SmPC (samenvatting van de productkenmerken) - Maddoflox
1. NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
Maddoflox 500 mg filmomhulde tabletten
2. KWALITATIEVE EN KWANTITATIEVE SAMENSTELLING
Elke filmomhulde tablet bevat 500 mg levofloxacine als levofloxacine hemihydraat.
Hulpstof(fen) met bekend effect:
Elke filmomhulde tablet bevat 1,905 mg zonnegeel (E110), 1,74 mg tartrazine (E102) en 1,05 mg lecithine (E332) (kan soja olie bevatten).
Voor de volledige lijst van hulpstoffen, zie rubriek 6.1.
3. FARMACEUTISCHE VORM
Filmomhulde tablet.
Ronde, binconvexe, oranje filmomhulde tabletten met een diameter van 13 mm.
4. KLINISCHE GEGEVENS
4.1 Therapeutische indicaties
Maddoflox is geïndiceerd bij volwassenen voor de behandeling van de volgende infecties (zie rubrieken 4.4 en 5.1):
- Acute pyeolonefritis en gecompliceerde urineweginfecties (zie rubriek 4.4)
- Chronische bacteriële prostatitis
- Inhalatie-anthrax: profylaxe na blootstelling en curatieve behandeling (zie rubriek 4.4).
Voor de hieronder vermelde infecties mag Maddoflox alleen gebruikt worden indien het gebruik van andere antibacteriële middelen die gewoonlijk worden aanbevolen voor de behandeling van deze infecties, ongeschikt wordt geacht.
- Acute bacteriële sinusitis
- Acute exacerbaties van chronisch obstructief longlijden, met inbegrip van bronchitis
- Buiten het ziekenhuis opgelopen pneumonie
- Gecompliceerde infecties van de huid en de weke delen
- Ongecompliceerde cystitis (zie rubriek 4.4)
Maddflox mag ook gebruikt worden om een behandelingkuur te voltooien bij patiënten die een verbetering toonden tijdens een initiële behandeling met intraveneus levofloxacine.
Er dient rekening te worden gehouden met de officiële richtlijnen voor het juiste gebruik van antibacteriële middelen.
4.2 Dosering en wijze van toediening
Maddoflox filmomhulde tabletten worden één of twee keer per dag toegediend. De dosering is afhankelijk van het type en de ernst van de infectie en van de gevoeligheid van het vermoedelijke oorzakelijke pathogeen.
Maddoflox filmomhulde tabletten mogen ook gebruikt worden om een behandelingskuur te voltooien bij patiënten die een verbetering toonden tijdens een initiële behandeling met intraveneus levofloxacine; gezien de bio-equivalentie van de parenterale en orale vormen, kan dezelfde dosering gebruikt worden.
Dosering
De volgende dosisaanbevelingen kunnen gegeven worden voor Maddoflox:
Dosering bij patiënten met een normale nierfunctie (creatinineklaring > 50 ml/min)
| Indicatie | Dagelijkse dosering (naargelang de ernst van de infectie) | Behandelingsduur (naargelang de ernst van de infectie) |
| Acute bacteriële sinusitis | 500 mg eenmaal daags | 10 - 14 dagen |
| Acute bacteriële exacerbaties van chronisch obstructief longlijden, met inbegrip van bronchitis | 500 mg eenmaal daags | 7 - 10 dagen |
| Buiten het ziekenhuis opgelopen pneumonie | 500 mg een- of tweemaal daags | 7 - 14 dagen |
| Acute pyelonefritis | 500 mg eenmaal daags | 7 - 10 dagen |
| Gecompliceerde urineweginfecties | 500 mg eenmaal daags | 7 - 14 dagen |
| Ongecompliceerde cystitis | 250 mg eenmaal daags | 3 dagen |
| Chronische bacteriële prostatitis | 500 mg eenmaal daags | 28 dagen |
| Gecompliceerde infecties van de huid en de weke delen | 500 mg een- of tweemaal daags | 7 - 14 dagen |
| Inhalatie-anthrax | 500 mg eenmaal daags | 8 weken |
Speciale populaties
Verminderde nierfunctie (creatinineklaring ≤ 50 ml/min)
| Doseringsschema | |||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 250 mg/24 u | 500 mg/24 u | 500 mg/12 u | |||||
| Creatinineklaring | Startdosis: 250 mg | Startdosis: 500 mg | Startdosis: 500 mg | ||||
| 50 – 20 ml/min | Daarna: 125 mg/24 u | Daarna: 250 mg/24 u | Daarna: 250 mg/12 u | ||||
| 19 – 10 ml/min | Daarna: 125 mg/48 u | Daarna: 125 mg/24 u | Daarna: 125 mg/12 u | ||||
| < 10 ml/min (incl. hemodialyse en CAPD)1 | Daarna: 125 mg/48 u | Daarna: 125 mg/24 u | Daarna: 125 mg/24 u | ||||
1 Na hemiodialyse of continue ambulante peritoneale dialyse (CAPD) is geen supplementaire dosis noodzakelijk.
Verminderde leverfunctie
Dosisaanpassing is niet vereist, gezien levofloxacine niet in relevante mate door de lever wordt gemetaboliseerd en hoofdzakelijk door de nieren wordt uitgescheiden.
Ouderen
Dosisaanpassing is niet vereist bij ouderen, tenzij dit op de grond van de nierfunctie wel noodzakelijk wordt geacht (zie rubriek 4.4 ‘Tendinitis en peesruptuur’ en ‘Verlenging van het QT-interval’).
Pediatrische patiënten
Maddoflox is gecontra-indiceerd bij kinderen en adolescenten in de groeifase (zie rubriek 4.3).
Wijze van toediening
Maddoflox filmomhulde tabletten dienen volledig zonder verpulveren en met voldoende vloeistof te worden ingeslikt. De tabletten mogen tijdens de maaltijd of tussen de maaltijden worden ingenomen. Omdat de absorptie kan worden verminderd (zie rubriek 4.5), moeten Maddoflox filmomhulde tabletten ten minste twee uur voor of na de toediening van ijzerzouten, zinkzouten, magnesium- of aluminiumbevattende antacida of didanosine (alleen didanosineformuleringen met aluminium of magnesium die bufferende stoffen bevatten), en sucralfaat worden ingenomen.
4.3 Contra-indicaties
Levofloxacine tabletten mogen niet worden gebruikt in de volgende situaties:
- bij patiënten met overgevoeligheid voor levofloxacine, voor andere chinolonen, voor soja of pinda’s of voor een van de in rubriek 6.1 vermelde hulpstoffen;
- bij patiënten met epilepsie;
- bij patiënten met peesaandoeningen in de anamnese die gerelateerd zijn aan het gebruik van fluorochinolonen;
- bij kinderen of adolescenten in de groeifase;
- tijdens de zwangerschap;
- tijdens de borstvoedingsperiode.
4.4 Bijzondere waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik
Het gebruik van levofloxacine moet worden vermeden bij patiënten die in het verleden ernstige bijwerkingen hebben gehad bij gebruik van producten die chinolonen of fluorochinolonen bevatten (zie rubriek 4.8). Behandeling van die patiënten met levofloxacine mag pas worden gestart als er geen andere behandelingsmogelijkheden zijn en na zorgvuldige evaluatie van de voordelen tegen de risico's (zie ook rubriek 4.3).
Resistentierisico’s
Methicilline-resistente S. aureus bezitten zeer waarschijnlijk co-resistentie tegen fluorochinolonen, waaronder levofloxacine. Bijgevolg wordt levofloxacine niet aanbevolen voor de behandeling van bekende of vermoede MRSA-infecties tenzij de laboratoriumresultaten de gevoeligheid van het organisme voor levofloxacine hebben bevestigd (en gangbare aanbevolen antibacteriële middelen voor de behandeling van MRSA-infecties als ongeschikt worden beschouwd).
Levofloxacine mag gebruikt worden bij de behandeling van acute bacteriële sinusitis en acute exacerbaties van chronische bronchitis wanneer deze infecties adequaat werden gediagnosticeerd.
De resistentie tegen fluorochinolonen van E. coli – de meest frequente pathogeen die betrokken is bij urineweginfecties – varieert in de Europese Unie. Voorschrijvers wordt geadviseerd om rekening te houden met de lokale prevalentie van resistentie van E. coli tegen fluorochinolonen.
Inhalatie-anthrax: het gebruik bij de mens is gebaseerd op in vitro gevoeligheidsgegevens van
Bacillus anthracis en op gegevens uit dieronderzoek samen met beperkte gegevens bij de mens. De behandelende artsen moeten verwijzen naar de nationale en/of internationale consensusdocumenten over de behandeling van anthrax.
Langdurige, invaliderende en mogelijk irreversibele ernstige bijwerkingen
Zeer zelden voorkomende gevallen van langdurige (gedurende maanden of jaren), invaliderende en mogelijk irreversibele ernstige bijwerkingen die verschillende, soms meerdere, lichaamssystemen aantasten (skeletspierstelsel, zenuwstelsel, psychisch en zintuigen), zijn gemeld bij patiënten die chinolonen en fluorochinolonen kregen, ongeacht hun leeftijd en vooraf bestaande risicofactoren. Bij de eerste tekenen of symptomen van een ernstige bijwerking moet het gebruik van levofloxacine onmiddellijk worden gestaakt en moet patiënten worden geadviseerd om voor advies contact op te nemen met de arts die het middel heeft voorgeschreven.
Tendinitis en peesruptuur
Tendinitis en peesruptuur (in het bijzonder, maar niet beperkt tot de achillespees), soms bilateraal, kunnen al optreden binnen 48 uur na het begin van de behandeling met chinolonen en fluorochinolonen en het optreden ervan is gemeld tot zelfs enkele maanden na het beëindigen van de behandeling. Het risico op tendinitis en peesruptuur is groter bij oudere patiënten, patiënten met een nierfunctiestoornis, patiënten met een transplantatie van solide organen, bij patiënten die dagelijkse doses van 1.000 mg levofloxacine krijgen en patiënten die gelijktijdig worden behandeld met corticosteroïden. Daarom moet het gelijktijdige gebruik van corticosteroïden worden vermeden.
Bij het eerste teken van tendinitis (bijvoorbeeld pijnlijke zwelling, ontsteking) moet de behandeling met levofloxacine worden gestaakt en moet een andere behandeling worden overwogen. De aangetaste ledema(a)t(en) moet(en) op geschikte wijze worden behandeld (bijvoorbeeld immobilisatie). Corticosteroïden mogen niet worden gebruikt als zich tekenen van tendinopathie voordoen.
Myoclonus
Er zijn gevallen van myoclonus gemeld bij patiënten die levofloxacine kregen (zie rubriek 4.8). Het risico op myoclonus is verhoogd bij oudere patiënten en bij patiënten met nierinsufficiëntie als de dosis levofloxacine niet wordt aangepast volgens de creatinineklaring. Levofloxacine dient onmiddellijk te worden stopgezet bij het eerste optreden van myoclonus en de juiste behandeling dient te worden gestart.
Door Clostridium difficile veroorzaakte infecties
Indien er tijdens of na de behandeling met levofloxacine (inclusief enkele weken na de behandeling) diarree optreedt, in het bijzonder als deze ernstig, aanhoudend en/of bloederig is, kan dit een symptoom zijn van een door Clostridium difficile veroorzaakte infectie (CDAD: Clostridium difficile-associated disease). De ernst van CDAD kan variëren van licht tot levensbedreigend; de ernstigste vorm ervan is pseudomembraneuze colitis (zie rubriek 4.8). Het is bijgevolg belangrijk om deze diagnose te overwegen bij patiënten die ernstige diarree ontwikkelen tijdens of na een behandeling met levofloxacine. Als CDAD wordt vermoed of bevestigd, moet de behandeling met levofloxacine onmiddellijk worden gestaakt en moet onverwijld een geschikte behandeling worden ingesteld. Middelen die de peristaltiek remmen zijn in deze klinische situatie gecontra-indiceerd.
Patiënten met aanleg tot convulsies
Chinolonen kunnen de convulsiedrempel verlagen en convulsies uitlokken. Levofloxacine is gecontra-indiceerd bij patiënten met een geschiedenis van epilepsie (zie rubriek 4.3) en dient, net als andere chinolonen, met de grootste voorzichtigheid te worden gebruikt bij patiënten met aanleg tot convulsies of patiënten die gelijktijdig behandeld worden met werkzame stoffen die de cerebrale convulsiedrempel verlagen, zoals theofylline (zie rubriek 4.5). Indien convulsies optreden (zie rubriek 4.8), dient de behandeling met levofloxacine stopgezet te worden.
Patiënten met glucose-6-fosfaatdehydrogenasedeficiëntie
Patiënten met latente of feitelijke defecten in de glucose-6-fosfaatdehydrogenase activiteit kunnen gevoelig zijn voor hemolytische reacties indien ze behandeld worden met chinolone antibiotica. Bijgevolg, als levofloxacine gebruikt moet worden bij deze patiënten, moet het potentiële optreden van hemolyse worden gecontroleerd.
Patiënten met een verminderde nierfunctie
Aangezien levofloxacine hoofdzakelijk door de nieren wordt uitgescheiden, moet de dosering van Maddoflox worden aangepast bij patiënten met een verminderde nierfunctie (zie rubriek 4.2).
Overgevoeligheidsreacties
Levofloxacine kan ernstige, potentieel fatale overgevoeligheidsreacties uitlokken (bijv. angio-oedeem tot een anafylactische shock), soms na de eerste dosis (zie rubriek 4.8). In dit geval moet de patiënt onmiddellijk stoppen met de behandeling en contact opnemen met zijn/haar behandelend arts of de arts op de eerste hulp die de juiste eerste hulp zal verlenen.
Ersntige cutane bijwerkingen
Ernstige cutane bijwerkingen (SCAR’s) waaronder toxische epidermale necrolyse (TEN: ook bekend als het syndroom van Lyell), Stevens-Johnsonsyndroom (SJS) en geneesmiddelenreactie met eosinofilie en systemische symptomen (DRESS) en acute gegeneraliseerde exanthemateuze pustulose (AGEP), welke levensbedreigend of fataal kunnen zijn, zijn gemeld bij het gebruik van levofloxacine (zie rubriek 4.8). Tijdens het voorschrijven dient men de patiënt te informeren over de tekenen en symptomen van ernstige huidreacties, en men dient de patiënt nauwgezet te controleren. Indien tekenen en symptomen verschijnen die deze reacties suggereren, stop dan onmiddellijk met levofloxacine en overweeg een alternatieve behandeling. Heeft de patiënt een ernstige reactie ontwikkeld, zoals SJS, TEN of DRESS of AGEP, door het gebruik van levofloxacine, dan de behandeling met levofloxacine bij deze patiënt nooit opnieuw starten.
Dysglykemie
Zoals voor alle chinolonen werden stoornissen in de bloedglucose, waaronder hypoglykemie en hyperglykemie, gemeld, vaker voorkomend bij ouderen, gewoonlijk bij diabetespatiënten die tegelijkertijd behandeld worden met orale hypoglykemiërende middelen (bijv. glibenclamide) of insuline. Er werden gevallen van hypoglykemisch coma gemeld. Bij diabetespatiënten wordt aanbevolen het bloedsuikergehalte nauwkeurig op te volgen (zie rubriek 4.8).
Als een patiënt een storing in bloedsuikergehalte meldt, dan moet behandeling met Maddoflox onmiddellijk gestopt worden en moet een alternatieve antibacteriële therapie van het niet-fluorochinolone-type overwogen worden.
Preventie van fotosensibilisatie
Fotosensibilisatie werd gemeld met levofloxacine (zie rubriek 4.8). Patiënten worden aangeraden zich niet onnodig bloot te stellen aan fel zonlicht of aan kunstmatige UV-straling (bijvoorbeeld hoogtezon, zonnebank) tijdens de behandeling en gedurende 48 uur na stopzetting van de behandeling om fotosensibilisatie te voorkomen.
Patiënten die behandeld worden met vitamine-K-antagonisten
Omwille van de mogelijke toename van de coagulatietesten (PT/INR) en/of bloedingen bij patiënten die behandeld worden met levofloxacine in combinatie met een vitamine-K-antagonist (bijv. warfarine), moeten de coagulatietesten gecontroleerd worden wanneer deze geneesmiddelen gelijktijdig worden toegediend (zie rubriek 4.5).
Psychotische reacties
Psychotische reacties zijn gemeld bij patiënten die chinolonen kregen, waaronder levofloxacine. In zeer zeldzame gevallen ontwikkelden deze zich tot suïcidale gedachten en gedrag waarbij de patiënt zichzelf in gevaar brengt, soms na slechts één enkele dosis levofloxacine (zie rubriek 4.8). Indien deze reacties bij een patiënt optreden, dient levofloxacine onmiddellijk bij de eerste tekenen of symptomen van deze reacties te worden gestopt en patiënten moeten worden geadviseerd contact op te nemen met de arts die dit middel heeft voorgeschreven. Alternatieve antibacteriële therapie van het niet-flurorochinolone-type moet overwogen worden en gepaste maatregelen dienen genomen te worden. Voorzichtigheid is geboden bij het gebruik van levofloxacine bij psychotische patiënten of patiënten met een voorgeschiedenis van psychiatrische ziekte.
Verlening van het QT-interval
Fluorochinolonen, levofloxacine inbegrepen, dienen met voorzichtigheid gebruikt te worden bij patiënten met bekende risicofactoren voor QT-intervalverlenging, zoals
- congenitaal lang QT-syndroom;
- gelijktijdig gebruik van geneesmiddelen waarvan bekend is dat zij het QT-interval verlengen (bijvoorbeeld Klasse IA en Klasse III anti-aritmica, tricyclische antidepressiva, macroliden, antipsychotica);
- niet-gecorrigeerde stoornis in de elektrolytenbalans (bijv. hypokaliëmie, hypomagnesiëmie);
- hartaandoeningen (bijvoorbeeld hartfalen, mycoardinfarct, bradycardie).
Ouderen en vrouwen kunnen gevoeliger zijn voor QTc-verlengende geneesmiddelen. Daarom is, in deze populaties, voorzichtigheid geboden bij gebruik van fluorochinolonen, inclusief levofloxacine (zie de rubrieken 4.2 ‘Ouderen’, 4.5, 4.8 en 4.9).
Perifere neuropathie
Bij patiënten die chinolonen en fluorochinolonen gebruiken, zijn gevallen van sensorische of sensomotorische polyneuropathie gemeld, die resulteerden in paresthesie, hypesthesie, dysesthesie of krachtsverlies. Patiënten die met levofloxacine worden behandeld, moet aangeraden worden om hun arts te informeren voordat de behandeling wordt voortgezet als zich symptomen van neuropathie ontwikkelen zoals pijn, branderig gevoel, tintelingen, doof gevoel of krachtsverlies, om de ontwikkeling van een potentieel irreversibele aandoening te voorkomen (zie rubriek 4.8).
Lever- en galaandoeningen
Gevallen van levernecrose tot fataal leverfalen werden met levofloxacine gerapporteerd, en dit vooral bij patiënten met ernstige onderliggende ziekten zoals sepsis (zie rubriek 4.8). Patiënten moeten worden geadviseerd om de behandeling stop te zetten en contact op te nemen met hun arts indien zijn klachten en verschijnselen van leverziekte ontwikkelen, zoals anorexie, geelzucht, donkere urine, jeuk of een gevoelige buik.
Verergering van myastehnia gravis
Fluorochinolonen, waaronder levofloxacine, hebben een neuromusculaire blokkerende activiteit en kunnen de spierzwakte verergeren bij patiënten met myasthenia gravis. Er zijn postmarketing ernstige bijwerkingen gemeld, waaronder sterfgevallen en de behoefte aan respiratoire ondersteuning, die in verband gebracht konden worden met het gebruik van fluorochinolonen bij patiënten met myasthenia gravis. Levofloxacine wordt niet aanbevolen bij patiënten met een bekende voorgeschiedenis van myasthenia gravis.
Oogaandoeningen
Indien het zicht verminderd of enig ander effect op de ogen wordt waargenomen, dient een oogarts onmiddellijk geraadpleegd te worden (zie rubrieken 4.7 en 4.8).
Superinfecties
Het gebruik van levofloxacine, in het bijzonder indien langdurig, kan leiden tot overgroei van niet-gevoelige organismen. Als tijdens de behandeling een superinfectie optreedt, moeten gepaste maatregelen worden genomen.
Interferentie met laboratoriumtesten
Bij patiënten die met levofloxacine behandeld worden, kan de bepaling van opiaten in de urine vals-positieve resultaten opleveren. Het kan nodig zijn om positieve opiaattesten door meer specifieke methoden te bevestigen.
Levofloxacine kan de groei remmen van Mycobacterium tuberculosis en kan bijgevolg vals-negatieve resultaten geven bij de bacteriologische diagnose van tuberculose.
Aorta-aneurysma en Aortadissectie, en hartklepregurgitatie/-incompetentie
In epidemiologische studies wordt melding gemaakt van een verhoogd risico op aorta-aneurysma en aortadissectie, met name bij oudere patiënten, en van aortaklep- en mitralisklepregurgitatie na gebruik van fluorochinolonen. Er zijn gevallen gemeld van aorta-aneurysma en aortadissectie, soms gecompliceerd door scheuringen (waaronder fatale), en van regurgitatie/incompetentie van een van de hartkleppen bij patiënten die fluorochinolonen toegediend kregen (zie rubriek 4.8).
Bijgevolg mogen fluorochinolonen alleen worden gebruikt na zorgvuldige evaluatie van de voordelen en de risico's en na afweging van andere therapeutische opties bij patiënten met een positieve familiale voorgeschiedenis van aneurysma of aangeboren hartklepziekte, of bij patiënten bij wie een reeds bestaand(e) aorta-aneurysma en/of aortadissectie of hartklepziekte zijn/is vastgesteld, of bij aanwezigheid van andere risicofactoren of predisponerende aandoeningen
- voor zowel aorta-aneurysma en aortadissectie als hartklepregurgitatie/-incompetentie (bijvoorbeeld bindweefselaandoeningen zoals Marfansyndroom of vasculair Ehlers-Danlossyndroom, syndroom van Turner, ziekte van Behçet, hypertensie, reumatoïde artritis) of
- voor aorta-aneurysma en aortadissectie (bijvoorbeeld bloedvataandoeningen zoals Takayasu-arteritis of reuzencelarteritis, of bekende atherosclerose, of Sjögren-syndroom) of
- voor hartklepregurgitatie/-incompetentie (bijvoorbeeld infectieuze endocarditis).
Het risico op aorta-aneurysma en aortadissectie, en scheuring daarvan, kan ook verhoogd zijn bij patiënten die gelijktijdig worden behandeld met systemische corticosteroïden.
Patiënten moeten erop worden gewezen dat ze in geval van plotselinge buik- borst- of rugpijn onmiddellijk een arts op een afdeling spoedeisende hulp moeten raadplegen.
Patiënten moet worden geadviseerd onmiddellijk een arts te raadplegen in geval van acute dyspneu, het nieuw ontstaan van hartkloppingen of wanneer oedeem van de buik of de onderste ledematen optreedt.
Acute pancreatitis
Acute pancreatitis kan worden waargenomen bij patiënten die levofloxacine gebruiken. Patiënten moeten worden geïnformeerd over de kenmerkende symptomen van acute pancreatitis. Patiënten die misselijkheid, malaise, ongemak in de buik, acute buikpijn of braken ervaren, moeten onmiddellijk medisch worden geëvalueerd. Als acute pancreatitis wordt vermoed, moet levofloxacine worden stopgezet; indien bevestigd, mag levofloxacine niet opnieuw worden gestart. Voorzichtigheid is geboden bij patiënten met een voorgeschiedenis van pancreatitis (zie rubriek 4.8).
Bloedaandoeningen
Beenmergfalen, waaronder leukopenie, neutropenie, pancytopenie, hemolytische anemie, trombocytopenie, aplastische anemie of agranulocytose, kunnen zich ontwikkelen tijdens de behandeling met levofloxacine (zie rubriek 4.8). Als een van deze bloedaandoeningen wordt vermoed, moet het bloedbeeld worden gecontroleerd. In geval van abnormale resultaten dient stopzetteing van de behandeling met levofloxacine te worden overwogen.
Natrium
Dit middel bevat minder dan 1 mmol natrium (23 mg) per filmomhulde tablet, dat wil zeggen dat het in wezen ‘natriumvrij’ is.
Zonnegeel (E110)
Maddoflox bevat zonnegeel. Zonnegeel (E110) kan allergische reacties veroorzaken.
Tartrazine (E102)
Maddoflox bevat tartrazine. Tartrazine (E102) kan allergische reacties veroorzaken.
Lecithine (E332)
Maddoflox bevat lecithine, afgeleid van soja en kan soja olie bevatten. Dit middel niet gebruiken indien u allergsich bent voor pinda’s of soja (zie rubriek 4.3).
4.5 Interacties met andere geneesmiddelen en andere vormen van interactie
Invloed van andere geneesmiddelen op Maddoflox
Ijzerzouten, zinkzouten, antacida op basis van magnesium of aluminium, didanosine
De absorptie van levofloxacine is aanzienlijk verminderd wanneer ijzerzouten, antacida op basis van magnesium of aluminium of didanosine (alleen didanosineformuleringen met aluminium of magnesium die bufferende stoffen bevatten) gelijktijdig met levofloxacine tabletten worden toegediend. De gelijktijdige toediening van fluorochinolonen met multivitaminen die zink bevatten, lijkt hun orale absorptie te verminderen. Er wordt aanbevolen om preparaten op basis van di- of trivalente kationen zoals ijzerzouten, zinkzouten, antacida op basis van magnesium of aluminium, of didanosine (alleen didanosineformuleringen met aluminium of magnesium die bufferende stoffen bevatten) niet binnen 2 uur voor of na de inname van Maddoflox filmomhulde tabletten in te nemen (zie rubriek 4.2). Calciumzouten hebben een minimaal effect op de orale absorptie van levofloxacine.
Sucralfaat
De biologische beschikbaarheid van levofloxacine vermindert significant bij gelijktijdige toediening van Maddoflox filmomhulde tabletten en sucralfaat. Indien de patiënt tegelijkertijd sucralfaat en Maddoflox moet innemen, dan kan sucralfaat het beste 2 uur na de inname van Maddoflox filmomhulde tabletten worden toegediend (zie rubriek 4.2).
Theofylline, fenfuben en vergelijkbare niet-steroïdale anti-inflammatoire geneesmiddelen
In klinische studies werden geen farmacokinetische interacties tussen levofloxacine en theofylline aangetoond. De drempel voor convulsies kan echter wel uitgesproken dalen wanneer chinolonen samen met theophylline, niet-steroïdale anti inflammatoire geneesmiddelen of andere geneesmiddelen die de epilepsiedrempel verlagen, worden toegediend.
De concentratie van levofloxacine was ongeveer 13% hoger in aanwezigheid van fenbufen dan wanneer het alleen gegeven werd.
Probenicide en cimetidine
Probenecide en cimetidine hebben een statistisch significant effect op de eliminatie van levofloxacine. Cimetidine en probenecide verlagen de renale klaring van levofloxacine met respectievelijk 24% en 34%. Dat komt omdat beide producten de renale tubulaire secretie van levofloxacine kunnen blokkeren. Het is echter onwaarschijnlijk dat, bij de doseringen getest in de studie, de statistisch significante kinetische verschillen klinisch relevant zijn.
Voorzichtigheid is geboden indien levofloxacine gelijktijdig wordt gegeven met geneesmiddelen die de renale tubulaire secretie beïnvloeden zoals probenecide en cimetidine, vooral bij patiënten met een gestoorde nierfunctie.
Andere relevante informatie
Klinisch-farmacologische studies hebben aangetoond dat de farmacokinetiek van levofloxacine niet in klinisch relevante mate beïnvloed werd bij gelijktijdige toediening van levofloxacine en de volgende geneesmiddelen: calciumcarbonaat, digoxine, glibenclamide en ranitidine.
Invloed van Maddoflox op andere geneesmiddelen
Ciclosporine
De halfwaardetijd van ciclosporine werd met 33% verhoogd bij gelijktijdige toediening van levofloxacine.
Vitamine-K-antagonisten
Bij patiënten die behandeld werden met levofloxacine in combinatie met een vitamine-K-antagonist (bijv. warfarine) werden verhoogde coagulatietesten (PT/INR) en/of bloedingen, die ernstig kunnen zijn, gemeld. De coagulatietesten moeten derhalve gecontroleerd worden bij patiënten die behandeld worden met vitamine-K-antagonisten (zie rubriek 4.4).
Geneesmiddelen waarvan bekend is dat ze het QT-interval verlengen
Zoals andere fluorochinolonen dient levofloxacine met voorzichtigheid gebruikt te worden bij patiënten die reeds met geneesmiddelen behandeld worden waarvan bekend is dat zij het QT-interval verlengen (bijv. klasse IA en klasse III anti-aritmica, tricyclische antidepressiva, macroliden, antipsychotica) (zie rubriek 4.4 ‘Verlenging van het QT-interval’).
Andere relevante informatie
In een farmacokinetische interactiestudie had levofloxacine geen invloed op de farmacokinetiek van theofylline (dat een probe substraat is voor CYP1A2), wat erop wijst dat levofloxacine geen CYP1A2-inhibitor is.
Andere vormen van interactie
Corticosteroïden
Het risico op tendinitis en peesruptuur is groter bij patiënten die gelijktijdig worden behandeld met corticosteroïden en levofloxacine. Daarom moet gelijktijdig gebruik van corticosteroïden met levofloxacine worden vermeden (zie rubriek 4.4)
Voedsel
Er werd geen klinisch significante interactie waargenomen met de inname van voedsel. Maddoflox filmomhulde tabletten mogen dus worden toegediend zonder rekening te houden met de inname van voedsel.
4.6 Vruchtbaarheid, zwangerschap en borstvoeding
Zwangerschap
Er zijn beperkte gegevens over het gebruik van levofloxacine bij zwangere vrouwen. De resultaten van dieronderzoek duiden niet op directe of indirecte schadelijke effecten wat betreft
reproductietoxiciteit (zie rubriek 5.3).
Echter, in afwezigheid van gegevens bij de mens en omdat experimentele gegevens een risico op beschadiging van het gewichtsdragende kraakbeen bij het groeiende organisme door fluorochinolonen suggereren, mag levofloxacine niet door zwangere vrouwen worden gebruikt (zie rubrieken 4.3 en 5.3).
Borstvoeding
Maddoflox is gecontra-indiceerd bij vrouwen die borstvoeding geven. Er bestaat onvoldoende informatie over de uitscheiding van levofloxacine in de moedermelk bij de mens; andere fluorochinolonen worden echter uitgescheiden in de moedermelk. In afwezigheid van gegevens bij de mens en omdat experimentele gegevens een risico op beschadiging van het gewichtsdragende kraakbeen bij het groeiende organisme door fluorochinolonen suggereren, mag levofloxacine niet worden gebruikt door vrouwen die borstvoeding geven (zie rubrieken 4.3 en 5.3).
Vruchtbaarheid
Levofloxacine veroorzaakte geen afname van de vruchtbaarheid of het reproductievermogen bij ratten.
4.7 Beïnvloeding van de rijvaardigheid en het vermogen om machines te bedienen
Maddoflox heeft een geringe of matige invloed op de rijvaardigheid en op het vermogen om machines te bedienen. Sommige bijwerkingen (bv. duizeligheid, vertigo, slaperighied, gezichtsstoornissen) kunnen het concentratie- en reactievermogen verminderen en daarom een risico vormen in situaties waarin deze vaardigheden van bijzonder belang zijn (zoals bij het autorijden of het gebruik van machines).
4.8 Bijwerkingen
De onderstaande informatie is afkomstig van klinische studies die werden uitgevoerd bij meer dan 8300 patiënten, en van uitgebreide postmarketingervaring.
De frequenties in deze tabel zijn gedefinieerd op basis van de volgende conventie: zeer vaak (≥ 1/10); vaak (≥ 1/100, < 1/10); soms (≥ 1/1000, < 1/100); zelden (≥ 1/10 000, < 1/1,000); zeer zelden (< 1/10 000); niet bekend (kan met de beschikbare gegevens niet worden bepaald).
Binnen iedere frequentiegroep worden bijwerkingen gerangschikt naar afnemende ernst.
Tabel met bijwerkingen
| Systeem/orgaanklasse | Vaak (≥ 1/100, < 1/10) | Soms (≥ 1/1000, < /100) | Zelden (≥ 1/10 000, < 1/1,000) | Niet bekend (kan met de beschikbare gegevens niet worden bepaald) |
|---|---|---|---|---|
| Infecties en parasitaire aandoeningen | Schimmelinfe cties waaronder Candida infectie Resistentie van pathogenen | |||
| Bloed- en lymfestelselaandoenin gen | Leukopenie Eosinofilie | Trombocytopeni e Neutropenie | Beenmergfalen inclusief aplastische anemie, pancytopenie, agranulocytose, hemolytische anemie | |
| Immuunsysteemaando eningen | Angio-oedeem Overgevoelighei d (zie rubriek 4.4) | Anafylactische shock1 Anafylactoïde shock1 (zie rubriek 4.4) | ||
| Endocriene aandoeningen | Syndroom van inadequate secretie van antidiuretisch hormoon (SIADH) | |||
| Voedings- en stofwisselingsstoorniss en | Anorexie | Hypoglycemie in het bijzonder bij diabetespatiënten , Hypoglycemisch coma (zie rubriek 4.4) | Hyperglycemie (zie rubriek 4.4) |
| Psychische stoornissen* | Slapeloosheid | Angst Verwarde toestand Zenuwachtig heid | Psychotische reacties (met bijv. hallucinaties, paranoia) Depressie Agitatie Abnormale dromen Nachtmerries Delirium | Psychotische stoornissen met gedrag waarbij de patiënt zichzelf in gevaar brengt, waaronder suïcidale gedachten of suïcidale pogingen (zie rubriek 4.4) Manie Paniekaanval |
|---|---|---|---|---|
| Zenuwstelselaandoeni ngen* | Hoofdpijn Duizeligheid | Slaperigheid Tremor Dysgeusie | Convulsies (zie rubrieken 4.3 en 4.4) Paresthesieën, Geheugenverlies | Perifere sensorische neuropathie (zie rubriek 4.4) Perifere sensomotorische neuropathie (zie rubriek 4.4) Parosmie met inbegrip van anosmie Dyskinesie Extrapyramidale stoornis Ageusie Syncope Goedaardige intracraniale hypertense Myoclonus Neuralgie |
| Oogaandoeningen * | Gezichtsstoornis sen zoals een wazig zicht (zie rubriek 4.4) | Tijdelijk gezichtsverlies (zie rubriek 4.4), Uveïtis | ||
| Evenwichtsorgaan- en ooraandoeningen* | Vertigo | Tinnitus | Gehoorverlies Verminderd gehoor | |
| Hartaandoeningen** | Tachycardie Palpitaties | Ventriculaire tachycardie die kan leiden tot hartstilstand Ventriculaire aritmie en torsade de pointes (voornamelijk gerapporteerd bij patiënten met risicofactoren van QT |
| verlenging), verlenging van QT-interval op electrocardiogra m (zie rubrieken 4.4 en 4.9) | ||||
| Bloedvataandoeningen ** | Enkel voor de iv formulering: Flebitis | Hypotensie | ||
| Ademhalingsstelsel-, borstkas- en mediastinumaandoenin gen | Dyspnoe | Bronchospasme Allergische pneumonitis | ||
| Maagdarmstelselaando eningen | Diarree Braken Misselijkheid | Buikpijn Dyspepsie Flatulentie Constipatie | Hemorragische diarree die in zeer zeldzame gevallen kan wijzen op enterocolitis, inclusief pseudomembrane uze colitis (zie rubriek 4.4) Pancreatitis ( zie rubriek 4.4) | |
| Lever- en galaandoeningen | Verhoogde leverenzymen (ALAT/ASAT, alkalisch fosfatase, GGT) | Verhoogd bilirubine in bloed | Geelzucht en ernstige leverbeschadigin g, inclusief fatale gevallen met acuut leverfalen, voornamelijk bij patiënten met ernstige onderliggende ziekten (zie rubriek 4.4) Hepatitis | |
| Huid- en onderhuidaandoeninge n2 | Rash Pruritus Uricaria Hyperhidrose | Geneesmiddelenr eactie met eosinofilie en systemische symptomen (DRESS) (zie rubriek 4.4), Fixed drug eruption | Toxische epidermale necrolyse, Stevens-Johnson syndroom Erythema multiforme Fotosensibiliteits reactie (zie rubriek 4.4) Leukocytoclastis che vasculitis Stomatitis Hyperpigmentati e van de huid |
| Skeletspierstelsel- en bindweefselaandoenin gen * | Artralgie Myalgie | Peesstoornissen (zie rubrieken 4.3 en 4.4) inclusief tendinitis (bv. Achillespees) Spierzwakte die van bijzonder belang kan zijn bij patiënten met myasthenia gravis (zie rubriek 4.4) | Rhabdomyolyse Peesruptuur (bv. Achillespees) (zie rubrieken 4.3 en 4.4) Ligamentruptuur Spierruptuur Artritis | |
|---|---|---|---|---|
| Nier- en urinewegaandoeningen | Verhoogd creatinine in bloed | Acuut nierfalen (bv. als gevolg van interstitiële nefritis) | ||
| Algemene aandoeningen en toedieningsplaatsstoor nissen* | Enkel voor de iv formulering: Toedieningsplaatsr eacties (pijn, roodheid) | Asthenie | Pyrexie | Pijn (waaronder pijn in de rug, de borst en de ledematen) |
1 Anafylactische en anafylactoïde reacties kunnen soms zelfs na de eerste dosis optreden.
2 Mucocutane reacties kunnen soms zelfs na de eerste dosis optreden.
Andere bijwerkingen die in verband zijn gebracht met de toediening van fluorochinolonen, zijn onder meer:
- aanvallen van porfyrie bij patiënten met porfyrie
* Zeer zelden voorkomende gevallen van langdurige (tot maanden of jaren), invaliderende en potentieel irreversibele ernstige bijwerkingen die verschillende, soms meerdere, systeem/orgaanklassen en zintuigen aantasten (waaronder bijwerkingen zoals tendinitis, peesruptuur, artralgie, pijn in extremiteiten, loopstoornis, neuropathieën geassocieerd met paresthesie en neuralgie, vermoeidheid, psychiatrische symptomen (waaronder slaapstoornissen, angst, paniekaanvallen, depressie en zelfmoordgedachten), geheugen- en concentratiestoornissen, en vermindering van gehoor, zicht, smaak- en reukzin), zijn gemeld in verband met het gebruik van chinolonen en fluorochinolonen, in sommige gevallen ongeacht vooraf bestaande risicofactoren (zie rubriek 4.4).
** Er zijn gevallen gemeld van aorta-aneurysma en aortadissectie, soms gecompliceerd door scheuringen (waaronder fatale), en van regurgitatie/incompetentie van een van de hartkleppen bij patiënten die fluorochinolonen toegediend kregen (zie rubriek 4.4).
Melding van vermoedelijke bijwerkingen
Het is belangrijk om na toelating van het geneesmiddel vermoedelijke bijwerkingen te melden. Op deze wijze kan de verhouding tussen voordelen en risico’s van het geneesmiddel voortdurend worden gevolgd. Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg wordt verzocht alle vermoedelijke bijwerkingen te melden via het Nederlands Bijwerkingen Centrum Lareb, website: www.lareb.nl.
4.9 Overdosering
Volgens toxicologisch onderzoek bij dieren of klinisch farmacologisch onderzoek uitgevoerd met supra-therapeutische doses, zijn als belangrijkste symptomen na acute overdosis met Maddoflox te verwachten: CZS-symptomen zoals verwarring, duizeligheid, bewustzijnsstoornissen, convulsies en verlenging van het QT-interval, alsook gastro-intestinale reacties, zoals nausea en erosie van de slijmvliezen.
In de postmarketingperiode zijn effecten op het centrale zenuwstelsel waaronder een verwarde toestand, convulsies, myoclonus, hallucinaties en tremor waargenomen.
Bij overdosering dient een symptomatische behandeling te worden ingesteld. Gezien de mogelijkheid tot een verlenging van het QT-interval moet ECG-monitoring worden uitgevoerd. Antacida kunnen ter bescherming van het maagslijmvlies worden gebruikt.
Hemodialyse, inclusief peritoneale dialyse en CAPD, is niet effectief om levofloxacine uit het lichaam te verwijderen. Er bestaat geen specifiek antidotum.
5. FARMACOLOGISCHE EIGENSCHAPPEN
5.1 Farmacodynamische eigenschappen
Farmacotherapeutische categorie: antibacteriële middelen van het chinolone-type, fluorochinolonen. ATC-code: J01MA12
Levofloxacine is een synthetisch antibacterieel middel uit de klasse van de fluorochinolonen.
Levofloxacine is het S-enantiomeer (linksdraaiende vorm) van de racemisch actieve stof ofloxacine.
Werkingsmechanisme
Zoals de andere antibacteriële middelen uit de klasse van de fluorochinolonen werkt levofloxacine op het DNA-DNA-gyrasecomplex en op het topo-isomerase IV.
Farmacokinetische/farmacodynamische relatie
De graad van de bactericiede activiteit van levofloxacine hangt af van de verhouding tussen de maximale serumconcentratie (Cmax) of de area under the curve (AUC), en de minimale inhiberende concentratie (MIC).
Resistentiemechanisme
De resistentie tegen levofloxacine is verworven door een stapsgewijs proces van mutaties op de targetplaats in beide type II topo-isomerasen, DNA-gyrase en topo-isomerase IV. Andere resistentiemechanismen zoals permeatiebarrières (frequent bij Pseudomonas aeruginosa) en effluxmechanismen kunnen ook invloed hebben op de gevoeligheid voor levofloxacine.
Er is kruisresistentie tussen levofloxacine en andere fluorochinolonen waargenomen. Gezien het werkingsmechanisme bestaat er in het algemeen geen kruisresistentie tussen levofloxacine en andere klassen van antibacteriële middelen.
Breekpunten
De MIC-breekpunten voor levofloxacine aanbevolen door EUCAST, die een onderscheid maken tussen gevoelige en gevoelige organismen met een verhoogde blootstelling en tussen gevoelige organismen met verhoogde blootstelling en resistente organismen, worden in de onderstaande tabel weergegeven door MIC-testen (mg/l).
De klinische MIC-breekpunten voor levofloxacine van EUCAST (versie 12.0; 2022-01-01):
| Pathogeen | Gevoelig | Resistent |
|---|---|---|
| Enterobacteriacae | ≤ 0.5 mg/l | > 1 mg/l |
| Pseudomonas spp. | ≤ 0.001 mg/l | > 2 mg/l |
| Acinetobacter spp. | ≤ 0.5 mg/l | > 1 mg/l |
Staphylococcus aureus Coagulase-negatieve staphylococci | ≤ 0.001 mg/l | > 1 mg/l |
|---|---|---|
| Enterococcus spp.1 | ≤ 4 mg/l | > 4 mg/l |
| Streptococcus groepen A, B, C en G | ≤ 0.001 mg/l | > 2 mg/l |
| Streptococcus pneumoniae | ≤ 0.001 mg/l | > 2 mg/l |
| Haemophilus influenzae | ≤ 0.06 mg/l | > 0.06 mg/l |
| Moraxella catarrhalis | ≤ 0.125 mg/l | > 0.125 mg/l |
| Helicobacter pylori | ≤ 1 mg/l | > 1 mg/l |
| Aerococcus sanguinicola en urinae2 | ≤ 2 mg/l | > 2 mg/l |
| Aeromonas spp. | ≤ 0.5 mg/l | > 1 mg/l |
| Vibrio spp. | ≤0.25 mg/l | >0.25 mg/l |
| PK-PD (Niet-species gerelateerde) breekpunten | ≤ 0.5 mg/l | > 1 mg/l |
1 Alleen niet gecompliceerde urineweginfecties
2 Gevoeligheid kan worden afgeleid uit ciprofloxacine gevoeligheid
De prevalentie van resistentie kan voor bepaalde species geografisch en mettertijd variëren. Het is wenselijk informatie op te vragen over de lokale stand van resistentie, vooral bij behandeling van ernstige infecties. Indien nodig dient men de mening van een expert te vragen in gevallen waar het plaatselijk optreden van resistentie dusdanig is dat het nut van het actieve bestanddeel voor ten minste sommige infectietypen twijfelachtig is.
Gewoonlijk gevoelige soorten
Aerobe grampositieve bacteriën
Bacillus anthracis
Staphylococcus aureus methicilline-gevoelig
Staphylococcus saprophyticus
Streptococci, groep C en G
Streptococcus agalactiae
Streptococcus pneumoniae
Streptococcus pyogenes
Aerobe gramnegatieve bacteriën
Eikenella corrodens
Haemophilus influenzae
Haemophilus para-influenzae
Klebsiella oxytoca
Moraxella catarrhalis
Pasteurella multocida
Proteus vulgaris
Providencia rettgeri
Anaerobe bacteriën
Peptostreptococcus
Andere
Chlamydophila pneumoniae
Chlamydophila psittaci
Chlamydia trachomatis
Legionella pneumophila
Mycoplasma pneumoniae
Mycoplasma hominis
Ureaplasma urealyticum
Soorten waarvoor verworven resistentie een probleem kan zijn
Aerobe grampositieve bacteriën
Enterococcus faecalis
Staphylococcus aureus methicilline-resistent*
Staphylococcus spp – coagulase-negatieve
Aerobe gramnegatieve bacteriën
Acinetobacetr baumannii
Citrobacter freundii
Enterobacter aerogenes
Enterobacter cloacae
Escherichia coli
Klebsiella pneumoniae
Morganella morganii
Proteus mirabilis
Providencia stuartii
Pseudomonas aeruginosa
Serratia marcescens
Anaerobe bacteriën
Bacteroides fragilis
Inherent resistente stammen
Aerobe grampositieve bacteriën
Enterococcus faecium
* Methicilline-resistente Staphylococcus aureus vertoont zeer waarschijnlijk co-resistentie tegen fluorochinolonen, waaronder levofloxacine.
5.2 Farmacokinetische eigenschappen
Absorptie
Na orale toediening wordt levofloxacine snel en bijna volledig geabsorbeerd. De maximale plasmaconcentratie wordt binnen 1 – 2 uur bereikt. De absolute biologische beschikbaarheid bedraagt 99 – 100%.
Voedselinname heeft weinig effect op de absorptie van levofloxacine.
De steady state wordt bereikt binnen 48 uur na een doseringsschema van 500 mg een- of tweemaal daags.
Distributie
Ongeveer 30 – 40% van levofloxacine wordt gebonden aan serumproteïnen.
Het gemiddelde distributievolume van levofloxacine bedraagt ongeveer 100 l na enkelvoudige en herhaalde toediening van doses van 500 mg, wat wijst op een uitgebreide distributie in de lichaamsweefsels.
Penetratie in weefsels en lichaamsvloeistoffen
Er werd aangetoond dat levofloxacine penetreert in bronchiale mucosa, epitheelvloeistof, alveolaire macrofagen, longweefsel, huid (blaarvocht), prostaatweefsel en urine. Levofloxacine penetreert echter slecht in cerebrospinaal vocht.
Biotransformatie
Levofloxacine wordt nauwelijks gemetaboliseerd. Zijn metabolieten zijn desmethyl-levofloxacine en levofloxacine-N-oxide. Deze metabolieten maken minder dan 5% uit van de dosis en worden via de urine uitgescheiden. Levofloxacine is stereochemisch stabiel en ondergaat geen chirale inversie.
Eliminatie
Na orale en intraveneuze toediening verloopt de eliminatie van levofloxacine uit het plasma betrekkelijk traag (t1/2: 6 – 8 uur). Levofloxacine wordt vooral door de nieren uitgescheiden (meer dan 85% van de toegediende dosis).
De gemiddelde schijnbare totale lichaamsklaring van levofloxacine na een enkelvoudige dosis van
500 mg bedroeg 175 +/- 29,2 ml/min.
Er zijn geen grote verschillen in de farmacokinetiek van levofloxacine na intraveneuze of orale toediening, waaruit kan worden afgeleid dat deze beide toegangswegen inwisselbaar zijn.
Lineariteit
Levofloxacine volgt een lineaire farmacokinetiek over een interval van 50 tot 1000 mg.
Speciale populaties
Patiënten met nierinsufficiëntie
De farmacokinetiek van levofloxacine wordt beïnvloed door nierinsufficiëntie. Naarmate de nierfunctie afneemt, verminderen de eliminatie en renale klaring van levofloxaxine en stijgt de eliminatiehalfwaardetijd zoals in de onderstaande tabel wordt getoond:
Famacokinetiek bij nierinsufficiëntie na toediening van een enkelvoudige orale dosis van 500 mg
| ClCR (ml/min) | < 20 | 20-49 | 50-80 |
|---|---|---|---|
| ClR (ml/min) | 13 | 26 | 57 |
| t½ (h) | 35 | 27 | 9 |
Ouderen
Er bestaan geen grote verschillen in de farmacokinetiek van levofloxacine bij jonge en oudere personen, met uitzondering van de verschillen die te maken hebben met de creatinineklaring.
Verschillen tussen de geslachten
Een afzonderlijke analyse bij mannen en vrouwen wees op geringe tot marginale verschillen tussen de geslachten in de farmacokinetiek van levofloxacine. Er zijn geen aanwijzingen dat deze verschillen tussen de geslachten van klinisch belang zijn.
5.3 Gegevens uit het preklinisch veiligheidsonderzoek
Niet-klinische gegevens duiden niet op een speciaal risico voor mensen. Deze gegevens zijn afkomstig van conventioneel onderzoek op het gebied van toxiciteit bij enkelvoudige dosering, toxiciteit bij herhaalde dosering, carcinogeen potentieel, en reproductie- en ontwikkelingstoxiciteit.
Levofloxacine had geen negatief effect op de vruchtbaarheid of het reproductievermogen bij ratten en het enige gevolg voor de foetussen was een vertraagde maturatie ten gevolge van de toxiciteit bij het moederdier.
Levofloxacine veroorzaakte geen genmutatie in bacteriële cellen of zoogdiercellen maar leidde wel tot chromosoomafwijkingen in de longcellen van Chinese hamsters in vitro. Deze effecten kunnen toegeschreven worden aan de inhibitie van topo-isomerase II. Uit de in vivo testen (testen op microkernen, uitwisseling van zusterchromatiden, onvoorziene DNA-synthese, letale dominantietest) bleek geen enkel genotoxisch potentieel.
Studies bij muizen toonden aan dat levofloxacine enkel in zeer hoge doses fototoxische activiteit heeft.
Levofloxacine vertoonde geen genotoxische effecten in een fotomutageniciteitsstudie en verminderde de tumorontwikkeling in een fotocarcinogeniciteitsstudie.
Net als andere fluorochinolonen heeft levofloxacine een effect op het kraakbeen (vorming van blaren en holtes) bij ratten en honden. Deze effecten waren meer uitgesproken bij jonge dieren.
6. FARMACEUTISCHE GEGEVENS
6.1 Lijst van hulpstoffen
Tablet kern:
Crospovidone (E1202)
hypromellose (E464)
gesiliconiseerd microkristallijne cellulose
colloidal watervrij siliciumdioxide (E551)
microkristallijne cellulose (E460)
natriumstearylfumaraat
Filmomhulling:
Talk (E553b)
titaniumdioxide (IS 171) (E171)
macrogol 4000
polyvinyl alcohol (E1203)
zonnegeel (IS 110) (E110)
tartrazine (E 102)
soja lecithine (E322)
6.2 Gevallen van onverenigbaarheid
Niet van toepassing.
6.3 Houdbaarheid
3 jaar.
6.4 Speciale voorzorgsmaatregelen bij bewaren
Voor dit geneesmiddel zijn er geen speciale bewaarcondities.
6.5 Aard en inhoud van de verpakking
PVC/PVDC/Al blisters, die 7 filmomhulde tabletten bevatten. Één of twee blisters samen met de bijsluiter in een kartonnen doos.
Het is mogelijk dat niet alle genoemde verpakkingsgrootten in de handel worden gebracht.
6.6 Speciale voorzorgsmaatregelen voor het verwijderen
Geen bijzondere vereisten.
Al het ongebruikte geneesmiddel of afvalmateriaal dient in overeenstemming met lokale voorschriften te worden vernietigd.
7. HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
Maddox Pharma Swiss B.V.
Sylviusweg 74 2333 BE Leiden
Nederland
8. NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
RVG 126738
9. DATUM VAN EERSTE VERLENING VAN DE VERGUNNING/VERLENGING VAN DE VERGUNNING
Datum van eerste verlening van de vergunning: 29 november 2022
10. DATUM VAN HERZIENING VAN DE TEKST
Laatste gedeeltelijke wijziging betreft de rubrieken: 4.4 en 4.8: 11 december 2025
