SmPC (samenvatting van de productkenmerken) - Triaxis suspensie voor injectie (RVG 105801)
1. NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
Triaxis, suspensie voor injectie
Difterie, tetanus, kinkhoest (acellulair, component)
Vaccin (geadsorbeerd, gereduceerd antigeengehalte)
2. KWALITATIEVE EN KWANTITATIEVE SAMENSTELLING
1 dosis (0,5 ml) bevat:
Difterietoxoïd minimum 2 IE* (2 Lf) Tetanustoxoïd minimum 20 IE* (5 Lf)
Kinkhoestantigenen: Kinkhoesttoxoïd 2,5 microgram Filamenteus hemagglutinine 5 microgram Pertactine 3 microgram Fimbriale agglutinogenen types 2 en 3 5 microgram Geadsorbeerd aan aluminiumfosfaat 1,5 mg (0,33 mg Al3+)
* Als onderste betrouwbaarheidsgrens (p=0,95) van activiteit, gemeten volgens de methode beschreven in de Europese Farmacopee.
Dit vaccin kan sporen van formaldehyde en glutaaraldehyde bevatten die worden gebruikt tijdens het productieproces (zie rubriek 4.3 en 4.4).
Voor de volledige lijst van hulpstoffen, zie rubriek 6.1.
3. FARMACEUTISCHE VORM
Suspensie voor injectie
Triaxis ziet eruit als een troebele witte vloeistof.
4. KLINISCHE GEGEVENS
4.1. Therapeutische indicaties
Triaxis (Tdap) is geïndiceerd voor:
Actieve immunisatie tegen tetanus, difterie en kinkhoest bij personen vanaf de leeftijd van 4 jaar als herhalingsdosis na een primaire immunisatie.
Passieve bescherming tegen kinkhoest bij jonge zuigelingen na immunisatie van de moeder tijdens de zwangerschap (zie rubrieken 4.2, 4.6 en 5.1).
Het gebruik van Triaxis dient te gebeuren op basis van officiële aanbevelingen.
4.2. Dosering en wijze van toediening
Dosering
Een eenmalige injectie van één (0,5 ml) dosis is aanbevolen bij alle geïndiceerde leeftijdsgroepen.
Bij adolescenten en volwassenen met een onbekende of onvolledige difterie- of tetanusvaccinatiestatus kan een enkele dosis Triaxis worden toegediend als onderdeel van een vaccinatiereeks die tot doel heeft bescherming te bieden tegen kinkhoest en in de meeste gevallen ook tegen tetanus en difterie. Om de mate van bescherming tegen de ziekte te optimaliseren kan een maand later een aanvullende dosis van een vaccin dat entstoffen tegen difterie en tetanus (dT) bevat worden toegediend, gevolgd door een toediening van een 3de dosis van difterie- of dT-bevattend vaccin 6 maanden na de eerste dosis (zie rubriek 5.1). Het aantal dosissen en de toedieningsmomenten voor inhaalvaccinatie dienen te worden vastgesteld op basis van de plaatselijke aanbevelingen.
Triaxis kan worden gebruikt voor hervaccinatie om de immuniteit te stimuleren tegen difterie, tetanus en kinkhoest, met intervallen van 5 tot 10 jaar (zie rubriek 5.1.).
Triaxis kan worden gebruikt voor de behandeling van verwondingen waarbij een risico op tetanus bestaat, met of zonder gelijktijdige toediening van tetanusimmunoglobuline, volgens de officiële aanbevelingen.
Triaxis kan tijdens het tweede of derde trimester aan zwangere vrouwen worden toegediend om een passieve bescherming van zuigelingen tegen kinkhoest aan te bieden (zie rubrieken 4.1, 4.6 en 5.1).
Wijze van toediening
Een eenmalige injectie van één dosis (0,5 ml) Triaxis moet intramusculair worden toegediend. De plaats die de voorkeur wegdraagt is de deltoïde spier.
Triaxis mag niet worden toegediend in de gluteale streek; intradermale of subcutane routes mogen niet worden gebruikt (in uitzonderlijke gevallen kan de subcutane route worden overwogen, zie rubriek 4.4.).
Te nemen voorzorgen voorafgaand aan gebruik of toediening van het geneesmiddel
Voor instructies over het gebruik van het geneesmiddel voorafgaand aan toediening, zie rubriek 6.6
4.3. Contra-indicaties
Triaxis mag niet worden toegediend aan personen met bekende overgevoeligheid voor
- vaccins tegen difterie, tetanus of kinkhoest
- één van de hulpstoffen (zie rubriek 6.1)
- eventuele residuele productiebestanddelen (formaldehyde en glutaaraldehyde), die in niet-detecteerbare sporenhoeveelheden aanwezig kunnen zijn.
- Triaxis mag niet worden toegediend aan personen die een encefalopathie van onbekende oorsprong hebben doorgemaakt binnen 7 dagen na een vorige vaccinatie met een kinkhoest bevattend vaccin.
- Net als bij andere vaccins moet de vaccinatie met Triaxis worden uitgesteld in geval van acute ernstige febriele ziekte. Een milde infectie is geen reden om de vaccinatie uit te stellen.
4.4. Bijzondere waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik
Triaxis mag niet worden gebruikt voor primaire immunisatie.
Met betrekking tot het interval tussen een boosterdosis Triaxis en de voorgaande boosterdosis van een vaccin dat difterie en/of tetanus bevat, moeten in het algemeen de officiële aanbevelingen worden gevolgd. Klinische gegevens hebben aangetoond dat er geen klinisch relevant verschil bestaat in het aantal bijwerkingen dat wordt gezien bij de toediening van een boostervaccin dat tetanus, difterie en kinkhoest bevat al vanaf 4 weken, in vergelijking met minstens 5 jaar na een eerdere dosis van vaccins die tetanus en difterie bevatten.
Vóór immunisatie
Vaccinatie moet vooraf gegaan worden door een beoordeling van de medische geschiedenis van de persoon (in het bijzonder de vaccinatiegeschiedenis en mogelijke bijwerkingen). Bij personen met een geschiedenis van een ernstige of hevige reactie binnen 48 uur na een vorige injectie met een vaccin dat soortgelijke bestanddelen bevat, moet de toediening van Triaxis zorgvuldig worden overwogen.
Zoals met alle injecteerbare vaccins dient adequate medische behandeling en toezicht direct beschikbaar te zijn voor onmiddellijke interventie voor het geval dat een zeldzame anafylactische reactie optreedt na toediening van het vaccin.
Indien het syndroom van Guillain-Barré werd gezien binnen 6 weken na eerdere toediening van vaccins die tetanustoxoïd bevatten, inclusief Triaxis, moet de beslissing tot toediening van een vaccin dat een tetanusanatoxine bevat worden genomen, gebaseerd op een zorgvuldige overweging van de potentiële voordelen en de mogelijke risico’s.
Triaxis mag niet worden toegediend aan personen met een progressieve neurologische stoornis, ongecontroleerde epilepsie of progressieve encefalopathie totdat een behandelingsregime is vastgelegd en de aandoening is gestabiliseerd.
De immunogeniteit van het vaccin kan verminderd zijn door een immunosuppressieve behandeling of immunodeficiëntie. Het verdient aanbeveling de vaccinatie uit te stellen tot na afloop van een dergelijke aandoening of behandeling, indien dit praktisch haalbaar is. Niettemin is vaccinatie van personen met HIV-infectie of personen met een chronische immunodeficiëntie, zoals AIDS, aanbevolen, ook al kan de antilichaamrespons beperkt zijn.
Voorzorgen bij toediening
Niet toedienen door middel van intravasculaire of intradermale injectie.
Bij patiënten die een therapie met anticoagulantia krijgen of die lijden aan stollingsstoornissen, moeten intramusculaire injecties met voorzichtigheid worden toegediend vanwege het risico op bloedingen. In dit geval kan toediening van Triaxis via een diepe subcutane injectie in overweging worden genomen, ondanks het hogere risico van lokale reacties.
Syncope (flauwvallen) kan voorkomen na, of zelfs voor de toediening van injecteerbare vaccins, zoals Triaxis. Er dienen procedures gehanteerd te worden om letsel door het vallen te voorkomen en om op gepaste wijze om te gaan met syncopale reacties.
Andere overwegingen
Zoals met alle vaccins is het mogelijk dat een vaccinatie met Triaxis niet resulteert in een bescherming van 100% van alle gevaccineerden.
Zoals bij alle geadsorbeerde vaccins kan een hardnekkige zwelling optreden op de plaats van injectie, in het bijzonder na toediening in de oppervlakkige lagen van het subcutane weefsel.
Traceerbaarheid
Om de traceerbaarheid van biologicals te verbeteren moeten de naam en het batchnummer van het toegediende product goed geregistreerd worden.
4.5. Interacties met andere geneesmiddelen en andere vormen van interactie
Gebaseerd op de resultaten uit klinische studies naar gelijktijdige toediening, mag Triaxis gelijktijdig toegediend worden met: geïnactiveerd griepvaccin, hepatitis B-vaccin en geïnactiveerd of oraal poliovaccin. Daarnaast kan Triaxis worden toegediend samen met humaan papillomavirusvaccin (HPV) en/of meningokokkenpolysaccharide (serogroepen A, C, Y en W) (MenACYW) conjugaatvaccins (hetzij alle drie de vaccins tegelijkertijd of in paren) (zie rubriek 4.8), volgens de officiële aanbevelingen. Voor de gelijktijdige toediening van een parenteraal vaccin moet een injectieplaats in een ander ledemaat worden gebruikt. Er werden geen studies uitgevoerd naar interacties met andere vaccins, biologische producten of therapeutische medicatie. Overeenkomstig de algemeen aanvaarde vaccinatierichtlijnen mag Triaxis, aangezien het een geïnactiveerd product is, gelijktijdig met andere vaccins of immunoglobulines op een afzonderlijke injectieplaats worden toegediend.
In geval van immunosuppressieve therapie wordt verwezen naar rubriek 4.4.
4.6. Vruchtbaarheid, zwangerschap en borstvoeding
Zwangerschap
Triaxis mag gebruikt worden tijdens het tweede en het derde trimester van de zwangerschap, in overeenstemming met officiële aanbevelingen (zie rubriek 4.2).
Veiligheidsgegevens van 4 gerandomiseerde gecontroleerde onderzoeken (310 zwangerschapsresultaten), 1 prospectieve observationele onderzoek (546zwangerschapsresultaten), 5 retrospectieve observationele onderzoeken (124.810 zwangerschapsresultaten) en van passieve controle van vrouwen die Triaxis of Triaxis Polio (Tdap-IPV; met dezelfde hoeveelheden antigenen tegen tetanus, difterie en kinkhoest als Triaxis) tijdens de tweede of derde trimester toegediend kregen, hebben geen vaccingerelateerd nadelig effect op de zwangerschap of op de gezondheid van de foetus/pasgeborene aangetoond. Zoals met andere geïnactiveerde vaccins, wordt niet verwacht dat vaccinatie met Triaxis tijdens enig trimester de foetus zou kunnen schaden.
De resultaten van dieronderzoek duiden niet op directe of indirecte schadelijke effecten met betrekking tot zwangerschap, embryonale/foetale ontwikkeling, partus of postnatale ontwikkeling.
Voor informatie over immuunrespons op vaccins tijdens de zwangerschap en de doeltreffendheid ervan bij het voorkomen van kinkhoest, zie rubriek 5.1.
Borstvoeding
Het is niet bekend of de actieve stoffen in Triaxis in moedermelk worden uitgescheiden, maar het is gebleken dat antilichamen tegen de antigenen van het vaccin worden overgedragen naar de zogende jongen van konijnen. Twee dierontwikkelingsstudies bij konijnen hebben geen schadelijke effecten aangetoond van maternale antilichamen geïnduceerd door het vaccin op de postnatale ontwikkeling van de jongen.
Het effect op zuigelingen die borstvoeding krijgen van een moeder die met Triaxis werd gevaccineerd, is echter niet bestudeerd. Aangezien Triaxis geïnactiveerd is, is het onwaarschijnlijk dat er een risico voor de zuigeling bestaat. De risico’s en voordelen van de vaccinatie moeten worden beoordeeld voor wordt besloten een vrouw die borstvoeding geeft, te vaccineren. Vruchtbaarheid Triaxis is niet onderzocht in vruchtbaarheidsstudies.
4.7. Beïnvloeding van de rijvaardigheid en het vermogen om machines te bedienen
Er is geen onderzoek verricht met betrekking tot de effecten op de rijvaardigheid en op het vermogen om machines te bedienen.
4.8. Bijwerkingen
a. Samenvatting van het veiligheidsprofiel
In klinische onderzoeken werd Triaxis in totaal aan 3.234 personen, onder wie 298 kinderen (4 t/m 6 jaar), 1.184 adolescenten (11 t/m 17 jaar) en 1.752 volwassenen (18 t/m 64 jaar) toegediend. De meest voorkomende reacties na de vaccinatie waren plaatselijke reacties op de injectieplaats (pijn, roodheid en zwelling) die voorkwamen bij 21 – 78% van de gevaccineerde personen, hoofdpijn en vermoeidheid die voorkwamen bij 16 - 44% van de gevaccineerde personen. Deze signalen en symptomen waren meestal beperkt qua intensiteit en traden op binnen 48 uur na de vaccinatie. Ze verdwenen allen zonder sequelen.
De veiligheidsanalyse van gelijktijdig gebruik van Triaxis of Triaxis Polio toegediend met MenACYW (Menactra of MenQuadfi) en/of HPV (Gardasil of Gardasil 9) vaccins omvatte 5.122 gezonde mannelijke en vrouwelijke proefpersonen in de leeftijd van 10 tot 17 jaar uit 6 klinische onderzoeken.
Het algehele veiligheidsprofiel van Triaxis of Triaxis Polio was vergelijkbaar wanneer alle drie de vaccins gelijktijdig werden toegediend in vergelijking met gelijktijdig toegediende paren (Triaxis en Menactra of Triaxis/Triaxis Polio en Gardasil/Gardasil 9). Het veiligheidsprofiel van gelijktijdig toegediende Triaxis Polio en Gardasil/Gardasil 9 was vergelijkbaar met Gardasil/Gardasil 9 alleen toegediend.
In klinische onderzoeken werden reacties op de injectieplaats (pijn, erytheem, zwelling en kneuzing), evenals hoofdpijn, malaise en myalgie vaker waargenomen wanneer alle drie de vaccins samen of in paren werden toegediend, in vergelijking met wanneer ze alleen werden toegediend. Over het algemeen waren de waargenomen verschillen in reacties op de injectieplaats < 10%, terwijl de verschillen in hoofdpijn, malaise en myalgie varieerden van < 10% tot < 28%. Het verschil in koorts percentages in de klinische onderzoeken was < 2%.
De meerderheid van de bijwerkingen werd gerapporteerd als mild tot matig in intensiteit.
b. Samenvatting van de bijwerkingen in tabelvorm
De bijwerkingen worden ingedeeld volgens frequentie aan de hand van de volgende conventie:
Zeer vaak (≥ 1/10)
Vaak (≥ 1/100 tot < 1/10)
Soms (≥ 1/1.000 tot < 1/100)
Zelden (≥ 1/10.000 tot < 1/1.000)
Zeer zelden (< 1/10.000) Niet bekend kan met de beschikbare gegevens niet worden bepaald Tabel 1 presenteert de bijwerkingen die werden waargenomen in klinische onderzoeken, alsmede bijwerkingen die spontaan werden gemeld tijdens het postmarketinggebruik van Triaxis wereldwijd. Omdat de postmarketingbijwerkingen vrijwillig worden gemeld vanuit een populatie van onduidelijke omvang, is het niet altijd mogelijk om op betrouwbare wijze de frequentie hiervan te bepalen of een causaal verband met de blootstelling aan het vaccin vast te stellen. Daarom worden deze bijwerkingen in de frequentiecategorie “Niet bekend” ingedeeld.
Tabel 1: Bijwerkingen uit klinische onderzoeken en postmarketinggebruik wereldwijd
| Systeem/Orgaanklasse | Frequentie | Kinderen (4 t/m 6 jaar) | Adolescenten (11 t/m 17 jaar) | Volwassenen (18 t/m 64 jaar) | |||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Immuunsysteem-aandoeningen | Niet bekend | Overgevoeligheidsreactie (anafylactisch) (angio-oedeem, oedeem, huiduitslag, hypotensie)* | |||||
| Voedings- en stofwisselingsstoornissen | Zeer vaak | Anorexia (verminderde eetlust) | |||||
| Zenuwstelsel-aandoeningen | Zeer vaak | Hoofdpijn | |||||
| Niet bekend | Paresthesie*, hypo-esthesie*, Guillain-Barré-syndroom*, brachiale neuritis*, facialisparalyse*, convulsies*, syncope*, myelitis* | ||||||
| Hartaandoeningen | Niet bekend | Myocarditis* | |||||
| Maagdarmstelsel-aandoeningen | Zeer vaak | Diarree | Diarree, misselijkheid | Diarree | |||
| Vaak | Misselijkheid, braken | Braken | Misselijkheid, braken | ||||
| Huid- en onderhuidaandoeningen | Vaak | Huiduitslag | |||||
| Niet bekend | Pruritus*, urticaria* | ||||||
| Skeletspierstelsel- en bindweefselaandoeningen | Zeer vaak | Algemene pijn of spierzwakte, artralgie of zwelling van de gewrichten | Algemene pijn of spierzwakte | ||||
| Vaak | Algemene pijn of spierzwakte, artralgie of zwelling van de gewrichten | Artralgie of zwelling van de gewrichten | |||||
| Niet bekend | Myositis* | ||||||
| Algemene aandoeningen en toedieningsplaatsstoornis sen | Zeer vaak | Vermoeidheid/ast henie | Vermoeidheid/a sthenie, rillingen | Vermoeidheid/ asthenie | |||
| Vaak | Pyrexie, rillingen, axillaire adenopathie | Pyrexie, axillaire adenopathie | Pyrexie, rillingen, axillaire adenopathie | ||||
| Reacties op de injectieplaats** | Zeer vaak | Pijn op de injectieplaats, erytheem, zwelling | |||||
| Niet bekend | Kneuzing op de injectieplaats*, steriel abces op de injectieplaats*, knobbeltje op de injectieplaats* | ||||||
* Postmarketingbijwerkingen ** Zie paragraaf c)
c. Beschrijving van geselecteerde bijwerkingen Algemene aandoeningen en toedieningsplaatsstoornissen
Grote reacties op de injectieplaats (>50 mm), waaronder uitgebreide zwelling van een van de ledematen vanaf de injectieplaats tot voorbij een of beide gewrichten, treden op na toediening van Triaxis bij adolescenten en volwassenen. Deze reacties beginnen gewoonlijk 24-72 uur na vaccinatie, kunnen gepaard gaan met erytheem, warmte, gevoeligheid of pijn op de injectieplaats en verdwijnen spontaan binnen 3-5 dagen.
d. Pediatrische patiënten Het veiligheidsprofiel van Triaxis, zoals gepresenteerd in Tabel 1, omvat gegevens uit een klinisch onderzoek bij 298 kinderen in de leeftijd van 4 t/m 6 jaar, die eerder in totaal 4 doses hadden gekregen, inclusief primaire immunisatie, met DTaP-IPV in combinatie met Hib, op de leeftijd van circa 2, 4, 6 en 18 maanden. In dit klinische onderzoek waren de bijwerkingen die het meest werden gemeld binnen 14 dagen na vaccinatie pijn op de injectieplaats (bij 39,6% van de proefpersonen) en vermoeidheid (bij 31,5% van de proefpersonen).
Melding van vermoedelijke bijwerkingen
Het is belangrijk om na toelating van het geneesmiddel vermoedelijke bijwerkingen te melden. Op deze wijze kan de verhouding tussen voordelen en risico’s van het geneesmiddel voortdurend worden gevolgd. Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg wordt verzocht alle vermoedelijke bijwerkingen te melden via het Nederlands Bijwerkingen Centrum Lareb; website: www.lareb.nl.
4.9. Overdosering
Niet van toepassing.
5. FARMACOLOGISCHE EIGENSCHAPPEN
5.1. Farmacodynamische eigenschappen
Farmacotherapeutische categorie: Pertussis, gezuiverd antigeen, gecombineerd met toxoïden.
ACT-code: J07AJ52
Klinische studies
De immuunrespons waargenomen een maand na de vaccinatie met Triaxis van 265 kinderen, 527 adolescenten en 743 volwassenen is weergegeven in de onderstaande tabel.
Tabel 2: Immuunrespons van kinderen, adolescenten en volwassenen een maand na vaccinatie met Triaxis
| Antilichaam | Criteria | Kinderen (4 - 6 jaar)1 (N=265) % | Adolescenten (11 - 17 jaar)2 (N=527) % | Volwassenen (18 - 64 jaar)2 (N=743) % |
|---|---|---|---|---|
| Difterie (SN, IE/mL) | ≥0,1 | 100 | 99,8 | 94,1 |
| Tetanus (ELISA, IE/mL of EU/mL) | ≥0,1 | 100 | 100 | 100 |
Kinkhoest (ELISA, EU/mL) PT FHA PRN FIM | Boosterrespons3 | 91,9 | 92,0 | 84,4 |
| 88,1 | 85,6 | 82,7 | ||
| 94,6 | 94,5 | 93,8 | ||
| 94,3 | 94,9 | 85,9 | ||
DTaP: difterieanatoxine [pediatrische dosis], tetanus en acellulaire kinkhoest; ELISA: enzyme-linked immunosorbent assay; EU: ELISA-eenheden; IE: internationale eenheden; N: aantal deelnemers met beschikbare gegevens; SN: seroneutralisatie.
1 Studie Td508 werd gevoerd in Canada bij kinderen van 4-6 jaar oud.
2 Studie Td506 werd gevoerd in de Verenigde Staten bij adolescenten van 11-17 jaar oud en volwassen van 18-64 jaar oud.
3 Voor kinderen in studie Td508 die vooraf werden geprimed met DTaP op de leeftijd van 2, 4, 6 en 18 maanden, wordt een boosterrespons gedefinieerd als een 4-voudige stijging in de concentratie van antilichamen tegen kinkhoest. Voor adolescenten en volwassenen in studie Td506, werd een boosterrespons gedefinieerd als een 2-voudige stijging in de concentratie van antilichamen tegen kinkhoest bij deelnemers met een hoge concentratie vóór vaccinatie en een 4-voudige stijging bij deelnemers met lage concentratie vóór vaccinatie.
De veiligheid en immunogeniteit van Triaxis bij volwassenen en adolescenten werd als vergelijkbaar beschouwd met een eenmalige dosis van een volwassenenpreparaat van een geadsorbeerd difterie-tetanusvaccin (dT) met dezelfde hoeveelheid tetanus- en difterieanatoxines.
Serologische correlatie voor bescherming tegen kinkhoest werd niet vastgesteld. Na vergelijking met gegevens uit het Sweden I-werkzaamheidsonderzoek ten aanzien van kinkhoest, uitgevoerd tussen 1992 en 1996, waarbij na primaire vaccinatie met het DTaP-zuigelingenpreparaat van Sanofi Pasteur met acellulaire kinkhoestcomponent een beschermende werkzaamheid van 85% tegen de ziekte kinkhoest werd bevestigd, wordt ervan uitgegaan dat Triaxis een beschermende immuunrespons heeft teweeggebracht. Het niveau van alle antilichamen tegen kinkhoest na een boosterdosis van Triaxis bij adolescenten en volwassenen was hoger dan wat werd vastgesteld in een huishoudelijk contact-onderzoek die in het onderzoek was genest.
Tabel 3: Ratio van kinkhoestantilichaam-GMC’s gemeten een maand na een dosis Triaxis bij adolescenten en volwassenen, vergeleken met deze bij zuigelingen een maand na vaccinatie op de leeftijd van 2, 4 en 6 maanden in het Sweden I-werkzaamheidsonderzoek met DtaP (PPI-populatie1)
| Adolescenten (11-17 jaar)2 | Volwassenen (18-64 jaar)2 | |
|---|---|---|
Triaxis/DTaP3 GMC’s-ratio (95% betrouwbaarheidsinterval) 4 | Triaxis/DTaP3 GMC’s-ratio (95% betrouwbaarheidsinterval) 4 | |
| Deelnemers | N=524-526 | N=741 |
| Anti-PT | 3,6 (2,8, 4,5) | 2,1 (1,6, 2,7) |
| Anti-FHA | 5,4 (4,5, 6,5) | 4,8 (3,9, 5,9) |
| Anti-PRN | 3,2 (2,5,4,1) | 3,2 (2,3, 4,4) |
| Anti-FIM | 5,3 (3,9, 7,1) | 2,5 (1,8, 3,5) |
DTaP: difterieanatoxine [pediatrische dosis], tetanus en acellulaire kinkhoest; GMC: Geometric Mean Concentration (Geometrische Gemiddelde Concentratie); N: aantal deelnemers met beschikbare gegevens; PPI: per protocol immunogeniciteit
1 Geschikte deelnemers voor wie immunogeniciteitsgegevens beschikbaar waren.
2 Studie Td506 werd gevoerd in de Verenigde Staten bij adolescenten van 11-17 jaar oud en volwassen van 18-64 jaar oud. Antilichaam-GMC’s, gemeten in ELISA-eenheden, werden afzonderlijk berekend voor zuigelingen, adolescenten en volwassenen.
3 N = 80, aantal zuigelingen die DTaP kregen op de leeftijd van 2, 4 en 6 maanden met beschikbare gegevens na toediening van de dosis (sera van het Zweden I Doeltreffendheidsonderzoek werd tegelijk getest met stalen uit studie Td506).
4 GMC’s naTriaxis waren niet-inferieur aan GMC’s na DTaP (lagere grens van 95% BI op de ratio van GMC’s voor Triaxis gedeeld door DTaP >0,67).
Antilichaampersistentie
Er werden serologische follow-up studies uitgevoerd na 3, 5 en 10 jaar bij personen die eerder waren geïmmuniseerd met een enkele boosterdosis Triaxis. De persistentie van seroprotectie tegen difterie en tetanus, en de seropositiviteit tegen kinkhoest zijn samengevat in tabel 4.
Tabel 4: Persistentie van seroprotectie/seropositiviteitspercentages (%) bij kinderen, adolescenten en volwassenen 3, 5 en 10 jaar na een dosis Triaxis (PPI-populatie1)
| Kinderen (4-6 jaar)2 | Adolescenten (11-17 jaar)3 | Volwassenen (18-64 jaar)3 | ||||||||||||||||||
| Tijd sinds toediening van Triaxis | 5 jaar | 3 jaar | 5 jaar | 10 jaar | 3 jaar | 5 jaar | 10 jaar | |||||||||||||
| Deelnemers | N=128-150 | N=300 | N=204-206 | N=28-39 | N=292 | N=237-238 | N=120-136 | |||||||||||||
| Antilichaam | % Seroprotectie/Seropositiviteit | |||||||||||||||||||
Difterie (SN, IE/mL) | ≥ 0,1 | 86,0 | 97,0 | 95,1 | 94,9 | 81,2 | 81,1 | 84,6 | ||||||||||||
| ≥ 0,01 | 100 | 100 | 100 | 100 | 95,2 | 93,7 | 99,3 | |||||||||||||
Tetanus (ELISA, IE/mL) | ≥ 0,1 | 97,3 | 100 | 100 | 100 | 99,0 | 97,1 | 100 | ||||||||||||
Kinkhoest (ELISA, EU/mL) | Sero-positiviteit4 | |||||||||||||||||||
| PT | 63,3 | 97,3 | 85,4 | 82,1 | 94,2 | 89,1 | 85,8 | |||||||||||||
| FHA | 97,3 | 100 | 99,5 | 100 | 99,3 | 100 | 100 | |||||||||||||
| PRN | 95,3 | 99,7 | 98,5 | 100 | 98,6 | 97,1 | 99,3 | |||||||||||||
| FIM | 98,7 | 98,3 | 99,5 | 100 | 93,5 | 99,6 | 98,5 | |||||||||||||
ELISA: enzyme-linked immunosorbent assay; EU: ELISA-eenheden; IE: internationale eenheden; N: aantal deelnemers met beschikbare gegevens; PPI: per protocol immunogeniciteit; SN: seroneutralisatie;
1 Geschikte deelnemers voor wie er immunogeniciteitsgegevens beschikbaar waren voor ten minste één antilichaam op het specifieke tijdstip.
2 Studie Td508 werd gevoerd in Canada bij kinderen van 4–6 jaar oud.
3 Studie Td506 werd gevoerd in de Verenigde Staten bij adolescenten van 11–17 jaar oud en volwassenen van 18–64 jaar oud.
4 Percentage deelnemers met antilichamen ≥5 EU/mL voor PT, ≥3 EU/mLvoor FHA en PRN en ≥17 EU/mL voor FIM gedurende de 3 jaar durende follow-up; ≥4 EU/mL voor PT, PRN en FIM en ≥3 EU/mL voor FHA voor de 5 en 10 jaar durende follow-up.
Immunogeniciteit bij personen die niet eerder zijn gevaccineerd of met een onbekende vaccinatiestatus
Na toediening van een dosis Triaxis Polio (Tdap-IPV; met dezelfde hoeveelheden tetanus-, difterie- en kinkhoestantigenen als Triaxis) aan 330 volwassenen ≥40 jaar die in de voorgaande 20 jaar geen enkel difterie- en tetanus vaccin hadden gekregen:
- bleek ≥ 95,8% van de volwassenen seropositief (≥ 5 EU/mL) te zijn voor antilichamen tegen alle in het vaccin aanwezige kinkhoestantigenen,
- werd bij 82,4% en 92,7% seroprotectie tegen difterie vastgesteld bij een drempelwaarde van respectievelijk ≥0,1 en ≥0,01 IU/mL,
- werd bij 98,5% en 99,7% seroprotectie tegen tetanus vastgesteld bij een drempelwaarde van respectievelijk ≥0,1 en ≥0,01 IU/mL,
- en werd bij ≥98,8% seroprotectie tegen polio (type 1, 2 en 3) vastgesteld bij een drempelwaarde van een verdunning van ≥1:8.
Na toediening van twee bijkomende doses vaccin tegen difterie, tetanus en polio aan 316 proefpersonen, één en zes maanden na de eerste dosis, bedroegen de seroprotectiepercentages tegen difterie 94,6% en 100% (bij respectievelijk ≥0,1 en ≥ 0,01 IE/mL), het seroprotectiepercentage tegen tetanus 100% (≥0,1 IE/mL) en seroprotectiepercentages tegen polio (type 1, 2 en 3) 100% (bij een verdunning van ≥1:8).
Immunogeniciteit na hervaccinatie
De immunogeniciteit van Triaxis na hervaccinatie 10 jaar na een eerdere dosis Triaxis of Triaxis Polio is geëvalueerd. Eén maand na vaccinatie had ≥ 98,5% van de onderzoeksdeelnemers een seroprotectief antilichaamniveau (≥ 0,1 IE/ml) bereikt voor difterie en tetanus, en had ≥ 84% een boosterrespons op de kinkhoestantigenen bereikt. (Een kinkhoestboosterrespons werd gedefinieerd als een antilichaamconcentratie na vaccinatie van: ≥ 4 keer de LLOQ als het niveau voor vaccinatie < LLOQ was. Of ≥ 4 keer het niveau voor vaccinatie, als dat ≥ LLOQ was, maar < 4 keer de LLOQ. Of ≥ 2 keer het niveau voor vaccinatie als dat ≥ 4 keer de LLOQ was).
Op basis van de gegevens m.b.t. serologische follow-up en hervaccinatie kan Triaxis worden gebruikt in plaats van een dT-vaccin om de immuniteit tegen kinkhoest naast difterie en tetanus te stimuleren.
Immunogeniciteit bij zwangere vrouwen
De respons van antilichamen tegen kinkhoest bij zwangere vrouwen is over het algemeen gelijkaardig aan deze bij niet-zwangere vrouwen. Vaccinatie tijdens het tweede en het derde trimester van de zwangerschap is optimaal voor de overdracht van antilichamen naar de foetus in ontwikkeling.
Immunogeniciteit tegen kinkhoest bij zuigelingen (<3 maanden oud) geboren uit vrouwen die werden gevaccineerd tijdens de zwangerschap
Gegevens uit 2 gepubliceerde gerandomiseerde, gecontroleerde onderzoeken tonen hogere concentraties aan antilichamen tegen kinkhoest bij de geboorte en bij de leeftijd van 2 maanden (d.w.z. vóór de start van hun primaire vaccinaties) bij zuigelingen geboren uit vrouwen die tijdens hun zwangerschap werden gevaccineerd met Triaxis, vergeleken met zuigelingen geboren uit vrouwen die niet tegen kinkhoest werden gevaccineerd tijdens de zwangerschap.
In de eerste studie kregen 33 zwangere vrouwen Triaxis en 15 vrouwen kregen een placebo met zoutoplossing op 30 tot 32 weken in de zwangerschap. De geometrische gemiddelde concentraties (geometric mean concentrations, GMC) in EU/mL voor de antilichamen tegen kinkhoest aan de PT-, FHA-, PRN- en FIM-antigenen bij zuigelingen geboren uit gevaccineerde vrouwen waren respectievelijk 68,8; 234,2; 226,8 en 1.867,0 bij de geboorte en 20,6; 99,1; 75,7 en 510,4 op de leeftijd van 2 maanden. In de controlegroep met zuigelingen waren de overeenstemmende GMC’s 14,0; 25,1; 14,4 en 48,5 bij de geboorte en 5,3; 6,6; 5,2 en 12,0 op de leeftijd van 2 maanden. De GMC ratio’s (Triaxis/controlegroep) waren 4,9; 9,3; 15,8 en 38,5 bij de geboorte en 3,9; 15,0; 14,6 en 42,5 op de leeftijd van 2 maanden.
In de tweede studie kregen 134 zwangere vrouwen Triaxis en 138 vrouwen kregen een controlevaccin tegen tetanus en difterie op gemiddeld 34,5 weken in de zwangerschap. De GMC’s (EU/ml) voor de antilichamen tegen kinkhoest aan de PT-, FHA-, PRN- en FIM-antigenen bij zuigelingen geboren uit gevaccineerde vrouwen waren respectievelijk 54,2; 184,2; 294,1 en 939,6 bij de geboorte en 14,1; 51,0; 76,8 en 220,0 op de leeftijd van 2 maanden. In de controlegroep met zuigelingen waren de overeenstemmende GMC’s 9,5; 21,4; 11,2 en 31,5 bij de geboorte en 3,6; 6,1; 4,4 en 9,0 op de leeftijd van 2 maanden. De GMC ratio’s (Triaxis/controlegroep) waren 5,7; 8,6; 26,3 en 29,8 bij de geboorte en 3,9, 8,4; 17,5 en 24,4 op de leeftijd van 2 maanden.
Deze hogere concentraties antilichamen zouden passieve immuniteit tegen kinkhoest moeten bieden voor de zuigeling in de eerste 2 tot 3 maanden van zijn of haar leven, zoals aangetoond door observationele werkzaamheidsstudies.
Immunogeniciteit bij zuigelingen en peuters gebeuren uit vrouwen die werden gevaccineerd tijdens de zwangerschap
Voor zuigelingen geboren uit vrouwen die werden gevaccineerd met Triaxis of Triaxis Polio tijdens de zwangerschap, werd de immunogeniciteit van routinematige vaccinatie van zuigelingen beoordeeld in meerdere gepubliceerde studies. Gegevens over de respons van zuigelingen op kinkhoest- en niet-kinkhoestantigenen werden tijdens het eerste levensjaar geëvalueerd.
Maternale antilichamen, afgeleid na vaccinatie met Triaxis of Triaxis Polio tijdens de zwangerschap, kunnen geassocieerd worden met het afzwakken van de immuunrespons van de zuigeling tegen actieve immunisatie tegen kinkhoest. Op basis van huidige epidemiologische studies heeft deze afzwakking mogelijk geen klinische relevantie.
Gegevens uit meerdere studies toonden geen klinisch relevante verzwakking aan door vaccinatie tijdens de zwangerschap met Triaxis of Triaxis Polio en de respons van de zuigelingen of peuters tegen antigenen tegen difterie, tetanus, Haemophilus influenzae type b, gedeactiveerd poliovirus of pneumokokken.
Werkzaamheid tegen kinkhoest bij zuigelingen geboren uit vrouwen die tijdens de zwangerschap werden gevaccineerd De werkzaamheid van het vaccin in de eerste 2–3 maanden van het leven van zuigelingen geboren uit vrouwen die tegen kinkhoest werden gevaccineerd tijdens het derde trimester van de zwangerschap, werd geëvalueerd in 3 observationele studies. De algemene werkzaamheid bedroeg >90%.
Tabel 5: Vaccineffectiviteit (VE) tegen kinkhoest in 3 retrospectieve onderzoeken bij jonge zuigelingen geboren van moeders die tijdens de zwangerschap met Triaxis of Triaxis Polio zijn gevaccineerd.
| Locatie | Vaccin | VE (95% BI) | VE schattingsmethode | Duur follow-up zuigelingen |
|---|---|---|---|---|
| VK | Triaxis Polio | 93% (81, 97) | unmatched case-control | 2 maanden |
| VS | Triaxis* | 91,4% (19,5, 99,1) | cohort regressiemodel | 2 maanden |
| VK | Triaxis Polio | 93% (89, 95) | screening (case-coverage) | 3 maanden |
| * Ongeveer 99% van de vrouwen werden gevaccineerd met Triaxis | ||||
5.2. Farmacokinetische eigenschappen
Voor vaccins is de evaluatie van farmacokinetische eigenschappen niet vereist.
5.3. Gegevens uit het preklinisch veiligheidsonderzoek
Niet-klinische gegevens duidden niet op een speciaal risico voor mensen. Deze gegevens zijn afkomstig van conventioneel onderzoek naar toxiciteit bij herhaalde dosering en toxiciteit bij zwangerschap, embryonale/foetale ontwikkeling, partus en postnatale ontwikkeling.
6. FARMACEUTISCHE GEGEVENS
6.1. Lijst van hulpstoffen
Fenoxyethanol
Water voor injectie
6.2. Gevallen van onverenigbaarheid
In verband met het ontbreken van onderzoek naar onverenigbaarheden, mag dit geneesmiddel niet met andere geneesmiddelen gemengd worden.
6.3. Houdbaarheid
4 jaar.
6.4. Speciale voorzorgsmaatregelen bij bewaren
Bewaren in de koelkast (2°C - 8°C).
Niet in de vriezer bewaren. Gooi het vaccin weg als het bevroren is geweest.
De injectieflacon in de buitenverpakking bewaren ter bescherming tegen licht.
6.5. Aard en inhoud van de verpakking
0,5 mL suspensie voor injectie in een injectieflacon (type I-glas) met een stop (elastomeer) en een zegel (aluminium) met plastic flip-offkapje.
Verpakkingsgrootten van 1, 5 of 10.
Niet alle genoemde verpakkingsgrootten worden in de handel gebracht.
6.6. Speciale voorzorgsmaatregelen voor het verwijderen en andere instructies
Gebruiksinstructies
Parenterale geneesmiddelen moeten voor de toediening visueel worden gecontroleerd op vreemde partikels en/of verkleuring. Indien één van beide omstandigheden wordt waargenomen, moet het geneesmiddel vernietigd worden.
Het normale uiterlijk van het vaccin is een homogene, troebele, witte suspensie die tijdens de bewaring kan bezinken. Schud goed met de injectieflacon om de suspensie uniform te verdelen voor u het vaccin toedient.
Wanneer een dosis wordt toegediend uit een flacon met stop, mogen noch de stop, noch het metalen zegel dat de stop bevestigt worden verwijderd.
Verwijdering
Al het ongebruikte geneesmiddel of afvalmateriaal dient te worden vernietigd overeenkomstig lokale voorschriften.
De dop van naalden mag niet worden teruggeplaatst.
7. HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
Sanofi Winthrop Industrie
82 Avenue Raspail
94250 Gentilly
Frankrijk
8. NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
In het register ingeschreven onder RVG 105801
9. DATUM VAN EERSTE VERLENING VAN DE VERGUNNING/VERLENGING VAN DE VERGUNNING
Datum van eerste verlening van de vergunning: 26 maart 2010
Datum van laatste verlenging: 19 januari 2014
10. DATUM VAN HERZIENING VAN DE TEKST
Laatste gedeeltelijke wijziging betreft rubriek 4.5 en 4.8: 12 december 2025.
