Bijsluiter-info.nl

Gemcitabine Eugia 40 mg/ml – SmPC

De SmPC is bedoeld voor zorgverleners. Begrijpelijke informatie voor patiënten staat in de bijsluiter: dosering, bijwerkingen, andere geneesmiddelen, zwangerschap en borstvoeding.

Bijgewerkt:
Feiten
Status:
Alleen op recept
Sterkte:
40 mg/ml
Werkzame stof:

SmPC (samenvatting van de productkenmerken) - Gemcitabine Eugia

1. NAAM VAN HET GENEESMIDDEL

Gemcitabine Eugia 40 mg/ml, concentraat voor oplossing voor infusie

2. KWALITATIEVE EN KWANTITATIEVE SAMENSTELLING

Elke ml concentraat voor oplossing voor infusie bevat 40 mg gemcitabine (als gemcitabinehydrochloride).

Elke 5 ml injectieflacon bevat 200 mg gemcitabine (als gemcitabinehydrochloride).

Elke 25 ml injectieflacon bevat 1 g gemcitabine (als gemcitabinehydrochloride).

Elke 50 ml injectieflacon bevat 2 g gemcitabine (als gemcitabinehydrochloride).

Voor de volledige lijst van hulpstoffen, zie rubriek 6.1.

3. FARMACEUTISCHE VORM

Concentraat voor oplossing voor infusie.

De pH van het concentraat is 2,4 ± 0,4 en de osmolariteit ligt tussen de 270-280 mosmol/kg.

Heldere, kleurloze tot lichtgele oplossing.

4. KLINISCHE GEGEVENS

4.1 Therapeutische indicaties

Gemcitabine is, in combinatie met cisplatine, geïndiceerd voor de behandeling van lokaal gevorderd of gemetastaseerd blaascarcinoom.

Gemcitabine is geïndiceerd voor de behandeling van patiënten met lokaal gevorderd of gemetastaseerd adenocarcinoom van de pancreas.

Gemcitabine is, in combinatie met cisplatine, geïndiceerd als eerstelijnsbehandeling voor patiënten met lokaal gevorderd of gemetastaseerd niet-kleincellig longcarcinoom (NSCLC). Monotherapie met gemcitabine kan worden overwogen bij oudere patiënten of bij patiënten met performancestatus 2.

Gemcitabine is, in combinatie met carboplatine, geïndiceerd voor de behandeling van patiënten met lokaal gevorderd of gemetastaseerd epitheliaal ovariumcarcinoom met terugkeer van de ziekte na een recidiefvrije periode van tenminste 6 maanden na eerstelijnsbehandeling op basis van platina.

Gemcitabine is, in combinatie met paclitaxel, geïndiceerd voor de behandeling van patiënten met niet-resecteerbaar, lokaal recidiverend of gemetastaseerd mammacarcinoom met een recidief na adjuvante/neoadjuvante chemotherapie. Eerdere chemotherapie moet een antracycline hebben omvat, tenzij dit klinisch gecontra-indiceerd was.

4.2 Dosering en wijze van toediening

Gemcitabine mag uitsluitend worden voorgeschreven door een arts die gekwalificeerd is voor toepassing van chemotherapie tegen carcinoom.

Dosering

Blaascarcinoom

Gecombineerde toepassing

De aanbevolen dosis voor gemcitabine bedraagt 1000 mg/m2, toegediend als een 30 minuten durende infusie. De dosis moet worden toegediend op dag 1, 8 en 15 van elke cyclus van 28 dagen, in combinatie met cisplatine. Cisplatine wordt toegediend in een aanbevolen dosis van 70 mg/m2 op dag 1 na gemcitabine of op dag 2 van elke cyclus van 28 dagen. Deze cyclus van 4 weken wordt vervolgens herhaald. De dosering kan bij elke cyclus of tijdens een cyclus worden verlaagd op geleide van de mate van toxiciteit bij de patiënt.

Pancreascarcinoom

De aanbevolen dosis voor gemcitabine bedraagt 1000 mg/m2, toegediend als een 30 minuten durende intraveneuze infusie. Dit moet eenmaal per week worden herhaald tot maximaal 7 weken gevolgd door een week rust. De daaropvolgende cycli moeten bestaan uit injecties eenmaal per week gedurende 3 achtereenvolgende weken van elke 4 weken. De dosering kan bij elke cyclus of tijdens een cyclus worden verlaagd op geleide van de mate van toxiciteit bij de patiënt.

Niet-kleincellig longcarcinoom

Monotherapie

De aanbevolen dosis voor gemcitabine bedraagt 1000 mg/m2, toegediend als een 30 minuten durende intraveneuze infusie. Dit moet eenmaal per week worden herhaald gedurende 3 weken, gevolgd door een rustperiode van 1 week. Deze cyclus van 4 weken wordt vervolgens herhaald. De dosering kan bij elke cyclus of tijdens een cyclus worden verlaagd op geleide van de mate van toxiciteit bij de patiënt.

Gecombineerde toepassing

De aanbevolen dosis voor gemcitabine bedraagt 1250 mg/m2 lichaamsoppervlak, toegediend als een intraveneuze infusie van 30 minuten op dag 1 en 8 van de behandelingscyclus (21 dagen). De dosering kan bij elke cyclus of tijdens een cyclus worden verlaagd op geleide van de mate van toxiciteit bij de patiënt. Cisplatine is gebruikt in doses van 75 tot 100 mg/m2 elke 3 weken.

Mammacarcinoom

Gecombineerde toepassing

Gemcitabine in combinatie met paclitaxel wordt aanbevolen volgens het volgende schema: paclitaxel (175 mg/m2) wordt toegediend als intraveneuze infusie gedurende ongeveer 3 uur op dag 1, gevolgd door gemcitabine (1250 mg/m2) als intraveneuze infusie gedurende 30 minuten op dag 1 en 8 van elke cyclus van 21 dagen. De dosis kan bij elke cyclus of tijdens een cyclus worden verlaagd op geleide van de toxiciteit bij de patiënt. Het absolute aantal granulocyten moet bij de patiënten vóór instelling van de combinatie gemcitabine + paclitaxel tenminste 1500 (x106/l) bedragen.

Ovariumcarcinoom

Gecombineerde toepassing

Gemcitabine in combinatie met carboplatine wordt aanbevolen volgens het volgende schema: gemcitabine 1000 mg/m2 wordt toegediend als intraveneuze infusie gedurende 30 minuten op dag 1 en 8 van elke cyclus van 21 dagen. Na gemcitabine wordt op dag 1 carboplatine toegediend overeenkomend met een streefwaarde van de AUC van 4,0 mg/ml/min. De dosering kan bij elke cyclus of tijdens een cyclus worden verlaagd op geleide van de mate van toxiciteit bij de patiënt.

Monitoring in verband met toxiciteit en dosiswijzigingen als gevolg van toxiciteit

Dosiswijzigingen als gevolg van niet-hematologische toxiciteit

Om niet-hematologische toxiciteit op te sporen moet periodiek lichamelijk onderzoek worden uitgevoerd en de nier- en leverfunctie worden gecontroleerd.

De dosering kan bij elke cyclus of tijdens een cyclus worden verlaagd op geleide van de graad van toxiciteit bij de patiënt. In het algemeen moet bij ernstige (graad 3 of 4) niet-hematologische toxiciteit, met uitzondering van misselijkheid/braken, behandeling met gemcitabine worden onthouden of verminderd, afhankelijk van het oordeel van de behandelend arts. De toediening moet worden onthouden tot de toxiciteit naar het oordeel van de arts is verdwenen.

Zie bij combinatiebehandeling de betreffende samenvatting van de productkenmerken voor doseringsaanpassing van cisplatine, carboplatine en paclitaxel.

Dosiswijzigingen als gevolg van hematologische toxiciteit

Start van een cyclus

Voor alle indicaties geldt dat de patiënt vóór elke dosis moet worden gecontroleerd op het aantal bloedplaatjes en granulocyten. Het absolute aantal granulocyten moet bij de patiënten vóór aanvang van een cyclus tenminste 1500 (x 106/l) en het aantal bloedplaatjes 100.000 (x 106/l) bedragen.

Tijdens een cyclus

Dosisaanpassingen van gemcitabine tijdens een cyclus moeten plaatsvinden volgens de onderstaande tabellen:

Aanpassing van de dosis gemcitabine tijdens een behandelcyclus voor blaascarcinoom, NSCLC en pancreascarcinoom bij toediening als monotherapie of in combinatie met cisplatine

Absoluut aantal granulocyten

(x 106/l)

Aantal bloedplaatjes

(x 106/l)

Percentage van standaarddosis gemcitabine (%)
> 1000 en> 100.000100
500 - 1000 of50.000 - 100.00075
< 500 of< 50.000Sla dosis over*

* De overgeslagen behandeling wordt niet hervat binnen een cyclus zolang het absolute aantal granulocyten niet tenminste 500 (x 106/l) en het aantal bloedplaatjes 50.000 (x 106/l) heeft bereikt.

Aanpassing van de dosis gemcitabine tijdens een behandelcyclus voor mammacarcinoom, bij toediening in combinatie met paclitaxel

Absoluut aantal granulocyten

(x 106/l)

Aantal bloedplaatjes

(x 106/l)

Percentage van standaarddosis gemcitabine (%)
≥ 1200 en> 75.000100
1000- < 1200 of50.000 - 75.00075
700 - < 1000 en≥ 50.00050
< 700 of< 50.000Sla dosis over*

* De overgeslagen behandeling wordt niet hervat binnen een cyclus. Behandeling wordt gestart op dag 1 van de volgende cyclus, zodra het absolute aantal granulocyten tenminste 1500 (x 106/l) en het aantal bloedplaatjes 100.000 (x 106/l) heeft bereikt.

Aanpassing van de dosis gemcitabine tijdens een behandelcyclus voor ovariumcarcinoom, bij toediening in combinatie met carboplatine

Absoluut aantal granulocyten

(x 106/l)

Aantal bloedplaatjes

(x 106/l)

Percentage van standaarddosis gemcitabine (%)
> 1500 en≥ 100.000100
1000 – 1500 of75.000 - 100.00050
< 1000 of< 75.000Sla dosis over*

* De overgeslagen behandeling wordt niet hervat binnen een cyclus. Behandeling wordt gestart op dag 1 van de volgende cyclus, zodra het absolute aantal granulocyten tenminste 1500 (x 106/l) en het aantal bloedplaatjes 100.000 (x 106/l) heeft bereikt.

Dosisaanpassingen in verband met hematologische toxiciteit in achtereenvolgende cycli, voor alle indicaties

De dosis gemcitabine moet in geval van de volgende hematologische toxiciteiten bij aanvang van de cyclus worden verlaagd tot 75% van de oorspronkelijke dosis:

  • Absoluut aantal granulocyten langer dan 5 dagen < 500 x 106/l
  • Absoluut aantal granulocyten langer dan 3 dagen < 100 x 106/l
  • Febriele neutropenie
  • Bloedplaatjes < 25.000 x 106/l
  • Uitstel van de cyclus langer dan 1 week in verband met toxiciteit

Wijze van toediening

Gemcitabine wordt tijdens de infusie goed verdragen en kan ambulant worden toegediend. In geval van extravasatie moet de infusie in het algemeen onmiddellijk worden gestopt en in een ander bloedvat nogmaals worden gestart. De patiënt moet na de toediening nauwlettend worden geobserveerd.

Voor instructies over verdunning van het geneesmiddel voorafgaand aan toediening, zie rubriek 6.6.

Speciale patiëntengroepen

Patiënten met nier- of leverinsufficiëntie

Gemcitabine moet met voorzichtigheid worden toegepast bij patiënten met lever- of nierinsufficiëntie aangezien er onvoldoende informatie uit klinisch onderzoek beschikbaar is om duidelijke aanbevelingen voor de dosis bij deze patiëntengroepen mogelijk te maken (zie rubrieken 4.4 en 5.2).

Oudere patiënten (>65 jaar)

Gemcitabine wordt goed verdragen door patiënten ouder dan 65 jaar. Er zijn geen aanwijzingen dat dosisaanpassingen, anders dan die al voor alle patiënten worden aanbevolen, bij ouderen noodzakelijk zijn (zie rubriek 5.2).

Pediatrische patiënten (<18 jaar)

Gemcitabine wordt afgeraden voor toepassing bij kinderen jonger dan 18 jaar in verband met ontoereikende gegevens over veiligheid en werkzaamheid.

4.3 Contra-indicaties

Overgevoeligheid voor de werkzame stof of voor een van de in rubriek 6.1 vermelde hulpstoffen.

Borstvoeding (zie rubriek 4.6).

4.4 Bijzondere waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik

Verlenging van de infusietijd en een hogere toedieningsfrequentie blijken de toxiciteit te vergroten.

Hematologische toxiciteit

Gemcitabine kan de beenmergfunctie onderdrukken, met als gevolg leukopenie, trombocytopenie en anemie.

Bij patiënten die gemcitabine krijgen toegediend, moet vóór elke dosis het aantal bloedplaatjes, leukocyten en granulocyten worden bepaald. Opschorting of wijziging van de behandeling moet worden overwogen wanneer geneesmiddelgeïnduceerde beenmergdepressie wordt geconstateerd (zie rubriek 4.2). Myelosuppressie duurt echter kort en leidt doorgaans niet tot dosisverlaging en zelden tot stopzetting.

Uitslagen van perifeer bloedonderzoek kunnen blijven verslechteren nadat de toediening van gemcitabine is stopgezet. Bij patiënten met verminderde beenmergfunctie moet de behandeling met voorzichtigheid worden gestart. Zoals bij andere cytotoxische behandelingen moet het risico op cumulatieve beenmergdepressie worden overwogen wanneer behandeling met gemcitabine met andere chemotherapie wordt gecombineerd.

Lever- en nierinsufficiëntie

Toediening van gemcitabine bij patiënten met gelijktijdige levermetastasen of een medische voorgeschiedenis van hepatitis, alcoholisme of levercirrose kan leiden tot exacerbatie van de onderliggende leverinsufficiëntie.

Periodiek moet laboratoriumonderzoek van de nier- en leverfunctie (inclusief virologisch onderzoek) plaatsvinden.

Gemcitabine moet met voorzichtigheid worden toegepast bij patiënten met lever- of nierinsufficiëntie aangezien er onvoldoende gegevens zijn uit klinische onderzoeken om duidelijke aanbevelingen voor de dosis bij deze patiëntengroep mogelijk te maken ( zie rubriek 4.2).

Gelijktijdige radiotherapie

Gelijktijdige radiotherapie (tegelijkertijd toegediend of ≤ 7 dagen na elkaar): Toxiciteit is gemeld (zie rubriek 4.5 voor details en aanbevelingen voor gebruik).

Levende vaccins

Gelekoortsvaccin en andere levende verzwakte vaccins worden niet aanbevolen bij patiënten behandeld met gemcitabine (zie rubriek 4.5).

Posterieur reversibel encefalopathie syndroom

Meldingen van posterieur reversibel encefalopathie syndroom (PRES) met mogelijke ernstige consequenties zijn gerapporteerd bij patiënten die gemcitabine als monotherapie of in combinatie met andere chemotherapeutische middelen ontvingen. Acute hypertensie en epilepsie-activiteit werden gemeld bij de meeste patiënten die gemcitabine gebruiken en PRES ervaarden, maar andere symptomen zoals hoofdpijn, lethargie, verwarring en blindheid kunnen ook aanwezig zijn. De diagnose wordt optimaal bevestigd door magnetische resonantie beeldvorming (MRI). PRES was reversibel met gepaste ondersteunende maatregelen. Gemcitabine dient permanent gestaakt te worden en ondersteunende maatregelen dienen te worden toegepast, waaronder bloeddrukcontrole en anti-epileptica therapie als PRES zich ontwikkelt gedurende de therapie.

Hart- en bloedvaten

In verband met het risico op hart- en/of bloedvataandoeningen bij toepassing van gemcitabine, moet bijzondere voorzichtigheid worden betracht bij patiënten met een voorgeschiedenis van voorvallen aan hart- en bloedvaten.

Capillairleksyndroom

Capillairleksyndroom is gemeld bij patiënten die gemcitabine als monotherapie of in combinatie met andere chemotherapeutische middelen ontvingen (zie rubriek 4.8). Doorgaans is de aandoening te behandelen als het in een vroeg stadium wordt geconstateerd en op de juiste wijze wordt behandeld, maar er zijn ook fatale gevallen gemeld. De aandoening omvat systemische capillaire hyperpermeabiliteit waarbij vloeistof en proteïnen vanuit de intravasculaire ruimte in het interstitium lekken. De klinische kenmerken zijn gegeneraliseerd oedeem, gewichtstoename, hypoalbuminemie, ernstige hypotensie, acute nierinsufficiëntie en longoedeem. Er dient gestopt te worden met gemcitabine en ondersteunende maatregelen moeten worden toegepast als capillairleksyndroom zich ontwikkelt tijdens de therapie. Capillairleksyndroom kan voorkomen in latere cycli en wordt in de literatuur geassocieerd met ‘acute respiratory distress syndrome’.

Longen

Long effecten, soms ernstig (zoals longoedeem, interstitiële pneumonitis of acute respiratory distress syndrome (ARDS)) zijn gemeld in samenhang met behandeling met gemcitabine. Als dergelijke effecten optreden, moet worden overwogen de behandeling met gemcitabine te staken. Vroege toepassing van ondersteunende zorg kan de toestand verbeteren.

Nieren

Hemolytisch-uremisch syndroom

Met het hemolytisch-uremisch syndroom (HUS) samenhangende klinische bevindingen zijn zelden gemeld (post-marketing gegevens) bij patiënten die gemcitabine toegediend kregen (zie rubriek 4.8). HUS is een mogelijk levensbedreigende aandoening. Gebruik van gemcitabine moet worden gestaakt bij de eerste tekenen van microangiopathische hemolytische anemie, zoals een snel dalende hemoglobinewaarde met gelijktijdige trombocytopenie, verhoging van serumbilirubine, serumcreatinine, bloedureumstikstof of LDH. Nierfalen is mogelijk irreversibel na stopzetting van de behandeling en dialyse kan noodzakelijk zijn.

Fertiliteit

In fertiliteitsonderzoek veroorzaakte gemcitabine hypospermatogenese bij mannelijke muizen (zie rubriek 5.3). Daarom wordt aan mannen die met gemcitabine worden behandeld, geadviseerd geen kind te verwekken tijdens en tot 3 maanden na de behandeling en om verder advies in te winnen over cryopreservatie van sperma voorafgaand aan behandeling vanwege de mogelijkheid van onvruchtbaarheid door behandeling met gemcitabine (zie rubriek 4.6).

Ernstige cutane bijwerkingen (SCAR’s)

Er is melding gemaakt van van StevensJohnson-syndroom (SJS), toxische epidermale necrolyse (TEN), geneesmiddelenreactie met eosinofilie en systemische symptomen (DRESS) en acute gegeneraliseerde exanthemateuze pustulose (AGEP), die levensbedreigend of fataal kunnen zijn, in verband met behandeling met gemcitabine (zie rubriek 4.8). Patiënten moeten op de hoogte worden gebracht van de tekenen en symptomen van de ernstige cutane bijwerkingen en moeten onmiddellijk hun arts raadplegen wanneer zij tekenen of symptomen waarnemen die op deze bijwerkingen wijzen. Als er tekenen en symptomen optreden die wijzen op deze reacties, moet het gebruik van gemcitabine onmiddellijk worden gestaakt en dient (indien van toepassing) een alternatieve behandeling te worden overwogen..

Indien de patiënt een ernstige cutane bijwerking heeft ontwikkeld met het gebruik van gemcitabine, mag de behandeling met gemcitabine op geen enkel moment worden hervat.

4.5 Interacties met andere geneesmiddelen en andere vormen van interactie

Er is geen onderzoek naar interacties uitgevoerd (zie rubriek 5.2).

Radiotherapie

Gelijktijdig (tegelijkertijd toegediend of ≤ 7 dagen na elkaar) – De toxiciteit waarmee deze ‘multimodality’- therapie gepaard gaat, is afhankelijk van veel verschillende factoren, waaronder de dosis gemcitabine, de frequentie van toediening van gemcitabine, de stralingsdosis, wijze van planning van de radiotherapie, het doelweefsel en het doelvolume. In preklinische en klinische onderzoeken is aangetoond dat gemcitabine een radiosensibiliserende werking heeft. In één onderzoek, waarin gemcitabine in een dosis van 1000 mg/m2 gedurende 6 achtereenvolgende weken tegelijkertijd werd toegediend met een therapeutische thoracale bestraling bij patiënten met niet-kleincellig longcarcinoom, werd significante toxiciteit waargenomen in de vorm van ernstige en potentieel levensbedreigende mucositis, met name oesofagitis en pneumonitis, in het bijzonder bij patiënten die een groot bestralingsvolume ontvingen [mediaan behandelingsvolume 4.795 cm3]. Onderzoeken die vervolgens werden uitgevoerd, duiden erop dat het mogelijk is met een voorspelbare toxiciteit lagere doses gemcitabine toe te dienen in combinatie met radiotherapie. Een voorbeeld hiervan is een fase-II-onderzoek bij niet-kleincellig longcarcinoom, waarin thoracale stralingsdoses van 66 Gy gedurende 6 weken gelijktijdig met gemcitabine (600 mg/m2, viermaal) en cisplatine (80 mg/m2, tweemaal) werden toegediend. Het optimale behandelschema voor veilige toediening van gemcitabine in combinatie met therapeutische stralingsdoses is nog niet voor alle tumortypen bepaald.

Niet-gelijktijdig (> 7 dagen na elkaar gegeven) – Analyse van de gegevens geeft geen aanwijzingen voor verhoogde toxiciteit anders dan ‘radiation recall’, wanneer gemcitabine meer dan 7 dagen voor of na bestraling wordt toegediend. Gegevens duiden erop dat gemcitabine kan worden gestart nadat de acute bestralingseffecten zijn verdwenen of tenminste één week na bestraling.

Stralingsletsel van doelweefsel (bijv. oesofagitis, colitis en pneumonitis) is gemeld in samenhang met zowel gelijktijdige als met niet-gelijktijdige toepassing van gemcitabine.

Overige

Vaccins voor gele koorts en andere levende verzwakte vaccins worden afgeraden in verband met het risico op systemische, mogelijk dodelijke, ziekte, vooral bij patiënten met immunosuppressie.

4.6 Vruchtbaarheid, zwangerschap en borstvoeding

Vrouwen die zwanger kunnen worden / anticonceptie bij mannen en vrouwen

Vanwege het genotoxische potentieel van gemcitabine (zie rubriek 5.3), dienen vrouwen die zwanger kunnen worden effectieve anticonceptie te gebruiken tijdens de behandeling met gemcitabine en gedurende 6 maanden na het stopzetten van de behandeling.

Mannen moet worden geadviseerd effectieve anticonceptiemethoden te gebruiken en geen kind te verwekken tijdens de behandeling met gemcitabine en gedurende 3 maanden na het staken ervan.

Zwangerschap

Er zijn geen toereikende gegevens over het gebruik van gemcitabine bij zwangere vrouwen. Uit experimenteel onderzoek bij dieren is reproductietoxiciteit gebleken (zie rubriek 5.3). Op grond van resultaten uit experimenteel onderzoek bij dieren en het werkingsmechanisme van gemcitabine, dient deze stof niet tijdens de zwangerschap te worden gebruikt, tenzij strikt noodzakelijk. Vrouwen dienen te worden geadviseerd tijdens de behandeling met gemcitabine niet zwanger te raken en onmiddellijk hun behandelend arts te waarschuwen indien dit toch gebeurt.

Borstvoeding

Het is niet bekend of gemcitabine wordt uitgescheiden in moedermelk en bijwerkingen bij het borstgevoede kind kunnen niet worden uitgesloten. Het geven van borstvoeding moet worden gestaakt tijdens behandeling met gemcitabine.

Vruchtbaarheid

In fertiliteitsonderzoek veroorzaakte gemcitabine hypospermatogenese bij mannelijke muizen (zie rubriek 5.3). Daarom wordt aan mannen die met gemcitabine worden behandeld, geadviseerd geen kind te verwekken tijdens en tot 3 maanden na de behandeling en om verder advies in te winnen over cryopreservatie van sperma voorafgaand aan behandeling vanwege de mogelijkheid van onvruchtbaarheid door behandeling met gemcitabine.

4.7 Beïnvloeding van de rijvaardigheid en het vermogen om machines te bedienen

Er is geen onderzoek verricht met betrekking tot de effecten op de rijvaardigheid en op het vermogen om machines te bedienen. Er is echter gemeld dat gemcitabine lichte tot matige slaperigheid veroorzaakt, vooral in combinatie met alcoholgebruik. Patiënten moeten worden gewaarschuwd tegen deelname aan het verkeer of bediening van machines tot is vastgesteld dat er geen invloed is op hun alertheid.

4.8 Bijwerkingen

De meest gemelde bijwerkingen bij behandeling met gemcitabine zijn onder meer: misselijkheid met of zonder braken, verhoogde levertransaminasen (ASAT/ALAT) en alkalische fosfatase, gemeld bij ongeveer 60% van de patiënten, proteïnurie en hematurie gemeld bij ongeveer 50% van de patiënten, dyspneu gemeld bij 10-40% van de patiënten (hoogste incidentie bij patiënten met longcarcinoom) en allergische huiduitslag die zich voordoet bij ongeveer 25% van de patiënten en bij 10% van de patiënten gepaard gaat met jeuk.

De frequentie en de ernst van de bijwerkingen worden beïnvloed door dosis, infusiesnelheid en intervallen tussen de doses (zie rubriek 4.4). Dosisbeperkende bijwerkingen zijn afnamen in het aantal trombocyten, leukocyten en granulocyten (zie rubriek 4.2).

Gegevens uit klinische onderzoeken

Frequenties zijn gedefinieerd als: Zeer vaak (≥ 1/10), Vaak (≥ 1/100 tot < 1/10), Soms (≥ 1/1000 tot < 1/100), Zelden (≥ 1/10.000 tot < 1/1000), Zeer zelden (< 1/10.000) en niet bekend (kan niet worden bepaald met de beschikbare gegevens).

De onderstaande tabel van bijwerkingen en frequenties is gebaseerd op gegevens van klinische onderzoeken. Binnen iedere frequentiegroep worden bijwerkingen gerangschikt naar afnemende ernst.

Systeem/orgaanklassenGroepering per frequentie
Systeem/orgaanklassenGroepering per frequentie
Systeem/orgaanklassenGroepering per frequentie
Systeem/orgaanklassenGroepering per frequentie
Infecties en parasitaire aandoeningen

Vaak

  • Infecties

Niet bekend

  • Sepsis
Bloed- en lymfestelselaandoeningen

Zeer vaak

  • Leukopenie (neutropenie graad 3 =19,3%; graad 4 = 6%).

Beenmergdepressie is doorgaans licht tot matig ernstig en heeft voornamelijk gevolgen voor het aantal granulocyten (zie rubriek 4.2 en 4.4)

  • Trombocytopenie
  • Anemie

Vaak

  • Febriele neutropenie

Zeer zelden

  • Trombocytose
  • Trombotische microangiopathie
Immuunsysteemaandoeningen

Zeer zelden

  • Anafylactische reactie
Voedings- en stofwisselingsstoornissen

Vaak

  • Anorexie
Zenuwstelselaandoeningen

Vaak

  • Hoofdpijn
  • Slapeloosheid
  • Slaperigheid

Soms

  • Cerebrovasculair accident

Zeer zelden

  • Posterieur reversibel encefalopathie syndroom (zie rubriek 4.4)
Hartaandoeningen

Soms

  • Hartritmestoornissen, voornamelijk supraventriculair van aard
  • Hartfalen

Zelden

  • Myocardinfarct
Bloedvataandoeningen

Zelden

  • Klinische verschijnselen van perifere vasculitis en gangreen
  • Hypotensie

Zeer zelden

Ademhalingsstelsel-, borstkas- en mediastinumaandoeningen

Zeer vaak

  • Dyspneu – doorgaans licht van aard en verdwijnt snel zonder behandeling

Vaak

  • Hoesten
  • Rhinitis

Soms

  • Interstitiële pneumonitis (zie rubriek 4.4)
  • Bronchospasmen, - doorgaans licht en van voorbijgaande aard, maar parenterale behandeling kan noodzakelijk zijn

Zelden

  • Longoedeem
  • Acute respiratory distress syndrome (zie rubriek 4.4)
Maagdarmstelselaandoeningen

Zeer vaak

  • Braken
  • Misselijkheid

Vaak

  • Diarree
  • Stomatitis en zweervorming in de mond
  • Obstipatie

Zeer zelden

  • Ischemische colitis
Lever- en galaandoeningen

Zeer vaak

  • Verhoging van levertransaminasen (ASAT en ALAT) en alkaline fosfatase

Vaak

  • Verhoogde bilirubine

Soms

  • Ernstige levertoxiciteit, waaronder leverfalen en overlijden

Zelden

  • Verhoogd gammaglutamyltransferase (gamma-GT)

Huid- en

onderhuidaandoeningen

Zeer vaak

  • Allergische huiduitslag, vaak gepaard gaand met pruritus
  • Alopecia

Vaak

  • Jeuk
  • Zweten

Zelden

  • Ernstige huidreacties, waaronder desquamatie en bulleuze huiderupties
  • Ulceratie
  • Vorming van blaasjes en zweren
  • Schilfering

Zeer zelden

  • Toxische epidermale necrolyse
  • Stevens-Johnson syndroom Niet bekend
  • Pseudocellulitis
  • Acute gegeneraliseerdeexanthemateuze pustulose
  • Geneesmiddelenreactie met eosinofilie en systemische symptomen (DRESS)
Skeletspierstelsel- en bindweefselaandoeningen

Vaak

  • Rugpijn
  • Myalgie
Nier- en urinewegaandoeningen

Zeer vaak

  • Hematurie
  • Lichte proteïnurie

Soms

Algemene aandoeningen

en toedieningsplaatsstoornissen

Zeer vaak

  • Griepachtige verschijnselen – de meest voorkomende verschijnselen zijn koorts, hoofdpijn, koude rillingen, myalgie, asthenie en anorexie. Hoesten, rhinitis, malaise, transpiratie en slaapstoornissen zijn ook gemeld.
  • Oedeem/perifeer oedeem – waaronder gezichtsoedeem. Oedeem is doorgaans reversibel na staken van de behandeling

Vaak

  • Koorts
  • Asthenie
  • Koude rillingen

Zelden

  • Reacties op de plaats van de injectie – voornamelijk licht van aard
Letsels, intoxicaties en verrichtingscomplicaties

Zelden

Gecombineerde toepassing bij mammacarcinoom

De frequentie van hematologische toxiciteiten graad 3 en 4, met name neutropenie, neemt toe wanneer gemcitabine wordt gebruikt in combinatie met paclitaxel. De toename van deze bijwerkingen gaat echter niet gepaard met een verhoogde incidentie van infecties of hemorragische voorvallen. Vermoeidheid en febriele neutropenie doen zich vaker voor wanneer gemcitabine wordt gebruikt in combinatie met paclitaxel. Vermoeidheid die niet aan anemie is gerelateerd verdwijnt doorgaans na de eerste cyclus.

Graad 3 en 4 ongewenste voorvallen

Paclitaxel versus gemcitabine plus paclitaxel

Aantal (%) patiënten

Arm met paclitaxel

(n = 259)

Arm met gemcitabine plus paclitaxel (n = 262)
Graad 3Graad 4Graad 3Graad 4
Laboratorium
Anemie5 (1,9)1 (0,4)15 (5,7)3 (1,1)
Trombocytopenie0014 (5,3)1 (0,4)
Neutropenie11 (4,2)17 (6,6)*82 (31,3)45 (17,2)*
Niet-laboratorium
Febriele neutropenie3 (1,2)012 (4,6)1(0,4)
Vermoeidheid3 (1,2)1 (0,4)15 (5,7)2 (0,8)
Diarree5 (1,9)08 (3,1)0
Motorische neuropathie2 (0,8)06 (2,3)1 (0,4)
Sensorische neuropathie9 (3,5)014 (5,3)1 (0,4)

* Graad 4 neutropenie die langer dan 7 dagen aanhield, deed zich voor bij 12,6% van de patiënten in de combinatiearm en bij 5,0% van de patiënten in de arm met paclitaxel.

Gecombineerde toepassing bij blaascarcinoom

Graad 3 en 4 ongewenste voorvallen

MVAC versus gemcitabine plus cisplatine

Aantal (%) patiënten

Arm met MVAC (methotrexaat,

vinblastine, doxorubicine en cisplatine) (n = 196)

Arm met gemcitabine plus cisplatine

(n = 200)

Graad 3Graad 4Graad 3Graad 4
Laboratorium
Anemie30 (16)4 (2)47 (24)7 (4)
Trombocytopenie15 (8)25 (13)57 (29)57 (29)
Niet-laboratorium
Misselijkheid en braken37 (19)3 (2)44 (22)0 (0)
Diarree15 (8)1 (1)6 (3)0 (0)
Infectie19 (10)10 (5)4 (2)1 (1)
Stomatitis34 (18)8 (4)2 (1)0 (0)

Gecombineerde toepassing bij ovariumcarcinoom

Graad 3 en 4 ongewenste voorvallen

Carboplatine versus gemcitabine plus carboplatine

Aantal (%) patiënten

Arm met carboplatine

(n = 174)

Arm met gemcitabine plus carboplatine

(n = 175)

Graad 3Graad 4Graad 3Graad 4
Laboratorium
Anemie10 (5,7)4 (2,3)39 (22,3)9 (5,1)
Neutropenie19 (10,9)2 (1,1)73 (41,7)50 (28,6)
Trombocytopenie18 (10,3)2 (1,1)53 (30,3)8 (4,6)
Leukopenie11 (6,3)1 (0,6)84 (48,0)9 (5,1)
Niet-laboratorium
Hemorragie0 (0,0)0 (0,0)3 (1,8)(0,0)
Febriele neutropenie0 (0,0)0 (0,0)2 (1,1)(0,0)
Infectie zonder neutropenie0 (0)0 (0,0)(0,0)1 (0,6)

Sensorische neuropathie kwam ook vaker voor in de combinatiearm dan bij gebruik van alleen carboplatine

Melding van vermoedelijke bijwerkingen

Het is belangrijk om na toelating van het geneesmiddel vermoedelijke bijwerkingen te melden. Op deze wijze kan de verhouding tussen voordelen en risico’s van het geneesmiddel voortdurend worden gevolgd. Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg wordt verzocht alle vermoedelijke bijwerkingen te melden via het Nederlands Bijwerkingen Centrum Lareb (website: www.lareb.nl).

4.9 Overdosering

Er is geen bekend antidotum tegen overdosering van gemcitabine. Doses van wel 5700 mg/m2 zijn door middel van intraveneuze infusie gedurende 30 minuten elke 2 weken toegediend met klinisch aanvaardbare toxiciteit. In geval van vermoede overdosis moet de patiënt worden geobserveerd met de aangewezen bloedtellingen en de vereiste ondersteunende behandeling krijgen.

5. FARMACOLOGISCHE EIGENSCHAPPEN

5.1 Farmacodynamische eigenschappen

Farmacotherapeutische categorie: pyrimidineanaloga ATC-code: L01BC05

Werkingsmechanisme

Cellulair metabolisme en werkingsmechanisme: gemcitabine (dFdC), dat een antimetaboliet van pyrimidine is, wordt door nucleosidekinase intracellulair omgezet in de actieve difosfaat(dFdCDP)- en trifosfaat(dFdCTP)-nucleosiden. De cytotoxische activiteit van gemcitabine berust op het via twee werkingsmechanismen remmen van de DNA-synthese door dFdCDP en dFdCTP. Als eerste remt dFdCDP ribonucleotidereductase, dat als enige verantwoordelijk is voor het katalyseren van de reacties die leiden tot de vorming van desoxynucleosidetrifosfaten (dCTP) voor DNA-synthese. Remming van dit enzym door dFdCDP veroorzaakt een afname van de concentraties desoxynucleosiden in het algemeen en van dCTP in het bijzonder. Als tweede gaat dFdCTP de competitie aan met dCTP voor de incorporatie in DNA (zelfpotentiëring).

Op dezelfde manier kan ook een kleine hoeveelheid gemcitabine in RNA worden geïncorporeerd. De afname van de intracellulaire concentratie dCTP potentieert aldus de incorporatie van dFdCTP in DNA. DNA-polymerase epsilon is niet in staat om gemcitabine te verwijderen en om de groeiende DNA-strengen te herstellen. Nadat gemcitabine in DNA is ingebouwd, wordt nog één nucleotide toegevoegd aan de groeiende DNA-strengen. Na deze toevoeging bestaat er een nagenoeg volledige remming van verdere DNA-synthese (gemaskeerde DNA-ketenterminatie). Na incorporatie in DNA blijkt gemcitabine het proces van geprogrammeerde celdood, bekend als apoptose, te induceren.

Farmacodynamische effecten

Cytotoxische werking in celkweken

Gemcitabine vertoont aanzienlijke cytotoxische effecten tegen allerlei gekweekte muriene en humane tumorcellen. De werking is fasespecifiek zodanig dat gemcitabine primair cellen doodt die DNA-synthese ondergaan (S-fase) en, onder bepaalde omstandigheden, de progressie blokkeert van cellen die zich in de overgang van de G1/S-fase bevinden. In vitro is het cytotoxisch effect van gemcitabine afhankelijk van zowel concentratie als tijd.

Antitumorwerking in preklinische modellen

In tumormodellen bij dieren is de antitumorwerking van gemcitabine afhankelijk van het toedieningsschema. Wanneer gemcitabine dagelijks wordt toegediend, worden onder de dieren een hoge mortaliteit, maar een minimale antitumorwerking waargenomen. Als gemcitabine daarentegen elke derde of vierde dag wordt toegediend, kan het in niet-letale doses met aanzienlijke antitumorwerking tegen een breed spectrum van muizentumoren worden toegediend.

Klinische werkzaamheid en veiligheid

Blaascarcinoom

Een gerandomiseerd fase-III-onderzoek met 405 patiënten met gevorderd of gemetastaseerd overgangsepitheelcarcinoom liet geen verschil zien tussen de twee behandelingsarmen, gemcitabine/cisplatine versus methotrexaat/vinblastine/adriamycine/cisplatine (MVAC) wat betreft mediane overleving (respectievelijk 12,8 en 14,8 maanden, p = 0,547), tijd tot ziekteprogressie (respectievelijk 7,4 en 7,6 maanden, p = 0,842) en responspercentage (respectievelijk 49,4% en 45,7%, p = 0,512). De combinatie van gemcitabine en cisplatine vertoonde echter een beter toxiciteitsprofiel dan MVAC.

Pancreascarcinoom

In een gerandomiseerd fase-III-onderzoek met 126 patiënten met gevorderd of gemetastaseerd pancreascarcinoom vertoonde gemcitabine een statistisch significant hogere gunstige klinische responspercentages dan 5-fluoro-uracil (respectievelijk 23,8% en 4,8%, p = 0,0022). Daarnaast werd bij met gemcitabine behandelde patiënten een statistisch significante verlenging van de tijd tot progressie van 0,9 naar 2,3 maanden (log-rangorde p < 0,0002) en een statistisch significante verlenging van de mediane overleving van 4,4 naar 5,7 maanden (log-rangorde p < 0,0024) waargenomen vergeleken met patiënten behandeld met 5-fluoro-uracil.

Niet-kleincellig longcarcinoom

In een gerandomiseerd fase-III-onderzoek met 522 patiënten met inoperabel, lokaal gevorderd of gemetastaseerd NSCLC vertoonde gemcitabine in combinatie met cisplatine een statistisch significant hoger responspercentage dan cisplatine alleen (respectievelijk 31,0% en 12,0%, p < 0,0001). Bij met gemcitabine/cisplatine behandelde patiënten werd een statistisch significante verlenging van de tijd tot progressie van 3,7 naar 5,6 maanden (log-rangorde p < 0,0012) en een statistisch significante verlenging van de mediane overleving van 7,6 naar 9,1 maanden (log-rangorde p < 0,004) waargenomen vergeleken met patiënten behandeld met cisplatine.

In een ander gerandomiseerd fase-III-onderzoek met 135 patiënten met NSCLC stadium IIIB of IV gaf een combinatie van gemcitabine met cisplatine een statistisch significant hoger responspercentage dan een combinatie van cisplatine en etoposide (respectievelijk 40,6% en 21,2%, p = 0,025). Bij met gemcitabine/cisplatine behandelde patiënten werd een statistisch significante verlenging van de tijd tot progressie van 4,3 naar 6,9 maanden (p = 0,014) waargenomen vergeleken met patiënten behandeld met etoposide/cisplatine. In beide onderzoeken bleek de verdraagbaarheid in de twee behandelingsarmen vergelijkbaar.

Ovariumcarcinoom

In een gerandomiseerd fase-III-onderzoek werden 356 patiënten met gevorderd epitheliaal ovariumcarcinoom met recidief tenminste 6 maanden na voltooiing van behandeling op basis van platina gerandomiseerd naar behandeling met gemcitabine en carboplatine (GCb) of carboplatine (Cb). Bij de patiënten behandeld met GCb werd een statistisch significante verlenging van de tijd tot progressie van de ziekte waargenomen – van 5,8 naar 8,6 maanden (log-rangorde p = 0,0038) – vergeleken met patiënten behandeld met Cb. Verschillen in responspercentage van 47,2% in de GCb-arm versus 30,9% in de Cb-arm (p = 0,0016) en mediane overleving van 18 maanden (GCb) versus 17,3 maanden (p = 0,73) waren in het voordeel van de GCb-arm.

Mammacarcinoom

In een gerandomiseerd fase-III-onderzoek met 529 patiënten met inoperabel, lokaal recidiverend of gemetastaseerd mammacarcinoom met recidief na adjuvante/neoadjuvante chemotherapie, vertoonde gemcitabine in combinatie met paclitaxel een statistisch significante verlenging van de tijd tot gedocumenteerde ziekteprogressie van 3,98 naar 6,14 maanden (log-rangorde p = 0,0002) bij patiënten behandeld met gemcitabine/paclitaxel in vergelijking met patiënten behandeld met paclitaxel. Na 377 sterfgevallen bedroeg de totale overleving 18,6 maanden versus 15,8 maanden (log-rangorde p = 0,0489 HR 0,82) bij patiënten behandeld met gemcitabine/paclitaxel vergeleken met patiënten behandeld met paclitaxel en het algehele responspercentage bedroeg respectievelijk 41,4% en 26,2% (p = 0,0002).

5.2 Farmacokinetische eigenschappen

De farmacokinetiek van gemcitabine is onderzocht bij 353 patiënten in zeven onderzoeken. De 121 vrouwen en 232 mannen varieerden in leeftijd van 29 tot 79 jaar. Van deze patiënten had ongeveer 45% niet-kleincellig longcarcinoom en bij 35% was pancreascarcinoom gediagnosticeerd. De volgende farmacokinetische parameters werden verkregen bij doses variërend van 500 tot 2592 mg/m2 die werden geïnfundeerd gedurende 0,4 tot 1,2 uur.

Absorptie

Piekplasmaconcentraties (bereikt binnen 5 minuten na het eind van de infusie) waren 3,2 tot 45,5 μg/ml. Plasmaconcentraties van de moederverbinding na een dosis van 1000 mg/m2/30 minuten zijn ongeveer 30 minuten na beëindiging van de infusie hoger dan 5 μg/ml en vervolgens nog één uur lang hoger dan 0,4 μg/ml.

Distributie

Het verdelingsvolume van het centrale compartiment was 12,4 l/m2 voor vrouwen en 17,5 l/m2 voor mannen (de interindividuele variabiliteit bedroeg 91,9%). Het verdelingsvolume van het perifere compartiment was 47,4 l/m2. Het volume van het perifere compartiment was niet geslachtsgevoelig. De plasma-eiwitbinding werd verwaarloosbaar beschouwd.

Halfwaardetijd: varieerde van 42 tot 94 minuten afhankelijk van leeftijd en geslacht. Bij het aanbevolen toedieningsschema zou de eliminatie van gemcitabine binnen 5 tot 11 uur na aanvang van de infusie vrijwel volledig moeten zijn. Er is geen sprake van accumulatie wanneer gemcitabine eenmaal per week wordt toegediend.

Biotransformatie

Gemcitabine wordt snel gemetaboliseerd door cytidinedeaminase in lever, nieren, bloed en andere weefsels. Intracellulair metabolisme van gemcitabine leidt tot de vorming van gemcitabine mono-, di- en trifosfaten (dFdCMP, dFdCDP, dFdCTP), waarvan dFdCDP en dFdCTP worden beschouwd als werkzame metabolieten. Deze intracellulaire metabolieten zijn niet aangetoond in plasma of urine. De belangrijkste metaboliet, 2'-deoxy-2', 2'-difluoro-uridine (dFdU) is niet werkzaam en wordt wel gevonden in plasma en urine.

Eliminatie

Systemische klaring variërend van 29,2 l/uur/m2 tot 92,2 l/uur/m2 afhankelijk van geslacht en leeftijd (de interindividuele variabiliteit bedroeg 52,2%). De klaring is bij vrouwen ongeveer 25% lager dan bij mannen. Hoewel de klaring snel verloopt, lijkt deze voor zowel mannen als vrouwen met de leeftijd af te nemen. Voor de aanbevolen dosis gemcitabine van 1000 mg/m2 toegediend als infusie van 30 minuten zouden lagere klaringswaarden voor mannen en vrouwen geen verlaging van de dosis gemcitabine noodzakelijk maken.

Uitscheiding in urine: minder dan 10% wordt als onveranderd geneesmiddel uitgescheiden.

Renale klaring was 2 tot 7 l/uur/m2.

In de week na toediening is 92 tot 98% van de toegediende dosis gemcitabine teruggevonden, 99% in de urine, voornamelijk in de vorm van dFdU en 1% van de dosis wordt uitgescheiden via de feces.

Kinetiek van dFdCTP

Deze metaboliet kan worden aangetroffen in mononucleaire cellen uit het perifere bloed; de onderstaande informatie verwijst naar deze cellen. Intracellulaire concentraties stijgen evenredig met de doses gemcitabine van 35-350 mg/m2/30 minuten, waarmee steady-state-concentraties worden bereikt van 0,4 - 5 μg/ml. Bij plasmaconcentraties van gemcitabine hoger dan 5 μg/ml stijgen de dFdCTP-spiegels niet, wat suggereert dat de vorming in deze cellen verzadigbaar is.

Terminale eliminatiehalfwaardetijd: 0,7-12 uur.

Kinetiek van dFdU

Piekplasmaconcentraties (3-15 minuten na beëindiging van de 30 minuten durende infusie, 1000 mg/m2): 28-52 µg/ml. Dalconcentratie na toediening eenmaal per week: 0,07-1,12 μg/ml, zonder duidelijke accumulatie. Trifasische plasmaconcentratie versus tijdcurve, gemiddelde halfwaardetijd van terminale fase – 65 uur (spreiding 33-84 uur).

Vorming van dFdU uit moederverbinding: 91%-98%.

Gemiddeld verdelingsvolume van het centrale compartiment: 18 l/m2 (spreiding 11-22 l/m2).

Gemiddeld steady-state-verdelingsvolume (Vss): 150 l/m2 (spreiding 96-228 l/m2).

Distributie over de weefsels: uitgebreid.

Gemiddelde fictieve klaring: 2,5 l/uur/m2 (spreiding 1-4 l/uur/m2).

Uitscheiding in urine: volledig.

Combinatiebehandeling met gemcitabine en paclitaxel

Combinatiebehandeling gaf geen veranderde farmacokinetiek van gemcitabine of paclitaxel te zien.

Combinatiebehandeling met gemcitabine en carboplatine

Bij toediening in combinatie met carboplatine was de farmacokinetiek van gemcitabine onveranderd.

Nierinsufficiëntie

Licht tot matige nierinsufficiëntie (GFR van 30 ml/min tot 80 ml/min) heeft geen consistent, aanzienlijk effect op de farmacokinetiek van gemcitabine.

5.3 Gegevens uit het preklinisch veiligheidsonderzoek

In onderzoeken met herhaalde doses tot maximaal 6 maanden bij muizen en honden was de belangrijkste bevinding toedieningsschema- en dosisafhankelijke hematopoëtische onderdrukking die reversibel was.

Gemcitabine is mutageen in een in-vitro-mutatietest en in vivo in een beenmergmicronucleustest. Langlopend onderzoek bij dieren naar carcinogenese mogelijkheid is niet uitgevoerd.

In fertiliteitsonderzoek veroorzaakte gemcitabine reversibele hypospermatogenese bij mannelijke muizen. Er is geen effect geconstateerd op de fertiliteit van vrouwelijke muizen.

Uit beoordeling van experimenteel onderzoek bij dieren is reproductietoxiciteit gebleken, bijv. aangeboren afwijkingen en andere effecten op de ontwikkeling van het embryo of de foetus, het verloop van de zwangerschap of de peri- en postnatale ontwikkeling.

6. FARMACEUTISCHE GEGEVENS

6.1 Lijst van hulpstoffen

Zoutzuur (E507) voor pH aanpassing

Water voor injecties

6.2 Gevallen van onverenigbaarheid

Dit geneesmiddel mag niet gemengd worden met andere geneesmiddelen dan die vermeld zijn in rubriek 6.6.

6.3 Houdbaarheid

Concentraat in ongeopende injectieflacon

2 Jaar

Na opening van de injectieflacon

De chemische en fysische stabiliteit tijdens gebruik is aangetoond voor 28 dagen bij 25°C.

Vanuit microbiologisch oogpunt dient het product onmiddellijk gebruikt te worden, tenzij de methode van openen het risico op microbiële contaminatie uitsluit. Indien niet onmiddellijk gebruikt, vallen de opslagtijden en –condities tijdens gebruik onder de verantwoordelijkheid van de gebruiker.

Oplossing voor infusie

Chemische en fysische stabiliteit tijdens gebruik is aangetoond voor 28 dagen bij 2°C tot 8°C en bij ongeveer 25°C na verdunnen met 0,9% natriumchloride oplossing tot een uiteindelijke concentratie tussen 2 – 25 mg/ml (2,0 mg/ml, 12 mg/ml en 25 mg/ml). De pH van de verdunde oplossing varieert tussen 2 - 3 en de osmolaliteit is ongeveer 285 mosmol/kg. Verdunde oplossingen zijn stabiel wanneer ze verpakt zijn in ofwel PVC ofwel PE infuuszakken.

Vanuit microbiologisch oogpunt moet de oplossing voor infusie direct gebruikt worden. Zo niet, dan vallen de opslagtijden en –condities voor gebruik onder de verantwoordelijkheid van de gebruiker. Normaal gesproken mag dat niet langer zijn dan 24 uur bij 2°C tot 8°C tenzij verdunning heeft plaatsgevonden onder gecontroleerde en gevalideerde aseptische condities.

6.4 Speciale voorzorgsmaatregelen bij bewaren

Bewaren in de koelkast (2°C – 8°C)

Voor de bewaarcondities na openen van de injectieflacon en van het verdunde geneesmiddel, zie rubriek 6.3.

6.5 Aard en inhoud van de verpakking

Kleurloze glazen injectieflacons (type I) met broombutylrubberen stop, verzegeld met een aluminium dop met een kapje van polypropyleen. De injectieflacon is verpakt met of zonder plastic beschermlaag.

Verpakkingsgrootten

1 x 5 ml injectieflacon

1 x 25 ml injectieflacon

1 x 50 ml injectieflacon

Niet alle genoemde verpakkingsgrootten worden in de handel gebracht.

6.6 Speciale voorzorgsmaatregelen voor het verwijderen en andere instructies

Voorzorgen bij bereiding

Bij bereiding en vernietiging van de infusieoplossing moeten de normale veiligheidsmaatregelen voor cytostatica in acht worden genomen. Zwanger personeel mag niet met dit product werken. Het werken met de oplossing voor infusie moet in een zuurkast plaatsvinden en er moeten beschermende jassen en handschoenen worden gedragen. Als er geen zuurkast voor handen is, dient de uitrusting te worden uitgebreid met een masker en een veiligheidsbril.

Als het preparaat in aanraking komt met de ogen, kan dit ernstige irritatie veroorzaken. De ogen moeten onmiddellijk en grondig met water worden gespoeld. In geval van blijvende irritatie moet een arts worden geraadpleegd. Als er oplossing op de huid wordt gemorst, spoel dan grondig met water.

Instructies voor verdunning

Het enige goedgekeurde verdunningsmiddel voor verdunning van Gemcitabine Eugia 40 mg/ml, concentraat voor oplossing voor infusie is natriumchloride 9 mg/ml (0,9%) oplossing voor injectie (zonder conserveermiddel).

  • Pas een aseptische techniek toe bij verdunning van gemcitabine voor toediening als intraveneuze infusie.
  • Verdunde oplossing is een heldere, kleurloze tot licht strokleurige oplossing.
  • Parenterale geneesmiddelen moeten voor toediening visueel worden gecontroleerd op de aanwezigheid van deeltjes en verkleuring. Niet toedienen als er vaste deeltjes zichtbaar zijn.

Al het ongebruikte geneesmiddel of afvalmateriaal dient te worden vernietigd overeenkomstig lokale voorschriften.

7. HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN

Eugia Pharma (Malta) Limited

Vault 14, Level 2, Valletta

Waterfront, Floriana

FRN 1914, Malta

8. NUMMERS VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN

Gemcitabine Eugia 40 mg/ml, concentraat voor oplossing voor infusie: RVG 116668.

9. DATUM VAN EERSTE VERLENING/VERNIEUWING VAN DE VERGUNNING

Datum van eerste verlening van de vergunning: 13 september 2016

Datum van laatste hernieuwing: 11 januari 2021

10. DATUM VAN HERZIENING VAN DE TEKST

Laatste gedeeltelijke wijziging betreft de rubrieken 4.4 en 4.8: 1 september 2026

Over dit document

Bron: CBG-MEB – Geneesmiddeleninformatiebank · Registratienummer: RVG 116668

Datum van herziening volgens de tekst: 01-09-2026

Een fout gevonden? Schrijf ons via de contactpagina.

De informatie op deze website vervangt niet het advies van uw arts of apotheker.

Gegevens over het medicijn Gemcitabine Eugia

Afleverstatus
Alleen op recept?
  • Afleverstatus: alleen op recept (UR, uitsluitend recept)
Werkzame stof Gemcitabine
Farmaceutische vorm Concentraat voor oplossing voor infusie
Toedieningsweg Intraveneus gebruik
Hulpstoffen Stikstof (head space) (e 941), water voor injectie, zoutzuur (e 507)
ATC-indeling
  1. L Oncolytica en immunomodulerende middelen
    1. L01 Oncolytica
      1. L01B Antimetabolieten
        1. L01BC Pyrimidineanalogen, oncolytische antimetabolieten
          1. L01BC05 Gemcitabine
Registratiehouder Eugia Pharma (Malta) Limited
Registratie 116668 sinds 13-09-2016 Procedure: NL/H/3390/001

Bron: CBG-MEB – Geneesmiddeleninformatiebank, gegevens van 31-10-2026. Gegevens uit de Geneesmiddeleninformatiebank van het CBG-MEB, zonder garantie. Ze vervangen niet het advies van uw arts of apotheker.