Bijsluiter-info.nl

Erlotinib SUN – SmPC

De SmPC is bedoeld voor zorgverleners. Begrijpelijke informatie voor patiënten staat in de bijsluiter: dosering, bijwerkingen, andere geneesmiddelen, zwangerschap en borstvoeding.

Bijgewerkt:
Feiten
Status:
Alleen op recept
Sterkte:
25 mg, 100 mg, 150 mg
Werkzame stof:
ATC-code:

SmPC (samenvatting van de productkenmerken) - Erlotinib SUN

1. NAAM VAN HET GENEESMIDDEL

Erlotinib SUN 25 mg, filmomhulde tabletten

Erlotinib SUN 100 mg, filmomhulde tabletten

Erlotinib SUN 150 mg, filmomhulde tabletten

2. KWALITATIEVE EN KWANTITATIEVE SAMENSTELLING

Erlotinib SUN 25 mg filmomhulde tabletten

Elke filmomhulde tablet bevat 25 mg erlotinib (als erlotinibhydrochloride).

Erlotinib SUN 100 mg filmomhulde tabletten

Elke filmomhulde tablet bevat 100 mg erlotinib (als erlotinibhydrochloride).

Erlotinib SUN 150 mg filmomhulde tabletten

Elke filmomhulde tablet bevat 150 mg erlotinib (als erlotinibhydrochloride).

Hulpstoffen met bekend effect:

Erlotinib SUN 25 mg filmomhulde tabletten

Elke 25 mg filmomhulde tablet bevat 16,3 mg lactose (als lactosemonohydraat).

Erlotinib SUN 100 mg filmomhulde tabletten

Elke 100 mg filmomhulde tablet bevat 65,6 mg lactose (als lactosemonohydraat).

Erlotinib SUN 150 mg filmomhulde tabletten

Elke 150 mg filmomhulde tablet bevat 98,6 mg lactose (als lactosemonohydraat).

Voor de volledige lijst van hulpstoffen, zie rubriek 6.1.

3. FARMACEUTISCHE VORM

Filmomhulde tablet.

Erlotinib SUN 25 mg filmomhulde tabletten

Wit tot gelige, ronde, biconvexe tabletten, ong. 6,18 mm in diameter, met ‘RL’ op één zijde gegraveerd en met ‘11’ op de andere zijde.

Erlotinib SUN 100 mg filmomhulde tabletten

Wit tot gelige, ronde, biconvexe tabletten, ong. 9,63 mm in diameter, met ‘RL’ op één zijde gegraveerd en met ‘12’ op de andere zijde.

Erlotinib SUN 150 mg filmomhulde tabletten

Wit tot gelige, ronde, biconvexe tabletten, ong. 11,2 mm in diameter, met ‘RL’ op één zijde gegraveerd en met ‘13’ op de andere zijde.

4. KLINISCHE GEGEVENS

4.1 Therapeutische indicaties

Niet-kleincellige longkanker (NSCLC)

Erlotinib SUN is geïndiceerd voor de eerstelijnsbehandeling van patiënten met lokaal gevorderde of gemetastaseerde niet-kleincellige longkanker (NSCLC) met EGFR- activerende mutaties.

Erlotinib SUN is ook geïndiceerd voor het omzetten naar onderhoudsbehandeling (“switch maintenance”) van patiënten met lokaal gevorderde of gemetastaseerde NSCLC met EGFR-activerende mutaties en met stabiele ziekte na eerstelijns chemotherapie.

Erlotinib SUN is ook geïndiceerd voor de behandeling van patiënten met lokaal gevorderde of gemetastaseerde NSCLC na falen van ten minste één voorafgaand chemotherapie regime. Erlotinib SUN is geïndiceerd bij patiënten met tumoren zonder EGFR-activerende mutaties als andere behandelopties niet geschikt worden geacht.

Wanneer Erlotinib SUN wordt voorgeschreven, dient men rekening te houden met factoren die geassocieerd zijn met een verlengde overleving.

Er is geen overlevingsvoordeel of ander klinisch relevant effect van de behandeling waargenomen bij patiënten met Epidermale Groeifactor Receptor (EGFR)-IHC negatieve tumoren (zie rubriek 5.1).

Pancreaskanker

Erlotinib SUN in combinatie met gemcitabine is geïndiceerd voor behandeling van patiënten met gemetastaseerde pancreaskanker.

Bij het voorschrijven van Erlotinib SUN dient men rekening te houden met factoren die gerelateerd zijn aan een verlengde overleving (zie rubrieken 4.2 en 5.1).

Er kon geen overlevingsvoordeel aangetoond worden voor patiënten met lokaal gevorderde ziekte.

4.2 Dosering en wijze van toediening

De behandeling met Erlotinib SUN dient te geschieden onder toezicht van een arts die ervaring heeft met het gebruik van oncologische therapieën.

Posologie:

Patiënten met niet-kleincellige longkanker

Een EGFR-mutatietest moet worden uitgevoerd in overeenstemming met de goedgekeurde indicaties (zie rubriek 4.1).

De aanbevolen dagelijkse dosering Erlotinib SUN is 150 mg ingenomen ten minste één uur vóór of twee uur na de inname van voedsel.

Patiënten met pancreaskanker

De aanbevolen dagelijkse dosering Erlotinib SUN is 100 mg ingenomen ten minste 1 uur vóór of 2 uur na de inname van voedsel, in combinatie met gemcitabine (zie de samenvatting van de productkenmerken van gemcitabine voor de indicatie pancreaskanker). Bij patiënten die geen huiduitslag ontwikkelen binnen de eerste 4-8 weken van de behandeling, dient verdere behandeling met Erlotinib SUN opnieuw te worden bepaald (zie sectie 5.1).

Wanneer dosisaanpassing noodzakelijk is, moet de dosis verminderd worden in stappen van 50 mg (zie rubriek 4.4).

Erlotinib SUN is verkrijgbaar in sterkten van 25 mg, 100 mg en 150 mg.

Gelijktijdig gebruik van CYP3A4-substraten en modulatoren kunnen een dosisaanpassing vereisen (zie rubriek 4.5).

Verminderde leverfunctie:

Erlotinib wordt uitgescheiden via metabolisme in de lever en via galexcretie. Ondanks dat de blootstelling aan erlotinib gelijk was bij patiënten met een matig-ernstig verminderde leverfunctie (Child-Pugh score 7-9), in vergelijking met patiënten met een adequate leverfunctie, is voorzichtigheid geboden wanneer Erlotinib SUN wordt toegediend aan patiënten met een verminderde leverfunctie.

Dosisvermindering of onderbreken van Erlotinib SUN dient te worden overwogen als ernstige bijwerkingen optreden. De veiligheid en werkzaamheid van erlotinib zijn niet onderzocht bij patiënten met ernstig verminderde leverfunctie (ASAT/SGOT en ALAT/SGPT > 5 x ULN). Het gebruik van Erlotinib SUN bij patiënten met ernstig verminderde leverfunctie wordt niet aanbevolen (zie rubriek 5.2).

Verminderde nierfunctie

De veiligheid en werkzaamheid van erlotinib zijn niet onderzocht bij patiënten met verminderde nierfunctie (serum creatinine concentratie > 1,5 maal de bovenste limiet voor normaal). Gebaseerd op farmacokinetische gegevens bleek geen dosisaanpassing noodzakelijk bij patiënten met een mild of matig-ernstig verminderde nierfunctie (zie rubriek 5.2). Het gebruik van Erlotinib SUN bij patiënten met een ernstig verminderde nierfunctie wordt niet aanbevolen.

Pediatrische patiënten

De veiligheid en werkzaamheid van erlotinib bij patiënten jonger dan 18 jaar zijn niet vastgesteld. Het gebruik van Erlotinib SUN bij pediatrische patiënten wordt niet aanbevolen.

Rokers

Het roken van sigaretten heeft uitgewezen dat de blootstelling aan erlotinib met 50-60% afneemt. De maximaal verdraagbare dosis van erlotinib is 300 mg bij patiënten met NSCLC die sigaretten roken. De dosis van 300 mg liet geen verbeterde werkzaamheid zien bij tweedelijnsbehandeling na falen van chemotherapie vergeleken met de aanbevolen dosis van 150 mg bij patiënten die door blijven gaan met het roken van sigaretten. Veiligheidsgegevens waren vergelijkbaar voor de dosis van 300 mg en 150 mg alhoewel er een numerieke verhoging in de incidentie van huiduitslag, interstitiële longziekte en diarree was bij patiënten die de hogere dosis erlotinib kregen. Huidige rokers dient geadviseerd te worden om te stoppen met roken (zie rubrieken 4.4, 4.5, 5.1 en 5.2).

Wijze van toediening:

Oraal gebruik.

4.3 Contra-indicaties

Overgevoeligheid voor erlotinib of voor een van de in rubriek 6.1 vermelde hulpstoffen.

4.4 Bijzondere waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik

Beoordeling van de EGFR-mutatiestatus

Als het gebruik van een eerstelijnsbehandeling of “switch maintenance”-behandeling met erlotinib bij patiënten met lokaal gevorderde of gemetastaseerde NSCLC wordt overwogen, dan is het belangrijk dat de EGFR-mutatiestatus van een patiënt wordt bepaald.

Volgens de lokale medische praktijk moet er een gevalideerde, robuuste, betrouwbare en gevoelige test met vooraf bepaalde positiviteitsgrens en aangetoonde gebruikswaarde voor de bepaling van de

EGFR-mutatiestatus worden uitgevoerd, waarbij gebruik gemaakt wordt van ofwel tumor-DNA verkregen uit weefsel of van circulerend vrij DNA (cfDNA) verkregen uit bloed (plasma).

Als een plasma-gebaseerde cfDNA-test wordt gebruikt en het resultaat negatief is voor activerende mutaties, moet waar mogelijk een weefseltest uitgevoerd worden in verband met mogelijke vals- negatieve resultaten met een plasma-gebaseerde test.

Rokers

Huidige rokers dient geadviseerd te worden om te stoppen met roken, omdat de plasmaconcentraties van erlotinib bij rokers in vergelijking tot niet-rokers verlaagd zijn. De mate van verlaging is waarschijnlijk klinisch significant (zie rubrieken 4.2, 4.5, 5.1 en 5.2).

Interstitiële longziekte

Gevallen van interstitiële longziekte (ILD-achtige) verschijnselen, waaronder fatale gevallen, zijn soms gemeld bij patiënten die erlotinib kregen voor de behandeling van niet-kleincellige longkanker (NSCLC), pancreaskanker of andere solide tumoren in gevorderd stadium. In het registratieonderzoek BR.21 in NSCLC, was de incidentie van ILD (0,8%) hetzelfde in zowel de placebo als de erlotinib groepen. In een meta-analyse van gerandomiseerde gecontroleerde klinische onderzoeken in NSCLC (exclusief fase I- en eenarmige fase II-onderzoeken door gebrek aan controlegroepen) was de incidentie van ILD-achtige verschijnselen 0,9% bij erlotinib vergeleken met 0,4% bij patiënten in de controle-armen. In het pancreaskankeronderzoek in combinatie met gemcitabine, was de incidentie van ILD-achtige verschijnselen 2,5% in de erlotinib plus gemcitabine groep versus 0,4% in de met placebo plus gemcitabine behandelde groep. Gerapporteerde diagnoses bij patiënten bij wie vermoed werd dat ze ILD-achtige verschijnselen hadden, omvatten pneumonitis, interstitiële pneumonie, pneumonitis door bestraling, overgevoeligheidspneumonitis, interstitiële longziekte, obliteratieve bronchiolitis, pulmonale fibrose, acuut respiratoir distress syndroom (ARDS), alveolitis en longinfiltratie. Symptomen begonnen enkele dagen tot enkele maanden na de start met erlotinib- therapie. Gelijktijdig voorkomende of bijdragende factoren zoals gelijktijdige of voorafgaande chemotherapie, voorafgaande radiotherapie, reeds bestaande parenchymale longziekte, gemetastaseerde longziekte of pulmonale infecties kwamen frequent voor. Een hogere incidentie van ILD (ongeveer 5% met een sterftepercentage van 1,5%) werd waargenomen bij patiënten in onderzoeken uitgevoerd in Japan.

Bij patiënten die acuut nieuwe en/of progressieve niet te verklaren pulmonale symptomen zoals dyspneu, hoest en koorts ontwikkelen, dient de erlotinib-therapie onderbroken te worden terwijl de diagnostische evaluatie plaatsvindt. Patiënten die gelijktijdig met erlotinib en gemcitabine worden behandeld dienen nauwkeurig te worden gecontroleerd op de mogelijkheid ILD-achtige toxiciteit te ontwikkelen. Indien ILD wordt gediagnosticeerd moet behandeling met erlotinib worden gestaakt en indien nodig een geschikte behandeling worden gestart (zie rubriek 4.8).

Diarree, uitdroging, verstoring van de elektrolytenbalans en nierfalen

Diarree (waaronder zeer zeldzame fatale gevallen) kwam voor bij ongeveer 50% van de patiënten op erlotinib en matige tot ernstige diarree moet behandeld worden met bijv. loperamide. In sommige gevallen kan een dosisvermindering noodzakelijk zijn. Tijdens de klinische onderzoeken zijn de doseringen verlaagd in stappen van 50 mg. Dosisverlagingen met stappen van 25 mg zijn niet onderzocht. In geval van ernstige of aanhoudende diarree, misselijkheid, anorexie of braken geassocieerd met uitdroging, dient erlotinib-therapie onderbroken te worden en dienen er geschikte maatregelen genomen te worden om de uitdroging te behandelen (zie rubriek 4.8).

Zelden zijn hypokaliëmie en nierfalen (waaronder met fataal verloop) gemeld. Sommige gevallen waren secundair aan ernstige dehydratie, als gevolg van diarree, braken en/of anorexia, terwijl andere mogelijk veroorzaakt werden door gelijktijdig toegediende chemotherapie. Bij gevallen van meer ernstige of aanhoudende diarree, of bij gevallen die leiden tot dehydratie, met name bij patiëntengroepen met verzwarende risicofactoren (vooral bij gelijktijdige toediening van chemotherapie en andere medicatie, bijkomende symptomen of ziekteverschijnselen of andere

predisponerende omstandigheden waaronder hoge leeftijd) dient erlotinib-therapie onderbroken te worden en dienen er geschikte maatregelen genomen te worden om de patiënten intensief intraveneus te hydrateren. Tevens dienen de nierfunctie en plasma-elektrolyten, waaronder kalium, te worden gecontroleerd bij patiënten met kans op dehydratie.

HepatotoxiciteitErnstige gevallen van eneesmiddelgeïnduceerde leverbeschadiging, waaronder hepatitis, acute hepatitis en leverfalen (waaronder gevallen met fatale afloop), zijn gemeld tijdens het gebruik van Erlotinib SUN. Risicofactoren kunnen al aanwezige leverziekte of gelijktijdig toegediende hepatotoxische medicatie zijn. Periodieke leverfunctietesten worden aanbevolen tijdens de behandeling met Erlotinib SUN. Het periodiek testen van de leverfunctie wordt aanbevolen tijdens de behandeling met erlotinib. De frequentie van controle van de leverfunctie moet worden verhoogd bij patiënten met reeds bestaande leverinsufficiëntie of galwegobstructie. Bij patiënten die symptomen melden die op leverschade kunnen wijzen, moet onmiddellijke klinische evaluatie en meting van leverfunctietesten moet worden uitgevoerd.. . Toediening van Erlotinib SUN moet worden onderbroken als er ernstige veranderingen in de leverfuncties optreden (zie rubriek 4.8). Het wordt niet aanbevolen om Erlotinib SUN te gebruiken bij patiënten met een ernstig verstoorde leverfunctie.

Gastro-intestinale perforatie

In sommige gevallen is waargenomen dat patiënten die erlotinib krijgen een verhoogd risico hebben op het ontwikkelen van gastro-intestinale perforatie (waaronder enkele fatale gevallen). Patiënten hebben een verhoogd risico bij gelijktijdig gebruik van anti-angiogenese middelen, corticosteroïden, NSAID’s, en/of op taxanen gebaseerde chemotherapie, of bij een voorgeschiedenis van maagzweren of divertikelaandoeningen. Erlotinib dient blijvend te worden gestaakt bij patiënten die een gastro- intestinale perforatie ontwikkelen (zie rubriek 4.8).

Bulleuze en exfoliatieve huidaandoeningen

Blaarvorming, bulleuze en exfoliatieve huidaandoeningen zijn gemeld, waaronder zeer zeldzame gevallen suggestief voor stevens-johnsonsyndroom/toxische epidermale necrolyse die in sommige gevallen fataal waren (zie rubriek 4.8). Behandeling met erlotinib dient onderbroken of gestaakt te worden als de patiënt ernstige blaasjes, blaarvorming of schilferen van de huid ontwikkelt. Patiënten met bulleuze en exfoliatieve huidaandoeningen dienen te worden getest op huidinfectie en behandeld te worden volgens de lokale richtlijnen.

Oogaandoeningen

Patiënten die zich presenteren met klachten en verschijnselen waarbij een vermoeden is van keratitis, zoals acute of verergerende oogontsteking, lacrimatie, lichtgevoeligheid, wazig zien, oogpijn en/of rode ogen, dienen direct doorverwezen te worden naar een oogspecialist. Als de diagnose ulceratieve keratitis is bevestigd, dient de behandeling met erlotinib nderbroken of gestaakt te worden. Als de diagnose keratitis wordt gesteld, dienen de voordelen en risico’s van het continueren van de behandeling zorgvuldig overwogen te worden. Bij patiënten met een voorgeschiedenis van keratitis, ulceratieve keratitis of ernstig droge ogen dient erlotinib met voorzichtigheid gebruikt te worden. Contactlenzen zijn eveneens een risico voor keratitis en ulceratie. Er zijn zeer zeldzame gevallen van corneale perforatie of ulceratie gemeld tijdens het gebruik van erlotinib (zie rubriek 4.8).

Interacties met andere geneesmiddelen

Krachtige inductoren van CYP3A4 kunnen de werkzaamheid van erlotinib verminderen terwijl krachtige remmers van CYP3A4 kunnen leiden tot verhoogde toxiciteit. Gelijktijdige behandeling met deze soorten middelen dient te worden vermeden (zie rubriek 4.5).

Andere vormen van interactie

Erlotinib wordt gekenmerkt door een afname in de oplosbaarheid bij een pH hoger dan 5. Geneesmiddelen die de pH in het bovenste gedeelte van het maagdarmstelsel veranderen, zoals protonpompremmers, H2-antagonisten en antacida, kunnen de oplosbaarheid van erlotinib wijzigen en daardoor ook de biologische beschikbaarheid. Het verhogen van de dosering erlotinib bij gelijktijdige toediening met deze middelen zal het verlies aan blootstelling waarschijnlijk niet kunnen

compenseren. Combinatie van erlotinib met protonpompremmers dient te worden vermeden. De gevolgen van gelijktijdige toediening van erlotinib met H2-antagonisten en antacida zijn onbekend, maar verminderde biologische beschikbaarheid is waarschijnlijk. Gelijktijdige toediening van deze combinaties dient daarom te worden vermeden (zie rubriek 4.5). Als het gebruik van antacida als noodzakelijk wordt gezien tijdens de behandeling met erlotinib, dienen deze minstens 4 uur vóór of 2 uur na de dagelijkse dosering erlotinib te worden ingenomen.

De tabletten bevatten lactose en dienen niet toegediend te worden aan patiënten met zeldzame erfelijke problemen zoals galactose-intolerantie, totale lactase-deficiëntie of glucose-galactose malabsorptie.

4.5 Interacties met andere geneesmiddelen en andere vormen van interactie

Interactie-onderzoek is alleen bij volwassenen uitgevoerd. Erlotinib en andere CYP-substraten Erlotinib is een krachtige remmer van CYP1A1 en een matige remmer van CYP3A4 en CYP2C8, evenals een sterke remmer van glucuronidering door UGT1A1 in vitro.

De fysiologische relevantie van de sterke remming van CYP1A1 is onbekend vanwege de zeer beperkte expressie van CYP1A1 in humane weefsels.

Bij gelijktijdige toediening van erlotinib met ciprofloxacine, een milde CYP1A2-remmer, nam de erlotinib blootstelling [AUC] met 39% significant toe, terwijl geen statistisch significante verandering in Cmax werd gevonden. Op dezelfde manier steeg de blootstelling aan de actieve metaboliet met ongeveer 60% en 48% respectievelijk voor de AUC en de Cmax. De klinische relevantie van deze stijging is niet vastgesteld. Voorzichtigheid is geboden als ciprofloxacine of krachtige CYP1A2- remmers (bijvoorbeeld fluvoxamine) gecombineerd worden met erlotinib. Als bijwerkingen optreden die gerelateerd zijn aan erlotinib, kan de erlotinib dosering verlaagd worden.

Voorbehandeling of gelijktijdige toediening met erlotinib resulteerde niet in een wijziging van de klaring van de prototypische CYP3A4-substraten, midazolam en erythromycine, maar bleek wel de orale biologische beschikbaarheid van midazolam met meer dan 24% te verlagen. In een ander klinisch onderzoek werd aangetoond dat erlotinib de farmacokinetiek van het gelijktijdig toegediende CYP3A4/2C8-substraat paclitaxel niet beïnvloedde. Significante interacties met de klaring van andere CYP3A4-substraten zijn daarom onwaarschijnlijk.

De remming van glucuronidering kan interacties met geneesmiddelen veroorzaken welke substraten van UGT1A1 zijn en die uitsluitend via deze weg geklaard worden. Patiënten met lage expressieniveaus van UGT1A1 of genetische glucuronideringsstoornissen (bijv. syndroom van Gilbert) kunnen verhoogde serumspiegels van bilirubine hebben en moeten met voorzichtigheid behandeld worden.

Erlotinib wordt bij mensen in de lever gemetaboliseerd door levercytochromen, voornamelijk door CYP3A4 en in mindere mate door CYP1A2. Extrahepatisch metabolisme door CYP3A4 in de darmen, CYP1A1 in de longen en CYP1B1 in tumorweefsel kan mogelijk ook bijdragen aan de metabole klaring van erlotinib. Mogelijke interacties kunnen voorkomen met geneesmiddelen die gemetaboliseerd worden door deze enzymen of die remmers of inductoren zijn van deze enzymen.

Krachtige remmers van CYP3A4-activiteit verminderen erlotinib metabolisme en verhogen erlotinib plasmaconcentraties. In een klinisch onderzoek resulteerde het gelijktijdige gebruik van erlotinib met ketoconazol (200 mg oraal tweemaal daags gedurende 5 dagen), een krachtige CYP3A4-remmer, in een verhoging van de erlotinib blootstelling (86% van AUC en 69% van Cmax). Daarom dient voorzichtigheid in acht genomen te worden indien erlotinib gecombineerd wordt met een krachtige CYP3A4-remmer, bijv. azol antischimmel middelen (d.w.z. ketoconazol, itraconazol, voriconazol), proteaseremmers, erytromycine of claritromycine. Indien nodig dient de dosis erlotinib verminderd te worden vooral wanneer toxiciteit wordt waargenomen.

Krachtige inductoren van CYP3A4-activiteit verhogen het erlotinib metabolisme en verminderen significant de erlotinib plasmaconcentraties. In een klinisch onderzoek resulteerde het gelijktijdige gebruik van erlotinib en rifampicine (600 mg oraal eenmaal per dag gedurende 7 dagen) een krachtige CYP3A4-inductor in een 69% vermindering van de mediane erlotinib AUC. Gelijktijdige toediening van rifampicine met een enkelvoudige dosis van 450 mg erlotinib, resulteerde in een gemiddelde blootstelling aan erlotinib(AUC) van 57,5% van de blootstelling na een enkelvoudige dosis van 150 mg erlotinib zonder behandeling met rifampicine. Gelijktijdige toediening van erlotinib met CYP3A4-inductoren dient daarom te worden vermeden. Voor patiënten die een gelijktijdige behandeling met erlotinib en een krachtige CYP3A4-inductor, zoals rifampicine, nodig hebben, zal een verhoging van de dosering tot 300 mg overwogen moeten worden, waarbij de veiligheid (inclusief nier- en leverfuncties en serumelektrolyten) nauwkeurig in de gaten wordt gehouden. Indien deze dosering meer dan twee weken goed wordt verdragen, zou een verdere verhoging tot 450 mg overwogen kunnen worden met nauwkeurige monitoring. Verminderde blootstelling kan ook voorkomen met andere inductoren bijv. fenytoïne, carbamazepine, barbituraten of sint janskruid (Hypericum perforatum). Voorzichtigheid dient in acht genomen te worden wanneer deze geneesmiddelen gecombineerd worden met erlotinib. Indien mogelijk dienen alternatieve behandelingen zonder CYP3A4 inducerende activiteit overwogen te worden.

Erlotinib en coumarine afgeleide antistollingsmiddelen

Interactie met van coumarine afgeleide antistollingsmiddelen, waaronder warfarine, wat leidt tot verhogingen van de Internationaal genormaliseerde ratio (INR) en gevallen van bloedingen, in sommige gevallen met fatale afloop, zijn gemeld bij patiënten die erlotinib kregen. Patiënten die van coumarine afgeleide antistollingsmiddelen gebruiken, dienen regelmatig gecontroleerd te worden op veranderingen in protrombinetijd of INR.

Erlotinib en statines

De combinatie van erlotinib met een statine kan de kans op door statine geïnduceerde myopathie verhogen, waaronder rabdomyolyse, wat zelden werd gezien.

Erlotinib en rokers

Uit de resultaten van een farmacokinetisch interactie-onderzoek bleek een significante 2,8-, 1,5- en 9- voudige reductie van respectievelijk de AUCinf, Cmax en plasmaconcentratie na 24 uur, na toediening van erlotinib bij rokers in vergelijking tot niet-rokers. Derhalve dienen patiënten die nog steeds roken te worden aangemoedigd om zo vroeg mogelijk voor start van de behandeling met erlotinib te stoppen met roken, daar de plasmaconcentraties van erlotinib anders verlaagd zijn. Op basis van gegevens uit het CURRENTS-onderzoek werd er geen bewijs gevonden dat een hogere dosis erlotinib van 300 mg gunstiger zou zijn dan de aanbevolen dosis van 150 mg bij actieve rokers. Veiligheidsgegevens waren vergelijkbaar voor de dosis van 300 mg en 150 mg alhoewel er een numerieke verhoging in de incidentie van huiduitslag, interstitiële longziekte en diarree was bij patiënten die de hogere dosis erlotinib kregen (zie rubrieken 4.2, 4.4, 5.1 en 5.2).

Erlotinib en remmers van P-glycoproteïne

Erlotinib is een substraat van het P-glycoproteïne transportsysteem voor geneesmiddelen. Gelijktijdige toediening van remmers van Pgp, bijv. ciclosporine en verapamil, kan leiden tot een verandering in de distributie en/of een verandering in de eliminatie van erlotinib. De gevolgen van deze interactie voor bijv. toxiciteit van het CZS zijn nog niet vastgesteld. Voorzichtigheid dient in acht te worden genomen in deze situatie.

Erlotinib en geneesmiddelen die de pH veranderen

Erlotinib wordt gekenmerkt door een afname in de oplosbaarheid bij een pH hoger dan 5. Geneesmiddelen die de pH veranderen van het bovenste gedeelte van het maagdarmstelsel, kunnen de oplosbaarheid van erlotinib en daardoor ook de biologische beschikbaarheid veranderen. Gelijktijdige toediening van erlotinib met omeprazol, een protonpompremmer, verminderde de erlotinib blootstelling [AUC] en de maximumconcentratie [Cmax] met respectievelijk 46% en 61%. Er was geen verandering in Tmax of halfwaardetijd. Gelijktijdige toediening van erlotinib met 300 mg

ranitidine, een H2-receptor antagonist, verminderde de blootstelling aan erlotinib [AUC] en de maximum concentraties [Cmax] met respectievelijk 33% en 54%. Het verhogen van de dosering erlotinib bij gelijktijdige toediening met dit soort middelen zal het verlies aan blootstelling waarschijnlijk niet kunnen compenseren. Wanneer erlotinib echter gespreid werd gedoseerd, 2 uur voor of 10 uur na ranitidine 150 mg tweemaal daags, daalden de erlotinib blootstelling [AUC] en de maximale concentraties [Cmax] slechts met respectievelijk 15% en 17%. Het effect van antacida op de absorptie van erlotinib is niet onderzocht, maar de absorptie zou verminderd kunnen zijn, wat lagere plasmaspiegels kan veroorzaken. Samengevat: de combinatie van erlotinib met protonpompremmers dient te worden vermeden. Als het gebruik van antacida als noodzakelijk wordt gezien tijdens de behandeling met erlotinib, dienen deze minstens 4 uur vóór of 2 uur na de dagelijkse dosering erlotinib te worden ingenomen. Als het gebruik van ranitidine wordt overwogen, dient dit gespreid te geschieden, d.w.z. dat erlotinib minstens 2 uur voor of 10 uur na de ranitidine toediening wordt gegeven.

Erlotinib en gemcitabine

In een fase Ib-onderzoek was geen sprake van significante effecten van gemcitabine op de farmacokinetiek van erlotinib. Evenmin waren er significante effecten van erlotinib op de farmacokinetiek van gemcitabine.

Erlotinib en carboplatine/paclitaxel

Erlotinib verhoogt platinumconcentraties. In een klinisch onderzoek leidde het gelijktijdige gebruik van erlotinib met carboplatine en paclitaxel tot een toename van de totale platinum AUC0-48 met 10,6%. Ondanks de statistische significantie wordt de omvang van dit verschil niet als klinisch relevant gezien. In de klinische praktijk kunnen er andere co-factoren zijn die leiden tot een verhoogde blootstelling aan carboplatine, zoals een verminderde nierfunctie. Er waren geen significante effecten van carboplatine of paclitaxel op de farmacokinetiek van erlotinib.

Erlotinib en capecitabine

Capecitabine kan de erlotinib-concentraties verhogen. Als erlotinib in combinatie met capecitabine wordt gegeven, is er een statistisch significante toename in de AUC van erlotinib en een grenswaarde stijging in Cmax vergeleken met waarden die gezien werden in een ander onderzoek waarbij alleen erlotinib werd toegediend. Er waren geen significante effecten van erlotinib op de farmacokinetiek van capecitabine.

Erlotinib en proteasoomremmers

Vanwege het werkingsmechanisme kan worden verwacht dat proteasoomremmers, waaronder bortezomib, invloed hebben op het effect van EGFR-remmers, waaronder erlotinib. Dergelijke invloed wordt ondersteund door beperkte klinische gegevens en preklinische onderzoeken die aantonen dat degradatie van EGFR via het proteasoom plaatsvindt.

4.6 Vruchtbaarheid, zwangerschap en borstvoeding

Zwangerschap

Er zijn geen adequate gegevens over het gebruik van erlotinib bij zwangere vrouwen. Dieronderzoek liet geen bewijs voor teratogeniteit of abnormale bevalling zien. Toch kan een schadelijk effect op de zwangerschap niet worden uitgesloten, omdat uit onderzoeken met ratten en konijnen een verhoogde embryonale/foetale letaliteit is gebleken (zie rubriek 5.3). Het potentiële risico voor de mens is niet bekend.

Vrouwen die zwanger kunnen worden

Vrouwen die zwanger kunnen worden moet geadviseerd worden zwangerschap te vermijden tijdens de behandeling met erlotinib. Effectieve anticonceptie moet gebruikt worden tijdens en tot ten minste 2 weken na de behandeling. Behandeling bij een zwangere vrouw moet slechts voortgezet worden indien het mogelijke voordeel voor de moeder opweegt tegen het risico voor de foetus.

Borstvoeding

Het is niet bekend of erlotinib wordt uitgescheiden in humane moedermelk. Er zijn geen onderzoeken uitgevoerd om het effect van erlotinib op de melkproductie te beoordelen of de aanwezigheid hiervan in moedermelk. Omdat de mogelijke schade voor het zogende kind niet bekend is, dient moeders geadviseerd te worden om geen borstvoeding te geven terwijl ze erlotinib krijgen en tot ten minste 2 weken na de laatste dosis.

Vruchtbaarheid

Uit dieronderzoek is geen bewijs voor verminderde vruchtbaarheid gevonden. Een schadelijk effect op de vruchtbaarheid kan echter niet worden uitgesloten, omdat bij dieronderzoek effecten op de voortplantingsparameters zijn gevonden (zie rubriek 5.3). Het mogelijke risico voor mensen is niet bekend.

4.7 Beïnvloeding van de rijvaardigheid en het vermogen om machines te bedienen

Er is geen onderzoek verricht met betrekking tot de effecten op de rijvaardigheid en op het vermogen om machines te bedienen. Erlotinib is echter niet in verband gebracht met verstoring van de geestelijke bekwaamheid.

4.8 Bijwerkingen

Veiligheidsevaluatie van Tarceva is gebaseerd op gegevens van meer dan 1500 patiënten die werden behandeld met ten minste één dosis 150 mg Tarceva als monotherapie en meer dan 300 patiënten die 100 of 150 mg Tarceva kregen in combinatie met gemcitabine.

De incidentie van bijwerkingen uit klinische onderzoeken die werden gemeld met alleen Tarceva of in combinatie met chemotherapie zijn samengevat volgens de National Cancer Institute-Common Toxicity Criteria (NCI-CTC) graad in tabel 1. Deze bijwerkingen werden bij ten minste 10% van de patiënten (in de Tarceva groep) gemeld en kwamen frequenter voor (≥ 3%) bij met Tarceva behandelde patiënten dan in de vergelijkende arm. Overige bijwerkingen waaronder die uit andere onderzoeken zijn samengevat in tabel 2.

Bijwerkingen uit klinische onderzoeken in tabel 1 zijn weergegeven volgens MedDRA systeem/orgaanklasse. De overeenkomende frequentiecategorie voor iedere bijwerking is als volgt aangegeven: zeer vaak (≥1/10); vaak (≥1/100, <1/10); soms (≥1/1.000, <1/100); zelden (≥1/10.000, <1/1.000); zeer zelden (<1/10.000).

10

Binnen iedere frequentiegroep worden bijwerkingen gerangschikt naar afnemende ernst.

Niet-kleincellige longkanker (erlotinib toegediend als monotherapie)

Eerstelijnsbehandeling voor patiënten met EGFR-mutaties

In een open-label, gerandomiseerd fase III-onderzoek, ML20650, uitgevoerd bij 154 patiënten, werd bij 75 patiënten de veiligheid beoordeeld van Tarceva als eerstelijnstherapie voor patiënten met NSCLC met EGFR-activerende mutaties. Er werden geen nieuwe veiligheidssignalen gezien bij deze patiënten.

De meest voorkomende bijwerkingen bij patiënten die in onderzoek ML20650 met Tarceva werden behandeld, waren huiduitslag en diarree (respectievelijk 80% en 57% voor elke graad). De meeste waren graad 1/2 in ernst en te behandelen zonder interventie. Graad 3 huiduitslag en diarree kwam voor bij respectievelijk 9% en 4% van de patiënten. Er werd geen graad 4 huiduitslag of diarree gezien. Zowel huiduitslag als diarree resulteerde bij 1% van de patiënten tot het staken van de behandeling. Aanpassen van de dosering (onderbreken of verlagen) als gevolg van huiduitslag of diarree was nodig bij respectievelijk 11% en 7% van de patiënten.

Onderhoudsbehandeling

In twee andere dubbelblinde, gerandomiseerde, placebogecontroleerde fase III-onderzoeken BO18192 (SATURN) en BO25460 (IUNO) werd Tarceva toegediend als onderhoudsbehandeling na eerstelijns chemotherapie. Deze onderzoeken werden uitgevoerd bij in totaal 1532 patiënten met gevorderde, terugkerende of gemetastaseerde NSCLC na eerstelijns standaard op platinum gebaseerde chemotherapie; er werden geen nieuwe veiligheidssignalen gevonden.

De meest voorkomende bijwerkingen die werden gezien bij patiënten die behandeld werden met Tarceva in de onderzoeken BO18192 en BO25460 waren huiduitslag (BO18192: 49,2% voor elke graad, graad 3: 6,0%; BO25460: 39,4% voor elke graad, graad 3: 5,0%) en diarree (BO18192: 20,3% voor elke graad, graad 3: 1,8%; BO25460: 24,2% voor elke graad, graad 3: 2,5%). In geen van beide onderzoeken werd graad 4 huiduitslag of diarree gezien. Huiduitslag en diarree resulteerden bij respectievelijk 1% en < 1% van de patiënten in staken van de behandeling met Tarceva in onderzoek BO18192, terwijl er geen patiënten de behandeling staakten door huiduitslag en diarree in BO25460. Aanpassen van de dosering (onderbreken of verlagen) als gevolg van huiduitslag en diarree was nodig bij respectievelijk 8,3% en 3% van de patiënten in onderzoek BO18192, en bij respectievelijk 5,6% en 2,8% van de patiënten in onderzoek BO25460.

Tweedelijns- en verderelijnsbehandeling

In een gerandomiseerd dubbelblind onderzoek (BR.21; Tarceva toegediend als tweedelijns behandeling), waren huiduitslag (75%) en diarree (54%) de meest vaak gemelde bijwerkingen. De meeste meldingen hadden graad 1/2 ernst en waren zonder interventie onder controle te krijgen. Graad 3/4 huiduitslag en diarree kwamen voor bij respectievelijk 9% en 6% van de met Tarceva behandelde patiënten en beide bijwerkingen resulteerden in 1% van de gevallen met het stoppen van het onderzoek. Dosisvermindering voor respectievelijk huiduitslag en diarree was nodig in 6% en 1% van de patiënten. In het onderzoek BR.21 was de mediane tijd tot begin van de huiduitslag 8 dagen en de mediane tijd tot begin van de diarree was 12 dagen.

In het algemeen manifesteert huiduitslag zich als een milde of matig-ernstige erythemateuze en papulopustulaire huiduitslag, die kan optreden of verergeren op plaatsen die zijn blootgesteld aan de zon. Voor patiënten die worden blootgesteld aan de zon kan het raadzaam zijn om beschermende kleding te dragen en/of zonnebrandcrème (bijv. mineralen-bevattende) te gebruiken.

Pancreaskanker (Tarceva toegediend in combinatie met gemcitabine)

De meest voorkomende bijwerkingen in het registratie-onderzoek PA.3 bij patiënten met pancreaskanker die 100 mg Tarceva ontvingen in combinatie met gemcitabine waren vermoeidheid, huiduitslag en diarree. In de arm met Tarceva en gemcitabine werden graad 3/4 huiduitslag en diarree gemeld bij 5% van de patiënten. De mediane tijd tot de eerste verschijnselen van huiduitslag en diarree was respectievelijk 10 dagen en 15 dagen. Zowel huiduitslag als diarree resulteerde in reductie van de dosering bij 2% van de patiënten en in staking van het onderzoek bij 1% van de patiënten die Tarceva plus gemcitabine ontvingen.

Tabel 1: Bijwerkingen die bij ≥ 10% van de patiënten optraden in onderzoeken BR.21 (behandeld met Tarceva) en PA.3 (behandeld met Tarceva plus gemcitabine) en bijwerkingen die vaker (≥ 3%) dan placebo optraden in onderzoeken BR.21 (behandeld met Tarceva) en PA.3 (behandeld met Tarceva plus gemcitabine)

* Ernstige infecties, al dan niet met neutropenie, omvatten pneumonie, sepsis en cellulitis. ** Kan leiden tot dehydratatie, hypokaliëmie en nierfalen.

*** Huiduitslag omvat acneïforme dermatitis.

  • komt overeen met percentage onder de drempelwaarde
Erlotinib (BR.21) N=485Erlotinib (PA.3) N=259Frequentie -categorie met hoogste incidentie
NCI-CTC GraadAlle graden34Alle graden34
MedDRA Term%%%%%%

Infecties en parasitaire aandoeningen

Infectie*

2440313<1Zeer vaak

Voedings-en

stofwisselingsstoornissen Anorexie

Gewichtsafname

52

-

8

-

1

-

-

39

-

2

-

0

Zeer vaak Zeer vaak

Oogaandoeningen

Keratoconjunctivitis sicca Conjunctivitis

12 120 <10 0

-

-

-

-

-

-

Zeer vaak Zeer vaak
Psychischestoornissen Depressie---1920Zeer vaak

Zenuwstelselaandoeningen Neuropathie

Hoofdpijn

-

-

-

-

-

-

13 151 <1<1 0Zeer vaak Zeer vaak

Ademhalingsstelsel-, borstkas- en

mediastinumaandoenin gen

Dyspneu

Hoest

41 3317 411 0

-

16

-

0

  • 0
Zeer vaak Zeer vaak

Maagdarmstelsel-aandoeningen Diarree**

Misselijkheid Braken

Stomatitis

Buikpijn

Dyspepsie

Flatulentie

54 33 23 17 11

-

-

6

3

2

<1 2

-

-

<1 0 <1 0 <1

-

-

48

-

-

22

-

17 13

5

-

-

<1

-

<1 0

<1

-

-

0

-

0

0

Zeer vaak Zeer vaak Zeer vaak Zeer vaak Zeer vaak Zeer vaak Zeer vaak

Huid- en

onderhuidaandoeningen Huiduitslag***

Pruritus

Droge huid

Alopecia

75 13 12

-

8

<1 0

-

<1 0

0

-

69

-

-

14

5

-

-

0

0

-

  • 0
Zeer vaak Zeer vaak Zeer vaak Zeer vaak

Algemene aandoeningen en toedieningsplaatsstoornissen Vermoeidheid

Pyrexie

Rigor

52

-

-

14

-

-

4

-

-

73 36 1214 3 02 0 0Zeer vaak Zeer vaak Zeer vaak

Tabel 2: Samenvatting van bijwerkingen per frequentiegroep:

LichaamsgestelZeer Vaak (≥1/10)

Vaak

(≥1/100, <1/10)

Soms

(≥1/1.000, <1/100)

Zelden

(≥1/10.000, <1/1.000)

Zeer Zelden (<1/10.000)Niet bekend8
Oogaandoenin- gen-Keratitis -Conjunc- tivitis1

-Veranderin- gen in

wimper2

-Corneale perforaties -Corneale ulceraties -Uveïtis

Ademhalings- stelsel-,

borstkas- en mediastinum- aandoeningen

-Epistaxis-Interstitiële longziekte (ILD)3
Maagdarmstel- selaandoenin- gen-Diarree7

-Gastro-

intestinale bloedingen4, 7

-Gastro- intestinale perforaties7
Lever- en gal- aandoeningen

-Afwijkingen van de

testuitslagen van de

leverfunctie5

-Leverfalen6

  • Hepatitis
  • Acute hepatitis

Huid- en

onderhuid- aandoeningen

-Huiduitslag

-Alopecia -Droge huid1

-Paronychia -Folliculitis -Acne/

dermatitis acneiform -Huidkloven

-Hirsutisme -Verander- ingen in

wenkbrauw -Broze en loszittende nagels

-Milde

huidreacties zoals

hyperpig- mentatie

-Palmoplantair erytrodysesthe siesyndroom-Stevens- johnson- syndroom/ toxische epidermale necrolyse7

Nier- en

urineweg-

aandoeningen

-Nier-

insufficiëntie1

-Nefritis1

-Proteïnurie1

1 In klinisch onderzoek PA.3.

2 Inclusief naar binnen groeiende wimpers, overmatige groei en verdikking van de wimpers. 3 Waaronder fatale gevallen bij patiënten die rrlotinib kregen voor de behandeling van NSCLC of andere gevorderde solide tumoren (zie rubriek 4.4). Een hogere incidentie is waargenomen bij patiënten in Japan (zie rubriek 4.4).

4 In klinische onderzoeken zijn sommige gevallen geassocieerd met gelijktijdige toediening van warfarine en sommige gevallen met gelijktijdige NSAID toediening (zie rubriek 4.5).

5 Waaronder verhoogde alanine aminotransferase [ALAT], aspartaat aminotransferase [ASAT], bilirubine). Deze werden zeer vaak gezien in klinisch onderzoek PA.3 en vaak in klinisch onderzoek BR.21. De gevallen waren voornamelijk mild of matig ernstig, van voorbijgaande aard of geassocieerd met levermetastasen.

6 Waaronder met fataal verloop. Risicofactoren kunnen al aanwezige leverziekte of gelijktijdig toegediende hepatotoxische medicatie zijn (zie rubriek 4.4).

7 Waaronder met fataal verloop (zie rubriek 4.4).

8 Kan met de beschikbare gegevens niet worden bepaald

Melding van vermoedelijke bijwerkingen

Het is belangrijk om na toelating van het geneesmiddel vermoedelijke bijwerkingen te melden. Op deze wijze kan de verhouding tussen voordelen en risico’s van het geneesmiddel voortdurend worden gevolgd. Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg wordt verzocht alle vermoedelijke bijwerkingen te melden via het Nederlands Bijwerkingen Centrum Lareb, website: www.lareb.nl.

4.9 Overdosering

Symptomen

Enkelvoudige orale doses van erlotinib tot 1000 mg bij gezonde personen en tot 1600 mg bij kankerpatiënten werden verdragen. Herhaalde tweemaaldaagse doseringen van 200 mg bij gezonde personen werden slecht verdragen na slechts een paar dagen van toedienen. Gebaseerd op de gegevens van deze onderzoeken kunnen ernstige bijwerkingen zoals diarree, huiduitslag en mogelijk verhoogde activiteit van leveraminotransferasen voorkomen boven de aanbevolen dosering.

Behandeling

Bij vermoedens van overdosering dient erlotinib gestaakt te worden en symptomatische behandeling dient gestart te worden.

5. FARMACOLOGISCHE EIGENSCHAPPEN

5.1 Farmacodynamische eigenschappen

Farmacotherapeutische categorie: antineoplastische middelen proteïne kinase remmer, ATC-code: L01XE03.

Werkingsmechanisme

Erlotinib is een epidermale groeifactor receptor/humane epidermale groeifactor receptor type I (EGFR, ook bekend als HER1) tyrosinekinaseremmer. Erlotinib is een krachtige remmer van de intracellulaire fosforylering van EGFR. EGFR komt op het celoppervlak van normale en kankercellen tot expressie. In niet klinische modellen resulteert de remming van EGFR fosfotyrosine in celstasis en/of celdood.

EGFR-mutaties kunnen leiden tot wezenlijke activatie van de anti-apoptotische en proliferatieve signaaltransductieroute. De krachtige werking van erlotinib in het blokkeren van EGFR-gemedieerde signaaltransductie in deze EGFR mutatie-positieve tumoren kan toegeschreven worden aan de sterke binding van erlotinib aan de ATP-bindingsplaats in het gemuteerde kinasedomein van EGFR. Als gevolg van de blokkering van neerwaartse signaaltransductie, wordt de proliferatie van cellen gestopt en wordt celdood geïnduceerd door de intrinsieke apoptoseroute. Tumorregressie wordt gezien in muismodellen met geforceerde expressie van deze EGFR-activerende mutaties.

Klinische werkzaamheid

  • Eerstelijnsbehandeling van patiënten met niet-kleincellige longkanker (NSCLC) en EGFR- activerende mutaties (erlotinib toegediend als monotherapie)

De werkzaamheid van erlotinib als eerstelijnsbehandeling van patiënten met EGFR-activerende mutaties bij NSCLC werd aangetoond in een gerandomiseerd, open-label, fase III-onderzoek (ML20650, EURTAC). Dit onderzoek werd uitgevoerd bij blanke patiënten met gemetastaseerde of lokaal gevorderde NSCLC (stadium IIIB en IV) die niet eerder chemotherapie of enige andere systemische antitumortherapie kregen voor gevorderde ziekte en mutaties hadden in het tyrosinekinase domein van de EGFR (exon 19-deletie of exon 21-mutatie). Patiënten werden in een verhouding 1:1 gerandomiseerd naar erlotinib 150 mg per dag of een platinumgebaseerde doublet chemotherapie met een maximum van 4 cycli.

Het primaire eindpunt was de door de onderzoeker vastgestelde progressievrije overleving (PFS). De werkzaamheidsresultaten zijn samengevat in Tabel 3.

Figuur 1: Kaplan-Meiercurve van de door de onderzoeker vastgestelde PFS in onderzoek ML20650 (EURTAC) (cut- off datum: april 2012).

Tabel 3: Werkzaamheidsresultaten van erlotinib versus chemotherapie in onderzoek ML20650 (EURTAC).

ErlotinibChemo- therapieHazard Ratio (95% BI)p-waarde

Vooraf

geplande interim- analyse (35% van de

OS-

gegevens) (n=153)

Cut-off datum: Aug 2010

n=77n=76

Primaire eindpunt:

PFS (mediaan in maanden)* Beoordeling door de

onderzoeker**

Beoordeling door

onafhankelijke

toetsingscommissie**

9,4

10,4

5,2

5,4

0,42

[0,27-0,64]

0,47

[0,27-0,78]

p<0,0001 p=0,003

Beste totale

responspercentage (CR/PR)

54,5%10,5%p<0,0001
Totale overleving (OS) (maanden)22,918,8

0,80

[0,47-1,37]

p=0,4170

Verkennen de analyse (40% van de

OS-

gegevens) (n=173)

Cut-off datum: Jan 2011

n=86n=87

PFS (mediaan in maanden), Beoordeling door de

onderzoeker

9,75,2

0,37

[0,27-0,54]

p<0,0001

Beste totale

responspercentage (CR/PR)

58,1%14,9%p<0,0001
OS (maanden)19,319,5

1,04

[0,65-1,68]

p=0,8702

Herziene analyse (62% van de

OS-

gegevens) (n=173)

Cut-off

datum: April 2012

n=86n=87
PFS (mediaan in maanden)10,45,1

0,34

[0,23-0,49]

p<0,0001
OS*** (maanden)22,920,8

0,93

[0,64-1,36]

p=0,7149

CR=complete respons; PR=partiële respons

* Een risicoreductie van 58% van ziekteprogressie of overlijden werd waargenomen ** De algehele overeenkomst in beoordeling door de onderzoeker en onafhankelijke toetsingscommissie (IRC) was 70%

*** Een hoge crossover werd waargenomen waarbij 82% van de patiënten in de chemotherapie-arm een vervolgbehandeling met een EGFR-tyrosinekinase remmer kreeg. Al deze patiënten, behalve twee, kregen erlotinib als vervolgbehandeling.

  • Onderhoudsbehandeling van NSCLC na eerstelijns chemotherapie (erlotinib toegediend als monotherapie)

De werkzaamheid en veiligheid van erlotinib als onderhoudsbehandeling na eerstelijns chemotherapie voor NSCLC werden onderzocht in een gerandomiseerd, dubbelblind, placebogecontroleerd onderzoek (BO18192, SATURN). Dit onderzoek werd uitgevoerd bij 889 patiënten met lokaal gevorderde of gemetastaseerde NSCLC zonder progressie na 4 cycli van op platinumgebaseerde

chemotherapiedoublet. Patiënten waren 1:1 gerandomiseerd naar erlotinib 150 mg of placebo oraal eenmaaldaags tot ziekteprogressie. Het primaire eindpunt van het onderzoek omvatte PFS bij alle patiënten. De demografische en ziektekenmerken bij aanvang van het onderzoek waren goed verdeeld over de twee behandelarmen. Patiënten met ECOG-score > 1, significante hepatische of renale co- morbiditeiten waren niet geïncludeerd in het onderzoek.

In dit onderzoek liet de totale populatie een voordeel zien voor het primaire PFS-eindpunt (HR = 0,71; p < 0,0001) en het secundaire totale overlevings-(OS-)eindpunt (HR = 0,81; p = 0,0088). Het grootste voordeel werd echter waargenomen in een voorgedefinieerde verkennende analyse in patiënten met EGFR-activerende mutaties (n = 49) waarin een substantieel PFS-voordeel werd aangetoond (HR = 0,10; 95% BI; 0,04 tot 0,25; p < 0.0001) en een OS HR van 0,83 (95% BI; 0,34 tot 2,02). Van de placebopatiënten in de EGFR mutatie-positieve subgroep kreeg 67% tweedelijns- of meerderelijnsbehandeling met EGFR-TKI’s.

Het BO25460 (IUNO) onderzoek werd uitgevoerd in 643 patiënten met gevorderde NSCLC van wie de tumor geen EGFR-activerende mutatie bevatte (exon 19-deletie of exon 21 L858R-mutatie) en die geen ziekteprogressie hadden na 4 cycli van platinumgebaseerde chemotherapie.

Het doel van het onderzoek was om de OS van eerstelijns onderhoudsbehandeling met erlotinib te vergelijken met erlotinib toegediend ten tijde van ziekteprogressie. Het onderzoek bereikte het pimaire eindpunt niet. OS van erlotinib in eerstelijns onderhoudsbehandeling was niet superieur aan erlotinib als tweedelijnsbehandeling in patiënten van wie de tumor geen EGFR-activerende mutatie bevatte (HR = 1,02; 95% BI; 0,85 tot 1,22; p = 0,82). Het secundaire eindpunt PFS liet geen verschil zien tussen erlotinib en placebo in onderhoudsbehandeling (HR = 0,94; 95% BI; 0,80 tot 1,11; p = 0,48).

Gebaseerd op de gegevens uit het BO25460 (IUNO) onderzoek wordt gebruik van erlotinib niet aanbevolen in eerstelijns onderhoudsbehandeling in patiënten zonder een EGFR-activerende mutatie.

  • Behandeling van NSCLC na falen van minstens één voorafgaand chemotherapieregime (erlotinib toegediend als monotherapie)

De werkzaamheid en veiligheid van erlotinib als tweede-/derdelijnsbehandeling werden aangetoond in een gerandomiseerd, dubbelblind, placebogecontroleerd onderzoek (BR.21) bij 731 patiënten met lokaal gevorderde of gemetastaseerde NSCLC na falen van ten minste één chemotherapie regime. Patiënten werden 2:1 gerandomiseerd naar erlotinib 150 mg of placebo oraal eenmaaldaags. Onderzoekseindpunten waren OS, PFS, mate van respons, duur van de respons, tijd tot verergering van longkanker gerelateerde symptomen (hoest, dyspneu en pijn) en veiligheid. Het primaire eindpunt was overleving.

Demografische karakteristieken waren goed gebalanceerd tussen de twee behandelingsgroepen. Ongeveer tweederde van de patiënten waren mannen en ongeveer eenderde had bij aanvang een ECOG-score van 2 en 9% had bij aanvang een ECOG-score van 3. Respectievelijk 93% en 92% van alle patiënten in de erlotinib- en placebogroepen waren eerder behandeld met een platinumbevattende behandeling en respectievelijk 36% en 37% van alle patiënten waren eerder behandeld met een taxaan.

De gecorrigeerde HR voor sterfte in de erlotinib-groep ten opzichte van de placebogroep was 0,73 (95% BI, 0,60 tot 0,87) (p = 0,001). Het percentage patiënten dat in leven was na 12 maanden was respectievelijk 31,2% en 21,5% voor de erlotinib - en de placebogroepen. De mediane OS verbeterde met 42,5% en was 6,7 maanden in de erlotinib groep (95% BI, 5,5 tot 7,8 maanden) in vergelijking met 4,7 maanden in de placebogroep (95% BI, 4,1 tot 6,3 maanden).

Het effect op OS is in verschillende patiënten subgroepen onderzocht. Het effect van erlotinib op OS was gelijk bij patiënten met een baseline ECOG-score van 2-3 (HR = 0,77; 95% BI 0,6-1,0) of 0-1 (HR = 0,73; 95% BI 0,6-0,9), mannelijke (HR = 0,76; 95% BI 0,6-0,9) of vrouwelijke patiënten (HR = 0,80; 95% BI 0,6-1,1), patiënten < 65 jaar (HR = 0,75; 95% BI 0,6-0,9) of oudere patiënten (HR = 0,79; 95% BI 0,6-1,0), patiënten met één eerder regime (HR = 0,76; 95% BI 0,6-1,0) of meer dan één voorafgaand regime (HR = 0,75; 95% BI 0,6-1,0), Kaukasische (HR = 0,79; 95% BI 0,6-1,0) of Aziatische patiënten (HR = 0,61; 95% BI 0,4-1,0), patiënten met adenocarcinoom (HR = 0,71; 95% BI 0,6-0,9) of plaveiselcelcarcinoom (HR = 0,67; 95% BI 0,5-0,9), maar niet bij patiënten met andere histologieën (HR 1,04; 95% BI 0,7-1,5), patiënten met stadium IV-ziekte bij diagnose (HR = 0,92; 95% BI 0,7-1,2) of < stadium IV-ziekte bij diagnose (HR = 0,65; 95% BI 0,5-0,8). Patiënten die nooit gerookt hebben, hadden een veel groter voordeel van erlotinib (overleving HR = 0,42; 95% BI 0,28-0,64) in vergelijking met huidige of ex-rokers (HR = 0,87; 95% BI 0,71-1,05). Bij de 45% patiënten met een bekende EGFR-expressie status, was de HR 0,68 (95% BI 0,49-0,94) voor de patiënten met EGFR-positieve tumoren en 0,93 (95% BI 0,63-1,36) voor de patiënten met EGFR-negatieve tumoren (vastgesteld door IHC met EGFR pharmDx kit en gedefinieerd als EGFR- negatief wanneer minder dan 10% van de tumorcellen aankleuren). Bij de overige 55% patiënten met onbekende EGFR-expressie status was de HR 0,77 (95% BI 0,61-0,98).

De mediane PFS bedroeg 9,7 weken voor de erlotinib groep (95% BI, 8,4 tot 12,4 weken) in vergelijking met 8,0 weken voor de placebogroep (95% BI, 7,9 tot 8,1 weken).

Het objectieve responspercentage d.m.v. RECIST voor de erlotinib groep bedroeg 8,9% (95% BI, 6,4 tot 12,0). De eerste 330 patiënten waren centraal beoordeeld (mate van respons 6,2%); 401 patiënten waren door de onderzoeker beoordeeld (responspercentage 11,2%).

De mediane duur van respons was 34,3 weken, variërend van 9,7 tot 57,6+ weken. Het deel van de patiënten met complete respons, gedeeltelijke respons of stabiele ziekte, was respectievelijk 44,0% en 27,5% voor de erlotinib en de placebogroep (p = 0,004).

Een overlevingsvoordeel van erlotinib werd ook gezien bij patiënten die geen objectieve tumorrespons (d.m.v. RECIST) bereikten. Dit werd bewezen door een HR voor sterfte van 0,82 (95% BI, 0,68 tot 0,99) onder patiënten voor wie de beste respons stabiele ziekte of progressieve ziekte was.

Erlotinib resulteerde in symptoom voordelen door significant de tijd tot verergering van hoest, dyspneu en pijn te verlengen ten opzichte van placebo.

In een dubbelblind, gerandomiseerd klinisch fase III-onderzoek (MO22162, CURRENTS) werden 2 doseringen van erlotinib (300 mg versus 150 mg) vergeleken bij huidige rokers (gemiddeld 38 pakjes per jaar) met lokaal gevorderd of gemetastaseerd NSCLC in tweedelijn na falen op chemotherapie. De 300 mg dosis erlotinib liet geen voordeel in PFS zien ten opzichte van de aanbevolen dosis (respectievelijk 7,00 vs. 6,86 weken).

Alle secundaire werkzaamheidseindpunten waren consistent met het primaire eindpunt en er werd geen verschil in OS gevonden tussen patiënten die behandeld werden met erlotinib 300 mg of 150 mg per dag (HR 1,03, 95% BI 0,80 - 1,32). Veiligheidsgegevens waren vergelijkbaar voor de dosis van 300 mg en 150 mg alhoewel de incidentie van huiduitslag, interstitiële longziekte en diarree hoger was bij patiënten die de hogere dosis erlotinib kregen. Op basis van gegevens uit het CURRENTS-onderzoek werd er geen bewijs gevonden dat een hogere dosis erlotinib van 300 mg gunstiger zou zijn dan de aanbevolen dosis van 150 mg bij actieve rokers.

Patiënten in dit onderzoek werden niet geselecteerd op basis van EGFR-mutatiestatus. Zie rubrieken 4.2, 4.4, 4.5, en 5.2.

  • Pancreaskanker (erlotinib toegediend in combinatie met gemcitabine in onderzoek PA.3)

De veiligheid en werkzaamheid van erlotinib in combinatie met gemcitabine als eerstelijnsbehandeling zijn vastgesteld in een gerandomiseerd, dubbelblind, placebogecontroleerd onderzoek bij patiënten met lokaal gevorderde, inoperabele of gemetastaseerde pancreaskanker. Patiënten werden gerandomiseerd om erlotinib of placebo eenmaal daags te krijgen volgens een continu schema met gemcitabine IV (1000 mg/m2, cyclus 1 - dag 1, 8, 15, 22, 29, 36 en 43 van een 8-weekse cyclus; cyclus 2 en vervolgkuren - dag 1, 8 en 15 van een 4-weekse cyclus [zie de gemcitabine SmPC voor goedgekeurde dosering en schema bij pancreaskanker]). Erlotinib of placebo werd eenmaaldaags oraal ingenomen tot ziekteprogressie of onaanvaardbare toxiciteit. Het primaire eindpunt was OS.

Bij aanvang waren demografische en ziektekenmerken van de patiënten gelijk tussen de 2 behandelgroepen, 100 mg erlotinib plus gemcitabine of placebo plus gemcitabine, uitgezonderd van een enigszins groter aandeel vrouwen in de erlotinib/gemcitabine arm in vergelijking met de placebo/gemcitabine arm:

Waarden bij aanvangErlotinibPlacebo
Vrouwen51%44%
ECOG-score bij aanvang = 031%32%
ECOG-score bij aanvang = 151%51%
ECOG-score bij aanvang = 217%17%
Gemetastaseerde ziekte bij aanvang77%76%

Overleving was vastgesteld in de “Intent-To-Treat” populatie, op basis van follow-up overlevingsdata. De resultaten zijn weergegeven in onderstaande tabel (resultaten voor de groep patiënten met gemetastaseerde en lokaal gevorderde ziekte zijn afkomstig uit een oriënterende subgroepanalyse).

ResultaatErlotinib (maanden)Placebo (maanden)Δ (maanden)BI of ΔHRBI of HRP- waarde
Totale populatie
Mediane OS6,46,00,41-0,54-1,640,820,69-0,980,028
Gemiddelde OS8,87,61,16-0,05-2,34
Gemetastaseerde populatie
Mediane OS5,95,10,87-0,26-1,560,800,66-0,980,029
Gemiddelde OS8,16,71,430,17-2,66
Lokaal gevorderde populatie
Mediane OS8,58,20,36-2,43-2,960,930,65-1,350,713
Gemiddelde OS10,710,50,19-2,43-2,69

In een post-hoc analyse blijkt dat patiënten met een gunstige klinische status (lage pijnintensiteit, goede QoL en een goede ECOG-score) meer voordeel van erlotinib kunnen ondervinden. Het voordeel komt voornamelijk voor uit de aanwezigheid van een lage pijnintensiteitsscore.

In een post-hoc analyse blijkt dat patiënten die huiduitslag ontwikkelden een langere OS hadden vergeleken met patiënten die geen huiduitslag ontwikkelden (mediane OS 7,2 maanden vs 5 maanden, HR: 0,61). 90% van de patiënten die erlotinib ontvingen ontwikkelden huiduitslag binnen de eerste 44 dagen. De mediane tijd tot het ontstaan van huiduitslag was 10 dagen.

Pediatrische patiënten

Het Europees Geneesmiddelenbureau heeft besloten af te zien van de verplichting voor de fabrikant om de resultaten in te dienen van onderzoek met erlotinib in alle subgroepen van pediatrische

patiënten met niet-kleincellige longkanker en pancreaskanker (zie rubriek 4.2 voor informatie over pediatrisch gebruik).

5.2 Farmacokinetische eigenschappen

Absorptie

Erlotinib piekplasmaspiegels worden ongeveer 4 uur na de orale toediening bereikt. Een onderzoek bij normale gezonde vrijwilligers leverde een schatting van de absolute biologische beschikbaarheid op van 59%. De blootstelling na een orale dosis kan verhoogd zijn met voedsel.

Distributie

Erlotinib heeft een gemiddeld schijnbaar distributievolume van 232 l en diffundeert in humaan tumorweefsel. In een onderzoek met 4 patiënten (3 met niet-kleincellige longkanker [NSCLC] en 1 met larynx kanker) die 150 mg dagelijkse doses erlotinib kregen vertoonden tumormonsters van chirurgisch verkregen excisies op dag 9 van de behandeling erlotinibconcentraties in de tumor van gemiddeld 1,185 ng/g weefsel. Dit kwam overeen met een totaal gemiddelde van 63% (bereik 5-161%) van de bij steady state waargenomen piekplasmaspiegels. De primaire actieve metabolieten waren aanwezig in tumoren in concentraties van gemiddeld 160 ng/g weefsel, dat overeenkwam met een totaal gemiddelde van 113% (bereik 88-130%) van de waargenomen steady state piekplasmaspiegels. Plasma eiwitbinding is ongeveer 95%. Erlotinib bindt aan serumalbumine en alfa-1 zuur glycoproteïne (AAG).

Biotransformatie

Erlotinib wordt bij mensen in de lever omgezet door levercytochromen, voornamelijk door CYP3A4 en in mindere mate door CYP1A2. Extrahepatisch metabolisme door CYP3A4 in de darmen, CYP1A1 in de longen en 1B1 in tumorweefsel dragen mogelijk bij tot de metabole klaring van erlotinib.

Er zijn 3 belangrijke omzettingsroutes geïdentificeerd: 1) O-demethylering van één van beide zijketens of beide, gevolgd door oxidatie tot de carboxylzuren; 2) oxidatie van de acetyleen groep gevolgd door hydrolyse tot het arylcarboxylzuur; en 3) aromatische hydroxylering van de fenyl-acetyleen groep. De primaire metabolieten OSI-420 en OSI-413 van erlotinib geproduceerd door O-demethylering van één van beide zijketens hebben een potentie vergelijkbaar met deze van erlotinib in niet-klinische in vitro assays en in vivo tumormodellen. Ze zijn aanwezig in het plasma met spiegels die < 10% van erlotinib zijn en vertonen een farmacokinetiek vergelijkbaar met deze van erlotinib.

Eliminatie

Erlotinib wordt voornamelijk uitgescheiden als metabolieten via de faeces (> 90%) waarbij eliminatie via de nieren slechts een klein gedeelte (ongeveer 9%) van een orale dosis voor zijn rekening neemt. Minder dan 2% van de oraal toegediende dosis wordt uitgescheiden als onveranderde stof. Een populatie farmacokinetische analyse bij 591 patiënten die alleen het middel erlotinib kregen vertoonde een gemiddeld schijnbare klaring van 4,47 l/uur met een mediane halfwaardetijd van 36,2 uur. Daarom wordt verwacht dat het punt waarop de steady state plasmaspiegel bereikt wordt na ongeveer 7-8 dagen plaatsvindt.

Farmacokinetiek in speciale populaties

Gebaseerd op een populatie farmacokinetische analyse werd geen klinisch significant verband waargenomen tussen voorspelde schijnbare klaring en de leeftijd van de patiënt, lichaamsgewicht, geslacht en etniciteit. Patiënten factoren die correleerden met de farmacokinetiek van erlotinib waren serum totaal bilirubine, AAG en het huidige rookgedrag. Verhoogde serumconcentraties van totaal bilirubine en AAG concentraties werden geassocieerd met een verminderde erlotinibklaring. De klinische relevantie van deze verschillen is onduidelijk. Rokers hadden echter een toegenomen erlotinibklaring. Dit werd bevestigd in een farmacokinetisch onderzoek onder niet-rokende en huidige sigarettenrokende gezonde vrijwilligers die een enkelvoudige dosering van 150 mg erlotinib

ontvingen. Het geometrisch gemiddelde voor Cmax was 1056 ng/ml bij niet-rokers en 689 ng/ml bij rokers, met een gemiddelde ratio voor rokers tot niet-rokers van 65,2% (95% BI: 44,3 tot 95,9; p = 0,031). Het geometrisch gemiddelde voor de AUC0-inf was 18726 ng•h/ml bij niet-rokers en 6718 ng•h/ml bij rokers, met een gemiddelde ratio van 35,9% (95% BI: 23,7 tot 54,3; p < 0,0001). Het geometrisch gemiddelde van C24h was 288 ng/ml bij niet-rokers en 34,8 ng/ml bij rokers, met een gemiddelde ratio van 12,1% (95% BI: 4,82 tot 30,2; p = 0,0001).

In het fase III-NSCLC-registratieonderzoek bereikten huidige rokers de erlotinib 'steady state' laagste plasmaconcentratie van 0,65 µg/ml (n=16) die ongeveer tweemaal minder was dan bij voormalige rokers of patiënten die nooit eerder hadden gerookt (1,28 µg/ml, n = 108). Dit effect ging samen met een toename van 24% van schijnbare erlotinib plasmaklaring. In een fase I-dosisescalatie-onderzoek bij NSCLC patiënten die rookten, duiden de farmacokinetische analyses bij 'steady state' op een dosisproportionele toename van erlotinib blootstelling wanneer de erlotinib dosis werd verhoogd van 150 mg tot de maximaal getolereerde dosis van 300 mg. De 'steady state' laagste plasmaconcentratie bij een 300 mg dosering bij huidige rokers in dit onderzoek was 1,22 µg/ml (n=17). Zie rubrieken 4.2, 4.4, 4.5 en 5.1.

Gebaseerd op de resultaten van deze farmacokinetische onderzoeken, moeten huidige rokers geadviseerd worden om te stoppen met roken gedurende het gebruik van erlotinib, omdat anders de plasmaconcentraties verlaagd kunnen zijn.

Gebaseerd op de populatie farmacokinetische analyse, verhoogt de aanwezigheid van een opiaat de beschikbaarheid met ongeveer 11%.

Er was een tweede populatie farmacokinetische analyse uitgevoerd die erlotinib gegevens omvatte van 204 patiënten met pancreaskanker die erlotinib plus gemcitabine kregen. Deze analyse toonde aan dat co-varianten die invloed hadden op de klaring van erlotinib bij patiënten uit het pancreaskankeronderzoek sterk leken op die die gezien waren in de eerdere monotherapeutische farmacokinetische analyse. Er zijn geen nieuwe invloeden van co-varianten waargenomen. Gelijktijdige toediening van gemcitabine had geen invloed op de plasmaklaring van erlotinib.

Pediatrische patiënten:

Er zijn geen specifieke onderzoeken uitgevoerd bij pediatrische patiënten.

Ouderen:

Er zijn geen specifieke onderzoeken uitgevoerd bij ouderen.

Verminderde leverfunctie:

Erlotinib wordt primair geklaard door de lever. Bij patiënten met solide tumoren en met een matig- ernstig verminderde leverfunctie (Child-Pugh score 7-9), was de geometrisch gemiddelde erlotinib AUC0-tn en Cmax respectievelijk 27000 ng•h/ml en 805 ng/ml, vergeleken met 29300 ng•h/ml en 1090 ng/ml bij patiënten met een adequate leverfunctie, inclusief patiënten met primaire leverkanker of levermetastasen. Ondanks dat de Cmax statistisch significant lager was bij patiënten met een matig- ernstig verminderde leverfunctie, wordt het verschil niet als klinisch relevant gezien. Er zijn geen gegevens beschikbaar over de invloed van ernstige leverdisfunctie op de farmacokinetiek van erlotinib. In een populatie farmacokinetische analyse werden verhoogde serumconcentraties van totaal bilirubine geassocieerd met een lagere snelheid van erlotinibklaring.

Verminderde nierfunctie:

Erlotinib en zijn metabolieten worden niet significant door de nieren uitgescheiden aangezien minder dan 9% van een enkelvoudige dosis uitgescheiden wordt door de urine. In een populatie farmacokinetische analyse werd geen klinisch significant verband waargenomen tussen erlotinibklaring en creatinineklaring, maar er geen zijn gegevens beschikbaar voor patiënten met een creatinineklaring < 15 ml/min.

5.3 Gegevens uit het preklinisch veiligheidsonderzoek

Chronische doseringseffecten in ten minste één diersoort of onderzoek omvatten effecten op de cornea (atrofie, ulceratie), huid (folliculaire degeneratie en ontsteking, roodheid en alopecia), eierstok (atropie), lever (levernecrose), nier (renale papillaire necrose en tubulaire dilatatie) en gastro- intestinaal kanaal (vertraagde lediging van de maag en diarree). Rode bloedcel parameters waren verminderd en witte bloedcellen, vooral neutrofielen, waren vermeerderd. Er waren aan de behandeling gerelateerde verhogingen in ALAT, ASAT en bilirubine. Deze bevindingen werden waargenomen bij blootstellingen ver beneden de klinisch relevante blootstellingen.

Gebaseerd op het werkingsmechanisme heeft erlotinib de potentie om teratogeen te zijn. Gegevens uit reproductie toxicologie testen in ratten en konijnen bij doses in de buurt van de maximaal getolereerde dosis en/of voor de moeder toxische doses toonden reproductie- (embryotoxiciteit in ratten, embryo resorptie en foetotoxiciteit in konijnen) en ontwikkelings- (verminderde groei en overleving in puppen van ratten) toxiciteit aan maar het was niet teratogeen en verstoorde niet de vruchtbaarheid. Deze bevindingen werden waargenomen bij klinisch relevante blootstellingen.

Erlotinib testte negatief in conventionele genotoxiciteitsonderzoeken. Carcinogeniteitsonderzoeken die 2 jaar duurden en waarbij erlotinib bij ratten en muizen werd onderzocht met blootstellingen tot hoger dan de therapeutische blootstelling bij de mens (tot het 2-voudige en 10-voudige hoger, gebaseerd op respectievelijk Cmax en/of AUC) waren negatief.

Een milde fototoxische huidreactie werd waargenomen in ratten na UV-straling.

6. FARMACEUTISCHE GEGEVENS

6.1 Lijst van hulpstoffen

Tabletkern:

Lactosemonohydraat

Microkristallijne cellulose (E460)

Natrium zetmeel glycolaat (type A)

Natrium laurilsulfaat

Magnesium stearaat (E470b)

Tabletomhulsel:

Opadry White (YS-1-7040):

Hydroxypropylcellulose (E463)

Macrogol

Titanium dioxide (E171)

Talc

6.2 Gevallen van onverenigbaarheid

Niet van toepassing.

6.3 Houdbaarheid

2 jaar

Flesverpakking:

Gebruik binnen 30 dagen na de eerste opening van de fles.

6.4 Speciale voorzorgsmaatregelen bij bewaren

Voor dit geneesmiddel is geen speciale bewaartemperatuur vereist.

6.5 Aard en inhoud van de verpakking

Blisterverpakking:

30 filmomhulde tabletten in OPA/Al/HDPE/PE+Desiccant/HDPE/PE/Al blisterverpakking (3 x 10 filmomhulde tabletten).

HDPE Flesverpakking:

30 filmomhulde tabletten in HDPE fles met dop die moeilijk te openen is door kinderen en inductiekeerring veering, met silica gel.

6.6 Speciale voorzorgsmaatregelen voor het verwijderen

Geen bijzondere vereisten voor verwijdering.

Al het ongebruikte geneesmiddel of afvalmateriaal dient te worden vernietigd overeenkomstig lokale voorschriften.

7. HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN

Sun Pharmaceutical Industries Europe B.V.

Polarisavenue 87

2132JH Hoofddorp

Nederland

8. NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN

25 mg: RVG 121721

100 mg: RVG 121722

150 mg: RVG 121723

9. DATUM EERSTE VERGUNNINGVERLENING/VERLENGING VAN DE VERGUNNING

Datum van eerste verlening van de vergunning: 15 april 2019

10. DATUM VAN HERZIENING VAN DE TEKST

Laatste gedeeltelijke wijziging betreft de rubrieken: 4.4 en 4.8: 17 november 2022.

Over dit document

Bron: CBG-MEB – Geneesmiddeleninformatiebank · Registratienummer: RVG 121723

Datum van herziening volgens de tekst: 17-11-2022

Een fout gevonden? Schrijf ons via de contactpagina.

De informatie op deze website vervangt niet het advies van uw arts of apotheker.

Gegevens over het medicijn Erlotinib SUN

Afleverstatus
Alleen op recept?
  • Afleverstatus: alleen op recept (UR, uitsluitend recept)
Werkzame stof Erlotinib
Toedieningsweg Oraal gebruik
Hulpstoffen
cellulose, microkristallijn (e 460(i)), hypromellose 2910 (3 - 15 mpa.s) (e 464), lactose 1-water, macrogol 8000 … (+5)+

cellulose, microkristallijn (e 460(i)), hypromellose 2910 (3 - 15 mpa.s) (e 464), lactose 1-water, macrogol 8000, magnesiumstearaat (e 470b), natriumlaurilsulfaat, natriumzetmeelglycolaat, talk (e 553b), titaandioxide (e 171)

ATC-indeling
  1. L Oncolytica en immunomodulerende middelen
    1. L01 Oncolytica
      1. L01E Proteïnekinaseremmers, oncolytica en immunomodulerende middelen
        1. L01EB Epidermale groeifactorreceptor(EGFR)-tyrosinekinaseremmers
          1. L01EB02 Erlotinib
Registratiehouder Sun Pharmaceutical Industries Europe B.V.
Sterkten en vormen
  • 25 mg filmomhulde tablet 121721
  • 100 mg filmomhulde tablet 121722
  • 150 mg filmomhulde tablet 121723
Registratie 121721, 121722, 121723

Bron: CBG-MEB – Geneesmiddeleninformatiebank, gegevens van 31-10-2026. Gegevens uit de Geneesmiddeleninformatiebank van het CBG-MEB, zonder garantie. Ze vervangen niet het advies van uw arts of apotheker.