Bijsluiter-info.nl

Natriumchloride 0,3% / 3,3% oplossing voor infusie – bijsluiter

Bijgewerkt:
Feiten
Status:
Alleen op recept
Sterkte:
0,3% / 3,3%

Bijsluiter: gebruik, bijwerkingen, dosering - Natriumchloride 0,3% / 3,3% oplossing voor infusie

1. Wat is NaCl 0,3% + Glucose 3,3% en waarvoor wordt dit medicijn

gebruikt?

Dit medicijn is een oplossing van glucose (suiker) en natriumchloride (zout) in water.

Glucose is één van de energiebronnen van het lichaam. Deze oplossing voor infusie levert 132 kilocalorieën per liter.

Natrium en chloride zijn chemische bestanddelen die zich in het bloed bevinden.

Dit medicijn wordt gebruikt:

  • als een bron van koolhydraten (suiker).
  • voor de behandeling van dehydratie (waterverlies uit het lichaam) en een verlies van chemicaliën (bijvoorbeeld als gevolg van hevig zweten of nierfunctiestoornissen).
  • om u te behandelen als u een laag bloedvolume heeft in uw bloedvaten (hypovolemie).

2. Wanneer mag u dit medicijn niet toegediend krijgen of moet u er extra voorzichtig mee zijn?

U mag dit medicijn niet toegediend krijgen als u lijdt aan een van de volgende aandoeningen

  • u bent allergisch voor een van de stoffen in dit medicijn. Deze stoffen kunt u vinden in rubriek 6 van deze bijsluiter.
  • in de ruimten rond de lichaamscellen bevindt er zich te veel vocht (extracellulaire hyperhydratie);
  • hoger bloedvolume in de bloedvaten dan normaal (hypervolemie);
  • het lichaam houdt te veel vocht en natrium (zout) vast (vocht- en natriumretentie);
  • ernstige nierfunctieproblemen waardoor u minder of helemaal geen urine produceert (oligurie of anurie);
  • niet-gecompenseerde hartfalen, dat wil zeggen hartfalen dat niet voldoende behandeld is en verschijnselen veroorzaakt zoals:

    • kortademigheid;
    • opzwellen van enkels.
  • een te laag natriumgehalte in het bloed (hyponatriëmie);
  • een te laag chloridegehalte in het bloed (hypochloremie);
  • onderhuidse vochtophoping verspreid over alle lichaamsdelen (gegeneraliseerd oedeem);
  • leveraandoening die leidt tot vochtophoping in de buik (ascites cirrose);
  • onvoldoende behandelde diabetes (suikerziekte), waardoor uw bloedsuikergehalte kan stijgen tot boven de normale waarden (niet-gecompenseerde diabetes);
  • andere toestanden waarin glucose niet verdragen wordt, zoals:

    • metabole stress (de stofwisseling van het lichaam werkt niet goed, bijvoorbeeld als gevolg van een ernstige ziekte);
    • hyperosmolair coma (bewusteloosheid), een vorm van coma die kan optreden als u lijdt aan diabetes en niet voldoende medicijnen toegediend krijgt;
    • een zeer hoog suikergehalte in het bloed (significante hyperglykemie);
    • een te hoog lactaatgehalte in het bloed (hyperlactatemie).

Wanneer moet u extra voorzichtig zijn met dit medicijn?

Neem contact op met uw arts voordat u dit medicijn gebruikt.

Licht uw arts in als u een van de volgende medische aandoeningen heeft of gehad heeft:

  • Aandoeningen horend bij natriumretentie (het lichaam houdt teveel zout (natrium) vast), vochtopstapeling en oedeem zoals:

    • aldosteronisme (een ziekte die hoge niveaus van een hormoon, aldosteron genaamd, veroorzaakt) horend bij

      • hypertensie (hoge bloeddruk);
      • hartfalen;
      • zwakke leverfunctie of ascites cirrose (een leveraandoening welke vochtophoping in de buikholte veroorzaakt);
      • zwakke nierfunctie.
    • pre-eclampsie (hoge bloeddruk tijdens de zwangerschap);
  • het innemen van bepaalde medicijnen, zie “Gebruikt u nog andere medicijnen?” hieronder;
  • metabole alkalose (een aandoening waarbij het bloed te basisch wordt);
  • thyreotoxische periodieke verlamming (spierzwakte en tijdelijke verlamming als gevolg van een lage schildklierwerking);
  • snel verlies van vocht uit het lichaam bijv. als gevolg van overgeven of diarree;
  • het lange tijd volgen van een dieet met weinig kalium;
  • allergie, voornamelijk voor maïs (dit medicijn bevat glucose afkomstig van maïs).
  • als u een aandoening heeft die de oorzaak is van een verhoogd gehalte van vasopressine, een hormoon dat het vocht in uw lichaam regelt. U zou te veel vasopressine in uw lichaam kunnen hebben omdat u, bijvoorbeeld:

    • een plotse en ernstige ziekte heeft gehad
    • pijn heeft
    • een operatie heeft ondergaan
    • infecties, brandwonden, een hersenziekte heeft
    • ziekten heeft die te maken hebben met uw hart, lever, nieren of centrale zenuwstelsel
    • bepaalde medicijnen inneemt (zie ook hieronder “Gebruikt u nog andere medicijnen?”).

Hierdoor kan het risico op een laag natriumgehalte in uw bloed stijgen en dit kan leiden tot hoofdpijn, misselijkheid, toevallen, lethargie, coma, zwelling van de hersenen en overlijden. Zwelling van de hersenen verhoogt het risico op overlijden en op hersenschade. Mensen die een risico lopen op zwelling van de hersenen zijn:

  • kinderen
  • vrouwen (in het bijzonder wanneer u in de vruchtbare leeftijd bent) o mensen die problemen hebben met het vochtniveau in hun hersenen, bijvoorbeeld, door meningitis, bloeding in de schedel of een hersenletsel.

De infusie kan het volgende veroorzaken:

  • veranderingen in de concentraties van chemicaliën in het bloed (elektrolytstoornissen)
  • een vochtophoping onder de huid, verspreid over alle lichaamsdelen (gegeneraliseerd oedeem), rond de enkels (perifeer oedeem) of in de longen (longoedeem).

Als u deze oplossing voor infusie toegediend krijgt, neemt uw arts bloed- en urinemonsters om het volgende te controleren en te volgen:

  • concentraties aan chemicaliën zoals natrium en chloride in uw bloed (uw bloedzouten);
  • suikergehalte (glucose).

Aangezien dit medicijn suiker (glucose) bevat, kan de oplossing een te hoog suikergehalte in het bloed (hyperglykemie) veroorzaken. In dat geval kan uw arts:

  • de infusiesnelheid aanpassen.
  • u insuline toedienen om het bloedsuikergehalte te verlagen.

Dat is vooral belangrijk:

  • als u lijdt aan diabetes.
  • als u gedurende lange tijd slecht gegeten heeft of te veel alcohol gedronken heeft.
  • als u onlangs een beroerte (acute ischemische aanval) gehad heeft. Een hoog bloedsuikergehalte kan de effecten van een beroerte verergeren en het herstel beïnvloeden.
  • als u in de afgelopen 24 uur hoofdletsel heeft gehad.

Uw arts houdt er rekening mee als u parenterale voeding krijgt (via infusie toegediende voeding in een ader). Bij langdurige behandeling met dit medicijn moet u mogelijk voedingssupplementen toegediend krijgen. Uw arts moet ook het kaliumgehalte in uw bloed controleren en volgen om te voorkomen dat dit daalt tot onder de normale waarden (hypokaliëmie).

Kinderen

Er moet aandacht besteed worden bij het toedienen van deze oplossing aan kinderen, zuigelingen en pasgeborenen (vooral premature baby’s en baby’s met een laag geboortegewicht). Kinderen, zuigelingen en pasgeborenen kunnen mogelijk de chemicaliën in de oplossing niet goed verwerken.

Jongere kinderen lopen een verhoogd risico op een te hoog of te laag bloedsuikergehalte en moeten daarom nauwgezet worden gecontroleerd en gevolgd tijdens de behandeling om te garanderen dat het bloedsuikergehalte onder controle is. Een laag bloedsuikergehalte bij pasgeborenen kan langdurige aanvallen, coma en hersenbeschadiging veroorzaken. Een hoog bloedsuikergehalte is geassocieerd met hersenbloedingen, bacteriële en schimmelinfecties, oogbeschadiging (prematurenretinopathie), infecties van het maag-darmkanaal, longproblemen, een langdurig ziekenhuisverblijf en overlijden.

Kinderen lopen een groter risico op het hebben of ontwikkelen van hyponatriëmie (een te laag natriumgehalte in het bloed). Hyponatriëmie kan leiden tot hoofdpijn, misselijkheid, insulten (epileptische aanvallen), lethargie (stoornis in motivatie en gedrag, gekenmerkt door volledige

ongeïnteresseerdheid en sloomheid), coma, cerebraal oedeem (opzwellen van de hersenen) en overlijden. Acute hyponatriëmische encefalopathie is een ernstige complicatie, vooral bij kinderen.

Uw arts weet dit en zal de plasma-elektrolyten (de hoeveelheid chemicaliën in het bloed zoals natrium en chloride) van uw kind nauwlettend opvolgen.

Gebruikt u nog andere medicijnen?

Gebruikt u naast NaCl 0,3% + Glucose 3,3% nog andere medicijnen, heeft u dat kort geleden gedaan of gaat u dit misschien binnenkort doen? Vertel dat dan uw arts of verpleegkundige.

Het is vooral belangrijk uw arts in te lichten als u een van de volgende medicijnen gebruikt:

  • corticosteroïden (ontstekingsremmers);

Door het gebruik van deze medicijnen kan er zich natrium en water ophopen in het lichaam, wat leidt tot:

  • weefselzwelling als gevolg van onderhuidse vochtophoping (oedeem);
  • of hoge bloeddruk (hypertensie).

Sommige medicijnen werken in op het hormoon vasopressine. Deze medicijnen kunnen bestaan uit:

  • medicatie tegen diabetes (chloorpropamide)
  • medicijnen tegen cholesterol (clofibraat)
  • sommige medicijnen tegen kanker (vincristine, ifosfamide, cyclofosfamide)
  • selectieve serotonineheropnameremmers (gebruikt om depressie te behandelen)
  • antipsychotica of opiaten voor krachtige pijnstilling
  • medicijnen tegen pijn en/of ontsteking (ook bekend als NSAID’s)
  • medicijnen die de werking van vasopressine nabootsen of versterken zoals desmopressine (gebruikt om toegenomen dorst en urine-uitscheiding te behandelen), terlipressine (gebruikt om bloeding van de slokdarm te behandelen) en oxytocine (gebruikt om de bevalling in te leiden)
  • anti-epileptica (carbamazepine en oxcarbazepine)
  • diuretica (medicijnen om beter te kunnen plassen).

Andere medicijnen die het risico op hyponatriëmie verhogen omvatten ook algemene diuretica en anti-epileptica zoals oxcarbazepine.

Andere medicijnen die invloed kunnen hebben op of beïnvloed kunnen worden door NaCl 0,3% + Glucose 3,3%:

  • lithium (gebruikt om psychiatrische aandoeningen te behandelen);
  • insuline (gebruikt om diabetes te behandelen);
  • bètablokkers (hartmedicijnen).

Waarop moet u letten met eten, drinken en alcohol?

Vraag uw arts wat u mag eten of drinken.

Zwangerschap, borstvoeding

Bent u zwanger, denkt u zwanger te zijn, wilt u zwanger worden of geeft u borstvoeding? Neem dan contact op met uw arts of verpleegkundige voordat u dit medicijn toegediend krijgt.

Dit medicijn kan worden gebruikt tijdens borstvoeding.

Als tijdens zwangerschap of borstvoeding een ander medicijn moet worden toegevoegd aan deze oplossing voor infusie, moet u:

  • uw arts raadplegen.
  • de bijsluiter van het toe te voegen medicijn lezen.

Rijvaardigheid en het gebruik van machines

Dit medicijn heeft geen invloed op uw rijvaardigheid of vermogen om machines te bedienen.

3. Hoe krijgt u dit medicijn toegediend?

Dit medicijn wordt door een arts of verpleegkundige toegediend. Uw arts beslist hoeveel u nodig heeft en wanneer het aan u toegediend wordt. Dit is afhankelijk van uw leeftijd, gewicht, lichaamsconditie en de reden voor behandeling. De dosering kan ook afhankelijk zijn van andere gelijktijdige behandelingen.

Dit medicijn mag NIET worden toegediend als de oplossing deeltjes bevat of de zak op een of andere manier beschadigd is.

Dit medicijn wordt doorgaans in een ader toegediend via een plastic slangetje dat bevestigd is aan een naald. Meestal wordt een ader in uw arm gebruikt om de oplossing voor infusie toe te dienen. Het is echter mogelijk dat uw arts beslist u het medicijn te geven via een andere toedieningsweg.

Vóór en tijdens de infusie zal uw arts de volgende zaken opvolgen:

  • volume lichaamsvocht
  • de zuurgraad van uw bloed en urine
  • de hoeveelheid elektrolyten in uw lichaam (voornamelijk natrium, bij patiënten met hoge waarden van het hormoon vasopressine of bij patiënten die andere medicijnen nemen die de werking van vasopressine verhogen).

Niet-gebruikte oplossing moet worden vernietigd. Dit medicijn mag NIET worden toegediend uit een gedeeltelijk gebruikte zak.

Heeft u te veel van dit medicijn toegediend gekregen?

Als u een over-infusie (teveel van dit medicijn) krijgt of als het te snel wordt toegediend, kan dit tot de volgende symptomen leiden:

  • een te hoog suikergehalte in het bloed (hyperglykemie). Symptomen kunnen zijn:

    • droge mond als gevolg van uitdroging (watertekort in het weefsel);
    • dorst;
    • vaker moeten plassen als gevolg van te hoge urine productie (osmotische diurese);
    • wazig zien;
    • vermoeidheid.
  • een te laag natriumgehalte in het bloed (hyponatriëmie). Hyponatriëmie kan leiden tot hoofdpijn, misselijkheid, insulten (epileptische aanvallen), lethargie (stoornis in motivatie en gedrag, gekenmerkt door volledige ongeïnteresseerdheid en sloomheid), coma, opzwellen van de hersenen (cerebraal oedeem) en overlijden.
  • vochtophoping in het lichaam wat zwellingen veroorzaakt (oedeem).

Wanneer een van deze verschijnselen bij u optreedt, neem dan onmiddellijk contact op met uw arts. De infusie wordt stopgezet en u wordt behandeld afhankelijk van de verschijnselen.

Als een ander medicijn toegevoegd is aan NaCl 0,3% + Glucose 3,3%, kan ook dat medicijn leiden tot verschijnselen, nog voordat u een te hoog volume toegediend krijgt. Lees de bijsluiter van het toegevoegde medicijn voor een overzicht van mogelijke verschijnselen.

Als de toediening wordt gestopt

Uw arts beslist wanneer deze infusie stopgezet wordt.

Heeft u nog andere vragen over het gebruik van dit medicijn? Neem dan contact op met uw arts of verpleegkundige.

4. Mogelijke bijwerkingen

Zoals elk medicijn kan ook dit medicijn bijwerkingen hebben. Niet iedereen krijgt daarmee te maken.

Tot de bijwerkingen die horen bij dit medicijn zelf, behoren:

  • overgevoeligheidsreacties, waaronder anafylaxie (een ernstige allergische reactie) (mogelijk symptoom bij patiënten met een allergie voor maïs).
  • een te hoog suikergehalte in het bloed (hyperglykemie).
  • een te laag natriumgehalte in het bloed dat kan verworven zijn tijdens ziekenhuisopname (nosocomiale hyponatriëmie) en een verwante neurologische aandoening (acute hyponatriëmische encefalopathie). Hyponatriëmie kan leiden tot onomkeerbaar hersenletsel en overlijden ten gevolge van cerebrale oedeem/zwelling van de hersenen (zie ook de rubriek 2 “Wanneer moet u extra voorzichtig zijn met dit medicijn?”).

Tot de bijwerkingen die te maken kunnen hebben met de wijze van toediening, behoren:

  • koorts (koortsreactie);
  • koude rillingen;
  • pruritus (jeuk) of uitslag; lokale pijn of reactie (pijn of blaasjes op de plaats van infusie);
  • irritatie en ontsteking van de ader waarin de oplossing toegediend wordt (flebitis). Dit kan leiden tot roodheid, pijn, zwelling of blaasjes langs de ader waarin de oplossing toegediend wordt.

Als een medicijn toegevoegd is aan deze oplossing voor infusie, kan ook dat toegevoegde medicijn leiden tot bijwerkingen. Deze bijwerkingen zijn afhankelijk van het toegevoegde medicijn. Lees de bijsluiter van het toegevoegde medicijn voor een overzicht van mogelijke verschijnselen.

Het melden van bijwerkingen

Krijgt u last van bijwerkingen, neem dan contact op met uw arts of verpleegkundige. Dit geldt ook voor bijwerkingen die niet in deze bijsluiter staan. In geval van bijwerkingen moet de infusie worden stopgezet. U kunt bijwerkingen ook melden via het Nederlands Bijwerkingen Centrum Lareb, website: www.lareb.nl. Door bijwerkingen te melden, helpt u ons om meer informatie te krijgen over de veiligheid van dit medicijn.

5. Hoe bewaart u dit medicijn?

Buiten het zicht en bereik van kinderen houden.

Voor NaCl 0,3 % + Glucose 3,3 % zijn er geen speciale bewaarcondities.

Dit medicijn mag NIET worden toegediend na de uiterste houdbaarheidsdatum. Die vindt u op de zak na “EXP”. Daar staat een maand en een jaar. De laatste dag van die maand is de uiterste houdbaarheidsdatum.

NaCl 0,3 % + Glucose 3,3 % mag niet worden toegediend als de oplossing deeltjes bevat of de zak op een of andere manier beschadigd is.

6. Inhoud van de verpakking en overige informatie

Welke stoffen zitten er in dit medicijn?

  • De werkzame stoffen in dit medicijn zijn:

    • glucose (suiker): 33 g per liter.
    • natriumchloride: 3 g per liter.
  • De andere stof is water voor injecties.

Hoe ziet NaCl 0,3% + Glucose 3,3% eruit en watzit er in een verpakking

NaCl 0,3% + Glucose 3,3% is een heldere oplossing die geen zichtbare deeltjes bevat. Het medicijn is verkrijgbaar in zakken van polyolefine/polyamide plastic (Viaflo). Elke zak bevindt zich in een afgesloten plastic beschermverpakking.

De verpakkingsgrootten zijn 250 ml, 500 ml en 1000 ml.

De zakken worden geleverd in kartonnen dozen. Elke doos bevat een van de volgende hoeveelheden:

  • 30 zakken van 250 ml,
  • 20 zakken van 500 ml,
  • 10 zakken van 1000 ml,
  • 12 zakken van 1000 ml.

Niet alle genoemde verpakkingsgrootten worden in de handel gebracht.

Houder van de vergunning voor het in de handel brengen en fabrikanten

Vergunninghouder:

Baxter B.V., Kobaltweg 49, 3542 CE Utrecht, Nederland

Fabrikanten:

Baxter S.A., Bd René Branquart 80, 7860 Lessines, België

Bieffe Medital S.A., Ctra de Biescas-Senegüé, 22666 Sabiñánigo (Huesca), Spanje

Dit medicijn is in het register ingeschreven onder:

RVG 29198.

Deze bijsluiter is voor het laatst goedgekeurd in oktober 2023.

De volgende informatie is alleen bestemd voor beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg:

Instructies voor verwerking en voorbereiding

Uitsluitend gebruiken als de oplossing helder is en geen zichtbare deeltjes bevat, en de zak onbeschadigd is. Onmiddellijk toedienen na inbrenging van de toedieningsset.

De zak pas vlak vóór gebruik uit de beschermverpakking nemen.

De binnenverpakking zorgt ervoor dat de steriliteit van het product behouden blijft.

Plastic zakken mogen niet in serieverbinding worden gebruikt. Dergelijk gebruik kan leiden tot luchtembolie als gevolg van achterblijvende lucht die uit de eerste zak opgezogen is, voordat de toediening van de vloeistof uit de tweede zak beëindigd is.

Het onder druk zetten van intraveneuze oplossingen in soepele plastic zakken om het debiet te verhogen kan leiden tot een luchtembolie indien de achterblijvende lucht in de zak niet volledig verwijderd is vóór toediening.

Het gebruik van een intraveneuze toedieningsset met ontluchting met open ontluchtingsventiel kan leiden tot luchtembolie. Intraveneuze toedieningssets met ontluchting met open ontluchtingsventiel mogen niet worden gebruikt met soepele plastic zakken.

Aan de hand van een aseptische techniek moet de oplossing worden toegediend met steriele apparatuur. Deze apparatuur moet worden geprimed met de oplossing om te voorkomen dat lucht binnendringt in het systeem.

Toe te voegen geneesmiddelen kunnen vóór of tijdens de infusie worden toegevoegd via de hersluitende injectiepoort. Wanneer een toe te voegen geneesmiddel gebruikt wordt, moet de toniciteit ervan worden gecontroleerd vóór parenterale toediening.

  • Uit fysisch-chemisch standpunt, moeten oplossingen met toevoegingen meteen gebruikt worden, tenzij de chemische en fysische bewaarstabiliteit vastgesteld is.
  • Uit microbiologisch standpunt moeten oplossingen met toegevoegde geneesmiddelen onmiddellijk worden gebruikt. Als de oplossing niet onmiddellijk gebruikt wordt, zijn de bewaartijden en bewaarcondities na opening van de beschermverpakking en vóór gebruik de verantwoordelijkheid van de gebruiker en zijn ze doorgaans niet langer dan 24 uur bij 2°C tot 8°C, tenzij de geneesmiddelen toegevoegd zijn onder gecontroleerde en gevalideerde aseptische omstandigheden.

Vernietigen na eenmalig gebruik.

Niet-gebruikte oplossing vernietigen.

Gedeeltelijk gebruikte zakken niet opnieuw aansluiten.

  1. 1. De beschermverpakking openen

a. Neem de Viaflo-zak pas vlak vóór gebruik uit de beschermverpakking.

b. Controleer op de aanwezigheid van kleine lekken door stevig in de binnenverpakking te knijpen. Vernietig de oplossing in geval van lekken, aangezien de steriliteit kan zijn aangetast.

c. Controleer of de oplossing helder is en geen vreemde deeltjes bevat. Vernietig de oplossing als die niet helder is of vreemde deeltjes bevat.

  1. 2. De toediening voorbereiden

Steriel materiaal gebruiken voor voorbereiding en toediening.

a. Hang de zak via het oogje omhoog aan de infuusstandaard.

b. Verwijder de plastic beschermhuls van de uitlaatpoort onderaan op de zak:

  • neem met de ene hand de kleine vleugel op de uitlaatpoort vast;
  • neem met de andere hand de grotere vleugel op de beschermhuls vast en draai die van de uitlaatpoort;
  • de beschermhuls springt los van de uitlaatpoort.

c. Pas een aseptische techniek toe om de infusie voor te bereiden.

d. Bevestig de toedieningsset. Raadpleeg de volledige gebruiksaanwijzing van de set voor de aansluiting en priming van de set en de toediening van de oplossing.

  1. 3. Technieken voor de injectie van toe te voegen geneesmiddelen

Waarschuwing: Het is mogelijk dat toe te voegen geneesmiddelen onverenigbaar zijn (zie onderstaande rubriek 5., “Gevallen van onverenigbaarheid met toe te voegen geneesmiddelen”).

Geneesmiddelen toevoegen vóór de toediening

a. Desinfecteer de injectiepoort.

b. Gebruik een spuit met een naald van 19 gauge (1,10 mm) tot 22 gauge (0,70 mm) om de hersluitende injectiepoort aan te prikken, en injecteer het toe te voegen geneesmiddel in de zak met oplossing.

c. Meng de oplossing grondig met het geneesmiddel. In geval van geneesmiddelen met een hoge densiteit zoals kaliumchloride, tik voorzichtig op de poorten terwijl die rechtop gehouden worden, en meng het geneesmiddel met de oplossing.

Opgelet: voor de bewaring van zakken met toegevoegde geneesmiddelen, zie rubriek 4. “Houdbaarheid na opening van de beschermverpakking: toegevoegde geneesmiddelen).

Geneesmiddelen toevoegen tijdens de toediening

a. Sluit de klem op de set.

b. Desinfecteer de injectiepoort.

c. Gebruik een spuit met een naald van 19 gauge (1,10 mm) tot 22 gauge (0,70 mm) om de hersluitende injectiepoort aan te prikken, en injecteer het toe te voegen geneesmiddel in de zak met oplossing.

d. Verwijder de zak van de infuusstandaard en/of houd de zak rechtop.

e. Tik voorzichtig op beide poorten om de aanwezige luchtbellen in de poorten te verwijderen, terwijl de zak rechtop gehouden wordt.

f. Meng de oplossing grondig met het geneesmiddel.

g. Hang de zak opnieuw omhoog aan de infuusstandaard, open de klem en ga verder met de toediening.

  1. 4. Houdbaarheid na opening van de beschermverpakking: toegevoegde geneesmiddelen

Vóór gebruik moeten de chemische en fysische stabiliteit van het toe te voegen geneesmiddel worden bepaald bij de zuurgraad van NaCl 0,3% + Glucose 3,3% in de Viaflo-zak.

Uit fysisch-chemisch standpunt, moeten oplossingen met toevoegingen meteen gebruikt worden, tenzij de chemische en fysische bewaarstabiliteit vastgesteld is.

Uit microbiologisch standpunt moet het verdunde product onmiddellijk worden gebruikt. Als het verdunde product niet onmiddellijk gebruikt wordt, zijn de bewaartijden en bewaarcondities na opening van de beschermverpakking en vóór gebruik de verantwoordelijkheid van de gebruiker en zijn ze doorgaans niet langer dan 24 uur bij 2°C tot 8°C, tenzij de verdunning uitgevoerd is onder gecontroleerde en gevalideerde aseptische omstandigheden.

  1. 5. Gevallen van onverenigbaarheid met toe te voegen geneesmiddelen

Zoals bij alle parenterale oplossingen, moet de verenigbaarheid van het toe te voegen geneesmiddel met de oplossing in de Viaflo-zak worden gecontroleerd alvorens dit geneesmiddel toe te voegen.

Het is de verantwoordelijkheid van de arts om de onverenigbaarheid van een toe te voegen geneesmiddel met NaCl 0,3% + Glucose 3,3% vast te stellen, door de oplossing te controleren op een mogelijke kleurverandering en/of mogelijke aanwezigheid van neerslag, niet-oplosbare complexen of kristallen. De gebruiksaanwijzing van het toe te voegen geneesmiddel moet worden geraadpleegd.

Alvorens een geneesmiddel toe te voegen, moet er worden gecontroleerd of het geneesmiddel oplosbaar en stabiel is in water bij de zuurgraad (pH: 3,5 – 6,5) van NaCl 0,3% + Glucose 3,3%.

Wanneer een verenigbaar geneesmiddel toegevoegd wordt aan NaCl 0,3% + Glucose 3,3%, moet de oplossing onmiddellijk worden toegediend, tenzij de chemische en fysische stabiliteit tijdens gebruik is bewezen.

De volgende geneesmiddelen zijn onverenigbaar met NaCl 0,3% + Glucose 3,3% (deze opsomming is informatief en onvolledig):

  • natriumampicilline;
  • mitomycine;
  • erytromycinelactobionaat;
  • humane insuline.

Vanwege het risico op hemolyse en klontervorming door de aanwezigheid van glucose mag NaCl 0,3% + Glucose 3,3% niet met dezelfde infusieapparatuur worden toegediend als waarmee vol bloed toegediend wordt.

Toe te voegen geneesmiddelen waarvan de onverenigbaarheid vastgesteld is, mogen niet worden gebruikt.

Over dit document

Bron: CBG-MEB – Geneesmiddeleninformatiebank · Registratienummer: RVG 29198

Datum van herziening volgens de tekst: 10-2023

Een fout gevonden? Schrijf ons via de contactpagina.

De informatie op deze website vervangt niet het advies van uw arts of apotheker.

Gegevens over het medicijn Natriumchloride 0,3% / 3,3% oplossing voor infusie

Afleverstatus
Alleen op recept?
  • Afleverstatus: alleen op recept (UR, uitsluitend recept)
Werkzame stoffen Glucose, Natrium (na+), Natriumchloride
Farmaceutische vorm Oplossing voor infusie
Toedieningsweg Intraveneus gebruik
Hulpstoffen Chloride (cl-), water voor injectie
ATC-indeling
  1. B Middelen voor bloed en bloedvormende organen
    1. B05 Bloedvervangingsmiddelen en perfusievloeistoffen
      1. B05B Intraveneuze oplossingen voor parenterale toediening van vocht, elektrolyten en voedingsstoffen
        1. B05BB Oplossingen die de elektrolytenbalans beïnvloeden
          1. B05BB02 electrolytes with carbohydrates
Registratiehouder Baxter B.V.
Registratie 29198 sinds 15-07-2004 Procedure: IE/H/0856/001

Bron: CBG-MEB – Geneesmiddeleninformatiebank, gegevens van 31-10-2026. Gegevens uit de Geneesmiddeleninformatiebank van het CBG-MEB, zonder garantie. Ze vervangen niet het advies van uw arts of apotheker.