SmPC (samenvatting van de productkenmerken) - Dipidolor oplossing voor injectie
1. NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
Dipidolor 10 mg/ml, oplossing voor injectie.
2. KWALITATIEVE EN KWANTITATIEVE SAMENSTELLING
Dipidolor bevat 10 mg piritramide per ml.
Voor de volledige lijst van hulpstoffen, zie rubriek 6.1.
3. FARMACEUTISCHE VORM
Oplossing voor injectie.
4. KLINISCHE GEGEVENS
4.1 Therapeutische indicaties
Als analgeticum in premedicatie, en hevige pre-, per- en postoperatieve pijn bij volwassenen en kinderen vanaf 5 jaar.
4.2 Dosering en wijze van toediening
Dosering
Volwassen patiënten
- premedicatie: 0,2 à 0,3 mg per kg lichaamsgewicht intramusculair; voor een volwassen patiënt is dat gemiddeld 2 ml (20 mg);
- inductie: 0,2 à 0,3 mg per kg lichaamsgewicht intraveneus;
- peroperatief: afhankelijk van het anesthesietype en de vereiste analgesie wordt per keer 0,1 à 0,4 mg per kg lichaamsgewicht intraveneus bijgespoten;
- postoperatief: 0,2 à 0,3 mg per kg lichaamsgewicht intramusculair; voor een volwassen patiënt is dat gemiddeld 2 ml (20 mg).
Door de mogelijkheid van de tolerantie (wat ook geldt voor de ademhalingsdepressie) kan de maximale dagdosis variëren. Bij de niet-tolerante patiënt bedraagt de maximale dagdosis 80 mg (verdeeld over 4 giften) per 24 uur.
Bij oudere patiënten, bij verzwakte patiënten, patiënten in een slechte algemene toestand en bij patiënten met lichte tot matig ernstige leverfunctiestoornissen kan het wenselijk zijn de dosis tot 10 mg per keer te beperken.
Pediatrische patiënten
Bij kinderen vanaf 5 jaar wordt de dosis berekend volgens het lichaamsgewicht: 0,25 mg per kg.
Beperkte farmacokinetische gegevens zijn beschikbaar uit een studie bij neonaten, zuigelingen en jonge kinderen jonger dan 5 jaar. Spontaan ademende neonaten kunnen in het bijzonder een risico op respiratoire depressie lopen omdat deze beschikbare gegevens suggereren dat de eliminatiehalfwaardetijd verlengd en de klaring verminderd is in deze leeftijdsgroep (zie rubriek 5.2, Speciale populaties – Pediatrische patiënten).
Verhoging van de dosis Dipidolor dient voorzichtig te worden uitgevoerd om accumulatie van piritramide te voorkomen. Dit zou namelijk het risico op een ademhalingsdepressie kunnen verhogen. Het kan tot 24 uur duren voordat de patiënt profiteert van het volledige analgetische effect van de gegeven dosis Dipidolor.
Wijze van toediening
Intramusculair, subcutaan of intraveneus gebruik.
Behandelingsdoelen en stopzetting
Voordat de behandeling met Dipidolor wordt gestart, moet er met de patiënt een behandelingsstrategie, met inbegrip van behandelingsduur en behandelingsdoelen, en een plan voor het einde van de behandeling worden overeengekomen, in overeenstemming met de richtlijnen voor pijnbestrijding. Tijdens de behandeling moet er frequent contact zijn tussen de arts en de patiënt om de noodzaak van voortzetting van de behandeling te evalueren, stopzetting te overwegen en doseringen aan te passen, indien nodig. Als een patiënt geen behandeling met Dipidolor meer nodig heeft, kan het raadzaam zijn om de dosis geleidelijk af te bouwen om ontwenningsverschijnselen te voorkomen. In geval van ontoereikende pijnbestrijding moet rekening worden gehouden met de mogelijkheid van hyperalgesie, tolerantie en progressie van de onderliggende ziekte (zie rubriek 4.4).
Duur van de behandeling
Dipidolor mag niet langer dan noodzakelijk worden gebruikt.
Vanwege de depressieve werking van piritramide op de ademhaling is het noodzakelijk de intraveneuze toediening te reserveren voor de inductie en het onderhoud van de anesthesie, en dan slechts onder beademing.
4.3 Contra-indicaties
- Overgevoeligheid voor de werkzame stof(fen) of voor een van de in rubriek 6.1 vermelde hulpstof(fen).
- Verminderde ademhalingsreserve (astma bronchiale, emfyseem, thoraxtrauma).
- Hypothyreoïdie en onbehandeld myxoedeem (het toedienen van piritramide kan mede leiden tot het ontstaan van een comateuze toestand), hyperthyreoïdie, adrenocorticale insufficiëntie.
- Cardiovasculaire aandoeningen, toxische psychose, nierinsufficiëntie, prostaathypertrofie, shock.
- Ernstige leverfunctiestoornissen of -insufficiëntie.
- Intracraniale laesies, coma, convulsieve aandoeningen, myastenia gravis.
- Gelijktijdig gebruik van MAO-remmers, of binnen 14 dagen na staken van het gebruik van MAO-remmers (zie ook rubriek 4.5).
- Na galwegoperaties en na chirurgische anastomose, verschijnselen van ileus.
- Acute porfyrie.
4.4 Bijzondere waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik
Ademhalingsdepressie
Net als bij andere opioïden kunnen patiënten met Dipidolor last krijgen van depressie van het centraal zenuwstelsel en van de ademhaling, met mogelijk ademhalingsstilstand of zeer zwakke of langzame ademhaling.
Een antagonist voor de mu-opioïdreceptor, dient altijd aanwezig te zijn. Het kan nodig zijn de antagonist herhaaldelijk toe te dienen, gezien de lange werkingsduur van Dipidolor.
Hartziekte
Na toediening van Dipidolor kan een daling van de bloeddruk optreden. De mate hiervan kan versterkt worden bij een hypovolemische patiënt of bij gelijktijdige sedatieve medicatie.
Aangezien bradycardie kan optreden, dient Dipidolor voorzichtig te worden toegediend aan patiënten met brady-aritmieën. Deze patiënten dienen met de lagere dosis te beginnen en tijdens de titratie nauwkeurig te worden gecontroleerd.
Voorzichtigheid is geboden bij patiënten met een supraventriculaire tachycardie. De vagolytische werking van piritramide kan een verhoogde ventriculaire respons tot gevolg hebben.
Speciale doseringsvoorwaarden
Dipidolor dient met voorzichtigheid te worden toegepast in geval van acute alcoholintoxicatie, aandoeningen waarbij convulsies optreden, hoofdletsel en aandoeningen waarbij de intracraniële druk verhoogd is.
Dipidolor is niet geschikt voor gebruik bij intrathecale of epidurale analgesie.
Voorzichtigheid is geboden bij toediening aan oudere patiënten, verzwakte patiënten, patiënten in een slechte algemene toestand en patiënten met lichte tot matig ernstige leverfunctiestoornissen of patiënten met verminderde ademhalingsfunctie. Dergelijke patiënten dienen met een lagere startdosis te beginnen en dienen nauwkeurig te worden gecontroleerd bij dosistitraties (zie rubriek 4.2).
Als een hinderlijk intestinale atonie optreedt, kan dit selectief tegengegaan worden door cholinesterase-remmers (bijv. neostigmine) of een parasympathicomimeticum (bijv. betanecholchloride).
Opiaatgebruiksstoornis (misbruik en afhankelijkheid)
Bij herhaalde toediening van opioïden zoals Dipidolor kunnen tolerantie en lichamelijke en/of psychologische afhankelijkheid ontstaan.
Herhaald gebruik van Dipidolor kan leiden tot opiaatgebruiksstoornis. Een hogere dosis en een langere duur van de opioïdbehandeling kunnen het risico op het ontwikkelen van opiaatgebruiksstoornis verhogen. Misbruik of opzettelijk verkeerd gebruik van Dipidolor kan leiden tot overdosering en/of overlijden. Het risico op het ontwikkelen van opiaatgebruiksstoornis is verhoogd bij patiënten met een persoonlijke of familiale voorgeschiedenis (ouders of broers en zussen) van middelengebruiksstoornissen (waaronder alcoholgebruikstoornis), bij huidige tabaksgebruikers of bij patiënten met een persoonlijke voorgeschiedenis van andere psychische stoornissen (bijv. ernstige depressie, angst- en persoonlijkheidsstoornissen).
Voor aanvang van en tijdens de behandeling met Dipidolor moeten de behandelingsdoelen en een stopzettingsplan met de patiënt worden overeengekomen (zie rubriek 4.2). Voorafgaand aan en tijdens de behandeling dient de patiënt ook te worden geïnformeerd over de risico’s en tekenen van opiaatgebruiksstoornis. Patiënten het advies krijgen om contact op te nemen met hun arts als deze tekenen zich voordoen.
Patiënten moeten worden gecontroleerd op tekenen van drugszoekend gedrag (bijv. te vroeg aanvragen van een herhaalrecept). Dit omvat de beoordeling van gelijktijdig toegediende opioïden en psychoactieve middelen (zoals benzodiazepinen). Voor patiënten met tekenen en symptomen van opiaatgebruiksstoornis dient overleg met een verslavingsspecialist te worden overwogen.
Als de medicatie wordt beëindigd of vervangen door een minder sterk opioïd, of als een antagonist wordt toegediend, kan zich een onthoudingssyndroom ontwikkelen (zie 4.6 voor neonataal abstinentiesyndroom).. Symptomen kunnen zijn een verstoorde psychische balans, tremor en angst, braken, diarree en/of verhoogde bloeddruk.
Patiënten met een nierinsufficiëntie dienen zorgvuldig te worden gecontroleerd op symptomen van piritramide-toxiciteit. Als gevolg van dialyse kan het verdelingsvolume van piritramide veranderen, wat de serumconcentraties kan beïnvloeden (zie ook rubriek 4.3).
Voorzichtigheid is geboden bij patiënten die postoperatief ook andere geneesmiddelen krijgen die het ademhalingscentrum remmen.
Pediatrische patiënten
Kinderen zijn verhoogd gevoelig. Intoxicaties kunnen al bij zeer lage doses optreden (zie ook rubriek 4.2).
Hyperalgesie
Zoals ook geldt voor andere opioïden moet in geval van onvoldoende pijncontrole na een verhoogde dosis piritramide rekening worden gehouden met de mogelijkheid van door opioïden geïnduceerde hyperalgesie. Het kan aangewezen zijn om de dosis piritramide te verlagen of de behandeling met piritramide stop te zetten of te herzien.
4.5 Interacties met andere geneesmiddelen en andere vormen van interactie
CZS (centrale zenuwstelsel)-depressiva
CZS-depressiva, zoals barbituraten, benzodiazepinen, neuroleptica, fenothiazinederivaten, algemene anesthetica en andere niet-selectieve hypnotica en niet-selectieve CZS-depressiva (bijv. alcohol) kunnen de ademhalingsdepressieve werking van de opioïden (en ook die van Dipidolor) via verschillende mechanismen versterken. Als patiënten dergelijke CZS-depressiva hebben gekregen, zal de Dipidolor dosis verminderd moeten worden. Gelijktijdig gebruik ervan met Dipidolor bij patiënten die spontaan ademen kan het risico op ademhalingsdepressie, diepe sedatie, coma en overlijden verhogen. Gelijktijdig gebruik van opioïden en gabapentinoïden (gabapentine en pregabaline) verhoogt het risico op overdosering van opioïden, ademhalingsdepressie en overlijden.
Na de toediening van Dipidolor moet de dosis van andere CZS-depressiva verminderd worden naar de laagste effectieve dosis. Dit is vooral belangrijk na een operatie, omdat diepe analgesie gepaard gaat met een uitgesproken ademhalingsdepressie, die kan aanhouden of opnieuw optreden tijdens de periode na de operatie. Toediening van een CZS-depressivum, zoals een benzodiazepine, tijdens deze periode kan het risico op ademhalingsdepressie disproportioneel verhogen.
Serotonerge geneesmiddelen
Gelijktijdige toediening van Dipidolor met een serotonerg middel zoals selectieve serotonineheropnameremmers (SSRIs), serotonine-noradrenalineheropnameremmers (SNRIs) of monoamine oxidase (MAO)-remmers kan het risico op het serotoninesyndroom, een mogelijk levensbedreigende aandoening, verhogen.
Monoamineoxidase (MAO)-remmers
Gelijktijdige toediening met monoamineoxidase (MAO)-remmers kan leiden tot paroxismaal optredende CZS-stimulatie en hypertensie. Behandeling met MAO-remmers moet daarom gestopt worden, en wel minstens 14 dagen voordat de behandeling met Dipidolor gestart wordt.
Cytochroom P450 3A4 (CYP3A4)-remmers
Piritramide wordt sterk gemetaboliseerd, voornamelijk door CYP3A4. Simulaties van gelijktijdige toediening van Dipidolor met CYP3A4-remmers geven aan dat dit kan leiden tot een ongeveer viervoudige verhoging van de piritramide concentratie bij volwassenen, en een zesvoudige verhoging bij kinderen (zie rubriek 5.2). Het risico op ademhalingsdepressie bij gelijktijdig gebruik van CYP3A4-remmers kan verhoogd zijn. Het kan nodig zijn de aanvankelijke dosis van Dipidolor te verlagen. Dosisverhogingen moeten zorgvuldig worden begeleid (zie rubriek 4.2).
4.6 Vruchtbaarheid, zwangerschap en borstvoeding
Zwangerschap
Er zijn beperkte gegevens over het gebruik van piritramide in zwangere vrouwen. Beperkte studies in dieren hebben wat reproductietoxiciteit aangetoond (zie rubriek 5.3). Mogelijke risico’s voor de mens zijn niet bekend. Wanneer Dipidolor tijdens de baring aan de moeder wordt toegediend, kan het depressie van het ademcentrum van de foetus veroorzaken.
Bij langdurig gebruik van opioïden tijdens de zwangerschap bestaat er een risico op neonataal abstinentiesyndroom dat levensbedreigend kan zijn als het niet wordt herkend en behandeld. Beademingsapparatuur moet onmiddellijk beschikbaar zijn voor gebruik als dat nodig is voor de moeder en de baby. Er moet altijd een opioïdantagonist voor het kind beschikbaar zijn.
Borstvoeding
Piritramide is aangetroffen in het colostrum van vrouwen die behandeld werden met piritramide, zij het in geringe hoeveelheden. Het is niet bekend of piritramide in de moedermelk uitgescheiden wordt. Echter, aangezien van andere opioïden bekend is dat ze in de moedermelk terechtkomen, kan een risico voor het borstgevoede kind niet worden uitgesloten. Er moet besloten worden of de borstvoeding onderbroken wordt of dat van het gebruik van Dipidolor wordt afgezien waarbij rekening gehouden moet worden met het voordeel van borstvoeding voor het kind en het voordeel van de behandeling voor de moeder.
Vruchtbaarheid
Er zijn geen gegevens over het effect van piritramide op de vruchtbaarheid.
4.7 Beïnvloeding van de rijvaardigheid en het vermogen om machines te bedienen
Gelet op de sedatieve werking van Dipidolor dient men er rekening mee te houden dat er beïnvloeding optreedt van de rijvaardigheid en het vermogen om machines te bedienen. Als voorzorgsmaatregel dient na enkele of herhaalde toediening van Dipidolor een wachttijd van ten minste 24 uur in acht te worden genomen.
4.8 Bijwerkingen
De veiligheid van Dipidolor werd onderzocht bij 526 personen in 7 klinische studies waarbij Dipidolor als minstens één intramusculaire injectie van 15 mg werd toegediend voor de behandeling van acute pijn.
Op basis van de samengevoegde gegevens uit deze klinische studies waren de meest gemelde bijwerkingen versnelde hartslag (frequentie 15,0%), hypotensie (13,1%), en stupor (9,9%).
De tabel hieronder geeft de bijwerkingen weer die bij gebruik van Dipidolor zijn gemeld in klinische studies of bij postmarketingervaring (inclusief de zojuist genoemde bijwerkingen).
De frequentieklassen zijn weergegeven volgens de volgende definities: zeer vaak (≥1/10); vaak (≥1/100 tot <1/10); soms (≥1/1000 tot <1/100); zelden (≥1/10.000 tot <1/1000); zeer zelden (<1/10.000); en niet bekend (kan met de beschikbare gegevens niet worden bepaald).
Tabel 1: Bijwerkingen gemeld in klinische studies en bij postmarketingervaring
| Systeem-/Orgaanklasse | Bijwerkingen | |||||||||||||||
| Frequentie | ||||||||||||||||
| Zeer vaak (≥1/10) | Vaak (≥1/100 tot <1/10) | Soms (≥1/1000 tot <1/100) | Niet bekend | |||||||||||||
| Immuunsysteem-aandoeningen | Anafylaxie, anafylactische shock | |||||||||||||||
| Psychische stoornissen | Afhankelijkheid | Onthoudingssyndroom | ||||||||||||||
| Zenuwstelsel-aandoeningen | Stupor, vertigo, somnolentie | Hoofdpijn | Bewustzijnsverlies | |||||||||||||
| Oogaandoeningen | Miose | |||||||||||||||
| Hartaandoeningen | Bradycardie, bradyaritmie, cyanose | |||||||||||||||
| Bloedvat-aandoeningen | Hypotensie | |||||||||||||||
| Ademhalingsstelsel-, borstkas- en mediastinum-aandoeningen | Ademhalingsstilstand, zeer zwakke of langzame ademhaling, status asthmaticus, bronchospasme, dyspneu | |||||||||||||||
| Maagdarmstelsel-aandoeningen | Misselijkheid, braken, kokhalzen | |||||||||||||||
| Huid- en onderhuid-aandoeningen | Bleekheid | Hyperhidrosis | Allergische dermatitis, pruritus | |||||||||||||
| Algemene aandoeningen en toedieningsplaats-stoornissen | Reacties op de toedieningsplaats Tolerantie Geneesmiddelafhankelij kheid | |||||||||||||||
| Onderzoeken | Versnelde hartslag, bloeddrukdaling | Verminderde ademhaling | ||||||||||||||
Bij 0,4% van de deelnemers aan de klinische studies bleek het nodig te zijn de opioïde activiteit te antagoneren.
Net als met andere opioïden kunnen patiënten die Dipidolor krijgen last hebben van een verminderde gastro-intestinale motiliteit met obstipatie als gevolg. Eveneens kunnen patiënten, net als met andere opioïden, stemmingswisselingen, droge mond, hypothermie, galsteenkoliek, urineretentie of vasodilatatie ervaren.
Tolerantie
Bij herhaald gebruik kan tolerantie ontstaan.
Geneesmiddelafhankelijkheid
Herhaald gebruik van Dipidolor kan leiden tot geneesmiddelafhankelijkheid, zelfs bij therapeutische doses. Het risico op geneesmiddelafhankelijkheid kan variëren, afhankelijk van de individuele risicofactoren van de patiënt, de dosering en de duur van de opioïdbehandeling (zie rubriek 4.4).
Melding van vermoedelijke bijwerkingen
Het is belangrijk om na toelating van het geneesmiddel vermoedelijke bijwerkingen te melden. Op deze wijze kan de verhouding tussen voordelen en risico’s van het geneesmiddel voortdurend worden gevolgd. Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg wordt verzocht alle vermoedelijke bijwerkingen te melden via het Nederlands Bijwerkingen Centrum Lareb, website www.lareb.nl.
4.9 Overdosering
Symptomen
Kenmerkende tekenen zijn miosis en ademhalingsdepressie; deze kan in ernst variëren van bradypneu tot apneu. Het bewustzijn kan verminderd zijn, leidend tot coma. Hypotensie, tachycardie en vertigo kunnen eveneens optreden.
Behandeling
Deze effecten kunnen worden verlicht door de toediening van een opiaatantagonist. Toediening daarvan dient voorzichtig en bij herhaling te geschieden, omdat de werkingsduur korter is dan die van piritramide. Een spierrelaxans kan nodig zijn als spierrigiditeit optreedt. Intensive care-maatregelen (met name intubatie en ventilatie) kunnen noodzakelijk zijn. Ook kunnen maatregelen nodig zijn om warmteverlies te voorkomen en om een voldoende circulatievolume in stand te houden.
5. FARMACOLOGISCHE EIGENSCHAPPEN
5.1 Farmacodynamische eigenschappen
Farmacotherapeutische categorie: analgetica, difenylpropylaminederivaten, ATC-code: N02AC03.
Werkingsmechanisme
Piritramide is een opioïde analgeticum. De analgetische activiteit op basis van de dosering in mg per kg lichaamsgewicht komt sterk overeen met die van morfine. Analgesie wordt verkregen door activering van de mu-opiaatreceptoren in het ruggemerg en de hogere pijncentra zoals thalamus en cortex.
Farmacodynamische effecten
Na intraveneuze toediening treedt analgesie binnen 1-2 minuten in; na intramusculaire of subcutane toediening na 15-20 minuten. De werkingsduur bedraagt 4-6 uur.
5.2 Farmacokinetische eigenschappen
Absorptie
Na intramusculaire toediening worden piekplasmaspiegels na 15 minuten bereikt.
Distributie
Piritramide wordt voor ongeveer 95% aan eiwitten gebonden. Het initiële verdelingsvolume na één enkele bolustoediening is 0,7 tot 1,0 liter per kg, met een verdelingsvolume in de steady state tussen 4,7 en 6 liter per kg. Het een verdelingsvolume in de steady state na continue toediening neemt toe tot 11,1 liter per kg.
Biotransformatie
Biotransformatie van piritramide gebeurt hoofdzakelijk in de lever. Er zijn minstens vier verschillende metabolieten. Het cytochroom P450 3A4 (CYP3A4) enzym is het belangrijkste enzym dat betrokken is bij het metabolisme van piritramide.
Eliminatie
De plasma-eliminatiehalfwaardetijd is 4-12 uur. Na continue toediening neemt de eliminatie-halfwaardetijd toe tot 17,4 uur. Na een intraveneuze bolustoediening is de totale klaring ongeveer 600 ml/min en neemt toe tot 1100 ml/min na continue intraveneuze toediening. De klaring via de nieren bedraagt 1,4% van de totale klaring.
Farmacokinetische modellen
Geneesmiddelinteractie tussen piritramide en ketoconazol (een krachtige CYP3A4-remmer) werd voorspeld door farmacokinetische modellen gebaseerd op fysiologie (PBPK: Physiologically Based PharmacoKinetic modelling). Er werden een klinische scenario’s gesimuleerd bij volwassenen en kinderen van 5, 10 en 15 jaar oud die een intraveneuze dosis piritramide kregen, elke 6 uur per infusie in 20 minuten toegediend gedurende in totaal 15 dagen. In dit model werd ketoconazol oraal toegediend in een dosis van 200 mg tweemaal daags vanaf 3 dagen voor de eerste infusie tot aan de laatste infusie van piritramide. In deze simulaties was bij kinderen van 5 en van 10 jaar de verhoging in de AUC van piritramide het meest uitgesproken, namelijk respectievelijk 6,6 en 6,2 maal, tegenover een 4,4-voudige verhoging bij volwassenen. Bij kinderen van 15 jaar was de AUC toegenomen met een factor 5,2. De mate van de toename van de Cmax van piritramide in aanwezigheid van krachtige CYP3A4-remming was bij volwassenen en kinderen vergelijkbaar (respectievelijk 1,7 maal bij volwassenen en 1,8-2,1 maal bij kinderen).
Speciale populaties
Pediatrische patiënten
De farmacokinetiek bij neonaten, zuigelingen en jonge kinderen is gebaseerd op één enkele studie (N=39) bij proefpersonen opgenomen op een intensive care-afdeling.
| Tabel 1 Farmacokinetiek van piritramide bij neonaten, zuigelingen en jonge kinderen | ||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
Parameter Mediaan±SD (range) | Populatie | |||||||
| Neonaten (N=8) | Zuigelingen Groep 1 (N=7) | Zuigelingen Groep 2 (N=14) | Jonge kinderen (N=10) | |||||
| Leeftijd | 10,6±10,7 dagen (1-27 dagen) | 11,4±4,4 weken (5,4-16,9 weken) | 9,0±2,3 maanden (5,2-12,2 maanden) | 2,4±0,9 jaar (1,61-4,02 jaar) | ||||
| Cmax (mcg/l) | 79±240 (5-723) | 36±367 (6-855) | 12±81 (3-315) | 16±9 (9-35) | ||||
| T½β (min)a | 701,5±720 (88-1950) | 157±102 (106-394) | 160±68 (114-335) | 165±143 (101-512) | ||||
| Clt (ml/kg/min) | 5,0±4,8 (0,7-15,6) | 9,8±12,3 (1,3-32,1) | 26,7±42,7 (2,8-172,1) | 24,0±11,6 (5,7-41,1) | ||||
| Vdss (l/kg) | 1,96±4,93 (0,07-13,9) | 1,70±2,5 (0,12-5,78) | 6,95±5,15 (0,58-17,02) | 6,70±2,15 (1,20-8,10) | ||||
a = Gegevens verkregen uit compartiment-model
Bij neonaten bedraagt de terminale eliminatiehalfwaardetijd ongeveer 700 minuten (11,7 uur); bij zuigelingen en jonge kinderen tussen 5 weken en 4 jaar bedraagt deze ongeveer 160 minuten (2,7 uur). Het verdelingsvolume is 2,0 l/kg bij neonaten, 1,7 l/kg bij zuigelingen tussen 5 en 17 weken en neemt toe tot ongeveer 7,0 l/kg bij zuigelingen tussen 5 en 12 maanden en jonge kinderen tussen 1,6 en 4 jaar. De totale klaring is 5,0 ml/kg/min bij neonaten, 9,8 ml/kg/min bij zuigelingen tussen 5 en 17 weken, 26,7 ml/kg/min bij zuigelingen tussen 5 en 12 maanden en 24,0 ml/kg/min bij jonge kinderen tussen 1,6 en 4 jaar.
Ondanks de beperkte en zeer variabele farmacokinetische gegevens, suggereren de beschikbare gegevens dat de eliminatiehalfwaardetijd verlengd is bij neonaten. Doseringsaanpassing in de verschillende leeftijdsgroepen kan noodzakelijk zijn vanwege de verschillen in eliminatie.
5.3 Gegevens uit het preklinisch veiligheidsonderzoek
In niet-klinische studies werden effecten waargenomen die gerelateerd waren aan de farmacologische activiteit van het geneesmiddel, evenals wat veranderde hematologie en verminderd lichaamsgewicht. Deze effecten werden waargenomen bij doseringsniveaus enigszins boven de voorgestelde humane doseringsniveaus na normalisatie voor lichaamsoppervlak.
Carcinogeniteit en mutageniteit
In vitro-genotoxiciteitstesten toonden geen bewijzen van een mutageen vermogen. Carcinogeniteitsstudies zijn niet uitgevoerd.
Reproductietoxicologie
Er zijn geen onderzoeken verricht naar de passage van piritramide door de placenta of naar de moedermelk. Ook zijn er zijn geen onderzoeken uitgevoerd naar de postnatale ontwikkeling op de korte termijn en de vruchtbaarheid. Embryo-foetale ontwikkelingsstudies toonden geen bewijs van teratogeniciteit. Echter, bij de meeste doseringsniveaus werd embryotoxiciteit waargenomen, maar dit was niet dosisafhankelijk.
6. FARMACEUTISCHE GEGEVENS
6.1 Lijst van hulpstoffen
Wijnsteenzuur (E 334) en water.
6.2 Gevallen van onverenigbaarheid
Dient niet met andere geneesmiddelen te worden gemengd behalve met 0,9% NaCl of 5,0% glucose-oplossing, aangezien dat precipitatie van het actieve bestanddeel piritramide kan veroorzaken (zie rubriek 6.6).
6.3 Houdbaarheid
5 jaar
6.4 Speciale voorzorgsmaatregelen bij bewaren
Bewaren beneden 25 °C.
Niet in de koelkast of de vriezer bewaren.
6.5 Aard en inhoud van de verpakking
10 ampullen van 2 ml (10 mg piritramide per ml).
6.6 Speciale voorzorgsmaatregelen voor het verwijderen en andere instructies
OPC-ampullen
Draag handschoenen bij het openen van de ampul.
De ampul voor gebruik even tussen de handpalmen rollen om hem op te warmen.
- 1. Houd de ampul tussen duim en wijsvinger met de stip naar boven (zie figuur). Laat daarbij de top van de ampul vrij.

- 2. Houd met de andere hand de top van de ampul vast, door de wijsvinger tegen de nek van de ampul te plaatsen en de duim op de gekleurde punt, parallel aan de gekleurde ringen.
- 3. Houd de duim op de punt en breek de top van de ampul terwijl u het onderste gedeelte van de ampul stevig vasthoudt.

Mocht de inhoud per ongeluk op de huid terechtkomen, dan dient het betreffende gebied te worden gespoeld met water. Gebruik geen zeep, alcohol of ander schoonmaakmiddel dat de huid chemisch of fysisch kan beschadigen.
De oplossing voor injectie kan alleen worden verdund met 0,9% NaCl of met 5,0% glucose-oplossing. Elk ander product kan veroorzaken dat piritramide neerslaat (als gevolg van een pH-verandering). Daarom moet men voorzichtig zijn bij het verdunnen van de oplossing voor injectie (gebruik alleen onaangebroken vloeistoffen, geen fysiologische oplossingen die al geopend zijn).
Controleer het product voor gebruik, direct voor de injectie, op zichtbare neerslag in de gevulde spuit of na verdunning, bijvoorbeeld in de infusievloeistof. Als er neerslag in de oplossing aanwezig is, dient deze te worden weggegooid.
Uit microbiologisch oogpunt zou het product onmiddellijk na bereiding gebruikt moeten worden. Als dat niet gebeurt, zijn de bewaartijden na verdunning en de omstandigheden voorafgaand aan toediening de verantwoordelijkheid van degene die het product gaat toedienen. Tenzij de bereiding (reconstitutie, verdunning, enz.) heeft plaatsgevonden onder gecontroleerde en gevalideerde aseptische omstandigheden, zou het bereide product bij 2 tot 8 °C normaal gesproken niet langer dan 24 uur bewaard moeten worden.
7. HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
Piramal Critical Care B.V.
Rouboslaan 32,
2252TR,
Voorschoten,
Nederland
8. NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
RVG 09129
9. DATUM VAN EERSTE VERLENING VAN DE VERGUNNING/VERLENGING VAN DE VERGUNNING
Datum van eerste verlening van de vergunning:10 november 1981
Datum van verlenging van de vergunning: 10 november 2016
10. DATUM VAN HERZIENING VAN DE TEKST
Laatste gedeeltelijke wijziging betreft rubrieken 4.2, 4.4, 4.5, 4.6 en 4.8 : 26 maart 2026
