SmPC (samenvatting van de productkenmerken) - Glucose 50% oplossing voor infusie (B. Braun Melsungen AG (Melsungen))
1. NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
Glucose 50% g/v, oplossing voor infusie
2. KWALITATIEVE EN KWANTITATIEVE SAMENSTELLING
1.000 ml oplossing voor infusie bevat:
Glucosemonohydraat 550,0 g
(equivalent aan glucose) (500,0 g)
Voor de volledige lijst van hulpstoffen, zie rubriek 6.1.
3. FARMACEUTISCHE VORM
Oplossing voor infusie
Heldere, kleurloze of enigzins geelachtige waterige oplossing
Energie 8.375 kJ/l ≙ 2.000 kcal/l
Theoretische osmolariteit 2.770 mOsm/l
Zuurgraad (titratie tot pH 7,4) < 1,5 mmol/l
pH 3,5 - 5,5
4. KLINISCHE GEGEVENS
4.1 Therapeutische indicaties
- Toediening van glucose voor calorische ondersteuning
Koolhydraatcomponent bij parenterale voeding, met name bij hoogcalorische-voedingsregimes en in
gevallen waarbij de vochtopname beperkt moet worden
- Behandeling van hypoglykemie
4.2 Dosering en wijze van toediening
Dosering
De dosering van de oplossing is afhankelijk van de afzonderlijke glucose- en vochtbehoefte van de patiënt.
Vloeistofbalans, serumglucose en andere elektrolyten moeten mogelijk vóór en tijdens toediening worden gecontroleerd, met name bij patiënten met een verhoogde niet osmotische afgifte van vasopressine (syndroom van inadequate antidiuretische hormoonsecretie, SIADH) en bij patiënten die gelijktijdig worden behandeld met vasopressineagonisten vanwege het risico op hyponatriëmie.
Controle van serumnatrium is met name belangrijk voor fysiologisch hypotone vloeistoffen. Glucose 50% g/v kan na toediening hypotoon worden door glucosemetabolisering in het lichaam (zie rubriek 4.4, 4.5 en 4.8).
Volwassenen en jongeren vanaf 15 jaar
De maximale dagelijkse dosering is 12 ml/kg lichaamsgewicht per dag, overeenkomend met 6 g glucose/kg lichaamsgewicht per dag.
De maximale infusiesnelheid is 0,5 ml/kg lichaamsgewicht per uur, overeenkomend met 0,25 g glucose/kg lichaamsgewicht per uur.
Voor een patiënt die 70 kg weegt, moet de maximale infusiesnelheid daarom circa 35 ml per uur zijn, wat leidt tot een glucose-inname van 17,5 g per uur.
Pediatrische patiënten
De maximale dagelijkse dosering, in g glucose per kg lichaamsgewicht en in ml oplossing per kg lichaamsgewicht per dag, is voor:
| Te vroeg geboren baby’s: | 18 g per kg lichaamsgewicht | 36 ml per kg lichaamsgewicht |
| Voldragen baby’s: | 15 g per kg lichaamsgewicht | 30 ml per kg lichaamsgewicht |
| 1e tot en met 2e levensjaar: | 15 g per kg lichaamsgewicht | 30 ml per kg lichaamsgewicht |
| 3e tot en met 5e levensjaar: | 12 g per kg lichaamsgewicht | 24 ml per kg lichaamsgewicht |
| 6e tot en met 10e levensjaar: | 10 g per kg lichaamsgewicht | 20 ml per kg lichaamsgewicht per dag |
| 11e tot en met 14e levensjaar: | 8 g per kg lichaamsgewicht | 16 ml per kg lichaamsgewicht per dag |
Bij toediening aan baby’s moet rekening worden gehouden met de hoge osmolariteit van de oplossing (zie rubriek 3).
Bij het toedienen van deze oplossing moet rekening worden gehouden met de totale dagelijkse vochtinname. De aanbevolen dagelijkse parenterale vochtopname voor kinderen is als volgt:
| 1e levensdag: | 60 - 120 ml per kg lichaamsgewicht per dag |
| 2e levensdag: | 80 - 120 ml per kg lichaamsgewicht per dag |
| 3e levensdag: | 100 - 130 ml per kg lichaamsgewicht per dag |
| 4e levensdag: | 120 - 150 ml per kg lichaamsgewicht per dag |
| 5e levensdag: | 140 - 160 ml per kg lichaamsgewicht per dag |
| 6e levensdag: | 140 - 180 ml per kg lichaamsgewicht per dag |
| 1e maand, voorafgaand aan vaststelling stabiele groei: | 140 - 170 ml per kg lichaamsgewicht per dag |
| 1e maand, na vaststelling stabiele groei: | 140 - 160 ml per kg lichaamsgewicht per dag |
| 2e - 12e levensmaand: | 120 - 150 ml per kg lichaamsgewicht per dag |
| 2e levensjaar: | 80 - 120 ml per kg lichaamsgewicht per dag |
| 3e tot en met 5e levensjaar: | 80 - 100 ml per kg lichaamsgewicht per dag |
| 6e tot en met 12e levensjaar: | 60 - 80 ml per kg lichaamsgewicht per dag |
| 13e tot en met 18e levensjaar: | 50 - 70 ml per kg lichaamsgewicht per dag |
Oudere patiënten
In principe geldt dezelfde dosering als voor volwassenen maar er moet voorzichtigheid worden betracht bij patiënten met andere aandoeningen zoals hart- of nierinsufficiëntie, die vaak voorkomen bij een gevorderde leeftijd.
Patiënten met verstoorde glucosestofwisseling
Als het oxidatieve stofwisseling van glucose is verstoord (bijv. in de vroege postoperatieve of posttraumatische periode of in aanwezigheid van hypoxie of orgaanfalen), moet de dosering worden aangepast om de bloedglucosespiegel dicht bij normale waarden te houden. Het verdient aanbeveling de bloedglucosespiegel nauwlettend in de gaten te houden om hyperglykemie te voorkomen.
Wijze van toediening
Intraveneus gebruik. Uitsluitend bedoeld voor centraal veneuze infusie.
4.3 Contra-indicaties
Hyperglykemie die met doses van maximaal 6 eenheden insuline per uur niet onder controle is te
krijgen
- Delirium tremens als de patiënt al is uitgedroogd
- Acute toestanden van shock en collaps
- Metabole acidose
De toediening van glucoseoplossingen gaat gepaard met de toediening van vrij water en daarom kunnen aanvullende contra-indicaties optreden, zoals:
- Hyperhydratie
- Longoedeem
- Acuut congestief hartfalen
4.4 Bijzondere waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik
Algemeen
Glucose 50% g/v is een hypertone oplossingen. In het lichaam kunnen vloeistoffen die glucose bevatten, echter extreem fysiologisch hypotoon worden door snelle glucosemetabolisering (zie rubriek 4.2).
Afhankelijk van de toniciteit van de oplossing, het volume en de snelheid van de infusie en afhankelijk van de onderliggende klinische toestand van de patiënt en het vermogen om glucose te metaboliseren, kan intraveneuze toediening van glucose elektrolytenstoornissen veroorzaken, vooral hypo- of hyperosmotische hyponatriëmie.
Hyponatriëmie:
Patiënten met niet-osmotische vasopressineafgifte (bijvoorbeeld bij acute ziekte, pijn, postoperatieve stress, infecties, brandwonden en CNS-ziekten), patiënten met hart-, lever- en nierziekten, en patiënten die aan vasopressineagonisten zijn blootgesteld (zie rubriek 4.5) lopen met name risico op acute hyponatriëmie bij infusie van hypotone vloeistoffen.
Acute hyponatriëmie kan leiden tot acute hyponatriëmische encefalopathie (hersenoedeem), gekenmerkt door hoofdpijn, misselijkheid, toevallen, lethargie en braken. Patiënten met hersenoedeem lopen met name risico op ernstig, onomkeerbaar en levensbedreigend hersenletsel.
Kinderen, vrouwen in de vruchtbare leeftijd en patiënten met een verminderde cerebrale compliantie (bijvoorbeeld meningitis, intracraniale bloedingen en cerebrale contusie) lopen met name risico op de ernstige en levensbedreigende zwelling van de hersenen veroorzaakt door acute hyponatriëmie.
Toediening van een glucoseoplossing wordt niet aanbevolen na een acute ischemische beroerte omdat is gemeld dat hyperglykemie leidt tot verergering van de ischemische hersenbeschadiging en een slechter herstel.
De toepassing van hyperosmolaire glucoseoplossingen bij patiënten met een beschadigde bloed-hersenbarrière kan leiden tot een hogere intracraniale/intraspinale druk.
Er mag geen glucose-infusie worden gestart voordat bestaande vocht- en elektrolyttekorten, zoals hypotone dehydratie, hyponatriëmie en hypokaliëmie, voldoende zijn gecorrigeerd.
Voorzichtigheid dient te worden uitgeoefend wanneer deze oplossing wordt toegediend aan patiënten met
- Hypervolemie
- Nierinsufficiëntie
- Hartinsufficiëntie
- Verhoogde serumosmolariteit
- Bekende subklinische diabetes mellitus of koolhydraatintolerantie met welke oorzaak dan ook.
Verstoorde glucose huishouding (bijvoorbeeld postoperatief of na letsel, hypoxie, orgaaninsufficiënties) kan leiden tot metabole acidose.
Toestanden van hyperglykemie dienen voldoende te worden gevolgd en behandeld met insuline. De toediening van insuline veroorzaakt bijkomende verschuivingen van kalium in de cellen, wat daardoor hypokaliëmie kan veroorzaken of verergeren.
Plotseling beëindigen van hoge glucose-infusiesnelheden kan leiden tot ernstige hypoglykemie vanwege de hiermee gepaard gaande hoge seruminsulineconcentraties. Dit geldt met name voor kinderen jonger dan 2 jaar, patiënten met diabetes mellitus en patiënten met andere ziektetoestanden die met verstoorde glucosehomeostase in verband worden gebracht. Bij duidelijke gevallen dient de glucose-infusie in de laatste 30 - 60 minuten van de infusie te worden afgebouwd. Als voorzorg wordt het aanbevolen dat iedere individuele patiënt op de eerste dag van abrupte beëindiging van parenterale voeding gedurende 30 minuten op hypoglykemie wordt gecontroleerd.
De klinische monitoring moet in het algemeen bloedglucose, serumelektrolyten, vocht- en zuur-base- evenwicht omvatten. Er moet met name op het natriumgehalte worden gelet, omdat glucoseoplossingen vrij water aan het lichaam toevoegen en daardoor hyponatriëmie kunnen veroorzaken of verergeren. De frequentie en aard van laboratoriumtests zijn afhankelijk van de algemene conditie van de patiënt, de actuele metabole situatie, de toegediende dosis en de duur van de behandeling. Houd ook het totale volume en de hoeveelheid van de toegediende glucose in de gaten.
Parenterale voeding bij ondervoede of uitgeputte patiënten met volledige doses en volledige infusiesnelheden vanaf het begin en zonder toereikende aanvulling van kalium, magnesium en fosfaat kan leiden tot het refeeding-syndroom, dat wordt gekenmerkt door hypokaliëmie, hypofosfatemie en hypomagnesiëmie. Binnen enkele dagen na de start van parenterale voeding kunnen zicht klinische manifestaties ontwikkelen. Bij dergelijke patiënten moeten de infusieregimes geleidelijk worden opgebouwd. Het is noodzakelijk de elektrolyten toereikend aan te vullen gebaseerd op de afwijkingen van de normale waarden.
Er moet in het bijzonder worden gelet op hypokaliëmie. In voorkomende gevallen is aanvulling van kalium verplicht.
Elektrolyten en vitaminen moeten naar behoefte worden toegediend. Vitamine B, met name thiamine, is nodig voor de glucosestofwisseling.
Vanwege de mogelijkheid van pseudoagglutinatie dient een glucoseoplossing niet gelijktijdig met bloed via dezelfde infusieset te worden toegediend of via een infusieset waardoorheen bloed is toegediend of zal worden toegediend.
Houd er rekening mee dat deze oplossing slechts één component van parenterale voeding bevat. Bij volledige parenterale voeding moeten glucose-infusies altijd worden gecombineerd met een voldoende toevoer van aminozuren, lipiden, elektrolyten, vitaminen en sporenelementen.
Overgevoeligheidsreacties
Als er tijdens infusie via een perifere vene tekenen verschijnen van veneuze irritatie, flebitis, tromboflebitis of extravasatie, dient verandering van de infusieplaats of het stoppen van het infuus te worden overwogen.
Pediatrische patiënten
Voor de behandeling van hypoglykemie bij kinderen wordt het gebruik van 10% glucoseoplossing aanbevolen.
Na een abrupte beëindiging van hoge infusiesnelheden hebben met name kinderen in het 1e en 2e levensjaar risico op reboundhypoglykemie; zie hierboven.
4.5 Interacties met andere geneesmiddelen en andere vormen van interactie
Er dient rekening te worden gehouden met interacties met geneesmiddelen die invloed hebben op het glucosemetabolisme.
Geneesmiddelen die leiden tot een verhoogd vasopressine-effect.
De hieronder vermelde geneesmiddelen verhogen het vasopressine-effect, wat leidt tot verminderde renale uitscheiding van elektrolyten met vrij water, en verhogen het risico op in het ziekenhuis opgelopen hyponatriëmie na onjuist gebalanceerde behandeling met i.v.-vloeistoffen (zie rubriek 4.2, 4.4 en 4.8).
- Geneesmiddelen die vasopressineafgifte stimuleren, bijvoorbeeld: chloorpropamide, clofibraat, carbamazepine, vincristine, selectieve serotonineheropnameremmers, 3,4-methyleendioxy-N-methamfetamine, ifosfamide, antipsychotica, narcotica
- Geneesmiddelen die de werking van vasopressine versterken, bijvoorbeeld: chloorpropamide, NSAID's, cyclofosfamide
- Vasopressineanalogen, bijvoorbeeld: desmopressine, oxytocine, vasopressine, terlipressine
Andere geneesmiddelen die het risico op hyponatriëmie verhogen, omvatten ook diuretica in het algemeen en anti-epileptica zoals oxcarbazepine.
4.6 Vruchtbaarheid, zwangerschap en borstvoeding
Zwangerschap
Glucose B. Braun kan veilig gebruikt worden tijdens de zwangerschap, op voorwaarde dat de glykemie en de elektrolyten- en vochtbalans gecontroleerd worden en binnen de fysiologische waarden blijven.
Glucose 50% g/v dient met voorzichtigheid te worden toegediend bij zwangere vrouwen gedurende de bevalling, met name indien het wordt toegediend in combinatie met oxytocine vanwege het risico op hyponatriëmie (zie rubrieken 4.4, 4.5 en 4.8).
Indien geneesmiddelen worden toegevoegd, dienen de aard en het gebruik van deze geneesmiddelen apart geëvalueerd.
Borstvoeding
Glucose B. Braun kan veilig gebruikt worden tijdens borstvoeding, op voorwaarde dat de glykemie en de elektrolyten- en vochtbalans gecontroleerd worden en binnen de fysiologische waarden blijven. Indien geneesmiddelen worden toegevoegd, dienen de aard en het gebruik van deze geneesmiddelen apart geëvalueerd.
Vruchtbaarheid
Er zijn geen nadelige effecten van glucose op de vruchtbaarheid bekend.
4.7 Beïnvloeding van de rijvaardigheid en het vermogen om machines te bedienen
De oplossing heeft geen of een verwaarloosbare invloed op de rijvaardigheid en op het vermogen om machines te bedienen.
4.8 Bijwerkingen
Algemeen
De bijwerkingen worden als volgt vermeld op frequentie:
Zeer vaak (≥ 1/10)
Vaak (≥ 1/100, < 1/10)
Soms (≥ 1/1.000, < 1/100)
Zelden (≥ 1/10.000, < 1/1.000)
Zeer zelden (< 1/10.000)
Niet bekend (kan met de beschikbare gegevens niet worden bepaald)
Algemene aandoeningen en toedieningsplaatsstoornissen:
Niet bekend: lokale reacties op de toedieningsplaats, waaronder lokale pijn, aderirritatie, tromboflebitis of weefselnecrose in het geval van extravasatie (zie rubriek 4.4 Overgevoeligheidsreacties).
Voedings- en stofwisselingsstoornissen:
Niet bekend: in ziekenhuis opgelopen hyponatriëmie
Zenuwstelselaandoeningen:
Niet bekend: hyponatriëmische encefalopathie
In het ziekenhuis opgelopen hyponatriëmie kan onomkeerbare hersenschade en overlijden tot gevolg hebben vanwege de ontwikkeling van acute hyponatriëmische encefalopathie (zie rubriek 4.2 en 4.4).
Melding van vermoedelijke bijwerkingen
Het is belangrijk om na toelating van het geneesmiddel vermoedelijke bijwerkingen te melden. Op deze wijze kan de verhouding tussen voordelen en risico’s van het geneesmiddel voortdurend worden gevolgd. Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg wordt verzocht alle vermoedelijke bijwerkingen te melden via het Nederlands Bijwerkingen Centrum Lareb (Website: www.lareb.nl).
4.9 Overdosering
Symptomen van overdosering van glucose
Overmatige infusie van glucose kan leiden tot hyperglykemie, glucosurie, hyperosmolaire dehydratie en in extreme gevallen kan overdosering leiden tot een hyperglykemisch-hyperosmolair coma. In het geval van buitensporige overdosering is lipogenese met leversteatose als gevolg mogelijk.
Symptomen van overdosering van vocht
Overdosering van vocht kan leiden tot hyperhydratie met verhoogde huidspanning, veneuze stuwing, oedeem (eventueel ook long- of hersenoedeem), verdunning van serumelektrolyten, elektrolytenstoornissen, met name hyponatriëmie en hypokaliëmie (zie rubriek 4.4), en verstoring van het zuur-base-evenwicht.
Er kunnen klinische symptomen van waterintoxicatie optreden, zoals misselijkheid, braken, spasmen.
Behandeling
Afhankelijk van de ernst van de symptomen is de eerste therapeutische maatregel het verlagen van de dosis of het stopzetten van de infusie. Stoornissen van de stofwisseling van koolhydraten en elektrolyten worden behandeld door respectievelijk toediening van insuline en toereikende vervanging van elektrolyten.
5. FARMACOLOGISCHE EIGENSCHAPPEN
5.1 Farmacodynamische eigenschappen
Farmacotherapeutische categorie: Oplossingen voor parenterale voeding, koolhydraten, ATC-code: B05B A03
Werkingsmechanisme
Glucose wordt als het natuurlijke substraat van de cellen in het lichaam alomtegenwoordig gemetaboliseerd. Onder fysiologische omstandigheden is glucose het belangrijkste energieleverende koolhydraat met een calorische waarde van ca. 17 kJ/g, of 4 kcal/g. Onder de weefsels met een essentiële vereiste voor glucose bevinden zich zenuwweefsel, erytrocyten en de medulla van de nieren.
Farmacodynamische effecten
Glucose dient om de bloedglucosespiegel te handhaven en voor de synthese van belangrijke lichaamscomponenten. Glucose dient voor de synthese van glycogeen, de opslagvorm van koolhydraten. Bij de regulatie van de bloedglucoseconcentratie zijn vooral insuline, glucagon, glucocorticosteroïden en catecholaminen betrokken.
Een normale elektrolyten- en zuur-base-status is een eerste vereiste voor het optimale gebruik van toegediende glucose. Dus kan in het bijzonder een acidose wijzen op een verstoring van het oxidatieve glucosemetabolisme.
Het glucose- en elektrolytenmetabolisme zijn nauw met elkaar verbonden. Kalium-, magnesium- en fosfaatvereisten kunnen toenemen en moeten zodoende gecontroleerd worden en al naar gelang individuele behoeften worden aangevuld. Zonder aanvulling kunnen vooral hart- en neurologische functies worden geschaad.
5.2 Farmacokinetische eigenschappen
Absorptie
Aangezien de oplossing intraveneus wordt toegediend, is de biologische beschikbaarheid 100%.
Distributie
Na infusie wordt glucose eerst verdeeld over de intravasculaire ruimte en daarna opgenomen in de intracellulaire ruimte.
Biotransformatie
Glucose wordt in de glycolyse gemetaboliseerd tot pyruvaat. Onder aerobe omstandigheden wordt pyruvaat volledig geoxideerd tot kooldioxide en water. Bij hypoxie wordt pyruvaat omgezet in lactaat. Lactaat kan deels opnieuw worden opgenomen in de glucosestofwisseling (Cori-cyclus).
Bij een pathologische stofwisselingstoestand kan de verwerking van glucose worden verstoord (glucose-intolerantie). Daarbij gaat het vooral om diabetes mellitus en toestanden van metabole stress (bijv. intra- en postoperatief, ernstige ziekte, letsel), verminderde glucosetolerantie door hormonale oorzaken, waarbij zelfs hyperglykemie kan optreden zonder exogene toevoer van het substraat. Hyperglykemie kan – afhankelijk van de ernst – tot osmotisch gemedieerd vochtverlies via de nieren leiden met daaropvolgende hypertone dehydratie, tot hyperosmotische stoornissen tot en met een hyperosmotisch coma.
De stofwisseling van glucose en elektrolyten hangen nauw met elkaar samen. Insuline stimuleert de instroom van kalium in cellen. Fosfaat en magnesium zijn betrokken bij enzymreacties in verband met de verwerking van glucose. De behoefte aan kalium, fosfaat en magnesium kan daarom toenemen na toediening van glucose; het kan nodig zijn de hoeveelheid ervan te controleren en die op basis van individuele behoefte aan te vullen. Met name kunnen de hartfunctie en neurologische functie zonder aanvulling verstoord worden.
Eliminatie
De eindproducten van de volledige oxidatie van glucose worden uitgescheiden via de longen (kooldioxide) en de nieren (water).
Gezonde personen scheiden praktisch geen glucose uit via de nieren. Bij een pathologische stofwisselingstoestand in verband met hyperglykemie (bijv. diabetes mellitus, postagressiestofwisseling) wordt glucose ook via de nieren uitgescheiden (glucosurie) bij overschrijding van de maximale tubulaire reabsorptiecapaciteit (bij een bloedglucosespiegel boven de 160-180 mg/dl of 8,8-9,9 mmol/l).
5.3 Gegevens uit het preklinisch veiligheidsonderzoek
Niet-klinische gegevens duiden niet op een speciaal risico voor mensen. Deze gegevens zijn afkomstig van conventioneel onderzoek op het gebied van veiligheidsfarmacologie, toxiciteit bij herhaalde dosering, genotoxiciteit, carcinogeen potentieel, reproductie- en ontwikkelingstoxiciteit.
6. FARMACEUTISCHE GEGEVENS
6.1 Lijst van hulpstoffen
Water voor injecties
Zoutzuur (voor pH-bijstelling)
6.2 Gevallen van onverenigbaarheid
Vanwege de zure pH van glucoseoplossingen bestaat de kans op gevallen van onverenigbaarheid als deze oplossingen worden gemengd met andere geneesmiddelen of met bloed.
Informatie over verenigbaarheid kan worden opgevraagd bij de fabrikant van het toegevoegde geneesmiddel.
Erytrocytconcentraten mogen niet in glucoseoplossingen worden gesuspendeerd vanwege het risico op pseudoagglutinatie. Zie ook rubriek 4.4.
6.3 Houdbaarheid
Ongeopend
3 jaar
Na opening van de verpakking
Niet van toepassing, zie rubriek 6.6.
Na reconstitutie of verdunning
Vanuit microbiologisch oogpunt dient het product direct te worden gebruikt. Indien het niet direct wordt gebruikt, is de gebruiker bij gebruik verantwoordelijk voor de bewaartijden tijdens gebruik en de bewaarcondities vóór gebruik. Deze mogen doorgaans niet langer zijn dan 24 uur bij 2 - 8 °C zijn, tenzij verdunning onder gecontroleerde en gevalideerde aseptische condities heeft plaatsgevonden.
Neem de instructies van de fabrikant van het betreffende additief of het te verdunnen geneesmiddel in acht.
6.4 Speciale voorzorgsmaatregelen bij bewaren
Bewaren beneden 25°C. Niet in de vriezer bewaren.
Voor de bewaarcondities van het geneesmiddel na verdunning, zie rubriek 6.3.
6.5 Aard en inhoud van de verpakking
Fles van kleurloos glas type II (Ph. Eur.), afgedicht met een rubberen stop; inhoud: 100 ml en 500 ml.
Fles van kleurloos lagedichtheidpolyethyleen; inhoud: 100 ml en 500 ml.
Niet alle genoemde verpakkingsgrootten worden in de handel gebracht.
6.6 Speciale voorzorgsmaatregelen voor het verwijderen en andere instructies
Al het ongebruikte geneesmiddel of afvalmateriaal dient te worden vernietigd overeenkomstig lokale voorschriften.
De verpakkingen zijn uitsluitend voor eenmalig gebruik. Na gebruik alle verpakkingen en eventuele ongebruikte inhoud weggooien. Gedeeltelijk gebruikte verpakkingen niet opnieuw aansluiten.
Alleen gebruiken als de oplossing helder en kleurloos of enigszins geelachtig is en als de fles en afsluiting niet beschadigd zijn.
Toediening dient te beginnen direct na aansluiten van de verpakking op de toedienset of het infusiesysteem.
De fysische en chemische verenigbaarheid moet worden bevestigd voordat er een product wordt toegevoegd of er een mengsel van voedingsstoffen wordt bereid. Omdat glucoseoplossingen een zure pH hebben, kunnen er zich gevallen van onverenigbaarheid voordoen na menging met andere geneesmiddelen. Informatie over verenigbaarheid kan worden opgevraagd bij de fabrikant van het toegevoegde geneesmiddel.
Neem bij toevoeging van additieven de gebruikelijke voorzorgsmaatregelen voor asepsis strikt in acht.
7. HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
B. Braun Melsungen AG
Carl-Braun-Straße 1
34212 Melsungen
Duitsland
Postadres:
B. Braun Melsungen AG
34209 Melsungen
Duitsland
Telefoon: +49-5661-71-0
Fax: +49-5661-71-4567
8. NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
RVG 56050
9. DATUM VAN EERSTE VERLENING VAN DE VERGUNNING/HERNIEUWING VAN DE VERGUNNING
- Datum van eerste verlening van de vergunning: 25 april 1985
- Datum van laatste hernieuwing van de vergunning: 25 april 2015
10. DATUM VAN HERZIENING VAN DE TEKST
Laatste gedeeltelijke herziening betreft de rubrieken 4.4, 4.6, 4.8 en 5.1: 16 maart 2020.
