de AUC van ciprofloxacine.
Effecten van ciprofloxacine op andere geneesmiddelen:
Tizanidine
Tizanidine mag niet samen met ciprofloxacine worden toegediend (zie rubirek 4.3). In een klinisch onderzoek met gezonde proefpersonen was er een stijging van de tizanidineconcentratie in serum (stijging Cmax: 7-voudig, bereik: 4- tot 21-voudig; stijging AUC: 10-voudig, bereik: 6- tot 24-voudig) bij gelijktijdige toediening met ciprofloxacine. Een verhoogde tizanidineconcentratie in serum wordt in verband gebracht met een versterkt hypotensief en sederend effect.
Methotrexaat
Het renale tubulaire transport van methotrexaat kan worden geremd door gelijktijdige toediening van ciprofloxacine wat mogelijk leidt tot een verhoogde plasmaspiegel van methotrexaat en een verhoogd risico van toxische reacties als gevolg van methotrexaat stijgen. Gelijktijdig gebruik wordt niet aanbevolen (zie rubriek 4.4).
Theofylline
Gelijktijdige toediening van ciprofloxacine met theofylline kan tot een ongewenste stijging van de serumspiegel van theofylline leiden. Dit kan tot bijwerkingen als gevolg van theofylline leiden, die in zeldzame gevallen levensbedreigend of fataal kunnen zijn. Tijdens gelijktijdig gebruik, moet de serumspiegel van theofylline worden gecontroleerd en moet de dosis theofylline zo nodig verminderd worden (zie rubriek 4.4).
Andere xanthinederivaten
Bij gelijktijdige toediening van ciprofloxacine met cafeïne of pentoxifylline (oxpentifylline) zijn verhoogde serumspiegels van deze xanthinederivaten gemeld.
Fenytoïne
Gelijktijdige toediening van ciprofloxacine met fenytoïne kan tot een verhoogde of verlaagde serumspiegel van fenytoïne leiden waardoor het aanbevolen is om de geneesmiddelspiegel te controleren.
Cyclosporine
Een tijdelijke verhoging van het serumcreatinine werd gezien wanneer ciprofloxacine- en cyclosporinebevattende geneesmiddelen gelijktijdig werdden toegediend. Daarom is het nodig om frequent (tweemaal per week) de serumcreatinineconcentratie te controleren bij deze patiënten.
Vitamine K antagonisten
Gelijktijdige toediening van ciprofloxacine met een vitamine K antagonist kan de anticoagulerende effecten ervan versterken. Het risico kan variëren met de onderliggende infectieuze, de leeftijd en de algemene toestand van de patiënt zodat de invloed van ciprofloxacine op de toename van de INR (international normalised ratio) moeilijk is te beoordelen. De INR moet frequent worden gecontroleerd gedurende en kort na het gezamenlijk gebruik van ciprofloxacine en een vitamine K antagonist (bijv. warfarine, acenocoumarol, fenprocoumon of fluindion).
Duloxetine
Bij klinische studies werd aangetoond dat gelijktijdig gebruik van duloxetine met sterke remmers van het CYP450 1A2 isoenzym, zoals fluvoxamine, kunnen leiden tot een toename van de AUC en CMAX duloxetine. Hoewel er geen klinische gegevens beschikbaar zijn over een mogelijke interactie met ciprofloxacine, kunnen vergelijkbare effecten worden verwacht bij gelijktijdige toediening (zie rubriek 4.4).
Ropinirol
In een klinisch onderzoek is aangetoond dat gelijktijdig gebruik van ropinirol met ciprofloxacine, een matige remmer van het CYP450 1A2 iso-enzym, tot een stijging van de Cmax en AUC van ropinirol met respectievelijk 60% en 84% leidt..Toezicht op ropinirol gerelateerde bijwerkingen, en aanpassing van de dosis zoals geëigend, wordt aanbevolen gedurend en kort na het gezamenlijk gebruik met ciprofloxacine (zie rubriek 4.4).
Lidocaïne
Bij gezonde vrijwilligers werd aangetoond dat bij gelijktijdig gebruik van lidocaïnebevattende geneesmiddelen en ciprofloxacine, een matige remmer van het CYP450 1A2 isoenzym, de klaring van intraveneus lidocaïne met 22% verminderd. Hoewel een behandeling met lidocaïne goed werd verdragen, is een mogelijke interactie met ciprofloxacine in verband gebracht met bijwerkingen die kunnen optrden bij gelijktijdige toediening.
Clozapine
Na gelijktijdige toediening van 250 mg ciprofloxacine met clozapine gedurende 7 dagen waren de serumspiegels van clozapine en N-desmethylclozapine met respectievelijk 29% en 31% gestegen. Klinisch toezicht en, indien nodig, aanpassing van de dosis clozapine worden aanbevolen tijdens en kort na de gezamenlijke behandeling met ciprofloxacinet (zie rubriek 4.4).
Sildenafil
De Cmax en AUC van sildenafil waren ongeveer tweemaal verhoogd bij gezonde vrijwilligers na een orale toediening van 50 mg die gelijktijdig werd gegeven met 500 mg ciprofloxacine. Daarom is voorzichtigheid geboden als ciprofloxacine gelijktijdig wordt toegediend met sildenafil en moeten de risico’s en de voordelen worden afgewogen.
Agomelatine
Bij klinische studies werd aangetoond dat fluvoxamine, een sterke remmer
van CYP450 1A2 isoenzym, remt sterk de omzetting van agomelatine in belangrijke mate waardoor de blootstelling aan agomelatine 60 maal toeneemt. Hoewel er geen klinische gegevens beschikbaar zijn over een mogelijke interactie met ciprofloxacine, een matige remmer van CYP450 1A2, kunnen vergelijkbare effecten worden verwacht bij gelijktijdige toediening (zie
rubriek 4.4, "cytochroom P450”).
Zolpidem
Het gelijktijdig toedienen van ciprofloxacine kan de bloedspiegels van zolpidem verhogen. Daarom wordt gelijktijdig gebruik niet aanbevolen.
4.6 Zwangerschap en borstvoeding
Zwangerschap
De gegevens die beschikbaar zijn over de toediening van ciprofloxacine aan zwangere vrouwen duiden niet op malformatieve of foetale/neonatale toxiciteit van ciprofloxacine. Experimenteel onderzoek bij dieren wijst niet op directe of indirecte schadelijke effecten als gevolg van reproductietoxiciteit. Bij juveniele en prenatale dieren die zijn blootgesteld aan chinolonen zijn effecten op het onrijpe kraakbeen waargenomen.
Daarom kan niet worden uitgesloten dat het geneesmiddel schade kan veroorzaken aan het kraakbeen van de gewrichten bij het menselijke onvolgroeide organisme/de foetus (zie rubriek 5.3).
Uit voorzorg verdient het de voorkeur om het gebruik van ciprofloxacine tijdens de zwangerschap te vermijden.
Borstvoeding
Ciprofloxacine wordt in de moedermelk uitgescheiden. Vanwege het potentiële risico van beschadiging van de gewrichten mag ciprofloxacine tijdens het geven van borstvoeding niet worden gebruikt.
4.7 Beïnvloeding van de rijvaardigheid en het vermogen om machines te bedienen
Omdat het neurologische effecten heeft, kan ciprofloxacine invloed hebben op de reactietijd. Daardoor kan de rijvaardigheid of het vermogen om machines te bedienen verminderd zijn.
4.8 Bijwerkingen
De bijwerkingen die het vaakst zijn gemeld zijn misselijkheid en diarree.
Bijwerkingen afkomstig uit klinisch onderzoek en post-marketing surveillance met ciprofloxacine (orale, intraveneuze en sequentietherapie), gerangschikt volgens frequentie, worden hieronder vermeld. De analyse van de frequentie gaat uit van data van zowel de orale als de intraveneuze toediening van ciprofloxacine.
| Systeem/ | Vaak | Soms | Zelden | Zeer zelden | Frequentie |
|---|
| orgaanklassen | ≥ 1/100 tot < 1/10 | ≥ 1/1.000 tot < 1/100 | ≥ 1/10.000 tot < 1/1.000 | < 1/10.000 | niet bekend (kan met de beschikbare gegevens niet worden bepaald) |
|---|---|---|---|---|---|
| Infecties en parasitaire aandoeningen | Mycotische superinfecties | ||||
| Bloed- en lymfestelsel- aandoeningen | Eosinofilie | Leukopenie Anemie Neutropenie Leukocytose Trombocytopenie Trombocytose | Hemolytische anemie Agranulocytose Pancytopenie (levensbedrei-gend) Beenmerg-depressie (levensbedrei-gend) | ||
| Immuunsysteem -aandoeningen | Allergische reactie Allergisch oedeem/angio-oedeem | Anafylactische reactie Anafylactische shock (levens-bedreigend) (zie rubriek 4.4) Serumziekte-achtige reactie | |||
| Endocriene aandoeningen | Syndroom van inadequate secretie van antidiuretisch hormoon (SIADH) | ||||
| Voedings- en stofwisselings-stoornissen | Verminderde eetlust | Hyperglykemie, Hypoglycaemie (zie rubriek 4.4) | Hypoglyke-misch coma (zie rubriek 4.4) | ||
| Psychische stoornissen* | Psychomotorische hyperactiviteit/ agitatie | Verwardheid en desoriëntatie Angstreactie Abnormale dromen Depressie (potentieel leidend tot zelfmoordideeën/-gedachten of | Psychotische reacties (potentieel leidend tot zelfmoordideeën /-gedachten of suicide-pogingen of suicide (zie rubriek 4.4) | Manie, hypomanie |
suicidepogingen of suicide (zie rubriek 4.4) Hallucinaties | |||||
| Zenuwstelsel-aandoeningen* | Hoofdpijn Duizeligheid Slaapstoornissen Smaakstoornis-sen | Paresthesie en dysesthesie Hypesthesie Tremor Epileptische aanvallen (inclusief non-convulsieve status epilepticus) (zie rubriek 4.4) Vertigo | Migraine Coördinatie-stoornissen Gangstoornis Reukzenuw-stoornissen Intracraniale hypertensie en pseudotumor cerebri | Perifere neuropathie en polyneuro-pathie (zie rubriek 4.4). | |
| Oog-aandoeningen* | Stoornissen van het gezichts-vermogen (bijv. diplopie) | Afwijkingen in kleurwaarne-ming | |||
| Evenwichts-orgaan- en oor-aandoeningen* | Tinnitus Gehoorverlies/ verminderd gehoor | ||||
| Hart-aandoeningen** | Tachycardie | Ventriculaire aritmie en torsades de pointes * (met name gemeld bij patiënten met risicofactoren voor QT-verlenging), verlenging QT-interval in het ECG (zie rubrieken 4.4 en 4.9) | |||
| Bloedvat-aandoeningen** | Vasodilatatie Hypotensie Syncope | Vasculitis | |||
| Ademhalings-stelsel-, borstkas- en mediastinum-aandoeningen | Dyspnoe (inclusief astmatische aandoening) | ||||
| Maagdarm-stelselaandoe-ningen | Misselijkheid Diarree | Braken Pijn in maag/darmen en | Antibiotica geassocieerde diarree / | Pancreatitis |
buik Dyspepsie Flatulentie | pseudomembra-neuze colitis | ||||
| Lever- en gal-aandoeningen | Verhoogde transaminase-waarden Verhoogde bilirubinewaarde | Gestoorde leverfunctie Cholestatische icterus Hepatitis | Levernecrose (zeer zelden overgaand in levensbedrei-gend leverfalen) (zie rubriek 4.4) | ||
| Huid- en onderhuid-aandoeningen | Huiduitslag Pruritus Urticaria | Lichtgevoelig-heidsreacties (zie rubriek 4.4) | Petechiae Erythema multiforme Erythema nodosum Syndroom van Stevens-Johnson (mogelijk levensbedrei-gend) Toxische epidermale necrolyse (mogelijk levens-bedreigend) | Acute gegenerali-seerde exanthema-teuze pustulose (AGEP) DRESS | |
| Skeletspierstel-sel-, bindweefsel- en bot-aandoeningen* | Spierpijn (bv. pijn in de ledematen, rug en borst) Artralgie | Myalgie Artritis Verhoogde spiertonus en - spierkrampen | Spierzwakte Tendinitis Peesruptuur (hoofdzakelijk achillespees) (zie rubriek 4.4) Exacerbatie van symptomen van myasthenia gravis (zie rubriek 4.4) | ||
| Nier- en urineweg-aandoeningen | Nierfunctie-stoornis | Nierfalen Hematurie Kristalurie (zie rubriek 4.4) Tubulointerstitiële nefritis | |||
| Algemene aandoeningen en toedienings-plaatsstoor-nissen* | Asthenie Koorts | Oedeem Zweten (hyperhidrose) | |||
| Onderzoeken | Verhoogde | Verhoogd | Internationaal |
| alkalische fosfatase | amylasegehalte | genormali-seerde verhoogde ratio (bij patiënten die werden behandeld met vitamie K-anta-gonisten) |
*Zeer zelden voorkomende gevallen van langdurige (tot maanden of jaren), invaliderende en potentieel irreversibele ernstige bijwerkingen die verschillende, soms meerdere, systeem/orgaanklassen en zintuigen aantasten (waaronder bijwerkingen zoals tendinitis, peesruptuur, artralgie, pijn in extremiteiten, loopstoornis, neuropathieën geassocieerd met paresthesie en neuralgie, vermoeidheid, psychiatrische symptomen (waaronder slaapstoornissen, angst, paniekaanvallen, depressie en zelfmoordgedachten), geheugen- en concentratieverlies, en vermindering van gehoor, zichts, smaak- en reukzin), zijn gemeld in verband met het gebruik van chinolonen en fluorochinolonen, in sommige gevallen ongeacht vooraf bestaande risicofactoren (zie rubriek 4.4).
** Er zijn gevallen gemeld van aorta-aneurysma en aortadissectie, soms gecompliceerd door scheuringen (waaronder fatale), en van regurgitatie/incompetentie van een van de hartkleppen bij patiënten die fluorochinolonen toegediend kregen (zie rubriek 4.4).
Pediatrische patiënten
De hierboven vermelde incidentie van artropathie verwijst naar gegevens die met onderzoeken met volwassenen verzameld zijn. Bij kinderen wordt artropathie vaak gemeld (zie rubriek 4.4).
Melding van vermoedelijke bijwerkingen
Het is belangrijk om na toelating van het geneesmiddel vermoedelijke bijwerkingen te melden. Op deze wijze kan de verhouding tussen voordelen en risico’s van het geneesmiddel voortdurend worden gevolgd. Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg wordt verzocht alle vermoedelijke bijwerkingen te melden via het Nederlands Bijwerkingen Centrum Lareb, website: www.lareb.nl.
4.9 Overdosering
Van een overdosis van 12 g is gemeld dat deze tot lichte symptomen van toxiciteit leidt. Van een acute overdosis van 16 g is gemeld dat deze acuut nierfalen veroorzaakt.
Symptomen van overdosering omvatten: duizeligheid, tremor, hoofdpijn, vermoeidheid, epileptische aanvallen, hallucinaties, verwardheid, buikklachten, gestoorde nier- en leverfunctie evenals kristalurie en hematurie. Omkeerbare niertoxiciteit is gemeld.
Behalve gebruikelijke noodmaatregelen, zoals maagspoeling gevolgd door actieve kool, wordt aanbevolen om de nierfunctie te controleren, met inbegrip van de pH van de urine, en om – indien nodig – aan te zuren om kristalurie te voorkomen. Patiënten moeten goed gehydrateerd worden. Calcium- en of magnesiumbevattende antacida kunnen theoretisch worden gebruikt om de absorbtie van ciprofloxacine te reduceren bij overdosering.
Slechts een kleine hoeveelheid ciprofloxacine (< 10%) wordt met hemodialyse of peritoneale dialyse verwijderd.
In geval van een overdosering, moet een symptomatische behandeling worden gestart. ECG monitoring moet worden gestart, vanwege de mogelijkheid op een verlengd QT interval.
5. FARMACOLOGISCHE EIGENSCHAPPEN
5.1. Farmacodynamische eigenschappen
Farmacotherapeutische categorie: fluorochinolonen, ATC-code: J01MA02
Werkingsmechanisme
Ciprofloxacine, een antibacterieel fluorochinolonmiddel heeft een bactericide werking door de remming van zowel topo-isomerase II (DNA-gyrase) als topo-isomerase IV, die noodzakelijk zijn voor bacteriële DNAreplicatie, -transcriptie, -herstel en -recombinatie.
Farmacokinetisvhe/farmacodynamische relatie
De werkzaamheid is hoofdzakelijk afhankelijk van het verband tussen de maximale serumconcentratie (Cmax) en de minimum inhibitory concentration (MIC) van ciprofloxacine voor een bacterieel pathogeen en het verband tussen de AUC (area under the curve) en de MIC.
Resistentiemechanisme
In vitro resistentie tegen ciprofloxacine kan ontstaan door stapsgewijze mutaties in de aangrijpingspunten bij zowel DNA-gyrase als topo-isomerase IV. De resulterende mate van kruis resistentie tussen ciprofloxacine en andere fluorquinolonen varieert. Enkelvoudige mutaties hoeven niet tot klinische resistentie te leiden, maar meerdere mutaties leiden doorgaans wel tot klinische resistentie tegen veel of alle werkzame bestanddelen binnen de klasse.
Impermeabiliteit en/of resistentiemechanismen waarbij het werkzame bestanddeel via de effluxpomp wordt verwijderd, kunnen een variabel effect hebben op de gevoeligheid voor fluorochinolonen. Dit hangt af van de fysisch-chemische eigenschappen van de diverse werkzame bestanddelen binnen de klasse en de affiniteit van transportsystemen voor elk werkzaam bestanddeel. Alle in vitro resistentiemechanismen worden doorgaans in kweken uit ziekenhuizen waargenomen. Resistentiemechanismen die andere antibiotica inactiveren, zoals permeatiebarrières (gebruikelijk bij Pseudomonas aeruginosa), en effluxmechanismen kunnen een invloed hebben op de gevoeligheid voor ciprofloxacine.
Plasmidebepaalde resistentie gecodeerd door qnr-genen is gemeld
Spectrum van antibacteriële werking
Breekpunten onderscheiden gevoelige stammen van stammen met een middelmatige gevoeligheid en deze laatste van resistente stammen:
EUCAST-aanbevelingen (EUCAST klinische grenswaarden tabel v. 4.0 (2014-01-01))
| Micro organismem | Gevoelig | Resistent |
|---|---|---|
| Enterobacteriaceae | S ≤ 0.5 mg/L | R > 1 mg/L |
| Pseudomonas spp. | S ≤ 0.5 mg/L | R > 1 mg/L |
| Acinetobacter spp. | S ≤ 1 mg/L | R > 1 mg/L |
| Staphylococcus spp. 1 | S ≤ 1 mg/L | R > 1 mg/L |
| Enterococcus spp. | S ≤ 4 mg/L | R > 4 mg/L |
| Streptococcus groepen A, B, C en G | - | - |
| Streptococcus pneumonia 2 | S ≤ 0.12 mg/L | R > 2 mg/L |
|---|---|---|
| Viridans groep streptococci | - | - |
| Haemophilus influenzae | S ≤ 0.5 mg/L 3 | R > 0.5 mg/L |
| Moraxella catarrhalis | S ≤ 0.5 mg/L | R > 0.5 mg/L |
| Neisseria gonorrhoeae | S ≤ 0.03 mg/L | R > 0.06 mg/L |
| Neisseria meningitidis 4 | S ≤ 0.03 mg/L | R > 0.06 mg/L |
| Gram-positieve anaeroben | - | - |
| Gram-negatieve anaeroben | - | - |
| Pasteurella multocida | S ≤ 0.06 mg/L | R > 0.06 mg/L |
| Campylobacter jejuni en coli | S ≤ 0.5 mg/L | R > 0.5 mg/L |
| Corynebacterium spp. behalve Corynebacterium diphtheriae | S ≤ 1 mg/L | R > 1 mg/L |
| Breekpunten die geen verband houden met soorten 5 | S ≤ 0.5 mg/L | R > 1 mg/L |
1 Grenswaarden gerelateerd aan behandeling met hoge doseringen.
2 Streptococcus pneumoniae-wildtype S. pneumoniae worden beschouwd als niet gevoelig voor ciprofloxacine en worden daarom als intermediate ingedeeld.
3 Stammen met MIC-waarden boven het S/I-breekpunt zijn zeer zeldzaam of nog niet gemeld. De identificatie en antimicrobiële gevoeligheidstesten op een dergelijk isolaat moeten herhaald worden, en als de uitkomst bevestigd wordt, moet het isolaat worden opgestuurd naar een referentielaboratorium. Totdat er bewijs is wat betreft de klinische respons voor bevestigde isolaten met een MIC boven het huidige resistentie breekpunt, moeten ze als resistent worden gemeld.
4 Grenswaarden hebben betrekking op gebruik in de profylaxe van ziekte door meningokokken.
5 Grenswaarden hebben betrekking op een orale dosis van 500 mg x 2 (of zo laag als 250 mg x 2 voor ongecompliceerde urineweg infecties) tot 750 mg x 2 en een intraveneuze dosering van 400 mg x 2 tot 400 mg x 3.
De prevalentie van verkregen resistentie kan geografisch en met de tijd variëren voor bepaalde soorten, en lokale informatie over resistentie is wenselijk, vooral bij de behandeling van ernstige infecties. Indien nodig moet men deskundig advies inwinnen wanneer de lokale prevalentie van resistentie zodanig is dat de bruikbaarheid van het middel bij tenminste sommige soorten infecties twijfelachtig is.
Groeperingen van relevante soorten volgens gevoeligheid voor ciprofloxacine(zie rubriek 4.4 voor Streptococcus species)
| ALGEMEEN GEVOELIGE SOORTEN |
|---|
Aerobe Grampositieve micro-organismen Bacillus anthracis (1) |
Aerobe Gramnegatieve micro-organismen Aeromonas spp. Brucella spp. Citrobacter koseri Francisella tularensis Haemophilus ducreyi Haemophilus influenzae* Legionella spp. Moraxella catarrhalis* |
Neisseria meningitidis Pasteurella spp. Salmonella spp.* Shigella spp.* Vibrio spp. Yersinia pestis |
|---|
Anaerobe micro-organismen Mobiluncus |
Andere micro-organismen Chlamydia trachomatis ($) Chlamydia pneumoniae ($) Mycoplasma hominis ($) Mycoplasma pneumoniae ($) |
SOORTEN WAARVOOR VERKREGEN RESISTENTIE EEN PROBLEEM KAN OPLEVEREN |
Aerobe Grampositieve micro-organismen Enterococcus faecalis ($) Staphylococcus spp. (2) |
Aerobe Gramnegatieve micro-organismen Acinetobacter baumannii+ Burkholderia cepacia+* Campylobacter spp.+* Citrobacter freundii* Enterobacter aerogenes Enterobacter cloacae* Escherichia coli* Klebsiella oxytoca Klebsiella pneumoniae* Morganella morganii* Neisseria gonorrhoeae* Proteus mirabilis* Proteus vulgaris* Providencia spp. Pseudomonas aeruginosa* Pseudomonas fluorescens Serratia marcescens* |
Anaerobe micro-organismen Peptostreptococcus spp. Propionibacterium acnes |
| INHERENT RESISTENTE ORGANISMEN |
Aerobe Grampositieve micro-organismen Actinomyces Enterococcus faecium Listeria monocytogenes |
Aerobe Gramnegatieve micro-organismen Stenotrophomonas maltophilia |
Anaerobe micro-organismen Behalve zoals hierboven beschreven |
Andere micro-organismen Mycoplasma genitalium Ureaplasma urealyticum |
|---|
* De klinische werkzaamheid werd aangetoond voor gevoelige isolaten bij goedgekeurde klinische indicaties. + Resistentiepercentage ≥ 50% in één of meer EU landen ($): Natuurlijke middelmatige gevoeligheid bij afwezigheid van verkregen resistentiemechanisme (1): Er is experimenteel onderzoek met dieren verricht met betrekking tot infecties veroorzaakt door het inhaleren van Bacillus anthracis sporen. Uit dit onderzoek blijkt dat toediening van antibiotica kort na blootstelling voorkomt dat de ziekte uitbreekt als de behandeling er op gericht is om het aantal sporen in het organisme tot onder de infectieuze dosis te verminderen. Het aanbevolen gebruik bij mensen is voornamelijk gebaseerd op in vitro gevoeligheid en gegevens uit experimentele studies bij dieren samen met beperkte gegevens bij mensen. Een behandeling gedurende twee maanden bij volwassenen met oraal ciprofloxacine in een dosis van 500 mg tweemaal daags, wordt als even effectief beschouwd om een antraxinfectie bij de mens te voorkomen. De behandelend arts wordt aanbevolen om de nationale en/of internationale consensusdocumenten met betrekking tot de behandeling van antrax te raadplegen. (2): Meticillineresistente S. Aureus laten heel vaak een co-resistentie tegen fluorochinolonen zien. Het percentage resistentie tegen meticilline bedraagt ongeveer 20 tot 50% bij alle stafylokokkensoorten;en is meestal hoger bij nosocomiale kweken. |
5.2 Farmacokinetische eigenschappen
Absorptie
Na orale toediening van enkelvoudige doses van 250 mg, 500 mg en 750 mg ciprofloxacine-tabletten wordt ciprofloxacine snel en goed geabsorbeerd, hoofdzakelijk uit de dunne darm, waarbij 1-2 uur later de maximale serumconcentratie wordt bereikt.
Enkelvoudige doses van 100-750 mg leidden tot dosisafhankelijke maximale serumconcentraties (Cmax) variërend van 0,56 tot 3,7 mg/l. Serumconcentraties stijgen proportioneel met doses tot 1.000 mg.
De absolute biologische beschikbaarheid bedraagt ongeveer 70-80%.
Een orale dosis van 500 mg die om de 12 uur wordt gegeven, blijkt een AUC onder de serumconcentratietijd te geven die overeenstemt met deze van een intraveneus infuus van 400 mg ciprofloxacine dat om de 12 uur over een periode van 60 minuten wordt gegeven.
Distributie
Eiwitbinding van ciprofloxacine is zwak (20-30%). Ciprofloxacine is grotendeels in een niet-geïoniseerde vorm in plasma aanwezig en heeft een groot steady-state distributievolume van 2-3 l/kg lichaamsgewicht.
Ciprofloxacine bereikt hoge concentraties in diverse weefsels, zoals de longen (epitheelvloeistof, alveolaire macrofagen, biopsieweefsel), sinussen, ontstoken laesies (cantharidineblaarvloeistof) en het urogenitale stelsel (urine, prostaat, endometrium) waar totale concentraties worden bereikt die plasmaconcentraties overschrijden.
Biotransformatie
Lage concentraties van vier metabolieten zijn gemeld, die zijn geïdentificeerd als: desethyleenciprofloxacine (M 1), sulfociprofloxacine (M 2), oxociprofloxacine (M 3) en formylciprofloxacine (M 4). De metabolieten vertonen een in vitro antimicrobiële werking maar dan in mindere mate dan de moederverbinding.
Van ciprofloxacine is bekend dat het een matige remmer is van de CYP450 1A2 iso-enzymen.
Eliminatie
Ciprofloxacine wordt grotendeels onveranderd uitgescheiden zowel via de nieren als, in mindere mate, met de feces. De eliminatiehalfwaardetijd in serum bij patiënten met een normale nierfunctie bedraagt ongeveer 4-7 uur.
| Uitscheiding van ciprofloxacine (% van de dosis) | ||
|---|---|---|
| Orale toediening | ||
| Urine | Feces | |
| Ciprofloxacine | 44,7 | 25,0 |
| Metabolieten (M1-M4) | 11,3 | 7,5 |
De renale klaring ligt tussen 180-300 ml/kg/u en de totale lichaamsklaring ligt tussen 480-600 ml/kg/u.
Ciprofloxacine ondergaat zowel glomerulaire filtratie als tubulaire secretie. Een ernstig gestoorde nierfunctie leidt tot langere halfwaardetijden van ciprofloxacine tot 12 uur.
De niet-renale klaring van ciprofloxacine is hoofdzakelijk het gevolg van een actieve transintestinale secretie evenals metabolisatie. 1% van de dosis wordt via de gal uitgescheiden. Ciprofloxacine is in hoge concentraties in de gal aanwezig.
Pediatrische patiënten
De beschikbare gegevens bij pediatrische patiënten zijn beperkt.
In een onderzoek met kinderen waren de Cmax en AUC niet leeftijdgebonden (ouder dan 1 jaar). Er werd geen merkbare stijging in de Cmax en AUC waargenomen bij meerdere doses (10 mg/kg driemaal daags).
Bij 10 kinderen met ernstige sepsis die jonger waren dan 1 jaar bedroeg de Cmax 6,1 mg/l (tussen 4,6-8,3 mg/l) na een intraveneus infuus van 1 uur bij 10 mg/kg. Bij kinderen tussen 1 en 5 jaar bedroeg die 7,2 mg/l (tussen 4,7-11,8 mg/l). De AUC-waarden bedroegen 17,4 mg*u/l (tussen 11,8-32,0 mg*u/l) en 16,5 mg*u/l (tussen 11,0-23,8 mg*u/l) in de respectievelijke leeftijdsgroepen.
Deze waarden liggen binnen de grenswaarden die voor volwassenen gerapporteerd zijn bij therapeutische doses. Op basis van de farmacokinetische analyse van de populatie pediatrische patiënten met diverse infecties bedraagt de voorspelde gemiddelde halfwaardetijd bij kinderen ongeveer 4-5 uur en schommelt de biologische beschikbaarheid van de orale suspensie tussen 50 en 80%.
5.3 Gegevens uit het preklinische veiligheidsonderzoek
Niet-klinische gegevens duiden niet op een speciaal risico voor mensen. Deze gegevens zijn afkomstig van conventioneel onderzoek op het gebied van toxiciteit bij enkelvoudige dosering, toxiciteit bij herhaalde dosering, carcinogeen potentieel, reproductietoxiciteit.
Zoals een aantal andere chinolonen is ciprofloxacine fototoxisch bij dieren bij klinisch relevante blootstellingsniveaus. Gegevens over fotomutageniciteit/fotocarcinogeniciteit tonen een zwak fotomutageen of fotocarcinogeen effect aan voor ciprofloxacine in vitro en in experimenteel onderzoek bij dieren. Dit effect was vergelijkbaar met dat van andere gyraseremmers.
Articulaire verdraagbaarheid
Zoals voor andere gyraseremmers gemeld, veroorzaakt ciprofloxacine schade aan belaste grote gewrichten bij onvolgroeide dieren. De mate van schade aan het kraakbeen varieert volgens leeftijd, soort en dosis; de schade kan verminderd worden door de gewrichten te ontlasten. Uit onderzoek met volwassen dieren (rat, hond) bleek geen bewijs van kraakbeenlaesies. In een onderzoek met jonge beagle-honden veroorzaakte ciprofloxacine na een twee weken durende behandeling met therapeutische doses ernstige articulaire wijzigingen die na 5 maanden nog steeds zichtbaar waren.
6. FARMACEUTISCHE GEGEVENS
6.1 Lijst van hulpstoffen
Kern:
microkristallijne cellulose
natriumzetmeel glycolaat (type A)
povidon 25000
colloïdaal watervrij silicium
stearinezuur
magnesiumstearaat
natrium croscarmellose
Film:
hypromellose
macrogol 6000
talk
titaandioxide (E171)
6.2 Gevallen van onverenigbaarheid
Niet van toepassing
6.3 Houdbaarheid
3 jaar.
6.4 Speciale voorzorgsmaatregelen bij bewaren
Voor dit geneesmiddel zijn er geen speciale bewaarcondities.
6.5 Aard en inhoud van de verpakking
Ciprofloxacine Sandoz 250 mg filmomhulde tabletten
6, 10, 12, 14, 20, 28 en 100 filmomhulde tabletten in PVC/aluminium of PP/aluminium doordrukstrips.
Ziekenhuisverpakking met 20, 30, 50 (10x5) en 160 filmomhulde tabletten
Ciprofloxacine Sandoz 500 mg filmomhulde tabletten
10, 12, 14, 16, 20, 28, 50 (10x5) en 100 filmomhulde tabletten in PVC/aluminium of PP/aluminium doordrukstrips.
Ziekenhuisverpakking met 20, 30, 100, 120 en 160 filmomhulde tabletten
Ciprofloxacine Sandoz 750 mg filmomhulde tabletten
10, 20 en 100 filmomhulde tabletten in PVC/aluminium of PP/aluminium doordrukstrips.
Ziekenhuisverpakking met 20, 30, 50 (10x5) en 160 filmomhulde tabletten
Niet alle verpakkingsgroottes hoeven in de handel gebracht te worden.
6.6 Speciale voorzorgsmaatregelen voor het verwijderen en andere instructies
Geen speciale vereisten.
7. HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
Sandoz B.V.
Hospitaaldreef 29
1315 RC Almere
Nederland
8. NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
RVG 25206 (250 mg)
RVG 25207 (500 mg)
RVG 25208 (750 mg)
9. DATUM VAN EERSTE VERLENING VAN DE VERGUNNING/VERLENGING VAN DE VERGUNNING
Datum van eerste verlening van de vergunning: 25 juni 2001
Datum van laatste verlenging: 16 januari 2007
10. DATUM VAN HERZIENING VAN DE TEKST
Laatste gedeeltelijke wijziging betreft rubriek 4.8: 7 maart 2025
