Bijsluiter-info.nl

Levofloxacine STADA – SmPC

De SmPC is bedoeld voor zorgverleners. Begrijpelijke informatie voor patiënten staat in de bijsluiter: dosering, bijwerkingen, andere geneesmiddelen, zwangerschap en borstvoeding.

Bijgewerkt:
Feiten
Status:
Alleen op recept
Sterkte:
250 mg, 500 mg
Werkzame stof:

SmPC (samenvatting van de productkenmerken) - Levofloxacine STADA

1. NAAM VAN HET GENEESMIDDEL

Levofloxacine STADA 250 mg, filmomhulde tabletten

Levofloxacine STADA 500 mg, filmomhulde tabletten

2. KWALITATIEVE EN KWANTITATIEVE SAMENSTELLING

Levofloxacine STADA 250 mg, filmomhulde tabletten

Elke filmomhulde tablet bevat 256,23 mg levofloxacinehemihydraat als werkzaam bestanddeel, overeenkomend met 250 mg levofloxacine.

Hulpstof met bekend effect

Elke filmomhulde tablet bevat 3,6 mg lactosemonohydraat als onderdeel van de filmomhulling.

Levofloxacine STADA 500 mg, filmomhulde tabletten

Elke filmomhulde tablet bevat 512,46 mg levofloxacinehemihydraat als werkzaam bestanddeel, overeenkomend met 500 mg levofloxacine.

Hulpstof met bekend effect

Elke filmomhulde tablet bevat 7,2 mg lactosemonohydraat als onderdeel van de filmomhulling.

Voor de volledige lijst van hulpstoffen, zie rubriek 6.1

3. FARMACEUTISCHE VORM

Filmomhulde tablet.

Levofloxacine STADA 250 mg, filmomhulde tabletten

Roze, langwerpige, filmomhulde tablet met een breukstreep op elke zijde. De tablet is ca. 12,7 x 6,7 mm.

De filmomhulde tablet kan worden verdeeld in gelijke doses.

Levofloxacine STADA 500 mg, filmomhulde tabletten

Roze, langwerpige, filmomhulde tablet met een breukstreep op elke zijde. De tablet is ca. 17,7 x 9,2 mm.

De filmomhulde tablet kan worden verdeeld in gelijke doses.

4. KLINISCHE GEGEVENS

4.1 Therapeutische indicaties

Levofloxacine STADA is geïndiceerd bij volwassenen voor de behandeling van de volgende infecties (zie rubrieken 4.4 en 5.1):

  • Acute pyelonefritis en gecompliceerde urineweginfecties (zie rubriek 4.4)
  • Chronische bacteriële prostatitis
  • Inhalatie-anthrax: profylaxe na blootstelling en curatieve behandeling (zie rubriek 4.4)

Bij de hieronder vermelde infecties mag Levofloxacine STADA uitsluitend gebruikt worden wanneer het ongeschikt wordt geacht om andere antibacteriële middelen te gebruiken die doorgaans worden aanbevolen voor de behandeling van die infecties:

  • Acute bacteriële sinusitis
  • Acute exacerbaties van chronisch obstructief longlijden, met inbegrip van bronchitis
  • Buiten het ziekenhuis opgelopen pneumonie
  • Gecompliceerde infecties van de huid en de weke delen
  • Ongecompliceerde cystitis (zie rubriek 4.4)

Levofloxacine STADA mag ook gebruikt worden om een behandelingskuur te voltooien bij patiënten die een verbetering toonden tijdens een initiële behandeling met intraveneus levofloxacine.

De officiële richtlijnen over het juiste gebruik van antibacteriële middelen dienen in overweging te worden genomen.

4.2 Dosering en wijze van toediening

Levofloxacine STADA wordt één of twee keer per dag toegediend. De dosering is afhankelijk van het type en de ernst van de infectie en van de gevoeligheid van het vermoedelijk oorzakelijke pathogeen.

Levofloxacine STADA mag ook gebruikt worden om een behandelingskuur te voltooien bij patiënten die een verbetering toonden tijdens een initiële behandeling met intraveneus levofloxacine. Gezien de bio-equivalentie van de parenterale en orale vormen, kan dezelfde dosering gebruikt worden.

Dosering

De volgende dosisaanbevelingen kunnen gegeven worden voor Levofloxacine STADA:

Dosering voor patiënten met normale nierfunctie (creatinineklaring > 50 ml/min)

Indicatie

Schema dagdosering

(afhankelijk van de ernst van de infectie)

Duur van de behandeling
Acute bacteriële sinusitis500 mg eenmaal daags10-14 dagen
Acute bacteriële exacerbatie van chronisch obstructief longlijden, met inbegrip van bronchitis250 mg tot 500 mg eenmaal daags7-10 dagen
Pneumonie, verkregen buiten het ziekenhuis500 mg een- of tweemaal daags7-14 dagen
Acute pyelonefritis500 mg eenmaal daags7-10 dagen
Gecompliceerde urineweginfecties500 mg eenmaal daags7-14 dagen
Ongecompliceerde cystits250 mg eenmaal daags3 dagen
Chronische bacteriële prostatitis500 mg eenmaal daags28 dagen
Gecompliceerde infecties van de huid en de weke delen500 mg een- of tweemaal daags7-14 dagen
Inhalatie-anthrax500 mg eenmaal daags8 weken

Speciale patiëntengroepen

Gestoorde nierfunctie (creatinineklaring ≤ 50 ml/min)

Doseringsschema
250 mg per 24 uur500 mg per 24 uur500 mg per 12 uur
Creatinine-klaringeerste dosis: 250 mgeerste dosis: 500 mgeerste dosis: 500 mg
50 - 20 ml/min

dan: 125 mg per 24

uur

dan: 250 mg per 24

uur

dan: 250 mg per 12 uur
19 - 10 ml/min

dan: 125 mg per 48

uur

dan: 125 mg per 24

uur

dan: 125 mg per 12 uur

< 10 ml/min (incl.

hemodialyse en

CAPD)1

dan: 125 mg per 48

uur

dan: 125 mg per 24

uur

dan: 125 mg per 24 uur

1 Bij patiënten die hemodialyse of continue ambulante peritoneale dialyse (CAPD) ondergaan, zijn geen aanvullende doses vereist.

Verminderde leverfunctie

De dosis hoeft niet te worden aangepast aangezien levofloxacine niet in relevante mate door de lever wordt gemetaboliseerd en hoofdzakelijk door de nieren wordt uitgescheiden.

Ouderen

De dosering bij ouderen hoeft enkel te worden aangepast als dit op grond van de nierfunctie noodzakelijk wordt geacht (zie rubriek 4.4 ‘Tendinitis en peesruptuur’ en ‘Verlenging van het QT-interval’).

Pediatrische patiënten

Levofloxacine STADA is gecontra-indiceerd bij kinderen en adolescenten in de groeifase (zie rubriek 4.3).

Wijze van toediening

Levofloxacine STADA dient zonder pletten en met voldoende vloeistof te worden ingeslikt. De tabletten mogen gehalveerd worden op de breukstreep om de dosis aan te passen. De tabletten mogen tijdens de maaltijd of tussen de maaltijden worden ingenomen. Omdat de absorptie kan worden verminderd (zie rubriek 4.5), moet Levofloxacine STADA ten minste twee uur voor of na de toediening van ijzerzouten, zinkzouten, magnesium- of aluminiumbevattende antacida of didanosine (alleen didanosineformuleringen met aluminium of magnesium die bufferende stoffen bevatten), en sucralfaat worden ingenomen.

4.3 Contra-indicaties

Levofloxacine STADA mag niet worden gebruikt:

  • overgevoeligheid voor levofloxacine, voor andere chinolonen of voor één van de in rubriek 6.1 vermelde hulpstoffen
  • bij patiënten met epilepsie
  • bij patiënten met peesaandoeningen in de anamnese die gerelateerd zijn aan het gebruik van fluorochinolonen
  • bij kinderen of adolescenten in de groeifase
  • tijdens de zwangerschap
  • tijdens de borstvoedingsperiode

4.4 Bijzondere waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik

Bij patiënten die in het verleden ernstige bijwerkingen hebben gehad bij gebruik van producten die chinolonen of fluorochinolonen bevatten, moet het gebruik van levofloxacine worden vermeden (zie rubriek 4.8).

Behandeling van die patiënten met levofloxacine mag pas worden gestart als er geen andere behandelingsmogelijkheden zijn en na zorgvuldige evaluatie van de voordelen tegen de risico's (zie ook rubriek 4.3).

Risico op resistentie

Methicilline-resistente S. aureus bezitten zeer waarschijnlijk co-resistentie tegen fluorochinolonen, waaronder levofloxacine. Bijgevolg wordt levofloxacine niet aanbevolen voor de behandeling van bekende of vermoede MRSA-infecties, tenzij de laboratoriumresultaten de gevoeligheid van het organisme voor levofloxacine hebben bevestigd (en de gangbaar aanbevolen antibacteriële middelen voor de behandeling van MRSA-infecties als ongeschikt worden beschouwd).

Levofloxacine mag gebruikt worden bij de behandeling van acute bacteriële sinusitis en acute exacerbaties van chronische bronchitis wanneer deze infecties adequaat werden gediagnosticeerd.

De resistentie tegen fluorochinolonen van E. coli – de meest frequente pathogeen die betrokken is bij urineweginfecties – varieert in de Europese Unie. Voorschrijvende artsen wordt geadviseerd om rekening te houden met de lokale prevalentie van resistentie van E. coli tegen fluorochinolonen.

Inhalatie-anthrax: het gebruik bij de mens is gebaseerd op in vitro gevoeligheidsgegevens van Bacillus anthracis en op gegevens uit dieronderzoek samen met beperkte gegevens bij de mens. De behandelende artsen moeten verwijzen naar de nationale en/of internationale consensusdocumenten over de behandeling van anthrax.

Langdurige, invaliderende en mogelijk irreversibele ernstige bijwerkingen

Zeer zelden voorkomende gevallen van langdurige (gedurende maanden of jaren), invaliderende en mogelijk irreversibele ernstige bijwerkingen die verschillende, soms meerdere, lichaamssystemen aantasten (skeletspierstelsel, zenuwstelsel, psychisch en zintuigen), werden gemeld bij patiënten die chinolonen en fluorochinolonen kregen, ongeacht hun leeftijd en vooraf bestaande risicofactoren. Bij de eerste tekenen of symptomen van een ernstige bijwerking moet het gebruik van levofloxacine onmiddellijk worden gestaakt en moet patiënten worden geadviseerd om voor advies contact op te nemen met de arts die het middel heeft voorgeschreven.

Tendinitis en peesruptuur

Tendinitis en peesruptuur (in het bijzonder, maar niet beperkt tot de achillespees), soms bilateraal, kunnen al optreden binnen 48 uur na het begin van de behandeling met chinolonen en fluorochinolonen en het optreden ervan werd gemeld tot zelfs enkele maanden na het beëindigen van de behandeling. Het risico op tendinitis en peesruptuur is groter bij oudere patiënten, patiënten met een nierfunctiestoornis, patiënten met een transplantatie van solide organen, en patiënten die gelijktijdig worden behandeld met corticosteroïden. Daarom moet het gelijktijdige gebruik van corticosteroïden worden vermeden.

Bij het eerste teken van tendinitis (bijvoorbeeld pijnlijke zwelling, ontsteking) moet de behandeling met levofloxacine worden gestaakt en moet een andere behandeling worden overwogen. De aangetaste ledema(a)t(en) moet(en) op geschikte wijze worden behandeld (bijvoorbeeld immobilisatie). Corticosteroïden mogen niet worden gebruikt als zich tekenen van tendinopathie voordoen.

Myoclonus

Er zijn gevallen van myoclonus gemeld bij patiënten die levofloxacine kregen (zie rubriek 4.8). Het risico op myoclonus is verhoogd bij oudere patiënten en bij patiënten met nierinsufficiëntie als de dosis levofloxacine niet wordt aangepast volgens de creatinineklaring. Levofloxacine dient onmiddellijk te worden stopgezet bij het eerste optreden van myoclonus en de juiste behandeling dient te worden gestart.

Door Clostridium difficile veroorzaakte infecties

Indien er tijdens of na de behandeling met levofloxacine (inclusief enkele weken na de behandeling) diarree optreedt, in het bijzonder als deze ernstig, aanhoudend en/of bloederig is, kan dit een symptoom zijn van een door Clostridium difficile veroorzaakte infectie (CDAD: Clostridium difficile-associated disease). De ernst van CDAD kan variëren van licht tot levensbedreigend; de meest ernstige vorm ervan is pseudomembraneuze colitis (zie rubriek 4.8). Het is bijgevolg belangrijk om deze diagnose te overwegen bij patiënten die ernstige diarree ontwikkelen tijdens of na een behandeling met levofloxacine. Als CDAD wordt vermoed of bevestigd, moet de behandeling met levofloxacine onmiddellijk worden gestaakt en moet onverwijld een geschikte behandeling worden ingesteld. Middelen die de peristaltiek remmen zijn in deze klinische situatie gecontra-indiceerd.

Patiënten met aanleg voor convulsies

Chinolonen kunnen de convulsiedrempel verlagen en convulsies uitlokken. Levofloxacine is gecontra-indiceerd bij patiënten met een voorgeschiedenis van epilepsie (zie rubriek 4.3) en dient, net als andere chinolonen, met de grootste voorzichtigheid te worden gebruikt bij patiënten met aanleg voor convulsies en bij patiënten die gelijktijdig behandeld worden met werkzame stoffen die de cerebrale convulsiedrempel verlagen, zoals theofylline (zie rubriek 4.5). Indien convulsies optreden (zie rubriek 4.8), dient de behandeling met levofloxacine stopgezet te worden.

Patiënten met glucose-6-fosfaatdehydrogenasedeficiëntie

Patiënten met latente of feitelijke defecten in de glucose-6-fosfaatdehydrogenase activiteit kunnen gevoelig zijn voor hemolytische reacties indien ze behandeld worden met chinolone antibiotica. Bijgevolg dient, als levofloxacine gebruikt moet worden bij deze patiënten, het potentiële optreden van hemolyse te worden gecontroleerd.

Patiënten met een verminderde nierfunctie

Aangezien levofloxacine hoofdzakelijk door de nieren wordt uitgescheiden, moet de dosis van Levofloxacine STADA worden aangepast bij patiënten met een verminderde nierfunctie (zie rubriek 4.2).

Overgevoeligheidsreacties

Levofloxacine kan ernstige, potentieel fatale overgevoeligheidsreacties uitlokken (bv. angio-oedeem tot een anafylactische shock), soms na de eerste dosis (zie rubriek 4.8). In dit geval moet de patiënt onmiddellijk stoppen met de behandeling en contact opnemen met zijn/haar behandelend arts of een arts van de dienst spoedgevallen die de juiste eerste hulp zal verlenen.

Ernstige cutane bijwerkingen

Ernstige cutane bijwerkingen (SCAR’s) waaronder toxische epidermale necrolyse (TEN: ook bekend als het syndroom van Lyell), Stevens-Johnsonsyndroom (SJS) en geneesmiddelenreactie met eosinofilie en systemische symptomen (DRESS), die levensbedreigend of fataal kunnen zijn, werden gemeld bij het gebruik van levofloxacine (zie rubriek 4.8). Tijdens het voorschrijven dient men de patiënt te informeren over de tekenen en symptomen van ernstige huidreacties, en men dient de patiënt nauwgezet te controleren. Indien tekenen en symptomen verschijnen die deze reacties suggereren, stop dan onmiddellijk met levofloxacine en overweeg een alternatieve behandeling. Heeft de patiënt een ernstige reactie ontwikkeld, zoals SJS, TEN of DRESS, door het gebruik van levofloxacine, dan mag de behandeling met levofloxacine bij deze patiënt nooit opnieuw opgestart worden.

Dysglycemie

Zoals voor alle chinolonen werden stoornissen in de bloedglucose, waaronder hypoglycemie en hyperglycemie, gemeld Deze kwamen vaker voor bij ouderen, gewoonlijk bij diabetespatiënten die tegelijkertijd behandeld worden met een oraal hypoglycemiërend middel (bv. glibenclamide) of insuline. Er werden gevallen van hypoglycemisch coma gemeld. Bij diabetespatiënten wordt aanbevolen het bloedsuikergehalte nauwkeurig op te volgen (zie rubriek 4.8).

Behandeling met levofloxacine moet onmiddellijk worden gestopt als een patiënt een stoornis in de bloedglucose meldt en men dient een alternatieve niet-fluorochinolone antibacteriële behandeling te overwegen.

Preventie van fotosensibilisatie

Fotosensibilisatie werd gemeld met levofloxacine (zie rubriek 4.8). Patiënten wordt aangeraden zich niet onnodig bloot te stellen aan fel zonlicht of aan kunstmatige UV-straling (bv. hoogtezon, zonnebank) tijdens de behandeling en gedurende 48 uur na stopzetting van de behandeling om fotosensibilisatie te voorkomen.

Patiënten die behandeld worden met vitamine K-antagonisten

Wegens de mogelijke toename van de coagulatietesten (PT/INR) en/of bloedingen bij patiënten die behandeld worden met Levofloxacine STADA in combinatie met een vitamine K-antagonist (bv. warfarine), moeten de coagulatietesten gecontroleerd worden wanneer deze geneesmiddelen gelijktijdig worden toegediend (zie rubriek 4.5).

Psychotische reacties

Psychotische reacties zijn gemeld bij patiënten die chinolonen kregen, waaronder levofloxacine. In zeer zeldzame gevallen ontwikkelden deze zich tot suïcidale gedachten en gedrag waarbij de patiënt zichzelf in gevaar brengt – soms na slechts één enkele dosis levofloxacine (zie rubriek 4.8).

Indien deze reacties bij een patiënt optreden, dient levofloxacine te worden gestopt bij de eerste tekenen of symptomen van deze reacties, en moet patiënten geadviseerd worden om contact op te nemen met hun voorschrijver voor advies. Een alternatieve niet-fluoroquinolone antibacteriële behandeling moet worden overwogen en er dienen gepaste maatregelen genomen te worden. Voorzichtigheid is geboden bij het gebruik van levofloxacine bij psychotische patiënten of patiënten met een voorgeschiedenis van psychiatrische ziekte.

Verlenging van het QT-interval

Fluorochinolonen, levofloxacine inbegrepen, dienen met voorzichtigheid gebruikt te worden bij patiënten met bekende risicofactoren voor QT-intervalverlenging, zoals:

  • congenitaal lang QT-syndroom
  • gelijktijdig gebruik van geneesmiddelen waarvan bekend is dat zij het QT-interval verlengen (bv. klasse IA en klasse III antiaritmica, tricyclische antidepressiva, macroliden, antipsychotica)
  • niet-gecorrigeerde stoornis in de elektrolytenbalans (bv. hypokaliëmie, hypomagnesiëmie)
  • hartaandoening (bv. hartfalen, myocardinfarct, bradycardie)

Oudere patiënten en vrouwen kunnen gevoeliger zijn voor QTc-verlengende geneesmiddelen. Daarom is voor deze populaties voorzichtigheid geboden bij gebruik van fluorochinolonen, inclusief levofloxacine.

(zie de rubriek 4.2 Ouderen, 4.5, 4.8 en 4.9).

Perifere neuropathie

Bij patiënten die chinolonen en fluorochinolonen gebruiken, zijn gevallen van sensorische of sensomotorische polyneuropathie gemeld, die resulteerden in paresthesie, hypesthesie, dysesthesie of krachtsverlies. Patiënten die met levofloxacine worden behandeld, moet aangeraden worden om hun arts te informeren voordat de behandeling wordt voortgezet als zich symptomen van neuropathie ontwikkelen zoals pijn, branderig gevoel, tintelingen, doof gevoel of krachtsverlies, om de ontwikkeling van een potentieel irreversibele aandoening te voorkomen (zie rubriek 4.8).

Lever- en galaandoeningen

Gevallen van levernecrose tot fataal leverfalen werden met levofloxacine gerapporteerd, en dit vooral bij patiënten met ernstige onderliggende ziekten zoals sepsis (zie rubriek 4.8). Patiënten moet worden geadviseerd om de behandeling stop te zetten en contact op te nemen met hun arts indien zij klachten en verschijnselen van leverziekte ontwikkelen, zoals anorexia, geelzucht, donkergekleurde urine, jeuk of een gevoelige buik.

Verergering van myasthenia gravis

Fluorochinolonen, waaronder levofloxacine, hebben een neuromusculaire blokkerende werking en kunnen de spierzwakte verergeren bij patiënten met myasthenia gravis. Er zijn postmarketing ernstige bijwerkingen gemeld, waaronder sterfgevallen en de behoefte aan respiratoire ondersteuning, die in verband gebracht konden worden met het gebruik van fluorochinolonen bij patiënten met myasthenia gravis. Levofloxacine wordt niet aanbevolen bij patiënten met een bekende voorgeschiedenis van myasthenia gravis.

Oogaandoeningen

Indien het zicht verminderd is of enig ander effect op de ogen wordt waargenomen, dient onmiddellijk een oogarts geraadpleegd te worden (zie rubrieken 4.7 en 4.8).

Superinfectie

Het gebruik van levofloxacine, in het bijzonder indien langdurig, kan leiden tot overgroei van niet-gevoelige organismen. Als tijdens de behandeling een superinfectie optreedt, dienen gepaste maatregelen te worden genomen.

Interferentie met laboratoriumtesten

Bij patiënten die met levofloxacine behandeld worden, kan de bepaling van opiaten in de urine vals-positieve resultaten opleveren. Het kan nodig zijn om positieve opiaattesten door meer specifieke methoden te bevestigen.

Levofloxacine kan de groei van Mycobacterium tuberculosis remmen en kan bijgevolg vals-negatieve resultaten geven bij de bacteriologische diagnose van tuberculose.

Aorta-aneurysma, aorta dissectie en hartklepregurgitatie/-incompetentie

In epidemiologische studies wordt melding gemaakt van een verhoogd risico op aorta-aneurysma en aorta dissectie, met name bij de oudere populatie, en van aortaklep- en mitralisklepregurgitatie na gebruik van fluorochinolone. Er zijn gevallen gemeld van aorta-aneurysma en aortadissectie, soms gecompliceerd door scheuringen (waaronder fatale), en van regurgitatie/incompetentie van één van de hartkleppen bij patiënten die fluorochinolonen toegediend kregen (zie rubriek 4.8).

Fluorochinolonen mogen daarom alleen worden gebruikt na een zorgvuldige afweging van de voordelen tegen de risico’s en na afweging van andere therapeutische opties bij patiënten met een positieve familiaire voorgeschiedenis van aneurysma of bij patiënten bij wie een reeds bestaand(e) aorta aneurysma en/of aorta dissectie zijn/is vastgesteld of bij aanwezigheid van andere risicofactoren of predisponerende aandoeningen voor aorta-aneurysma en aorta dissectie

  • voor zowel aorta-aneurysma en aortadissectie als hartklepregurgitatie/-incompetentie (bijvoorbeeld bindweefselaandoeningen zoals Marfansyndroom of vasculair Ehlers-Danlossyndroom, syndroom van Turner, Takayasu-arteritis, reuzencelarteritis, ziekte van Behçet, hypertensie, reumatoïde artritis bekende atherosclerose) of bijkomend
  • voor aorta-aneurysma en aortadissectie (bijvoorbeeld bloedvataandoeningen zoals Takayasu-arteritis of reuzencelarteritis, of bekende atherosclerose, of Sjögren-syndroom) of bijkomend
  • voor hartklepregurgitatie/-incompetentie (bijvoorbeeld infectieuze endocarditis).

Het risico op aorta-aneurysma en aortadissectie, en scheuring daarvan, kan ook verhoogd zijn bij patiënten die gelijktijdig worden behandeld met systemische corticosteroïden.

Patiënten dienen erop te worden gewezen dat ze in geval van plotselinge buik- borst- of rugpijn onmiddellijk een arts op een spoedafdeling moeten raadplegen.

Patiënten dienen erop gewezen te worden dat ze onmiddellijk medische hulp moeten inroepen in geval van acute dyspneu, bij beginnende hartpalpitaties, of bij de ontwikkeling van oedeem in de buik of onderste ledematen.

Acute pancreatitis

Acute pancreatitis kan worden waargenomen bij patiënten die levofloxacine gebruiken. Patiënten moeten worden geïnformeerd over de kenmerkende symptomen van acute pancreatitis. Patiënten die misselijkheid, malaise, ongemak in de buik, acute buikpijn of braken ervaren, moeten onmiddellijk medisch worden geëvalueerd. Als acute pancreatitis wordt vermoed, moet levofloxacine worden stopgezet; indien bevestigd, mag levofloxacine niet opnieuw worden gestart. Voorzichtigheid is geboden bij patiënten met een voorgeschiedenis van pancreatitis (zie rubriek 4.8).

Bloedaandoeningen

Beenmergfalen, waaronder leukopenie, neutropenie, pancytopenie, hemolytische anemie, trombocytopenie, aplastische anemie of agranulocytose, kunnen zich ontwikkelen tijdens de behandeling met levofloxacine (zie rubriek 4.8). Als een van deze bloedaandoeningen wordt vermoed, moet het bloedbeeld worden gecontroleerd. In geval van abnormale resultaten dient stopzetting van de behandeling met levofloxacine te worden overwogen.

Hulpstoffen

Patiënten met zeldzame erfelijke aandoeningen als galactose-intolerantie, algehele lactase-deficiëntie of glucose-galactose malabsorptie dienen dit geneesmiddel niet te gebruiken.

Dit middel bevat minder dan 1 mmol natrium (23 mg) per tablet, dat wil zeggen dat het in wezen

“natriumvrij” is.

4.5 Interacties met andere geneesmiddelen en andere vormen van interactie

Invloed van andere geneesmiddelen op Levofloxacine STADA

IJzerzouten, zinkzouten, antacida op basis van magnesium of aluminium, didanosine

De absorptie van levofloxacine wordt aanzienlijk verminderd wanneer ijzerzouten, antacida op basis van magnesium of aluminium, of didanosine (alleen didanosineformuleringen met aluminium of magnesium die bufferende stoffen bevatten) gelijktijdig met levofloxacinetabletten worden toegediend. De gelijktijdige toediening van fluorochinolonen met multivitaminen die zink bevatten, lijkt hun orale absorptie te verminderen. Er wordt aanbevolen om preparaten op basis van di- of trivalente kationen zoals ijzerzouten, zinkzouten, antacida op basis van magnesium of aluminium, of didanosine (alleen didanosineformuleringen met aluminium of magnesium die bufferende stoffen bevatten) niet binnen 2 uur voor of na de inname van levofloxacinetabletten in te nemen (zie rubriek 4.2). Calciumzouten hebben een minimaal effect op de orale absorptie van levofloxacine.

Sucralfaat

De biologische beschikbaarheid van levofloxacine is significant verminderd bij gelijktijdige toediening van sucralfaat. Indien de patiënt tegelijkertijd sucralfaat en levofloxacine moet innemen, dan kan sucralfaat best 2 uur na de inname van levofloxacine worden toegediend (zie rubriek 4.2).

Theofylline, fenbufen en vergelijkbare niet-steroïdale anti-inflammatoire geneesmiddelen

Een klinische studie toonde geen farmacokinetische interactie tussen levofloxacine en theofylline aan. De drempel voor cerebrale convulsies kan echter wel uitgesproken dalen wanneer chinolonen samen met theofylline, niet-steroïdale anti-inflammatoire geneesmiddelen of andere producten die de epilepsiedrempel verlagen, worden toegediend.

De concentratie van levofloxacine was ongeveer 13% hoger in aanwezigheid van fenbufen dan wanneer het alleen gegeven werd.

Probenecide en cimetidine

Probenecide en cimetidine hebben een statistisch significant effect op de eliminatie van levofloxacine. Cimetidine en probenecide verlagen de renale klaring van levofloxacine met respectievelijk 24% en 34%. Dat komt omdat beide producten de renale tubulaire secretie van levofloxacine kunnen blokkeren. Het is echter onwaarschijnlijk dat, bij de doseringen getest in de studie, de statistisch significante kinetische verschillen klinisch relevant zijn.

Voorzichtigheid is geboden indien levofloxacine gelijktijdig wordt gegeven met geneesmiddelen die de renale tubulaire secretie beïnvloeden zoals probenecide en cimetidine, vooral bij patiënten met een gestoorde nierfunctie.

Andere relevante informatie

Klinisch-farmacologische studies hebben aangetoond dat de farmacokinetiek van levofloxacine niet in klinisch relevante mate beïnvloed werd bij gelijktijdige toediening van levofloxacine en de volgende geneesmiddelen: calciumcarbonaat, digoxine, glibenclamide, ranitidine.

Invloed van Levofloxacine STADA op andere geneesmiddelen

Ciclosporine

De halfwaardetijd van ciclosporine nam met 33% toe bij gelijktijdige toediening van levofloxacine.

Vitamine K-antagonisten

Bij patiënten die behandeld werden met levofloxacine in combinatie met een vitamine K-antagonist (bv. warfarine), werden verhoogde coagulatietesten (PT/INR) en/of bloedingen, die ernstig kunnen zijn, gemeld. De coagulatietesten moeten derhalve gecontroleerd worden bij patiënten die behandeld worden met vitamine K-antagonisten (zie rubriek 4.4).

Geneesmiddelen waarvan bekend is dat ze het QT-interval verlengen

Zoals andere fluorochinolonen dient levofloxacine met voorzichtigheid gebruikt te worden bij patiënten die reeds met geneesmiddelen behandeld worden waarvan bekend is dat zij het QT-interval verlengen (bv. klasse IA en klasse III anti-aritmica, tricyclische antidepressiva, macroliden, antipsychotica) (zie rubriek 4.4, Verlenging van het QT-interval).

Andere relevante informatie

In een farmacokinetische interactiestudie had levofloxacine geen invloed op de farmacokinetiek van theofylline (dat een probe substraat is voor CYP1A2), wat erop wijst dat levofloxacine geen CYP1A2-inhibitor is.

Andere vormen van interactie

Voedsel

Er werd geen klinisch significante interactie waargenomen met voedsel. Levofloxacine STADA mag dus worden toegediend zonder rekening te houden met de inname van voedsel.

4.6 Vruchtbaarheid, zwangerschap en borstvoeding

Zwangerschap

Er is een beperkte hoeveelheid gegevens over het gebruik van levofloxacine bij zwangere vrouwen. De resultaten van dieronderzoek duiden niet op directe of indirecte schadelijke effecten wat betreft reproductietoxiciteit (zie rubriek 5.3).

Echter, in afwezigheid van gegevens bij de mens en omdat experimentele gegevens een risico op beschadiging van het gewichtsdragende kraakbeen bij het groeiende organisme door fluorochinolonen suggereren, mag levofloxacine niet door zwangere vrouwen worden gebruikt (zie rubrieken 4.3 en 5.3).

Borstvoeding

Levofloxacine is gecontra-indiceerd bij vrouwen die borstvoeding geven. Er is onvoldoende informatie over de uitscheiding van levofloxacine in de moedermelk bij de mens; andere fluorochinolonen worden echter uitgescheiden in de moedermelk. In afwezigheid van gegevens bij de mens en omdat experimentele gegevens een risico op beschadiging van het gewichtsdragende kraakbeen bij het groeiende organisme door fluorochinolonen suggereren, mag levofloxacine niet worden gebruikt door vrouwen die borstvoeding geven (zie rubrieken 4.3 en 5.3).

Vruchtbaarheid

Levofloxacine veroorzaakte geen afname van de vruchtbaarheid of het reproductievermogen bij ratten.

4.7 Beïnvloeding van de rijvaardigheid en het vermogen om machines te bedienen

Levofloxacine STADA heeft lichte of gematigde invloed op de rijvaardigheid en het gebruik van machines. Sommige bijwerkingen (bv. duizeligheid/vertigo, sufheid, gezichtsstoornissen) kunnen het concentratie- en reactievermogen verminderen en daarom een risico vormen in situaties waarin deze vaardigheden van bijzonder belang zijn (zoals bij het besturen van een voertuig of het bedienen van machines).

4.8 Bijwerkingen

De onderstaande informatie is afkomstig van klinische studies die werden uitgevoerd bij meer dan 8300 patiënten, en van uitgebreide postmarketingervaring.

De frequenties worden gedefinieerd volgens de volgende conventie: zeer vaak (≥1/10), vaak (≥1/100, <1/10), soms (≥1/1.000, <1/100), zelden (≥1/10.000, <1/1.000), zeer zelden (<1/10.000), niet bekend (kan met de beschikbare gegevens niet worden bepaald).

Binnen iedere frequentiegroep worden bijwerkingen gerangschikt naar afnemende ernst.

Tabel met bijwerkingen:

Systeem/OrgaanklasseVaakSomsZeldenNiet bekend
Infecties en parasitaire aandoeningen

Schimmelinfectie s waaronder Candida infectie,

Resistentie van pathogenen.

Bloed- en lymfestelselaandoeningen

Leukopenie,

Eosinofilie.

Trombo-cytopenie,

Neutropenie.

Beenmergfalen inclusief aplastische anemie, pancytopenie, agranulocytose, hemolytische anemie.
Immuunsysteem-aandoeningen

Angio-oedeem,

Overgevoelig-heid (zie rubriek 4.4).

Anafylactische shocka,

Anafylactoïde shocka (zie rubriek 4.4).

Endocriene aandoeningenSyndroom van inadequate secretie van antidiuretisch hormoon (SIADH).
Voedings- en stofwisselingsstoornissenAnorexia.Hypoglycemi e in het bijzonder bij diabetes-patiënten, hypo-glycemischeHyperglycemie, (zie rubriek 4.4).
Systeem/OrgaanklasseVaakSomsZeldenNiet bekend
coma (zie rubriek 4.4).
Psychische stoornissen*Slapeloos-heid.

Angst ,

Verwarde toestand,

Zenuwachtigheid.

Psychotische reacties (met bv. hallucina-ties, paranoia)

Depressie,

Agitatie,

Abnormale dromen,

Nachtmerries,

Delirium.

Psychotische stoornissen met gedrag waarbij de patiënt zichzelf in gevaar brengt, waaronder suïcidale gedachten of suïcidale pogingen (zie rubriek 4.4) manie
Zenuwstelsel-aandoeningen*

Hoofdpijn,

Duizelig-heid.

Slaperigheid,

Tremor,

Dysgeusie.

Convulsies (zie rubrieken 4.3 en 4.4),

Paresthesieën,

Geheugen-vermindering.

Perifere sensorische neuropathie (zie rubriek 4.4),

Perifere sensomotorische neuropathie (zie rubriek 4.4),

Parosmie met inbegrip van anosmie

Dyskinesie,

Extrapiramidale stoornis,

Ageusie,

Syncope,

Goedaardige intracraniale hypertensie, myoclonus

Oogaandoeningen *Gezichts-stoornissen zoals wazig zicht (zie rubriek 4.4.).

Tijdelijk gezichtsverlies (zie rubriek 4.4.),

Uveïtis.

Evenwichtsorgaan- en ooraandoeningen *Vertigo.Tinnitus.

Gehoorverlies,

Verminderd gehoor.

Hartaandoeningen**Tachycardie, Palpitaties.

Ventriculaire tachycardie die kan leiden tot hartstilstand,

Ventriculaire aritmie en torsade de pointes (voornamelijk gerapporteerd bij patiënten met risicofactoren voor QT-verlenging),

Systeem/OrgaanklasseVaakSomsZeldenNiet bekend
verlenging van het QT-interval op het elektrocardiogram (zie rubrieken 4.4 en 4.9).
Bloedvataandoeningen**

Alleen van toepassing op de i.v. vorm:

Flebitis.

Hypotensie.
Ademhalingsstelsel-, borstkas- en mediastinumaandoeninge nDyspneu.

Bronchospasme,

Allergische pneumonitis.

Maagdarmstelsel-aandoeningen

Diarree,

Braken,

Misselijk-heid.

Buikpijn,

Dyspepsie,

Flatulentie,

Constipatie.

Hemorragische diarree die in zeer zeldzame gevallen kan wijzen op enterocolitis, inclusief pseudomembraneuz e colitis (zie rubriek 4.4),

Pancreatitis (zie rubriek 4.4).

Lever- en galaandoeningenVerhoogde leverenzy-men (ALAT/ ASAT, alkalisch fosfatase, GGT).Verhoogd bilirubine in het bloed.

Geelzucht en ernstige leverbeschadiging, inclusief gevallen met fataal acuut leverfalen, voornamelijk bij patiënten met ernstige onderliggende ziekten (zie rubriek 4.4),

Hepatitis.

Huid- en onderhuidaandoeningenb

Rash,

Pruritus,

Urticaria,

Hyperhidrose.

Genees-middelen-reactie met eosinofilie en systemische symptomen (DRESS) (zie rubriek 4.4),

Fixed-drug eruption.

Toxische epidermale necrolyse,

Stevens-Johnson-syndroom,

Erythema multiforme,

Fotosensibiliteits-reactie (zie rubriek 4.4),

Leukocytoclastisch e vasculitis,

Systeem/OrgaanklasseVaakSomsZeldenNiet bekend
Stomatitis, Hyperpigmentatie van de huid
Skeletspierstelsel- en bindweefselaandoeningen*

Artralgie,

Myalgie.

Peesaandoeni ngen (zie rubrieken 4.3 en 4.4) inclusief tendinitis (bv. achillespees),

Spierzwakte die van bijzonder belang kan zijn bij patiënten met myasthenia gravis (zie rubriek 4.4 ).

Rabdomyolyse,

Peesruptuur (bv. achillespees) (zie rubrieken 4.3 en 4.4),

Ligamentruptuur,

Spierruptuur,

Artritis.

Nier- en urinewegaandoeningenVerhoogd creatinine in het bloed.Acuut nierfalen (bv. als gevolg van interstitiële nefritis).
Algemene aandoeningen en toedieningsplaatsstoorniss en*

Alleen van toepassing op de i.v. vorm:

Reactie op de infusieplaat s (pijn, roodheid).

Asthenie.Pyrexie.Pijn (waaronder pijn in de rug, de borst en de ledematen).

a Anafylactische en anafylactoïde reacties kunnen soms zelfs na de eerste dosis optreden.

b Mucocutane reacties kunnen soms zelfs na de eerste dosis optreden.

Andere bijwerkingen die in verband werden gebracht met de toediening van fluorochinolonen, zijn onder meer:

  • aanvallen van porfyrie bij patiënten met porfyrie

* Zeer zelden voorkomende gevallen van langdurige (tot maanden of jaren), invaliderende en potentieel irreversibele ernstige bijwerkingen die verschillende, soms meerdere, systeem/orgaanklassen en zintuigen aantasten (waaronder bijwerkingen zoals tendinitis, peesruptuur, artralgie, pijn in extremiteiten, loopstoornis, neuropathieën geassocieerd met paresthesie en neuralgie, vermoeidheid, psychiatrische symptomen (waaronder slaapstoornissen, angst, paniekaanvallen, depressie en zelfmoordgedachten), geheugen- en concentratiestoornissen, en vermindering van gehoor, gezichtsvermogen, smaak- en reukzin), werden gemeld in verband met het gebruik van chinolonen en fluorochinolonen, in sommige gevallen ongeacht vooraf bestaande risicofactoren (zie rubriek 4.4).

** Gevallen van aorta-aneurysma en -dissectie, soms gecompliceerd door scheuring (inclusief fatale gvallen), en van regurgitatie/onvermogen van één van de hartkleppen, werden gemeld bij patiënten die fluorochinolones toegediend kregen (zie rubriek 4.4)..

Melding van vermoedelijke bijwerkingen

Het is belangrijk om na toelating van het geneesmiddel vermoedelijke bijwerkingen te melden. Op deze wijze kan de verhouding tussen voordelen en risico’s van het geneesmiddel voortdurend worden gevolgd. Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg wordt verzocht alle vermoedelijke bijwerkingen te melden via Nederlands Bijwerkingen Centrum Lareb, website: www.lareb.nl.

4.9 Overdosering

Volgens toxicologisch onderzoek bij dieren of klinisch farmacologisch onderzoek uitgevoerd met supratherapeutische doses, zijn als belangrijkste symptomen na acute overdosis met Levofloxacine STADA tabletten te verwachten: symptomen van het centrale zenuwstelsel zoals verwardheid, duizeligheid, bewustzijnsstoornissen, convulsies en verlenging van het QT-interval, alsook gastro-intestinale reacties zoals misselijkheid en erosie van de slijmvliezen.

In de postmarketingperiode zijn effecten op het centrale zenuwstelsel waaronder een verwarde toestand, convulsies, myoclonus, hallucinaties en tremor waargenomen.

Bij overdosering dient een symptomatische behandeling te worden ingesteld. Gezien de mogelijkheid van een verlenging van het QT-interval moet ECG-monitoring worden uitgevoerd. Antacida kunnen ter bescherming van het maagslijmvlies worden gebruikt. Hemodialyse, inclusief peritoneale dialyse en CAPD, is niet effectief om levofloxacine uit het lichaam te verwijderen. Er bestaat geen specifiek antidotum.

5. FARMACOLOGISCHE EIGENSCHAPPEN

5.1 Farmacodynamische eigenschappen

Farmacotherapeutische categorie: antibacteriële middelen van het chinolone-type, fluorochinolonen

ATC-code: J01MA12

Levofloxacine is een synthetisch antibacterieel middel uit de klasse van de fluorochinolonen. Levofloxacine is het S-enantiomeer (linksdraaiende vorm) van de racemische actieve stof ofloxacine.

Werkingsmechanisme

Zoals de andere antibacteriële middelen uit de klasse van de fluorochinolonen werkt levofloxacine op het DNA - DNA-gyrasecomplex en op het topo-isomerase IV.

PK/PD-relaties

De graad van de bactericide-activiteit van levofloxacine hangt af van de verhouding tussen de maximale serumconcentratie (Cmax) of de oppervlakte onder de curve (“area under the curve” of AUC), en de minimale inhiberende concentratie (MIC).

Resistentiemechanisme

De resistentie tegen levofloxacine is verworven door een stapsgewijs proces van mutaties op de targetplaats in beide type II topo-isomerasen, DNA-gyrase en topo-isomerase IV. Andere resistentiemechanismen zoals permeatiebarrières (frequent bij Pseudomonas aeruginosa) en effluxmechanismen kunnen ook invloed hebben op de gevoeligheid voor levofloxacine.

Er werd kruisresistentie tussen levofloxacine en andere fluorochinolonen waargenomen. Gezien het werkingsmechanisme bestaat er in het algemeen geen kruisresistentie tussen levofloxacine en andere klassen van antibacteriële middelen.

Breekpunten

De MIC-breekpunten voor levofloxacine aanbevolen door EUCAST, die een onderscheid maken tussen gevoelige organismen en gevoelige organismen bij verhoogde blootstelling en tussen gevoelige organismen bij verhoogde blootstelling en resistente organismen, worden vermeld in onderstaande tabel van de MIC-testen (mg/l).

De klinische MIC-breekpunten voor levofloxacine van EUCAST (versie 10.0, 2020-01-01):

PathogeenGevoeligResistent
Enterobacterales≤ 0,5 mg/l> 1 mg/l
Pseudomonas spp.≤ 0,001 mg/l> 1 mg/l
Acinetobacter spp.≤ 0,5 mg/l> 1 mg/l

Staphylococcus spp.

Coagulase-negatieve stafylococci

≤ 0,001 mg/l> 1 mg/l
Enterococcus spp.1≤ 4 mg/l> 4 mg/l
Streptococcus pneumoniae≤ 0,001 mg/l> 2 mg/l
Streptococcus groepen A,B,C en G≤ 0,001 mg/l> 2 mg/l
Haemophilus influenzae2≤ 0,06 mg/l> 0,06 mg/l
Moraxella catarrhalis≤ 0,125 mg/l> 0,125 mg/l
Helicobacter pylori≤ 1 mg/l> 1 mg/l
Aerococcus sanguinicola en urinae2≤ 2 mg/l> 2 mg/l
Aeromonas spp.≤ 0,5 mg/l> 1 mg/l
PK-PD (niet species-gerelateerde) breekpunten4≤ 0,5 mg/l> 1 mg/l

1 Enkel bij niet gecompliceerde urineweginfecties

2 De gevoeligheid kan worden afgeleid van de ciprofloxacine gevoeligheid.

De prevalentie van resistentie kan voor bepaalde species geografisch en mettertijd variëren. Het is wenselijk informatie op te vragen over de lokale stand van resistentie, vooral bij behandeling van ernstige infecties. Indien nodig dient men de mening van een expert te vragen in gevallen waar het plaatselijk optreden van resistentie dusdanig is dat het nut van het actieve bestanddeel voor ten minste sommige infectietypen twijfelachtig is.

Gewoonlijk gevoelige soorten

Aerobe grampositieve bacteriën

Bacillus anthracis

Staphylococcus aureus methicilline-gevoelig

Staphylococcus saprophyticus

Streptococci, groep C en G

Streptococcus agalactiae

Streptococcus pneumoniae

Streptococcus pyogenes

Aerobe gramnegatieve bacteriën

Eikenella corrodens

Haemophilus influenzae

Haemophilus para-influenzae

Klebsiella oxytoca

Moraxella catarrhalis

Pasteurella multocida

Proteus vulgaris

Providencia rettgeri

Anaerobe bacteriën

Peptostreptococcus

Andere

Chlamydophila pneumoniae

Chlamydophila psittaci

Chlamydia trachomatis

Legionella pneumophila

Mycoplasma pneumoniae

Mycoplasma hominis

Ureaplasma urealyticum

Soorten waarvoor verworven resistentie een probleem kan zijn

Aerobe grampositieve bacteriën

Enterococcus faecalis

Staphylococcus aureus methicilline-resistent*

Coagulase negatieve Staphylococcus spp

Aerobe gramnegatieve bacteriën

Acinetobacter baumannii

Citrobacter freundii

Enterobacter aerogenes

Enterobacter cloacae

Escherichia coli

Klebsiella pneumoniae

Morganella morganii

Proteus mirabilis

Providencia stuartii

Pseudomonas aeruginosa

Serratia marcescens

Anaerobe bacteriën

Bacteroides fragilis

Inherent resistente stammen

Aerobe grampositieve bacteriën

Enterococcus faecium

* Methicilline-resistente S. aureus vertoont zeer waarschijnlijk co-resistentie tegen fluorochinolonen, waaronder levofloxacine.

5.2 Farmacokinetische eigenschappen

Absorptie

Na orale toediening wordt levofloxacine snel en bijna volledig geabsorbeerd. De maximale plasmaconcentratie wordt binnen 1-2 uur bereikt. De absolute biologische beschikbaarheid bedraagt 99 - 100%.

Voedselinname heeft weinig effect op de absorptie van levofloxacine.

De steady state wordt bereikt binnen 48 uur na een doseringsschema van 500 mg een- of tweemaal daags.

Distributie

Ongeveer 30 - 40% van levofloxacine wordt gebonden aan serumproteïnen.

Het gemiddelde distributievolume van levofloxacine bedraagt ongeveer 100 l na enkelvoudige en herhaalde toediening van doses van 500 mg, wat wijst op een uitgebreide distributie in de lichaamsweefsels.

Penetratie in weefsels en lichaamsvocht

Er werd aangetoond dat levofloxacine penetreert in bronchiale mucosa, epitheelvloeistof, alveolaire macrofagen, longweefsel, huid (blaarvocht), prostaatweefsel en urine. Levofloxacine penetreert echter slecht in cerebrospinaal vocht.

Biotransformatie

Levofloxacine wordt nauwelijks gemetaboliseerd. Zijn metabolieten zijn desmethyl-levofloxacine en levofloxacine-N-oxide. Deze metabolieten maken minder dan 5% uit van de dosis die via de urine wordt uitgescheiden. Levofloxacine is stereochemisch stabiel en ondergaat geen chirale inversie.

Eliminatie

Na orale en intraveneuze toediening verloopt de eliminatie van levofloxacine uit het plasma betrekkelijk traag (t½: 6 – 8 uur). Levofloxacine wordt vooral door de nieren uitgescheiden (>85% van de toegediende dosis).

De gemiddelde schijnbare totale lichaamsklaring van levofloxacine na een enkelvoudige dosis van 500 mg bedroeg 175 +/- 29,2 ml/min.

Er zijn geen grote verschillen in de farmacokinetiek van levofloxacine na intraveneuze of orale toediening, waaruit kan worden afgeleid dat deze beide toegangswegen inwisselbaar zijn.

Lineariteit

Levofloxacine volgt een lineaire farmacokinetiek over een interval van 50 tot 1000 mg.

Speciale populaties

Patiënten met nierinsufficiëntie

De farmacokinetiek van levofloxacine wordt beïnvloed door nierinsufficiëntie. Naarmate de nierfunctie afneemt, verminderen de eliminatie en de renale klaring van levofloxacine en stijgt de eliminatiehalfwaardetijd zoals in de onderstaande tabel wordt getoond:

Farmacokinetiek bij nierinsufficiëntie na toediening van een enkelvoudige orale dosis van 500 mg

Clcr [ml/min]< 2020 - 4950 - 80
ClR [ml/min]132657
t1/2 [uur]35279

Ouderen

Er bestaan geen grote verschillen in de farmacokinetiek van levofloxacine tussen jonge en oudere personen, met uitzondering van de verschillen die te maken hebben met de creatinineklaring.

Verschillen tussen de geslachten

Een afzonderlijke analyse bij mannen en vrouwen wees op geringe tot marginale verschillen tussen de geslachten in de farmacokinetiek van levofloxacine. Er zijn geen aanwijzingen dat deze verschillen tussen de geslachten van klinisch belang zijn.

5.3 Gegevens uit het preklinisch veiligheidsonderzoek

Niet-klinische gegevens duiden niet op een speciaal risico voor mensen. Deze gegevens zijn afkomstig van conventioneel onderzoek op het gebied van toxiciteit bij enkelvoudige dosering, toxiciteit bij herhaalde dosering, carcinogeen potentieel, en reproductie- en ontwikkelingstoxiciteit.

Levofloxacine had geen negatief effect op de vruchtbaarheid of het reproductievermogen bij ratten en het enige gevolg voor de foetus was een vertraagde maturatie ten gevolge van de toxiciteit bij het moederdier.

Levofloxacine veroorzaakte geen genmutaties in bacteriële cellen of zoogdiercellen, maar leidde wel tot chromosoomafwijkingen in de longcellen van Chinese hamsters in vitro. Deze effecten kunnen toegeschreven worden aan de inhibitie van topo-isomerase II. Uit de in vivo testen (testen op microkernen, uitwisseling van zusterchromatiden, onvoorziene DNA-synthese, letale dominantietest) bleek geen enkel genotoxisch potentieel.

Studies bij muizen toonden aan dat levofloxacine enkel in zeer hoge doses fototoxische activiteit heeft. Levofloxacine vertoonde geen genotoxische effecten in een fotomutageniciteitsstudie en verminderde de tumorontwikkeling in een fotocarcinogeniciteitsstudie.

Net als andere fluorochinolonen heeft levofloxacine effecten op het kraakbeen (vorming van blaren en holtes) bij ratten en honden. Deze effecten waren meer uitgesproken bij jonge dieren.

6. FARMACEUTISCHE GEGEVENS

6.1 Lijst van hulpstoffen

Kern van de tablet:

Microkristallijne cellulose type 102

Gepoederd cellulose

Voorverstijfseld zetmeel (van graan)

Maïszetmeel

Crospovidon type A

Povidon K25

Natriumstearylfumaraat

Omhulling van de tablet:

Lactosemonohydraat

Hypromellose

Titaniumdioxide (E171)

Macrogol 4000

IJzeroxide geel (E172)

IJzeroxide rood (E172)

IJzeroxide zwart (E172)

6.2 Gevallen van onverenigbaarheid

Niet van toepassing.

6.3 Houdbaarheid

5 jaar

6.4 Speciale voorzorgsmaatregelen bij bewaren

Voor dit geneesmiddel zijn er geen speciale bewaarcondities.

6.5 Aard en inhoud van de verpakking

PVC-aluminium blisterverpakkingen.

Verpakkingen met 2, 5, 7, 10, 20, 30, 50 filmomhulde tabletten.

Niet alle genoemde verpakkingsgrootten worden in de handel gebracht.

Niet alle genoemde verpakkingsgrootten worden in de handel gebracht.

6.6 Speciale voorzorgsmaatregelen voor het verwijderen en andere instructies

Al het ongebruikte geneesmiddel of afvalmateriaal dient te worden vernietigd overeenkomstig lokale voorschriften.

7. HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN

STADA Arzneimittel AG

Stadastrasse 2 – 18

61118 Bad Vilbel

Duitsland

8. NUMMER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN

RVG 104005, Levofloxacine STADA 250 mg, filmomhulde tabletten

RVG 104011, Levofloxacine STADA 500 mg, filmomhulde tabletten

9. DATUM VAN EERSTE VERLENING VAN DE VERGUNNING/HERNIEUWING VAN DE VERGUNNING

Datum van eerste verlening van de vergunning: 2 november 2010

Datum van laatste verlenging: 15 juni 2013

10. DATUM VAN GOEDKEURING/HERZIENING VAN DE TEKST

Laatste gedeeltelijke wijziging betreft de rubrieken 4.4, 4.6 – 4.9, 5.1 en de opmaak: 22 mei 2025

Over dit document

Bron: CBG-MEB – Geneesmiddeleninformatiebank · Registratienummer: RVG 104011

Datum van herziening volgens de tekst: 22-05-2025

Een fout gevonden? Schrijf ons via de contactpagina.

De informatie op deze website vervangt niet het advies van uw arts of apotheker.

Gegevens over het medicijn Levofloxacine STADA

Afleverstatus
Alleen op recept?
  • Afleverstatus: alleen op recept (UR, uitsluitend recept)
Werkzame stof Levofloxacine
Toedieningsweg Oraal gebruik
Hulpstoffen
cellulose, gepoederd (e 460(ii)), cellulose, microkristallijn (e 460(i)), crospovidon (e 1202), hypromellose (e 464) … (+10)+

cellulose, gepoederd (e 460(ii)), cellulose, microkristallijn (e 460(i)), crospovidon (e 1202), hypromellose (e 464), ijzeroxide geel (e 172), ijzeroxide rood (e 172), ijzeroxide zwart (e 172), lactose 1-water, macrogol 4000, maïszetmeel, natriumstearylfumaraat, povidon k 25 (e 1201), titaandioxide (e 171), zetmeel, gepregelatineerd

ATC-indeling
  1. J Anti-infectieuze middelen voor systemisch gebruik
    1. J01 Antibacteriële middelen voor systemisch gebruik
      1. J01M Chinolonen
        1. J01MA Fluorochinolonen, systemisch
          1. J01MA12 Levofloxacine
Registratiehouder Stada Arzneimittel AG
Sterkten en vormen
  • 250 mg filmomhulde tablet 104005
  • 500 mg filmomhulde tablet 104011
Registratie 104005, 104011

Bron: CBG-MEB – Geneesmiddeleninformatiebank, gegevens van 31-10-2026. Gegevens uit de Geneesmiddeleninformatiebank van het CBG-MEB, zonder garantie. Ze vervangen niet het advies van uw arts of apotheker.