SmPC (samenvatting van de productkenmerken) - Dorzolamide Viatris
1. NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
Dorzolamide Viatris 20 mg/ml, oogdruppels, oplossing
2. KWALITATIEVE EN KWANTITATIEVE SAMENSTELLING
Iedere ml bevat 20 mg dorzolamide (als dorzolamidehydrochloride).
Hulpstof(fen) met bekend effect:
Bevat per ml oplossing 0,075 mg benzalkoniumchloride.
Voor de volledige lijst van hulpstoffen, zie rubriek 6.1.
3. FARMACEUTISCHE VORM
Oogdruppels, oplossing.
Isotone, gebufferde, licht viskeuze, heldere, kleurloze, waterige oplossing.
4. KLINISCHE GEGEVENS
4.1 Therapeutische indicaties
Dorzolamide Viatris is geïndiceerd:
- als bijkomende therapie bij bètablokkers;
- als monotherapie bij patiënten die niet reageren op bètablokkers of bij wie bètablokkers gecontra-indiceerd zijn;
bij de behandeling van verhoogde intraoculaire druk bij:
- oculaire hypertensie;
- openhoekglaucoom;
- pseudo-exfoliatieve glaucoom.
4.2 Dosering en wijze van toediening
Dosering
Als dorzolamide als monotherapie gebruikt wordt, is de dosering driemaal daags één druppel in de conjunctivale zak van het/de aangedane oog/ogen.
Als dorzolamide gebruikt wordt met een oogheelkundige bètablokker, is de dosering tweemaal daags één druppel in de conjunctivale zak van het/de aangedane oog/ogen.
Als dorzolamide in de plaats komt van andere oogdruppels tegen glaucoom, moet het gebruik van dat middel na een laatste toediening in de gebruikelijke dosering aan het eind van een dag worden gestaakt en moet de behandeling met dorzolamide op de volgende dag worden begonnen.
Als er meerdere oogdruppels gebruikt worden, moeten deze worden toegediend met telkens een interval van ten minste tien minuten.
De patiënt moet erop gewezen worden dat de handen gewassen moeten worden voor gebruik en dat de punt van de druppelaar niet in contact met het oog of de omliggende weefsels mag komen.
De patiënt moet er ook op gewezen worden dat verkeerd gebruik ertoe kan leiden dat de oogdruppels besmet raken met bacteriën die ooginfecties kunnen veroorzaken. Gebruik van besmette oogdruppels kan tot ernstige schade aan het oog en verlies van het gezichtsvermogen leiden.
Pediatrische patiënten
Er zijn beperkte klinische gegevens bij kinderen over toediening van dorzolamide driemaal daags. Voor informatie over toediening aan kinderen, zie rubriek 5.1.
Wijze van toediening
Oculair gebruik
Patiënten moeten worden geïnformeerd over het juiste gebruik van het oogdruppelflesje.
Instructies voor gebruik:
- 1. Vóór het eerste gebruik moet de verzegelstrip bij de hals van het flesje intact zijn. De ruimte tussen het flesje en de dop is bij een ongeopend flesje normaal. Voor het eerste gebruik moet de verzegeling worden verbroken.
- 2. De dop dient van het flesje te worden gehaald.
- 3. Het hoofd van de patiënt moet achterover gebogen zijn en het onderste ooglid moet voorzichtig naar beneden getrokken worden, zodat er een soort zakje ontstaat tussen het ooglid en het oog.
- 4. Het flesje moet ondersteboven gehouden worden en er moet zachtjes ingeknepen worden tot er één druppel in het oog valt. DE PUNT VAN HET FLESJE MAG NIET IN AANRAKING KOMEN MET HET OOG OF OOGLID.
- 5. Stap 3 en 4 moeten bij het andere oog herhaald worden, indien nodig.
- 6. Na gebruik moet de dop onmiddellijk worden teruggeplaatst en de fles worden gesloten.
Bij gebruik van nasolacrimale occlusie of het sluiten van de oogleden gedurende 2 minuten wordt de systemische absorptie verminderd. Dit kan leiden tot een afname van systemische bijwerkingen en een toename van lokale activiteit.
4.3 Contra-indicaties
- Overgevoeligheid voor werkzame stof of voor één van de in rubriek 6.1 vermelde hulpstoffen.
- Dorzolamide is niet onderzocht bij patiënten met een ernstige nierfunctiestoornis (CrCl < 30 ml/min) of bij hyperchloremische acidose. Omdat dorzolamide en de metaboliet voornamelijk door de nieren uitgescheiden worden, is dorzolamide bij deze patiënten gecontra-indiceerd.
4.4 Bijzondere waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik
Dorzolamide is niet onderzocht bij patiënten met een leverfunctiestoornis en moet daarom bij deze patiënten voorzichtig worden toegepast.
Bij de behandeling van patiënten met acuut nauwehoekglaucoom kan niet worden volstaan met oogdrukverlagende oogdruppels alleen. Dorzolamide is niet bestudeerd bij patiënten met acuut nauwehoekglaucoom.
Dorzolamide bevat een sulfonamidegroep, die ook bij sulfonamiden voorkomt en die ondanks de plaatselijke toediening systemisch wordt opgenomen. Daarom kunnen de bijwerkingen die aan oraal ingenomen sulfonamiden zijn toe te schrijven, waaronder ernstige reacties zoals Stevens-Johnson-syndroom en toxische epidermale necrolyse, ook bij plaatselijke toediening optreden. Als er zich tekenen van een ernstige reactie of overgevoeligheid voordoen, moet gebruik van dit middel worden gestaakt.
Behandeling met orale koolzuuranhydraseremmers is gepaard gegaan met urolithiasis als gevolg van zuur-basenverstoringen, vooral bij patiënten met nierstenen in de voorgeschiedenis. Hoewel er met dorzolamide geen zuur-basenverstoringen gemeld zijn, zijn er enkele meldingen van urolithiasis. Omdat dorzolamide een lokale koolzuuranhydraseremmer is die systemisch wordt geabsorbeerd, kan de kans op urolithiasis bij patiënten met nierstenen in de voorgeschiedenis en die dorzolamide gebruiken, verhoogd zijn.
Als allergische reacties, bijv. conjunctivitis en reacties aan het ooglid worden waargenomen, moet stopzetting van de behandeling worden overwogen.
Bij patiënten die een orale koolzuuranhydraseremmer en dorzolamide krijgen, kunnen de bekende systemische effecten van koolzuuranhydraseremming versterkt worden. Gelijktijdige toediening van dorzolamide en orale koolzuuranhydraseremmers wordt niet aanbevolen.
Bij patiënten met eerder bestaande chronische afwijkingen aan de cornea en/of een voorgeschiedenis van intraoculaire chirurgie zijn tijdens het gebruik van dorzolamide oogdruppels cornea-oedeem en irreversibele corneadecompensatie gemeld. Bij deze patiënten moet voorzichtigheid worden betracht bij lokale toepassing van dorzolamide.
Bij toediening van kamerwaterremmende therapie na een filtratie-ingreep is loslating van de choroidea met gelijktijdig oculaire hypotonie gemeld.
Pediatrische patiënten:
Dorzolamide is niet onderzocht bij patiënten met een zwangerschapsleeftijd van minder dan 36 weken of jonger dan 1 week oud. Vanwege het mogelijke risico op metabole acidose mogen patiënten met aanzienlijke immaturiteit van de niertubuli dorzolamide alleen krijgen na zorgvuldige afweging van de voordelen en risico's.
Dorzolamide Viatris bevat benzalkoniumchloride
Dit middel bevat 0,075 mg benzalkoniumchloride in 1 ml.
Benzalkoniumchloride kan worden opgenomen door zachte contactlenzen en kan de kleur van de contactlenzen veranderen. Contact met zachte contactlenzen dient te worden vermeden. Contactlenzen moeten voor het indruppelen worden verwijderd waarna ten minste 15 minuten moet worden gewacht voor de lenzen weer in te zetten.
Uit de beperkte gegevens die beschikbaar zijn, blijkt geen verschil in het bijwerkingenprofiel bij kinderen vergeleken met volwassenen. In het algemeen geldt echter dat bij kinderen de ogen sterker reageren op een bepaalde stimulus dan bij volwassenen. Irritatie kan een effect hebben op therapietrouw bij kinderen.
Er is gemeld dat benzalkoniumchloride oogirritatie en symptomen van droge ogen veroorzaakt en invloed kan hebben op de traanfilm en het corneaoppervlak. Benzalkoniumchloride moet met voorzichtigheid worden gebruikt bij patiënten met droge ogen en bij patiënten bij wie de cornea mogelijk beschadigd is.
In geval van langdurig gebruik moeten patiënten worden gecontroleerd.
4.5 Interacties met andere geneesmiddelen en andere vormen van interactie
Er zijn met dorzolamide oogdruppels geen interactiestudies verricht.
In klinisch onderzoek is dorzolamide gelijktijdig met de volgende geneesmiddelen gebruikt zonder aanwijzingen voor nadelige interacties: timolol oogdruppels, betaxolol oogdruppels en systemisch te gebruiken geneesmiddelen waaronder ACE-remmers, calciumantagonisten, diuretica, niet-steroïdale anti-inflammatoire geneesmiddelen waaronder aspirine, en hormonen (bijv. oestrogeen, insuline, thyroxine).
De samenhang tussen dorzolamide en miotica en sympathicomimetica is niet volledig geëvalueerd gedurende glaucoomtherapie.
Dorzolamide is een koolzuuranhydraseremmer, en hoewel het plaatselijk wordt toegediend, wordt het ook in de systemische circulatie geabsorbeerd. Bij klinisch onderzoek zijn geen verstoringen in het zuur-base-evenwicht waargenomen bij gebruik van dorzolamide oogdruppels. Dergelijke effecten zijn echter wel waargenomen bij gebruik van orale koolzuuranhydraseremmers, en in enkele gevallen ontstonden geneesmiddeleninteracties (bijv. toxische reacties bij patiënten die hoge doses salicylaten kregen). Daarom moet bij een behandeling met Dorzolamide Viatris rekening worden gehouden met de mogelijkheid van dergelijke interacties.
4.6 Vruchtbaarheid, zwangerschap en borstvoeding
Zwangerschap
Dozolamide mag niet worden gebruikt tijdens de zwangerschap. Er zijn geen of een beperkte hoeveelheid gegevens over het gebruik van dorzolamide bij zwangere vrouwen. Bij konijnen veroorzaakte dorzolamide teratogene effecten bij maternotoxische doses (zie rubriek 5.3).
Borstvoeding
Het is niet bekend of dorzolamide/metabolieten bij de mens worden uitgescheiden in de moedermelk. Beschikbare farmacodynamische/toxicologische gegevens bij dieren hebben de uitscheiding van dorzolamide/metabolieten in melk aangetoond. Er moet worden besloten of borstvoeding moet worden gestaakt of dat behandeling met Dorzolamide Viatris moet worden gestaakt dan wel niet moet worden ingesteld, waarbij het voordeel van borstvoeding voor het kind en het voordeel van behandeling voor de vrouw in overweging moeten worden genomen. Een risico voor de pasgeborenen/zuigelingen kan niet worden uitgesloten.
Vruchtbaarheid
Diergegevens duiden niet op een effect van behandeling met dorzolamide op de mannelijke en vrouwelijke vruchtbaarheid. Gegevens bij mensen ontbreken.
4.7 Beïnvloeding van de rijvaardigheid en het vermogen om machines te bedienen
Dorzolamide Viatris heeft een kleine of matige invloed op de rijvaardigheid en op het vermogen om machines te bedienen. Mogelijke bijwerkingen, zoals duizeligheid en visusstoornissen kunnen optreden (zie ook rubriek 4.8).
4.8 Bijwerkingen
Dorzolamide is in gecontroleerde en niet-gecontroleerde studies bij meer dan 1400 personen beoordeeld. In langdurige studies bij 1108 patiënten die werden behandeld met dorzolamide als monotherapie of als adjuvans bij een oogheelkundige bètablokker, waren geneesmiddelgerelateerde bijwerkingen aan het oog, vooral conjunctivitis en reacties aan het ooglid de meest voorkomende oorzaak van stopzetting (ongeveer 3 %) van de behandeling met dorzolamide.
Gedurende klinisch onderzoek of bij postmarketing surveillance zijn de volgende bijwerkingen gemeld: zeer vaak (≥ 1/10), vaak (≥ 1/100 tot < 1/10), soms (≥ 1/1000 tot < 1/100), zelden (≥ 1/10.000 tot < 1/1.000), zeer zelden (< 1/10.000) en niet bekend (kan met de beschikbare gegevens niet worden bepaald).
| Systeem orgaanklasse | Zeer vaak | Vaak | Soms | Zelden | Niet bekend |
| Zenuwstelsel-aandoeningen | Hoofdpijn | Duizeligheid, paresthesieën | |||
| Oogaandoeningen | Branden en prikken | Oppervlakkige keratitis punctata, tranen, conjunctivitis, ooglidontsteki ng, jeuk aan het oog, ooglidirritatie, wazig zien | Iridocyclitis | Irritatie waaronder roodheid, pijn, korstjes op de oogleden, voorbijgaande myopie (die bij stopzetting van de behandeling verdween) corneaoedeem oculaire hypotonie, loslating van de choroidea na een filtratie-ingreep | Vreemd lichaam-gevoel in het oog, fotofobie |
| Hartaandoeningen | Palpitaties, tachycardie | ||||
| Bloedvataandoenin gen | Hypertensie | ||||
| Ademhalings-stelsel-, borstkas- en mediastinum-aandoeningen | Epistaxis | Dyspneu | |||
| Maag-darmstelsel-aandoeningen | Misselijkheid, bittere smaak | Keelirritatie, droge mond | |||
| Huid- en onderhuid-aandoeningen | Contactdermatitis, Stevens-Johnson-syndroom, toxische epidermale necrolyse | ||||
| Nier- en urineweg-aandoeningen | Urolithiasis | ||||
| Algemene aandoeningen en toedieningsplaats-stoornissen | Asthenie/ vermoeidheid | Overgevoeligheid : objectieve en subjectieve symptomen van plaatselijke (palpebrale) en systemische allergische reacties, waaronder angio-oedeem, urticaria en pruritus, uitslag, kortademigheid, zelden bronchospasme |
Laboratoriumbevindingen: gebruik van dorzolamide ging niet gepaard met klinisch relevante verstoringen van de elektrolytenbalans.
Pediatrische patiënten
Zie rubriek 5.1.
Melding van vermoedelijke bijwerkingen
Het is belangrijk om na toelating van het geneesmiddel vermoedelijke bijwerkingen te melden. Op deze wijze kan de verhouding tussen voordelen en risico’s van het geneesmiddel voortdurend worden gevolgd. Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg wordt verzocht alle vermoedelijke bijwerkingen te melden via het Nederlands Bijwerkingen Centrum Lareb (website: www.lareb.nl).
4.9 Overdosering
Er is slechts beperkte informatie beschikbaar over een overdosis bij mensen door onbedoelde of bewuste inname van dorzolamidehydrochloride. De volgende verschijnselen zijn gemeld: bij orale inname: slaperigheid; bij lokale toediening: misselijkheid, duizeligheid, hoofdpijn, vermoeidheid, abnormaal dromen en dysfagie.
De behandeling moet symptomatisch en ondersteunend zijn. Verstoring van de elektrolytenhuishouding, ontwikkeling van een acidose en eventueel CZS-effecten kunnen optreden. De elektrolytenspiegels in het serum (vooral kalium) en de pH van het bloed moeten worden gecontroleerd.
5. FARMACOLOGISCHE EIGENSCHAPPEN
5.1 Farmacodynamische eigenschappen
Farmacotherapeutische categorie: MIDDELEN BIJ GLAUCOOM EN MIOTICA, koolzuuranhydraseremmers.
ATC-code: S01EC03
Werkingsmechanisme
Koolzuuranhydrase (CA) is een enzym dat in vele lichaamsweefsels wordt aangetroffen, waaronder het oog. Bij mensen komt koolzuuranhydrase in de vorm van een aantal iso-enzymen voor; de actiefste hiervan is koolzuuranhydrase II (CA-II), dat voornamelijk in rode bloedcellen (RB) voorkomt, maar ook in andere weefsels. Remming van koolzuuranhydrase in de processus ciliares van het oog vermindert de productie van kamerwater. Het gevolg is een verlaging van de intraoculaire druk (IOD).
Dorzolamide Viatris bevat dorzolamidehydrochloride, een krachtige remmer van het menselijke koolzuuranhydrase II. Na toediening in het oog verlaagt dorzolamide de verhoogde intraoculaire druk, ongeacht of deze met glaucoom samenhangt. Een verhoogde IOD is een belangrijke risicofactor in de pathogenese van schade aan de nervus opticus en gezichtsveldverlies. Dorzolamide veroorzaakt geen pupilvernauwing en vermindert de IOD zonder bijwerkingen als nachtblindheid en accommodatiespasme. Dorzolamide heeft nauwelijks of geen effect op de hartfrequentie of bloeddruk.
Lokale bètablokkers verlagen de IOD ook door de productie van kamerwater te verminderen, maar via een ander werkingsmechanisme. Uit onderzoek blijkt dat als dorzolamide aan een lokale bètablokker wordt toegevoegd, er een additieve verlaging van de IOD optreedt; deze bevinding komt overeen met de gemelde additieve effecten van bètablokkers en orale koolzuuranhydraseremmers.
Farmacodynamische effecten
Klinische werkzaamheid en veiligheid:
Volwassenen
Bij patiënten met glaucoom of intraoculaire drukverhoging is de werkzaamheid van dorzolamide driemaal daags als monotherapie (uitgangswaarde IOD ≥ 23 mmHg) of tweemaal daags als aanvullende behandeling bij oogheelkundige bètablokkers (uitgangswaarde IOD ≥ 22 mmHg) aangetoond in grootschalige klinische studies die tot één jaar duurden. Het oogdrukverlagende effect van dorzolamide als monotherapie en als aanvullende behandeling blijkt de hele dag aan te houden en dit effect bleef bij langdurige toediening gehandhaafd.
De werkzaamheid bij langdurige monotherapie kwam overeen met die van betaxolol en was iets minder dan timolol. Bij gebruik als aanvullende behandeling naast oogheelkundige bètablokkers vertoonde dorzolamide een additionele IOD-verlaging die overeenkwam met viermaal daags pilocarpine 2 %.
Pediatrische patiënten
Een drie maanden durend dubbelblind, met actieve behandeling gecontroleerd multicenteronderzoek is verricht bij 184 (122 voor dorzolamide) pediatrische patiënten in de leeftijd van 1 week tot < 6 jaar met glaucoom of verhoogde intraoculaire druk (baseline-IOD≥ 22 mmHg) om de veiligheid van dorzolamide te beoordelen als dit lokaal driemaal daags wordt toegediend. Bij ongeveer de helft van de patiënten in beide behandelingsgroepen werd congenitaal glaucoom vastgesteld; andere veelvoorkomende etiologieën waren Sturge–Weber-syndroom, iridocorneale mesenchymale dysgenese en afakie. De verdeling van leeftijd en behandelingen in de monotherapiefase was als volgt:
| Dorzolamide 20 mg/ml | Timolol | |
| Leeftijdcohort < 2 jaar | n=56 Leeftijdbereik: 1 tot 23 maanden | Timolol GS 0.25% n=27 Leeftijdbereik: 0,25 tot 22 maanden |
| Leeftijdcohort ≥ 2 - < 6 jaar | n=66 Leeftijdbereik: 2 to 6 jaar | Timolol 0,5% n=35 Leeftijdbereik: 2 to 6 jaar |
Over beide leeftijdcohorten werden ongeveer 70 patiënten minstens 61 dagen en ongeveer 50 patiënten 81-100 dagen behandeld.
Als de IOD met dorzolamide of timolol gelvormende oplossing als monotherapie onvoldoende onder controle was, werd overgegaan op open-label therapie, als volgt: 30 patiënten <2 jaar werden overgezet naar gelijktijdige therapie met timolol gelvormende oplossing 0,25 % eenmaal daags en dorzolamide 2 % driemaal daags; 30 patiënten > 2 jaar werden overgezet naar 2 % dorzolamide/0,5 % timolol vaste combinatie tweemaal daags.
In zijn algemeenheid, bracht deze studie geen andere veiligheidskwesties bij kinderen aan het licht: bij ongeveer 26 % (20 % bij dorzolamide monotherapie) van de kinderen werden geneesmiddelgerelateerde bijwerkingen vastgesteld, waarvan de meeste lokale, niet-ernstige effecten aan het oog waren, zoals brandend en prikkend gevoel in het oog, injectie en pijn in het oog. Bij een gering percentage, < 4 %, werd corneaoedeem of waas voor de ogen gemeld. De frequentie van lokale reacties bleek bij de comparator ongeveer gelijk te zijn. Postmarketing is metabole acidose gemeld bij de zeer jonge patiënten, met name die met nierimmaturiteit/functiestoornis.
De resultaten op het gebied van effectiviteit bij kinderen maken aannemelijk dat de in de dorzolamidegroep waargenomen gemiddelde IOD-verlaging vergelijkbaar was met die in de timololgroep, al was er een licht numeriek voordeel voor timolol.
Er zijn geen effectiviteitsgegevens uit langer durende (> 12 weken) studies
5.2 Farmacokinetische eigenschappen
In tegenstelling tot orale koolzuuranhydraseremmers kan bij lokale toediening van dorzolamidehydrochloride de werkzame stof bij aanzienlijk lagere doses en daarom met minder systemische absorptie zijn effect op het oog uitoefenen. In klinisch onderzoek met dorzolamide leidde dit tot een verlaging van de IOD zonder zuur-basenverstoringen of veranderingen in de elektrolytenhuishouding die bij orale koolzuuranhydraseremmers gezien worden.
Absorptie
Bij lokale toepassing bereikt dorzolamide de systemische circulatie. Om na te gaan in hoeverre het koolzuuranhydrase in het lichaam na lokale toediening geremd kan worden, werden de werkzame stof- en metabolietconcentraties in rode bloedcellen (RB) en plasma en koolzuuranhydrase (KA)- remming in RB gemeten.
Distributie
Bij chronische toediening treedt er cumulatie van dorzolamide in RB op als gevolg van een selectieve binding aan KA-II waarbij de concentraties vrije werkzame stof in het plasma uiterst laag blijven.
Biostransformatie
De werkzame moederstof vormt een enkele N-desethyl-metaboliet die KA-II minder krachtig remt dan de werkzame moederstof maar ook een minder actief iso-enzym (KA-I) remt. De metaboliet cumuleert ook in RB, waar het zich primair aan KA-I bindt. Er treedt enige binding van dorzolamide aan plasma-eiwitten op (ongeveer 33 %).
Eliminatie
Dorzolamide wordt voornamelijk onveranderd in de urine uitgescheiden, de metaboliet wordt ook in de urine uitgescheiden. Na stopzetting van de toediening is de eliminatie van dorzolamide uit de RB, non-lineair, wat in eerste instantie tot een snelle verlaging van de werkzame stofconcentratie leidt, gevolgd door een tragere eliminatiefase met een halfwaardetijd van ongeveer vier maanden.
Na orale toediening van dorzolamide teneinde de maximale systemische blootstelling na langdurige lokale toediening in het oog te simuleren, werd binnen dertien weken de steady state bereikt. In de steady state was er bijna geen vrije werkzame stof of metaboliet in het plasma; de KA-remming in RB was minder dan die welke naar verwachting nodig zou zijn om een farmacologisch effect op de renale functie of de ademhaling te hebben. Soortgelijke farmacokinetische resultaten werden verkregen na chronische lokale toediening van dorzolamide.
Enkele oudere patiënten met een nierfunctiestoornis (geschatte CrCl 30-60 ml/min) hadden echter een hogere metabolietconcentratie in RB, maar er waren geen relevante verschillen in koolzuuranhydraseremming en geen klinisch belangrijke systemische bijwerkingen die direct aan deze bevinding konden worden toegeschreven.
5.3 Gegevens uit het preklinisch veiligheidsonderzoek
De belangrijkste bevindingen bij dieronderzoek met oraal toegediend dorzolamidehydrochloride hielden verband met de farmacologische effecten van systemische koolzuuranhydraseremming. Sommige bevindingen waren soortspecifiek en/of waren het gevolg van metabole acidose. Bij voor drachtige konijnen toxische doses dorzolamide, geassocieerd met metabole acidose, werden wervelmisvormingen waargenomen. Bij zogende ratten werden afnames in de toename van het lichaamsgewicht van het nageslacht waargenomen. Er werden geen nadelige effecten op de vruchtbaarheid waargenomen bij mannelijke en vrouwelijke ratten die dorzolamide kregen vóór en tijdens de paring.
In klinisch onderzoek vertoonden de patiënten geen tekenen van metabole acidose of veranderingen van de elektrolyten in het serum die op systemische KA-remming zouden wijzen. Daarom is het niet te verwachten dat de effecten die bij dierstudies gezien werden ook zouden worden waargenomen bij patiënten die therapeutische doses dorzolamide kregen.
6. FARMACEUTISCHE GEGEVENS
6.1 Lijst van hulpstoffen
Mannitol (E421)
Hydroxyethylcellulose (natrosol HX 250)
Natriumcitraat (E331)
Natriumhydroxide (E524) voor pH-aanpassing
Benzalkoniumchloride oplossing 50%
Water voor injecties.
6.2 Gevallen van onverenigbaarheid
Niet van toepassing.
6.3 Houdbaarheid
2 jaar (ongeopend)
28 dagen na eerste opening
6.4 Speciale voorzorgsmaatregelen bij bewaren
De fles in de buitenverpakking bewaren ter bescherming tegen licht.
Bewaren beneden 30°C.
6.5 Aard en inhoud van de verpakking
Witte MDPE fles met een verzegelde druppelaar en een dop bestaande uit 2 verzegelde delen in een kartonnen doos.
Verpakkingsgrootten: 1 x 5 ml flesje, 3 x 5 ml flesjes, 6 x 5 ml flesjes
Niet alle genoemde verpakkingsgrootten worden in de handel gebracht.
6.6 Speciale voorzorgsmaatregelen voor het verwijderen
Geen bijzondere vereisten.
7. HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
Viatris Ltd
Damastown Industrial Park
Mulhuddart
Dublin 15
Dublin
Ierland
8. NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
RVG 101854
9. DATUM VAN EERSTE VERLENING VAN DE VERGUNNING/VERLENGING VAN DE VERGUNNING
Datum van eerste verlening van de vergunning: 1 december 2010
Datum van laatste verlenging: 12 juli 2015
10. DATUM VAN HERZIENING VAN DE TEKST
Laatste gedeeltelijke wijziging betreft rubriek 4.8: 26 maart 2026
