SmPC (samenvatting van de productkenmerken) - Pneumovax 23
1. NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
Pneumovax 23, oplossing voor injectie in een voorgevulde spuit
Pneumokokkenpolysacharidevaccin
2. KWALITATIEVE EN KWANTITATIEVE SAMENSTELLING
Elke dosis van 0,5 ml vaccin bevat 25 microgram van elk van de volgende 23 pneumokokkenpolysacharide-serotypes: 1, 2, 3, 4, 5, 6B, 7F, 8, 9N, 9V, 10A, 11A, 12F, 14, 15B, 17F, 18C, 19F, 19A, 20, 22F, 23F, 33F.
Hulpstof(fen) met bekend effect:
Elke dosis bevat minder dan 1 mmol (23 mg) natrium.
Voor de volledige lijst van hulpstoffen, zie rubriek 6.1.
3. FARMACEUTISCHE VORM
Oplossing voor injectie in een voorgevulde spuit.
Het vaccin is een heldere, kleurloze oplossing.
4. KLINISCHE GEGEVENS
4.1 Therapeutische indicaties
Pneumovax 23 is geïndiceerd voor actieve immunisatie tegen ziekte veroorzaakt door pneumokokken bij kinderen vanaf 2 jaar, adolescenten en volwassenen.
Zie rubriek 5.1 voor informatie over bescherming tegen specifieke pneumokokken-serotypes.
4.2 Dosering en wijze van toediening
Het immunisatieschema voor Pneumovax 23 moet worden gebaseerd op de officiële aanbevelingen.
Dosering
Primaire vaccinatie
Volwassenen en kinderen van minstens 2 jaar – één enkele dosis van 0,5 milliliter via intramusculaire of subcutane injectie. Pneumovax 23 is niet aanbevolen voor gebruik bij kinderen die jonger zijn dan 2 jaar, omdat de veiligheid en werkzaamheid van het vaccin niet bewezen zijn en de respons van de antilichamen mogelijk niet voldoende is.
Speciale dosering
Het is aanbevolen om het pneumokokkenvaccin bij voorkeur toe te dienen uiterlijk twee weken vóór een electieve splenectomie of de start van chemotherapie of een andere immunosuppressieve behandeling. Vaccinatie tijdens chemo- of bestralingstherapie dient vermeden te worden.
Na voltooiing van de chemotherapie en/of bestralingstherapie voor een neoplastische aandoening is het mogelijk dat de immunologische respons op het vaccin verminderd blijft. Het vaccin mag pas drie maanden na de voltooiing van een dergelijke therapie worden toegediend. Een langere tussentijd kan aangewezen zijn bij patiënten die intensief of langdurig werden behandeld (zie rubriek 4.4).
Personen met asymptomatische of symptomatische hiv-infectie dienen zo snel mogelijk te worden gevaccineerd nadat hun diagnose bevestigd is.
Hervaccinatie
Eén enkele dosis van 0,5 ml via intramusculaire of subcutane injectie.
Het tijdstip en de noodzaak voor hervaccinatie dienen bepaald te worden op basis van de beschikbare officiële aanbevelingen.
Zie rubriek 5.1 voor informatie over de immuunrespons na hervaccinatie.
Hervaccinatie met een tussentijd van minder dan 3 jaar is niet aanbevolen wegens het verhoogde risico op bijwerkingen. Het aantal lokale, en in geval van personen ≥ 65 jaar sommige systemische reacties, blijkt hoger te zijn na hervaccinatie, wanneer drie tot vijf jaar tussen doses is verstreken, dan na primaire vaccinatie. Zie rubriek 4.8.
De klinische gegevens aangaande toediening van meer dan twee doses Pneumovax 23 zijn zeer beperkt.
Volwassenen
Gezonde volwassenen dienen niet routinematig te worden gehervaccineerd.
Hervaccinatie kan worden overwogen bij personen die een verhoogd risico lopen op een ernstige pneumokokkeninfectie en die langer dan vijf jaar geleden een pneumokokkenvaccin kregen toegediend of bij hen waarbij een snelle daling van de antilichaamniveaus tegen pneumokokken werd vastgesteld. Voor bepaalde bevolkingsgroepen (bijv. personen zonder milt) waarvan bekend is dat ze een hoog risico lopen op fatale pneumokokkeninfecties kan hervaccinatie na drie jaar in overweging genomen worden.
Kinderen
Gezonde kinderen dienen niet routinematig te worden gehervaccineerd.
Kinderen van 10 jaar en ouder
Kunnen in aanmerking komen voor hervaccinatie volgens de aanbevelingen voor volwassenen (zie hierboven).
Kinderen van 2 tot 10 jaar
Komen alleen in aanmerking voor hervaccinatie na 3 jaar als ze een hoog risico lopen op pneumokokkeninfecties (bijv. kinderen met nefrotisch syndroom, zonder milt of met sikkelcelziekte).
Wijze van toediening
Een dosis van 0,5 ml van een enkele dosis Pneumovax 23 moet intramusculair (IM) of subcutaan (SC) worden toegediend.
4.3 Contra-indicaties
Overgevoeligheid voor de werkzame stof(fen) of voor een van de in rubriek 6.1 vermelde hulpstoffen.
4.4 Bijzondere waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik
Vaccinatie dient uitgesteld te worden in geval van een met significante koorts gepaard gaande ziekte, andere actieve infecties of wanneer een systemische reactie een aanzienlijk risico zou kunnen vormen, behalve wanneer dit uitstel tot een nog groter risico zou leiden.
Pneumovax 23 mag nooit intravasculair worden toegediend en voorzorgen dienen genomen te worden om te verzekeren dat de naald niet binnendringt in een bloedvat. Het vaccin mag evenmin intradermaal worden geïnjecteerd aangezien de injectie via die weg in verband wordt gebracht met verhoogde plaatselijke reacties.
Indien het vaccin toegediend wordt aan patiënten met een onderdrukt afweersysteem, te wijten aan een onderliggende aandoening of aan een medische behandeling (bijv. een immunosuppressieve behandeling zoals chemotherapie of bestralingstherapie ter behandeling van kanker) kan de verwachte antilichaamrespons in het serum uitblijven na de eerste of tweede dosis. Daardoor kan het zijn dat dergelijke patiënten niet even goed als immunocompetente personen beschermd zijn tegen ziektes veroorzaakt door pneumokokken.
Net als bij elk vaccin is het mogelijk dat een vaccinatie met Pneumovax 23 geen absolute bescherming biedt aan iedereen die het toegediend krijgt.
Bij patiënten die een immunosuppressieve behandeling krijgen, hangt de tijd van de volledige immunologische respons af van de ziekte en de behandeling. Een significante verbetering van de antilichaamrespons werd bij sommige patiënten vastgesteld gedurende de periode van twee jaar volgend op het einde van de chemotherapie of andere immunosuppressieve behandeling (met of zonder bestraling), in het bijzonder wanneer de tussentijd tussen het einde van de behandeling en de vaccinatie tegen pneumokokken groter werd (zie rubriek 4.2).
Zoals bij iedere vaccinatie dient er een geschikte behandeling, waaronder epinefrine (adrenaline), beschikbaar te zijn voor onmiddellijk gebruik voor het geval dat er een acute anafylactische reactie zou optreden.
Een noodzakelijke profylactische antibioticatherapie ter bestrijding van een pneumokokkeninfectie mag niet worden stopgezet na een vaccinatie tegen pneumokokken.
Patiënten met een bijzonder verhoogd risico op een ernstige pneumokokkeninfectie (bijv. personen zonder milt of die om wat voor reden dan ook een immunosuppressieve behandeling krijgen), dienen geadviseerd te worden aangaande de mogelijke noodzaak van een vroegtijdige antimicrobiële behandeling in het geval van een ernstige, plotselinge met koorts gepaard gaande ziekte.
Het is mogelijk dat een pneumokokkenvaccin niet doeltreffend is bij het voorkomen van een infectie die het gevolg is van een schedelbasisfractuur of van uitwendig contact met cerebrospinaal vocht.
Een klinisch onderzoek naar primaire vaccinatie en hervaccinatie met Pneumovax 23 werd uitgevoerd bij 629 volwassenen van ≥ 65 jaar en 379 volwassenen van 50-64 jaar. De vergaarde gegevens suggereerden dat bijwerkingen op de injectieplaats en systemische bijwerkingen bij patiënten van ≥ 65 jaar niet vaker optraden dan bij patiënten van 50-64 jaar. Opgemerkt moet worden dat oudere mensen medische ingrepen over het algemeen minder goed verdragen dan jongere mensen; een hogere frequentie en/of een grotere ernst van de reacties kan daarom bij sommige oudere mensen niet worden uitgesloten (zie rubriek 4.2).
Natrium
Dit middel bevat minder dan 1 mmol (23 mg) natrium per dosiseenheid, dat wil zeggen dat het in wezen ‘natriumvrij’ is.
Traceerbaarheid
Om de traceerbaarheid van biologische geneesmiddelen te verbeteren moeten de handelsnaam en het partijnummer van het toegediende product duidelijk worden vastgelegd.
4.5 Interacties met andere geneesmiddelen en andere vormen van interactie
Een pneumokokkenvaccin mag gelijktijdig worden toegediend met een griepvaccin, op voorwaarde dat een andere spuit en injectieplaats worden gebruikt.
Het gelijktijdige gebruik van Pneumovax 23 en Zostavax resulteerde in een verminderde immunogeniciteit van Zostavax in een kleinschalige klinische studie (zie rubriek 5.1). Gegevens uit een grootschalig observationeel onderzoek toonden echter geen verhoogd risico aan op de ontwikkeling van herpes zoster na gelijktijdige toediening van de twee vaccins.
4.6 Vruchtbaarheid, zwangerschap en borstvoeding
Zwangerschap
Dieronderzoek heeft onvoldoende gegevens opgeleverd wat betreft reproductietoxiciteit (zie rubriek 5.3). Het vaccin mag niet tijdens de zwangerschap worden gebruikt, tenzij dit absoluut noodzakelijk is (het potentiële voordeel moet elk mogelijk risico voor de foetus rechtvaardigen).
Borstvoeding
Het is onbekend of dit vaccin wordt uitgescheiden in de moedermelk. Voorzichtigheid is geboden wanneer het wordt toegediend aan een moeder die borstvoeding geeft.
Vruchtbaarheid
Het vaccin is niet beoordeeld in vruchtbaarheidsonderzoeken.
4.7 Beïnvloeding van de rijvaardigheid en het vermogen om machines te bedienen
Er zijn geen onderzoeken uitgevoerd naar de invloed op het besturen van voertuigen en het bedienen van machines.
4.8 Bijwerkingen
a. Samenvatting van het veiligheidsprofiel
Een klinisch onderzoek naar primaire vaccinatie en hervaccinatie met Pneumovax 23 is uitgevoerd bij 379 volwassenen van 50-64 jaar en bij 629 volwassenen van ≥ 65 jaar. De incidentie van algemene bijwerkingen op de injectieplaats in de oudere hervaccinatiegroep was vergelijkbaar met de incidentie die gezien werd bij jongere patiënten die een hervaccinatie toegediend kregen. Reacties op de injectieplaats deden zich voor binnen 3 dagen na vaccinatie en verdwenen meestal tegen dag 5. De incidentie van systemische en vaccingerelateerde systemische reacties was in de oudere hervaccinatiegroep vergelijkbaar met die in de jongere hervaccinatiegroep. De meest voorkomende algemene systemische bijwerkingen waren: asthenie/vermoeidheid, myalgie en hoofdpijn. Symptomatische behandeling leidde in de meeste gevallen tot een volledig herstel.
b. Samenvatting van de bijwerkingen in tabelvorm
In de tabel hieronder worden de frequenties van bijwerkingen die gerapporteerd zijn met Pneumovax 23 tijdens klinische onderzoeken en/of post-marketingervaring samengevat, aan de hand van de volgende conventie: zeer vaak (≥ 1/10); vaak (≥ 1/100, < 1/10); soms (≥ 1/1000, < 1/100); zelden (≥ 1/10.000, < 1/1000); zeer zelden (< 1/10.000); niet bekend (kan met de beschikbare gegevens niet worden bepaald).
| Bijwerkingen | Frequentie |
| Bijwerkingen | Frequentie |
| Bloed- en lymfestelselaandoeningen | |
Hemolytische anemie* Leukocytose Lymfadenitis Lymfadenopathie Trombocytopenie** | Niet bekend |
| Immuunsysteemaandoeningen | |
Anafylactoïde reacties Angioneurotisch oedeem Serumziekte | Niet bekend |
| Zenuwstelselaandoeningen | |
Koortsstuipen Syndroom van Guillain-Barré Hoofdpijn Paresthesie Radiculo-neuropathie | Niet bekend |
| Maag-darmstelselaandoeningen | |
Misselijkheid Braken | Niet bekend |
| Huid- en onderhuidaandoeningen | |
Uitslag Urticaria | Niet bekend |
| Skeletspierstelsel- en bindweefselaandoeningen | |
Artralgie Artritis Myalgie | Niet bekend |
| Algemene aandoeningen en toedieningsplaatsstoornissen | |
Koorts (≤ 38,8 °C) Reacties op de plaats van injectie:
| Zeer vaak |
| Uitgebreide zwelling van de gevaccineerde arm† | Zelden |
Asthenie Rillingen Koorts Verminderde mobiliteit van het geïnjecteerde ledemaat Injectieplaatsnecrose Malaise Perifeer oedeem†† | Niet bekend |
| Onderzoeken | |
| Verhoogd C-reactief proteïne | Niet bekend |
* bij patiënten die andere hematologische aandoeningen hebben gehad
** bij patiënten met gestabiliseerde idiopathische trombocytopenische purpura
† begint korte tijd na de toediening van het vaccin; gedefinieerd op basis van een klinische beoordeling van gevallen waarin de termen uitgebreide zwelling van de gevaccineerde arm, cellulitis op de injectieplaats en cellulitis werden gemeld; in al deze gevallen werden cellulitis-achtige reacties beschreven.
†† in het geïnjecteerde ledemaat
c. Pediatrische patiënten
Om de veiligheid en immunogeniciteit van polyvalent pneumokokkenpolysacharidevaccin te evalueren is een klinisch onderzoek uitgevoerd bij 102 personen, waaronder 25 personen van 2 tot 17 jaar, 27 personen van 18 tot 49 jaar, en 50 personen van 50 jaar en ouder. Het type en de ernst van de bijwerkingen op de injectieplaats en de systemische bijwerkingen, gemeld bij kinderen van 2 tot 17 jaar, waren vergelijkbaar met de bijwerkingen gerapporteerd onder volwassenen van 18 jaar en ouder. Het aantal personen dat reacties op de plaats van injectie en systemische bijwerkingen meldde was groter bij personen van 2 tot 17 jaar dan bij personen van 18 jaar en ouder.
Melding van vermoedelijke bijwerkingen
Het is belangrijk om na toelating van het geneesmiddel vermoedelijke bijwerkingen te melden. Op deze wijze kan de verhouding tussen voordelen en risico’s van het geneesmiddel voortdurend worden gevolgd. Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg wordt verzocht alle vermoedelijke bijwerkingen te melden via het Nederlands Bijwerkingen Centrum Lareb, website: www.lareb.nl.
4.9 Overdosering
Niet van toepassing.
5. FARMACOLOGISCHE EIGENSCHAPPEN
5.1 Farmacodynamische eigenschappen
Farmacotherapeutische categorie: pneumokokkenvaccins, pneumococcus, gezuiverd polysacharideantigen, ATC-code: J07AL01
Het vaccin is bereid uit gezuiverde kapselpolysacharideantigenen afkomstig van de 23 serotypes pneumokokken die ongeveer 90 % van de invasieve pneumokokkeninfecties veroorzaken. Het vaccin bevat de volgende pneumokokken-kapselpolysachariden: 1, 2, 3, 4, 5, 6B, 7F, 8, 9N, 9V, 10A, 11A, 12F, 14, 15B, 17F, 18C, 19F, 19A, 20, 22F, 23F, 33F.
Immunogeniciteit
Over het algemeen wordt aangenomen dat de aanwezigheid van humorale antilichamen, specifiek voor elk type, doeltreffend is om pneumokokkeninfectie te voorkomen. Een verhoging van ≥ 2 maal het antilichaamniveau na vaccinatie werd in klinische onderzoeken van polyvalente pneumokokkenpolysacharidevaccins met werkzaamheid geassocieerd. De vereiste concentratie van de anticapsulaire antilichamen om te beschermen tegen pneumokokkeninfectie die door een specifiek kapseltype wordt veroorzaakt werd echter niet vastgesteld. De meeste personen van ≥ 2 jaar (85 tot 95 %) reageren op de vaccinatie door het aanmaken van antilichamen tegen de meeste of alle 23 pneumokokkenpolysachariden in het vaccin. Bacteriële capsulaire polysachariden wekken in de eerste plaats antilichamen op door T-celonafhankelijke mechanismen en veroorzaken een slechte of onstabiele antilichaamrespons bij kinderen van < 2 jaar.
Tegen de derde week na de vaccinatie kunnen antilichamen worden gedetecteerd, maar deze kunnen al 3 tot 5 jaar na de vaccinatie afnemen. Bij bepaalde groepen kan deze afname nog sneller verlopen (bijvoorbeeld kinderen en ouderen).
De immuunresponsen op acht van de polysachariden in Pneumovax 23 werden vergeleken na toediening van een eenmalige dosis van het vaccin of placebo. Vier groepen patiënten werden naar leeftijd in het onderzoek opgenomen (50-64 jaar en ≥ 65 jaar) en naar de eerdere vaccinatiestatus (geen vaccinatie gehad of 1 vaccinatie 3-5 jaar eerder).
- Voorafgaand aan de vaccinatie waren de antilichaamtiters hoger in de hervaccinatiegroep dan in de groep van primaire vaccinatie.
- In de groepen van primaire en hervaccinatie stegen de geometrische gemiddelde antilichaamtiters voor elk serotype van voor tot na de vaccinatie.
- De verhoudingen van de geometrisch gemiddelde antilichaamtiters per serotype op dag 30 van de personen die werden gehervaccineerd en van diegenen die een primaire vaccinatie kregen, lagen tussen 0,60-0,94 in de groep van ≥ 65 jaar en tussen 0,62-0,97 in de groep van 50-64 jaar.
De klinische relevantie van de lagere antilichaamrespons, die werd gezien bij hervaccinatie in vergelijking met primaire vaccinatie, is niet bekend.
Gelijktijdige toediening
In een dubbelblinde, gecontroleerde klinische studie werden 473 volwassenen van 60 jaar of ouder gerandomiseerd en kregen zij een enkele dosis Zostavax ofwel gelijktijdig (n=237) ofwel niet-gelijktijdig (n=236) met 23-valent pneumokokkenpolysacharidevaccin toegediend. Vier weken na vaccinatie was de varicella-zostervirus(VZV)-specifieke immuunrespons na gelijktijdig gebruik niet gelijk aan de VZV-specifieke immuunrespons na niet-gelijktijdige toediening. Echter, in een cohortonderzoek naar de effectiviteit bij 35.025 volwassenen ≥ 60 jaar, uitgevoerd in de VS, werd geen verhoogd risico op herpes zoster (HZ) waargenomen bij personen die Zostavax en het 23-valente pneumokokkenpolysacharidevaccin gelijktijdig (n=16.532) kregen in vergelijking met personen die Zostavax kregen, bij routinematig gebruik, een maand tot een jaar na het 23-valente pneumokokkenpolysacharidevaccin (n=18.493). De incidentie van HZ vergeleken tussen de twee groepen geeft een aangepaste hazard ratio van 1,04 (95 %-BI: 0,92; 1,16) over een mediane follow-up van 4,7 jaar. De gegevens tonen geen wijziging aan van de effectiviteit van Zostavax bij gelijktijdige toediening.
Werkzaamheid
De werkzaamheid van het polyvalente pneumokokkenpolysacharidevaccin tegen pneumokokkenpneumonie en bacteriëmie is aangetoond in gerandomiseerde, gecontroleerde onderzoeken, die bij pas gestarte arbeiders in de goudmijnen van Zuid-Afrika werden uitgevoerd. De beschermende werkzaamheid tegen pneumokokkenpneumonie, het primaire eindpunt in dit onderzoek, bedroeg 76,1 % bij een vaccin dat 6 stammen bevatte en 91,7 % bij een vaccin dat 12 stammen bevatte. In onderzoeken onder populaties voor wie het vaccin is geïndiceerd (zie rubriek 4.1) bleek de effectiviteit van het vaccin 50 tot 70 % te bedragen (bijvoorbeeld personen met diabetes mellitus, chronische hart- of longziekte, en anatomische asplenie).
Uit één onderzoek bleek dat de vaccinatie significant beschermend was tegen invasieve pneumokokkeninfectie veroorzaakt door verschillende individuele serotypes (bijvoorbeeld 1, 3, 4, 8, 9V en 14). Voor andere serotypes was het aantal gevallen in dit onderzoek te laag om een conclusie te trekken over een serotypespecifieke bescherming.
De resultaten van één epidemiologische onderzoek suggereren dat de vaccinatie minstens 9 jaar na toediening van de initiële vaccindosis bescherming kan bieden. Er zijn schattingen van een dalende effectiviteit gerapporteerd met een stijgend interval na vaccinatie, vooral bij hoogbejaarden (personen van ≥ 85 jaar).
Het vaccin is niet doeltreffend voor de preventie van acute otitis media, sinusitis en andere gangbare bovensteluchtweginfecties.
5.2 Farmacokinetische eigenschappen
Omdat Pneumovax 23 een vaccin is, werden er geen farmacokinetische onderzoeken uitgevoerd.
5.3 Gegevens uit het preklinisch veiligheidsonderzoek
Er werd geen onderzoek uitgevoerd naar preklinische veiligheid bij gebruik van Pneumovax 23.
6. FARMACEUTISCHE GEGEVENS
6.1 Lijst van hulpstoffen
Fenol
Natriumchloride
Water voor injecties
6.2 Gevallen van onverenigbaarheid
In verband met het ontbreken van onderzoek naar onverenigbaarheden, mag dit geneesmiddel niet met andere geneesmiddelen gemengd worden.
6.3 Houdbaarheid
28 maanden.
6.4 Speciale voorzorgsmaatregelen bij bewaren
Bewaren in de koelkast (2 °C - 8 °C).
Niet in de vriezer bewaren.
6.5 Aard en inhoud van de verpakking
0,5 ml oplossing in een voorgevulde spuit (glas) met een plunjerstop uit butylrubber (broombutylelastomeer) met een beschermdopje (isopreen broombutyl-blend-polyisopreen of styreen-butadieenrubber) zonder injectienaald.
0,5 ml oplossing in een voorgevulde spuit (glas) met een plunjerstop uit butylrubber (broombutylelastomeer) met een beschermdopje (isopreen broombutyl-blend-polyisopreen of styreen-butadieenrubber), met 1 losse injectienaald.
0,5 ml oplossing in een voorgevulde spuit (glas) met een plunjerstop uit butylrubber (broombutylelastomeer) met een beschermdopje (isopreen broombutyl-blend-polyisopreen of styreen-butadieenrubber), met 2 losse injectienaalden.
Verpakkingen van 1 of 10 stuks.
Niet alle verpakkingsgrootten worden in de handel gebracht.
6.6. Speciale voorzorgsmaatregelen voor het verwijderen en andere instructies
Het normale uiterlijk van het vaccin is een heldere, kleurloze oplossing.
Parenterale producten moeten voor het gebruik visueel worden gecontroleerd op deeltjes en/of verkleuring. In het geval dat een van deze verschijnselen wordt waargenomen, dient het geneesmiddel te worden weggegooid.
Het vaccin moet onmiddellijk worden gebruikt zoals geleverd; verdunning of reconstitutie is niet noodzakelijk.
Al het ongebruikte geneesmiddel of afvalmateriaal dient te worden vernietigd overeenkomstig lokale voorschriften.
7. HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
Merck Sharp & Dohme B.V.
Waarderweg 39
2031 BN Haarlem
Nederland
Tel.: 0800 9999000
E-mail: medicalinfo.nl@merck.com
8. NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
RVG 115340
9. DATUM VAN EERSTE VERLENING VAN DE VERGUNNING/ VERLENGING VAN DE VERGUNNING
Datum van de eerste verlening van de vergunning: 26 augustus 2015
Datum van laatste verlenging: 26 april 2020.
10. DATUM VAN HERZIENING VAN DE TEKST
Laatste gedeeltelijke wijziging betreft rubriek 4.8: 12 mei 2026
