SmPC (samenvatting van de productkenmerken) - Tramadol HCl Retard Viatris 100 mg / 150 mg / 200 mg tablet met verlengde afgifte
1. NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
Tramadol HCl Retard Viatris 100 mg, tabletten met verlengde afgifte
Tramadol HCl Retard Viatris 150 mg, tabletten met verlengde afgifte
Tramadol HCl Retard Viatris 200 mg, tabletten met verlengde afgifte
2. KWALITATIEVE EN KWANTITATIEVE SAMENSTELLING
Elke tablet met verlengde afgifte bevat 100 mg tramadolhydrochloride. Elke tablet met verlengde afgifte bevat 150 mg tramadolhydrochloride. Elke tablet met verlengde afgifte bevat 200 mg tramadolhydrochloride.
Hulpstof(fen) met bekend effect:
Elke tablet bevat 0,19 mg lactose
Elke tablet bevat 0,29 mg lactose
Elke tablet bevat 0,38 mg lactose
Voor de volledige lijst van hulpstoffen, zie rubriek 6.1.
3. FARMACEUTISCHE VORM
Tablet met verlengde afgifte.
Tramadol HCl Retard Viatris 100 mg: Witte tot bijna-witte, ronde, dubbelbolle filmomhulde tablet met afgeschuinde kanten met inscriptie “M” op de ene kant en “TM1” op de andere kant.
Tramadol HCl Retard Viatris 150 mg: Licht oranje, ovale, dubbelbolle filmomhulde tablet met inscriptie “M” op de ene kant en “TM2” op de andere kant.
Tramadol HCl Retard Viatris 200 mg: Bruin-oranje aangepaste capsulevormige, dubbelbolle filmomhulde tablet met inscriptie “M” op de ene kant en “TM3” op de andere kant.
4. KLINISCHE GEGEVENS
4.1 Therapeutische indicaties
Behandeling van pijn, van matige tot ernstige aard.
4.2 Dosering en wijze van toediening
Dosering
De dosering dient te worden aangepast aan de ernst van de pijn en de individuele gevoeligheid van de individuele patiënt. In principe moet de laagste analgetisch werkzame dosis worden gekozen.
Tenzij anders voorgeschreven, dient Tramadol HCl Retard Viatris als volgt te worden gedoseerd:
Volwassenen en jongeren ouder dan 12 jaar
De gebruikelijke begindosering bedraagt tweemaal daags 50-100 mg tramadol, ‘s ochtends en ‘s avonds. Bij onvoldoende pijnstilling kan de dosis geleidelijk worden verhoogd tot tweemaal daags 150 mg of 200 mg tramadol (zie rubriek 5.1)
Afhankelijk van de behoefte van de patiënt, mogen opeenvolgende doses binnen 12 uur worden toegediend, maar mogen niet toegediend worden binnen 8 uur na de vorige dosis. In geen geval mogen meer dan 2 doses in 24 uurs-periode genomen worden.
Voor doses die niet uitvoerbaar zijn met deze sterktes zijn andere sterktes van dit middel beschikbaar.
In principe moet de laagste analgetisch werkzame dosis worden gekozen. Een dagdosis van 400 mg werkzame stof dient niet te worden overschreden, behalve bij bijzondere klinische omstandigheden.
Tramadol HCl Retard Viatris mag in geen geval langer dan absoluut noodzakelijk worden gebruikt.
Pediatrische patiënten
Tramadol HCl Retard Viatris is niet geschikt voor kinderen jonger dan 12 jaar.
Ouderen
In de regel is een aanpassing van de dosering bij patiënten tot 75 jaar zonder klinisch manifeste lever- of nierinsufficiëntie niet noodzakelijk. Bij patiënten ouder dan 75 jaar kan de uitscheiding zijn verlengd. In dat geval dient het doseringsinterval aan de hand van de behoefte van de patiënt te worden verlengd.
Patiënten met nierinsufficiëntie/ dialyse en leverinsufficiëntie
Bij patiënten met nier- en/of leverinsufficiëntie is de uitscheiding van tramadol vertraagd. In deze patiënten dient verlenging van het doseringsinterval zorgvuldig te worden overwogen, aan de hand van de behoefte van de patiënt. Bij patiënten met ernstige nier en/of leverinsufficiëntie wordt het gebruik van Tramadol HCl Retard Viatris niet aanbevolen.
Wijze van toediening
Voor oraal gebruik.
De tabletten dienen in zijn geheel, zonder te breken of kauwen, onafhankelijk van de maaltijden met voldoende vloeistof te worden ingenomen.
Behandeldoelen en stopzetting
Voordat de behandeling met Tramadol HCl Retard Viatris wordt gestart, moet samen met de patiënt een behandelstrategie worden overeengekomen, met daarin opgenomen de duur van de behandeling en de behandeldoelen en een plan voor het einde van de behandeling, in overeenstemming met de richtlijnen voor pijnbestrijding. Tijdens de behandeling moet er regelmatig contact zijn tussen de arts en de patiënt om te beoordelen of de behandeling moet worden voortgezet, of stopzetting moet worden overwogen en, indien nodig, of de dosering moet worden aangepast. Wanneer een patiënt geen behandeling met tramadol meer nodig heeft, kan het raadzaam zijn de dosis geleidelijk af te bouwen om ontwenningsverschijnselen te voorkomen. Bij gebrek aan adequate pijnbestrijding dient de mogelijkheid van hyperalgesie, tolerantie en progressie van de onderliggende ziekte te worden overwogen (zie rubriek 4.4).
4.3 Contra-indicaties
Tramadol HCl Retard Viatris mag niet worden gebruikt bij:
- overgevoeligheid voor de werkzame stof of voor één van de in rubriek 6.1 vermelde hulpstoffen.
- acute intoxicatie met alcohol, hypnotica, analgetica, opioïden of andere psychotrope geneesmiddelen.
- patiënten die MAO-remmers (monoamine oxidase remmers) krijgen toegediend, of deze de afgelopen 14 dagen hebben gebruikt (zie rubriek 4.5).
- patiënten met epilepsie die niet voldoende onder controle is door middel van behandeling.
- behandeling van ontwenningsverschijnselen bij drugsverslaafden.
4.4 Bijzondere waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik
Tramadolhydrochloride dient alleen met grote voorzichtigheid te worden gebruikt bij patiënten die afhankelijk zijn van opioïden, patiënten met hoofdletsel, shock, bewustzijnsvermindering van onduidelijke herkomst, stoornissen van het ademhalingscentrum of de ademhalingsfunctie, of verhoogde intracraniële druk en bij patiënten met matige tot ernstige lever- of nierfunctiestoornissen.
Bij patiënten die gevoelig zijn voor opioïden dient Tramadol HCl Retard met voorzichtigheid te worden gebruikt.
Voorzichtigheid is geboden wanneer patiënten behandeld worden voor ademhalingsdepressie of in het geval van gelijktijdig gebruik van geneesmiddelen die het centraal zenuwstelsel onderdrukken (zie rubriek 4.5) of indien de aanbevolen dosering aanzienlijk wordt overschreden (zie rubriek 4.9), omdat de mogelijkheid van ademhalingsdepressie niet uitgesloten kan worden in deze situaties.
Risico tijdens gelijktijdig gebruik van sedativa zoals benzodiazepines of verwante geneesmiddelen: Gelijktijdig gebruik van Tramadol HCl Viatris Retard met sedativa zoals benzodiazepines of verwante geneesmiddelen kan leiden tot sedatie, ademhalingsdepressie, coma en overlijden. Vanwege deze risico’s moet het gelijktijdig voorschrijven van deze sedativa worden beperkt tot patiënten bij wie er geen alternatieve behandelingsopties zijn. Wanneer wordt besloten om Tramadol HCl Retard Viatris gelijktijdig voor te schrijven met sedativa moet de laagst mogelijk effectieve dosis van Tramadol HCl Retard Viatris gebruikt worden, en moet de duur van de gelijktijdige behandeling zo kort mogelijk zijn.
De patiënten moeten nauwlettend worden gevolgd op tekenen en symptomen van ademhalingsdepressie en sedatie. Hierbij wordt sterk aanbevolen patiënten en hun verzorgers op de hoogte te stellen van deze symptomen (zie rubriek 4.5).
Serotoninesyndroom
Serotoninesyndroom, een potentieel levensbedreigende aandoening, werd gemeld bij patiënten die tramadol alleen of in combinatie met andere serotonerge middelen toegediend kregen (zie rubriek 4.5, 4.8 en 4.9).
Als een gelijktijdige behandeling met andere serotonerge middelen klinisch gerechtvaardigd is, wordt geadviseerd de patiënt nauwlettend in de gaten te houden, met name bij aanvang van de behandeling en bij dosisescalaties.
Mogelijke symptomen van serotoninesyndroom zijn veranderingen in de psychische toestand, autonome instabiliteit, neuromusculaire afwijkingen en/of gastro-intestinale symptomen. Bij vermoeden van serotoninesyndroom moet dosisverlaging of stopzetting van de behandeling worden overwogen, afhankelijk van de ernst van de symptomen. Stopzetting van de toediening van de serotonerge geneesmiddelen leidt doorgaans tot een snelle verbetering.
CYP2D6-metabolisme
Tramadol wordt gemetaboliseerd door het leverenzym CYP2D6. Als een patiënt een tekort aan dit enzym heeft of dit enzym helemaal niet heeft, wordt mogelijk geen toereikend analgetisch effect bereikt. Schattingen wijzen erop dat dit tekort mogelijk optreedt bij maximaal 7% van de Kaukasische populatie. Als de patiënt echter een ultrasnelle metaboliseerder is, bestaat er een risico op het ontstaan van bijwerkingen van opioïde toxiciteit, zelfs bij vaak voorgeschreven doses. Algemene symptomen van opioïde toxiciteit zijn onder andere verwardheid, slaperigheid, oppervlakkige ademhaling, vernauwde pupillen, misselijkheid, braken, obstipatie en gebrek aan eetlust. In ernstige gevallen kunnen symptomen optreden van circulatie- en ademhalingsdepressie, die
levensbedreigend en zeer zelden fataal kunnen zijn. Schattingen van prevalentie van ultrasnelle metaboliseerders in verschillende populaties worden hieronder samengevat:
| Populatie | Prevalentiepercentage |
Afrikaans/Ethiopisch Afrikaans-Amerikaans Aziatisch Kaukasisch Grieks Hongaars Noord-Europees | 29% 3,4% tot 6,5% 1,2% tot 2% 3,6% tot 6,5% 6,0% 1,9% 1% tot 2% |
Slaapgerelateerde ademhalingsstoornissen
Opioïden kunnen slaapgerelateerde ademhalingsstoornissen veroorzaken, waaronder centrale slaapapneu (CSA) en slaapgerelateerde hypoxemie. Het gebruik van opioïden verhoogt het risico op CSA op dosisafhankelijke wijze. Overweeg bij patiënten met CSA om de totale opioïdendosering te verlagen.
Bijnierinsufficiëntie
Opioïde analgetica kunnen soms omkeerbare bijnierinsufficiëntie veroorzaken die monitoring en glucocorticoïdvervangingstherapie vereisen. Symptomen van acute of chronische bijnierinsufficiëntie kunnen onder meer zijn: ernstige buikpijn, misselijkheid en braken, lage bloeddruk, extreme vermoeidheid, verminderde eetlust en gewichtsverlies.
Postoperatief gebruik bij kinderen
Er wordt in de gepubliceerde literatuur gemeld dat tramadol, wanneer postoperatief toegediend bij kinderen na tonsillectomie en/of adenoïdectomie voor obstructieve slaapapneu, tot zeldzame maar levensbedreigende bijwerkingen leidde. Uiterste voorzichtigheid is geboden wanneer tramadol aan kinderen wordt toegediend voor postoperatieve pijnbestrijding en er dient nauwlettend te worden gecontroleerd op symptomen van opioïde toxiciteit waaronder ademhalingsdepressie.
Kinderen met een verstoorde ademhalingsfunctie
Tramadol wordt niet aanbevolen voor gebruik bij kinderen van wie de ademhalingsfunctie mogelijk verminderd is, waaronder kinderen met neuromusculaire aandoeningen, ernstige cardiale of respiratoire aandoeningen, infecties van de bovenste luchtwegen of de longen, multipel trauma of uitgebreide chirurgische procedures. Deze factoren kunnen de symptomen van opioïde toxiciteit verergeren.
Convulsies
Convulsies zijn gemeld bij patiënten die tramadol in de aanbevolen dosering gebruikten. Het risico kan toenemen, indien de aanbevolen dagelijkse hoogste doseringslimiet (400 mg) tramadol wordt overschreden. Daarnaast kan tramadol bij patiënten die worden behandeld met medicijnen die de aanvalsdrempel voor insulten kunnen verlagen, het risico op insulten doen toenemen (zie rubriek 4.5). Patiënten met epilepsie of die gevoelig zijn voor insulten dienen alleen met tramadol te worden behandeld, indien de omstandigheden dat noodzakelijk maken.
Ontwenningsverschijnselen in opioïd-afhankelijke patiënten
Tramadol is niet geschikt als substituut in opioïd-afhankelijke patiënten. Hoewel tramadol een opioïdagonist is, kan het de ontwenningsverschijnselen van morfine niet onderdrukken.
Tolerantie en stoornis in het gebruik van opioïden (misbruik en afhankelijkheid) Bij herhaalde toediening van opioïden, zoals Tramadol HCl Retard Viatris, kunnen zich tolerantie,
lichamelijke en psychische afhankelijkheid en een stoornis in het gebruik van opioïden (opioid use disorder - OUD) ontwikkelen. Herhaald gebruik van Tramadol HCl Retard Viatris kan leiden tot een OUD. Een hogere dosis en een langere duur van de behandeling met opioïden kunnen het risico op het ontwikkelen van OUD verhogen. Misbruik of opzettelijk verkeerd gebruik van Tramadol HCl Retard Viatris kan leiden tot overdosering en/of de dood. Het risico om OUD te ontwikkelen is verhoogd bij patiënten met een persoonlijke of een familiale voorgeschiedenis (ouders of broers of zussen) van stoornissen in het gebruik van middelen (waaronder stoornissen in het gebruik van alcohol), bij huidige tabaksgebruikers of bij patiënten met een persoonlijke voorgeschiedenis van andere psychische stoornissen (bv. depressie, angst- en persoonlijkheidsstoornissen).
Voor de start van de behandeling met Tramadol HCl Retard Viatris en tijdens de behandeling dienen de behandeldoelen en een stopzettingsplan met de patiënt te worden overeengekomen (zie rubriek 4.2). Voor en tijdens de behandeling moet de patiënt ook worden geïnformeerd over de risico's en tekenen van OUD. Als deze symptomen optreden, moeten patiënten worden geadviseerd contact op te nemen met hun arts.
Patiënten moeten worden gecontroleerd op tekenen van drugszoekend gedrag (bv. te vroeg aanvragen van een herhaalrecept). Dit omvat een beoordeling van gelijktijdige opioïden en psychoactieve middelen (zoals benzodiazepinen). Voor patiënten met tekenen en symptomen van OUD moet overleg met een verslavingsarts worden overwogen.
Hyperalgesie
Hyperalgesie kan worden gediagnosticeerd wanneer een patiënt die langer wordt behandeld met opioiden zich presenteert met toegenomen pijn. Dit kan kwalitatief en anatomisch verschillen van pijn gerelateerd aan de ziekteprogressie of doorbraakpijn die het gevolg is van opioïdtolerantie. Pijn geassocieerd met hyperalgesie is meestal meer diffuus dan de eerder bestaande pijn en minder gedefinieerd in kwaliteit. Symptomen van hyperalgesie kunnen verdwijnen door de dosis te verlagen.
Hulpstoffen
Dit middel bevat lactose. Patiënten met zeldzame erfelijke aandoeningen als galactoseintolerantie, algehele lactasedeficiëntie of glucose-galactose malabsorptie dienen dit geneesmiddel niet te gebruiken.
4.5 Interacties met andere geneesmiddelen en andere vormen van interactie
Tramadolhydrochloride mag niet met MAO-remmers worden gecombineerd (zie rubriek 4.3 ).
Bij patiënten die MAO-remmers gebruikten in de laatste 14 dagen voor gebruik van het opiaat pethidine, zijn levensbedreigende interacties waargenomen op het centrale zenuwstelsel, de respiratoire en cardiovasculaire functies. Dezelfde interacties met MAO-remmers kunnen niet worden uitgesloten tijdens behandeling met Tramadol HCl Retard Viatris.
Gelijktijdig gebruik van tramadolhydrochloride en andere geneesmiddelen met centraal-depressieve werking, waaronder alcohol, kan de effecten op het centrale zenuwstelsel versterken (zie rubriek 4.8).
Het gelijktijdig gebruik van tramadol met gabapentinoïden (gabapentine en pregabaline) kan leiden tot onderdrukte ademhaling, hypotensie, diepe sedatie, coma of overlijden.
Sedativa zoals benzodiazepines of verwante geneesmiddelen:
Het gelijktijdig gebruik van opioïden met sedativa zoals benzodiazepines of verwante geneesmiddelen verhoogt het risico op sedatie, ademhalingsdepressie, coma en overlijden als gevolg van een additionele dempende werking op het CZS. De dosis en de duur van het gelijktijdige gebruik moet worden beperkt (zie rubriek 4.4).
De resultaten van farmacokinetisch onderzoek hebben tot dusver uitgewezen dat bij gelijktijdig of voorafgaand gebruik van cimetidine (enzymremmer) geen klinisch relevante interacties zijn te verwachten. Het gelijktijdig of voorafgaand gebruik van carbamazepine (enzyminductor) kan het pijnstillende effect verminderen en de werkingsduur verkorten.
De combinatie van tramadol en producten met zowel agonistische als antagonistische werking (zoals buprenorfine, nalbufine en pentazocine) wordt ontraden, aangezien het theoretisch mogelijk is dat de analgetische werking van een pure agonist onder deze omstandigheden wordt verminderd.
Tramadol kan convulsies induceren en kan de kans vergroten op het veroorzaken van convulsies door selectieve serotonine-heropname remmers (SSRI’s), serotonine-en noradrenalineheropnameremmers (SNRI’s) tricyclische antidepressiva, anti-psychotica en andere middelen die de aanvalsdrempel voor insulten verlagen (zoals bupropion, mirtazapine, tetrahydrocannabinol) (zie rubriek 4.4.).
Gelijktijdig therapeutisch gebruik van tramadol en serotoninerge middelen zoals selectieve serotonineheropnameremmers (SSRI’s), serotonine- en noradrenalineheropnameremmers (SNRI’s), MAO-remmers (zie rubriek 4.3), tricyclische antidepressiva en mirtazapine kunnen serotoninesyndroom, een potentieel levensbedreigende aandoening, veroorzaken (zie rubriek 4.4 en 4.8).
Voorzichtigheid moet worden betracht wanneer gelijktijdige toediening van tramadol en coumarine derivaten (bv. warfarine) plaatsvindt, aangezien er meldingen zijn van een toegenomen INR met zware bloeding en ecchymoses bij sommige patiënten.
Andere geneesmiddelen waarvan bekend is dat deze het CYP3A4 remmen, zoals ketoconazol en erythromycine, kunnen mogelijk het metabolisme van tramadol (N-demethylering) en waarschijnlijk ook het metabolisme van de actieve O-demethyl-metaboliet remmen. De klinische relevantie van deze interactie is niet onderzocht (zie rubriek 4.8).
In een beperkt aantal studies was te zien dat pre- of post-operatieve toediening van de anti-emetisch 5-HT3 antagonist ondansetron de behoefte aan tramadol verhoogde in patiënten met post-operatieve pijn.
Vermijd gelijktijdig gebruik van tramadol met gemengde opioïd agonist/antagonisten of partiële opioïd agonist analgetica, aangezien dit het analgetisch effect van tramadol kan verminderen.
4.6 Vruchtbaarheid, zwangerschap en borstvoeding
Zwangerschap
Er zijn te weinig gegevens bekend over de veiligheid van tramadol tijdens de zwangerschap bij de mens. Uit dierstudies blijkt reproductie toxiciteit. Uit dierproeven met tramadol blijkt dat er bij zeer hoge doses effecten zijn op de orgaanontwikkeling, botvorming en neonatale mortaliteit. Teratogene effecten werden niet gezien. Tramadol passeert de placenta (zie rubriek 5.3).
Daarom dient Tramadol HCl Retard Viatris niet te worden gebruikt door zwangere vrouwen.
Tramadolhydrochloride - wanneer het voor of tijdens de geboorte wordt toegediend - de contractiliteit van de uterus niet. Bij de neonaat kan het tot doorgaans klinisch onbelangrijke veranderingen van de ademhalingsfrequentie leiden. Chronisch gebruik tijdens de zwangerschap kan leiden tot neonatale onthoudingsverschijnselen.
Borstvoeding
Ongeveer 0,1% van de maternale dosis tramadol wordt uitgescheiden in de moedermelk. In de onmiddellijke post-partumperiode komt de gemiddelde hoeveelheid tramadol die borstgevoede zuigelingen binnenkrijgen, bij een maternale orale dagelijks dosering tot 400 mg, overeen met 3% van de maternale dosis op basis van lichaamsgewicht. Om deze reden mag tramadol niet worden gebruikt tijdens de borstvoeding of moet de borstvoeding worden gestaakt tijdens behandeling met tramadol. Stopzetting van de borstvoeding is meestal niet nodig na een enkelvoudige dosis tramadol.
Vruchtbaarheid
Post-marketing bewakingsgegevens suggereren geen effect van tramadol op de vruchtbaarheid. Dierstudies hebben geen effect van tramadol op de vruchtbaarheid aangetoond.
4.7 Beïnvloeding van de rijvaardigheid en het vermogen om machines te bedienen
Tramadol kan, zelfs wanneer het volgens de voorschriften wordt gebruikt, effecten veroorzaken zoals slaperigheid en duizeligheid. Hierdoor kan de rijvaardigheid of het vermogen om machines te bedienen verminderen.
Dit effect kan versterkt worden door alcohol, aan het begin van de behandeling, wanneer er gewijzigd wordt van geneesmiddel en bij gelijktijdig gebruik van andere CZS-onderdrukkende middelen of anti-histaminica. Patiënten die hier last van hebben, moeten gewaarschuwd worden dat zij niet gaan rijden of machines bedienen. Dit geldt in het bijzondere in combinatie met alcohol en andere psychotrope stoffen.
4.8 Bijwerkingen
Meest frequent gerapporteerde bijwerkingen zijn misselijkheid en duizeligheid, beiden in meer dan 10% van de patiënten voorkomend.
De frequenties zijn als volgt gedefinieerd:
- Zeer vaak: ≥1/10
- Vaak: ≥1/100 tot <1/10
- Soms: ≥1/1.000 tot <1/100
- Zelden: ≥1/10.000 tot <1/1.000
- Zeer zelden: <1/10.000
- Niet bekend: frequentie kan met de beschikbare gegevens niet worden bepaald
| Systeem Orgaan klasse | Frequentie | Bijwerking |
| Immuunsysteemaandoeningen | Zelden | allergische reacties, overgevoeligheid (bijv. dyspneu, bronchospasme, piepende adem, angioneurotisch oedeem) |
Voedings-en stofwisselingsstoornissen: | Zelden Niet bekend | veranderingen van eetlust. Hypoglykemie, hyponatriëmie |
| Psychische stoornissen | Zelden | Hallucinaties, toestand van verwardheid, slaapstoornissen, delirium, angst en nachtmerries. Psychische bijwerkingen kunnen na gebruik van Tramadol HCl Retard Viatris optreden, deze variëren wat betreft sterkte en soort van persoon tot persoon (al naar gelang persoonlijkheid en duur van de medicatie). Daaronder vallen stemmingsveranderingen (meestal euforische |
stemming, soms dysforie), veranderingen in de activiteit (meestal vermindering, soms stijging) en veranderingen van de cognitieve en sensorische capaciteit (bijv. vermogen om beslissingen te nemen, waarnemingsstoornissen). Een geneesmiddelenafhankelijkheid kan optreden. Symptomen welke optreden bij ontwenning, vergelijkbaar met de ontwenningsverschijnselen bij opiaten, kunnen zijn: agitatie, angst, nervositeit, slapeloosheid, hyperkinesie, tremor en gastro-intestinale symptomen. Andere symptomen welke zeer zelden zijn waargenomen bij beëindiging van tramadolgebruik zijn: paniekaanvallen, ernstige angst, hallucinaties, paresthesieën, tinnitus en ongebruikelijke symptomen van het centrale zenuwstelsel (bijv. verwardheid, waanbeelden, depersonalisatie, derealisatie en paranoia). | ||
| Zenuwstelselaandoeningen: | Zeer vaak Vaak Zelden Zeer zelden Niet bekend | duizeligheid hoofdpijn, slaperigheid. paresthesie, tremor, convulsies*, onvrijwillige spiercontracties, abnormale coördinatie, syncope, spraakstoornissen. Vertigo Serotoninesyndroom |
| Oogaandoeningen | Zelden | miose, wazig zien, mydriasis. |
| Hartaandoeningen | Soms Zelden | Cardiovasculaire regulatie (palpitatie, tachycardie,). Deze bijwerkingen kunnen met name optreden bij intraveneus gebruik en bij patiënten die onder lichamelijke stress staan. Bradycardie, bloeddrukstijging |
| Bloedvataandoeningen | Zeer zelden | Flushes |
| Ademhalingsstelsel-, borstkas en mediastinumaandoeningen: | Zelden Niet bekend | Ademhalingsdepressie*, dyspnoe Een verslechtering van astma is gemeld, al is geen causaal verband vastgesteld, hik. |
| Maagdarmstelselaandoeningen | Zeer vaak Vaak Soms | Misselijkheid verstopping, droge mond, braken. braakneiging, gastro-intestinaal ongemak (bijv. druk op de maag, gevoel van volheid), diarree. |
| Lever- en galaandoeningen | Zeer zelden | Toename van leverenzymwaarden |
Huid- en onderhuidaandoeningen: | Vaak Soms | Hyperhidrose Huidreacties (bijv. pruritus, huiduitslag, urticaria). |
| Skeletspierstelsel- en bindweefselaandoeningen: | Zelden | Spierslapte |
Nier- en urinewegaandoeningen: | Zelden | mictiestoornissen (dysurie en urineretentie). |
| Algemene aandoeningen | Vaak | Vermoeidheid |
* Als de aanbevolen dosering aanzienlijk overschreden is en andere centraal depressieve stoffen gelijktijdig zijn toegediend (zie rubriek 4.5), kan ademhalingsdepressie voorkomen. Convulsies traden voornamelijk op na toediening van hoge doses tramadol of na gelijktijdig gebruik van geneesmiddelen die de aanvalsdrempel voor insulten verlagen (zie rubriek 4.4 en 4.5).
Drugsverslaving
Herhaald gebruik van Tramadol HCl Retard Viatris kan leiden tot drugsverslaving, zelfs bij therapeutische doses. Het risico op drugsverslaving kan variëren afhankelijk van de individuele risicofactoren van een patiënt, de dosering en de duur van de behandeling met opioïden (zie rubriek 4.4).
Melding van vermoedelijke bijwerkingen
Het is belangrijk om na toelating van het geneesmiddel vermoedelijke bijwerkingen te melden. Op deze wijze kan de verhouding tussen voordelen en risico’s van het geneesmiddel voortdurend worden gevolgd. Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg wordt verzocht alle vermoedelijke bijwerkingen te melden via het Nederlands Bijwerkingen Centrum Lareb, website: www.lareb.nl.
4.9 Overdosering
Symptomen
In principe kunnen bij een tramadol-vergiftiging vergelijkbare symptomen verwacht worden als bij andere centraal werkzame analgetica (opiaten). Hieronder vallen in het bijzonder miosis, braken, cardiovasculaire collaps, bewustzijnsstoornissen tot een comateuze toestand, convulsies en ademhalingsdepressie tot ademhalingsstilstand. Serotoninesyndroom werd ook gemeld.
Hier gelden de algemene noodmaatregelen. Houdt de luchtwegen open en houdt de ademhaling en bloedsomloop in stand, al naar gelang de symptomen.
Het tegengif voor ademhalingsdepressie is naloxon. Bij dierproeven bleek naloxon echter niet te werken tegen convulsies. In dat geval dient diazepam intraveneus te worden toegediend. In het geval van vergiftiging met orale toedieningsvormen, wordt gastro-intestinale decontaminatie met actieve kool of maagspoeling alleen aangeraden binnen 2 uur na tramadol inname. Gastro-intestinale decontaminatie op een later tijdstip kan nuttig zijn in het geval van vergiftiging met extreem grote hoeveelheden of toedieningsvormen met verlengde afgifte.
Tramadol wordt door hemodialyse of hemofiltratie minimaal verwijderd uit het plasma. Daarom is bij acute intoxicatie door Tramadol HCl Viatris Retard hemodialyse of hemofiltratie alleen geen geschikte manier van detoxificatie.
5. FARMACOLOGISCHE EIGENSCHAPPEN
5.1 Farmacodynamische eigenschappen
Farmacotherapeutische groep: andere opioïden; ATC-code N02AX02
Werkingsmechanisme
Tramadol is een centraal werkend opioïd analgeticum. Het is een niet-selectieve, volledige agonist van µ-, δ- en κ-opiaatreceptoren met een grotere affiniteit voor de µ-receptor. Andere mechanismen die tot de analgetische werking bijdragen, zijn remming van de neuronale heropname van noradrenaline en versterking van de afgifte van serotonine.
Tramadol heeft een antitussief effect. In tegenstelling tot morfine heeft tramadol in een analgetische dosis over een groot bereik geen onderdrukkende werking op de ademhaling. Bovendien wordt de gastro-intestinale motiliteit minder beïnvloed. De effecten op het cardiovasculaire systeem lijken gering te zijn. De sterkte van tramadol is vastgesteld op 1/10 (een tiende) tot 1/6 (een zesde) van morfine.
Pediatrische patiënten
Effecten van enterale en parenterale toediening van tramadol zijn onderzocht in klinische studies met meer dan 2000 pediatrische patiënten met een leeftijd gaande van pasgeboren tot en met 17 jaar oud. De indicaties voor pijnbehandeling onderzocht in deze studies zijn onder andere pijn na operatie (vooral abdominaal), na chirurgische tandextracties, na botbreuken, brandwonden en trauma’s evenals andere pijnlijke aandoeningen die waarschijnlijk analgetische behandeling vereisen gedurende minstens 7 dagen.
Voor enkelvoudige doses tot 2 mg/kg of meervoudige doses tot 8 mg/kg per dag (tot een maximum van 400mg per dag) werd de werkzaamheid van tramadol beter bevonden dan placebo, en beter of gelijk aan paracetamol, nalbufine, pethidine of laag gedoseerde morfine. De uitgevoerde studies bevestigden de werkzaamheid van tramadol. Het veiligheidsprofiel van tramadol was vergelijkbaar in volwassen en pediatrische patiënten ouder dan 1 jaar (zie rubriek 4.2).
5.2 Farmacokinetische eigenschappen
Absorptie
Farmacokinetische/farmacodynamische relatie(s)
Tramadolhydrochloride wordt bij oraal gebruik voor meer dan 90% geabsorbeerd. De gemiddelde absolute biobeschikbaarheid is ca. 70%, onafhankelijk van gelijktijdige voedselinname. Het verschil tussen geabsorbeerd tramadol en ongemetaboliseerd beschikbaar tramadol wordt waarschijnlijk veroorzaakt door het lage first-pass effect. Het first-pass effect is na oraal gebruik maximaal 30%.
Na toediening van tramadolhydrochloride 100 mg retard tabletten wordt de maximale plasmaconcentratie Cmax 141 ± 40 ng/ml bereikt na 4,9 uur. Na toediening van tramadolhydrochloride 200 mg retard tabletten wordt een Cmax 260 ± 62 ng/ml bereikt na 4,8 uur.
Distributie
Tramadol heeft een hoge weefselaffiniteit (V d,ß = 203 ± 40 l). De plasma-eiwitbinding is ongeveer 20%.
Tramadolhydrochloride passeert de bloed-hersenbarrière en de placenta. Zeer kleine hoeveelheden van de stof en het O-desmethyl-derivaat worden teruggevonden in de moedermelk (resp. 0,1% en 0,02% van de toegediende dosis).
Biotransformatie
Onafhankelijk van de manier van toediening bedraagt de eliminatie-halfwaardetijd t1/2,ß ongeveer 6 uur. Bij patiënten boven de 75 jaar kan deze tijd met ongeveer een factor 1,4 zijn verlengd.
Tramadolhydrochloride wordt bij mensen voornamelijk gemetaboliseerd door N- en O-demethylering, alsmede door de conjugatie van de O-desmethylproducten met glucuronzuur. Alleen O-desmethyltramadol is farmacologisch actief. Er bestaan interindividueel grote kwantitatieve verschillen voor de andere metabolieten.
Tot op heden werden in de urine 11 metabolieten aangetroffen. Uit dierproeven is gebleken dat O-desmethyltramadol een factor 2-4 sterker is dan de moedersubstantie. De halfwaardetijd t1/2,ß (6 gezonde proefpersonen) bedraagt 7,9 uur (5,4 - 9,6 uur) en is ongeveer hetzelfde als die van tramadol.
De remming van een of beide typen van isoenzymen CYP3A4 en CYP2D6 die betrokken zijn bij de biotransformatie van tramadol zou de plasmaconcentratie van tramadol of zijn actieve metaboliet kunnen beïnvloeden.
Eliminatie
Tramadol en de metabolieten worden bijna volledig via de nieren uitgescheiden. De cumulatieve urine-uitscheiding is 90% van de totale radioactiviteit van de toegediende dosis. Bij een lever- of nierfunctiestoornis kan de halfwaardetijd enigszins worden verlengd. Bij patiënten met levercirrose zijn eliminatiehalfwaardetijden vastgesteld van 13,3 ± 4,9 uur (tramadol) resp. 18,5 ± 9,4 uur (O-desmethyltramadol), en in een extreem geval 22,3 uur resp. 36 uur. Bij patiënten met een nierinsufficiëntie (creatinine klaring < 5 ml/min) bedroegen de waarden 11 ± 3,2 uur resp. 16,9 ± 3 uur en in een extreem geval 19,5 uur resp. 43,2 uur.
Lineariteit/non-lineariteit
Binnen het therapeutische doseringsgebied heeft tramadol een lineair farmacokinetisch profiel. De relatie tussen serumconcentraties en analgetische werking is afhankelijk van de dosis. Er bestaan echter in afzonderlijke gevallen grote afwijkingen. Over het algemeen is een serumconcentratie van 100 - 300 ng/ml werkzaam.
Pediatrische populatie
De farmacokinetiek van tramadol en O-desmethyltramadol na enkelvoudige dosis en meervoudige doses orale toediening aan patiënten van 1 tot en met 16 jaar waren vergelijkbaar met deze in volwassenen, wanneer een aangepaste dosis werd gegeven per lichaamsgewicht, maar met een hogere tussenproefpersoon variabiliteit in kinderen van 8 jaar en jonger.
Bij kinderen jonger dan 1 jaar, werd de farmacokinetiek van tramadol en O-desmethyltramadol onderzocht, maar niet volledig gekarakteriseerd. Informatie afkomstig uit studies in deze leeftijdsgroep geeft aan dat de vormingssnelheid van O-desmethyltramadol via CYP2D6 continu toeneemt bij pasgeborenen, en niveaus van CYP2D6 activiteit zoals bij volwassen worden verondersteld te worden bereikt rond de leeftijd van 1 jaar. Daarenboven kunnen immature glucuronidatiesystemen en een immature nierfunctie resulteren in trage eliminatie en accumulatie van O-desmethyltramadol in kinderen tot 1 jaar.
5.3 Gegevens uit het preklinisch veiligheidsonderzoek
Herhaalde orale en parenterale toediening van tramadol gedurende 6 tot 26 weken aan ratten en honden, alsmede orale toediening gedurende 12 maanden aan honden, geven op grond van hematologische, klinisch-chemische en histologische onderzoeken geen aanwijzingen voor door de stof veroorzaakte veranderingen. Slechts na hoge doseringen, die ver boven de therapeutische dosis lagen, traden centrale zenuwstelsel verschijnselen op: rusteloosheid, salivatie, convulsie en verminderde gewichtstoename. Ratten en honden verdroegen orale doses van 20 mg/kg resp. 10 mg/kg
lichaamsgewicht, honden bovendien 20 mg/kg lichaamsgewicht rectaal toegediend, zonder enige reactie.
Tramadol-doseringen vanaf 50 mg/kg/dag veroorzaakten bij ratten toxische effecten bij de moeder en leidden tot een hogere sterfte onder de pasgeboren ratten. In de nakomelingen traden ontwikkelingsstoornissen op in de vorm van stoornissen van de ossificatie en verlate opening van de vagina en ogen. De vruchtbaarheid van de mannelijke en vrouwelijke ratten werd niet beïnvloed. Bij konijnen traden vanaf 125 mg/kg toxische effecten bij de moeder en skeletafwijkingen in de nakomelingen op.
In enkele in-vitro testsystemen was sprake van mutagene effecten. Bij in-vivo onderzoeken waren er geen aanwijzingen voor een mutageen effect. Tramadol kan op grond van de tot op heden verworven kennis geclassificeerd worden als niet-mutagene stof.
Er is onderzoek verricht bij ratten en muizen naar het oncogene potentieel van tramadol.
Uit het onderzoek bij ratten bleek geen stofgerelateerde toename van de tumorincidentie. Uit het onderzoek bij muizen werd een verhoogde kans op levercel-adenomen bij mannetjes (een dosisafhankelijke, niet-significante stijging vanaf 15 mg/kg) en een toenemend aantal longtumoren bij vrouwtjes van alle dosisgroepen (significant, maar onafhankelijk van de dosis) geconstateerd.
6. FARMACEUTISCHE GEGEVENS
6.1 Lijst van hulpstoffen
Microkristallijne cellulose
Hypromellose
Watervrij colloïdaal silica
Magnesiumstearaat
Filmomhulling 100 mg:
Hypromellose (E464)
Lactosemonohydraat
Talk (E553 b)
Macrogol
Propyleenglycol (E1520)
Titaandioxide (E171)
Filmomhulling 150 mg:
Hypromellose (E464)
Lactosemonohydraat
Talk (E553 b)
Macrogol
Propyleenglycol (E1520)
Titaandioxide (E171)
IJzeroxide rood (E172)
IJzeroxide bruin (E172)
Chinolinegeel (E104)
Filmomhulling 200 mg:
Hypromellose (E464)
Lactosemonohydraat
Talk (E553 b)
Macrogol
Propyleenglycol (E1520)
Titaandioxide (E171)
IJzeroxide rood (E172)
Chinolinegeel (E104)
6.2 Gevallen van onverenigbaarheid
Niet van toepassing.
6.3 Houdbaarheid
Alu/OPA/PVC/Alu doordrukstrips: 2 jaar.
HDPE tablettencontainer en Alu/PVC/PEPVDC doordrukstrips: 3 jaar.
6.4 Speciale voorzorgsmaatregelen bij bewaren
Voor dit geneesmiddel zijn er geen speciale bewaarcondities.
6.5 Aard en inhoud van de verpakking
HDPE tablettencontainer met een door kinderen moeilijk te openen polypropyleen dop met 100 tabletten met verlengde afgifte.
HDPE tablettencontainer met polypropyleenschroefdop met 500 en 1000 tabletten met verlengde afgifte (Voorraadverpakking).
Alu/OPA/PVC/Alu en Alu/PVC/PE/PVDC doordrukstrips in kartonnen doosje met 10, 20, 20x1, 28, 30, 50, 56, 60, 60x1, 90 en 100 tabletten met verlengde afgifte.
Niet alle genoemde verpakkingsgrootten worden in de handel gebracht.
6.6 Speciale voorzorgsmaatregelen voor het verwijderen
Geen bijzondere vereisten.
7. HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
Viatris Ltd
Damastown Industrial Park
Mulhuddart
Dublin 15
Dublin
Ierland
8. NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
RVG 109064 - Tramadol HCl Retard Viatris 100 mg, tabletten met verlengde afgifte RVG 109065 - Tramadol HCl Retard Viatris 150 mg, tabletten met verlengde afgifte RVG 109066 - Tramadol HCl Retard Viatris 200 mg, tabletten met verlengde afgifte
9. DATUM VAN EERSTE VERLENING VAN DE VERGUNNING/VERLENGING VAN DE VERGUNNING
Datum van eerste verlening van de vergunning: 6 augustus 2012 Datum van laatste verlenging: 4 juli 2017
10. DATUM VAN HERZIENING VAN DE TEKST
Laatste gedeeltelijke wijziging betreft de rubrieken 1 en 7: 13 december 2024.
