Bijsluiter-info.nl

Codeinefosfaat Teva – SmPC

De SmPC is bedoeld voor zorgverleners. Begrijpelijke informatie voor patiënten staat in de bijsluiter: dosering, bijwerkingen, andere geneesmiddelen, zwangerschap en borstvoeding.

Bijgewerkt:
Feiten
Status:
Alleen op recept
Sterkte:
10 mg, 15 mg, 20 mg
Werkzame stof:
ATC-code:

SmPC (samenvatting van de productkenmerken) - Codeinefosfaat Teva

1. NAAM VAN HET GENEESMIDDEL

Codeïnefosfaat Teva 10 mg, tabletten

Codeïnefosfaat Teva 15 mg, tabletten

Codeïnefosfaat Teva 20 mg, tabletten

2. KWALITATIEVE EN KWANTITATIEVE SAMENSTELLING

Codeïnefosfaat Teva bevat respectievelijk 10 mg, 15 mg en 20 mg codeïnefosfaathemihydraat per tablet.

Hulpstoffen met bekend effect: lactose.

Voor de volledige lijst van hulpstoffen, zie rubriek 6.1.

3. FARMACEUTISCHE VORM

Tabletten.

4. KLINISCHE GEGEVENS

4.1 Therapeutische indicaties

Bij hoest.

Bij de behandeling van lichte tot matige pijn.

Codeïne is geïndiceerd voor patiënten ouder dan 12 jaar voor de behandeling van acute matige pijn die niet kan worden verlicht door andere pijnstillers zoals alleen paracetamol of alleen ibuprofen.

4.2 Dosering en wijze van toediening

Codeïne moet zo kort mogelijk worden gebruikt in de laagste werkzame dosis. Deze dosis mag tot 4 maal daags worden genomen, met een interval van niet minder dan 6 uur. De maximale dagelijkse dosis mag de 240 mg niet overschrijden.

Volwassenen Bij hoest

10-20 mg per keer, maximaal 120 mg per etmaal.

Bij lichte tot matige pijn

30-60 mg per keer, maximaal 240 mg per etmaal.

Bij doses hoger dan 60 mg per keer neemt het effect niet verder toe, wel de kans op bijwerkingen.

De duur van de behandeling moet beperkt blijven tot 3 dagen en indien de pijn niet doeltreffend wordt verlicht, moet men de patiënten/verzorgers aanraden een arts te raadplegen.

Pediatrische patiënten Kinderen in de leeftijd van 12 jaar tot 18 jaar

Bij hoest

De aanbevolen dosis codeïne voor kinderen van 12 jaar en ouder moet 5-10 mg per keer om de 6 uur bedragen, indien nodig verhoogd tot een maximale dagelijkse dosis codeïne van 60 mg. De dosis is gebaseerd op lichaamsgewicht (0,5-1 mg/kg).

Codeïne is niet aanbevolen bij kinderen in de leeftijd van 12 jaar tot 18 jaar met een verminderde ademhalingsfunctie voor de symptomatische behandeling van hoest (zie rubriek 4.4).

Bij lichte tot matige pijn

De aanbevolen dosis codeïne voor kinderen van 12 jaar en ouder moet 0,5-1 mg/kg lichaamsgewicht per keer bedragen, zo nodig om de 6 uur, indien nodig verhoogd tot een maximale dagelijkse dosis codeïne van 240 mg.

Kinderen jonger dan 12 jaar

Codeïne mag niet gebruikt worden bij kinderen jonger dan 12 jaar vanwege het risico op opioïde toxiciteit ten gevolge van variabele en onvoorspelbare omzetting van codeïne in morfine (zie rubrieken 4.3 en 4.4).

Codeïne is gecontra-indiceerd voor kinderen jonger dan 12 jaar voor de symptomatische behandeling van hoest (zie rubriek 4.3).

De tabletten kunnen het beste met een ruime hoeveelheid water worden ingenomen.

Wijze van toediening

Doelen en stopzetting van de behandeling

Vóór aanvang van de behandeling met Codeïnefosfaat Teva dienen in samenspraak met de patiënt een behandelingsstrategie – met inbegrip van de duur en de doelen van de behandeling – en een plan voor stopzetting van de behandeling te worden overeengekomen, in overeenstemming met de richtsnoeren voor pijnbestrijding. Tijdens de behandeling moet er regelmatig contact zijn tussen de arts en de patiënt om te beoordelen of de behandeling moet worden voortgezet, stopzetting te overwegen en de dosering indien nodig aan te passen. Wanneer een patiënt niet meer met codeïne hoeft te worden behandeld, kan het raadzaam zijn de dosis geleidelijk af te bouwen om ontwenningsverschijnselen te voorkomen. Bij uitblijven van adequate pijnbeheersing moet rekening worden gehouden met de mogelijkheid van hyperalgesie, tolerantie en progressie van de onderliggende ziekte (zie rubriek 4.4).

Duur van de behandeling

Codeïnefosfaat Teva mag niet langer worden gebruikt dan nodig is.

4.3 Contra-indicaties

  • Overgevoeligheid voor de werkzame stof of voor een van de in rubriek 6.1 vermelde hulpstoffen.
  • Bij alle pediatrische patiënten (0-18 jaar) die een tonsillectomie en/of adenoïdectomie ondergaan wegens het obstructieveslaapapneusyndroom, vanwege het verhoogde risico op het ontwikkelen van ernstige en levensbedreigende bijwerkingen (zie rubriek 4.4).
  • Bij vrouwen tijdens borstvoeding (zie rubriek 4.6).
  • Bij patiënten van wie bekend is dat zij ultrasnelle metaboliseerders zijn van CYP2D6.
  • Verminderde ademhalingsreserve (astma bronchiale, emfyseem).
  • Leverinsufficiëntie.
  • Intracraniale laesies.
  • Verhoogde intracraniale druk, convulsieve aandoeningen.
  • Gelijktijdig gebruik van MAO-remmers, of binnen 2 weken na staken van het gebruik van MAO-remmers.
  • Bij kinderen jonger dan 12 jaar voor de symptomatische behandeling van hoest vanwege een verhoogd risico op het ontwikkelen van ernstige en levensbedreigende bijwerkingen.

4.4 Bijzondere waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik

  • Bij patiënten met supraventriculaire tachycardie in de anamnese dient rekening te worden gehouden met de vagolytische werking van codeïne.
  • Codeïne kan, evenals andere opioïden, de diagnose en het klinisch beloop van acute buikklachten maskeren.
  • Voorzichtigheid is geboden bij patiënten met nierfunctiestoornissen, koorts, colitis ulcerosa, stricturen van de urethra, recente abdominale of renale operatie.
  • Voorzichtigheid is tevens geboden in patiënten met hypothyreodie, onbehandeld myxoedeem, cardiovasculaire aandoeningen, toxische psychose, shock, acute buikaandoeningen, bijnierschors insufficiëntie, prostaathyperplasie of prostaatobstructie.
  • Codeïne moet met voorzichtigheid worden gebruikt bij patiënten met een voorgeschiedenis van (genees-)middelen en/of alcoholmisbruik of afhankelijkheid.
  • Het gebruik van codeïne kan obstipatie veroorzaken. Derhalve verdient het aanbeveling om gelijktijdig een laxans toe te dienen.
  • Bij oudere patiënten dient codeïne met terughoudendheid te worden toegepast.

Tolerantie en opiaatgebruiksstoornis (misbruik en afhankelijkheid)

Bij herhaalde toediening van opioïden zoals Codeïnefosfaat Teva kunnen tolerantie, lichamelijke en psychologische afhankelijkheid en opiaatgebruiksstoornissen (opioid use disorders – OUD’s) optreden. Herhaald gebruik van Codeïnefosfaat Teva kan leiden tot OUD’s. Een hogere dosering en een langere duur van de behandeling met opioïden kunnen het risico op OUD’s verhogen. Misbruik of opzettelijk verkeerd gebruik van Codeïnefosfaat Teva kan leiden tot overdosering en/of overlijden. Patiënten met een persoonlijke of een familiale voorgeschiedenis (ouders of broers en zussen) van middelengebruiksstoornissen (waaronder alcoholgebruiksstoornis), huidige tabaksgebruikers of patiënten met een persoonlijke voorgeschiedenis van andere psychische aandoeningen (bijv. ernstige depressie, angst- en persoonlijkheidsstoornissen) lopen een verhoogd risico op OUD’s.

Vóór aanvang van de behandeling met Codeïnefosfaat Teva alsook tijdens de behandeling zelf dienen met de patiënt behandeldoelen en een stopzettingsplan te worden overeengekomen (zie rubriek 4.2). Vóór en tijdens de behandeling dient de patiënt ook te worden geïnformeerd over de risico’s en tekenen van OUD. Als deze tekenen zich voordoen, dient de patiënt contact op te nemen met zijn/haar arts.

Patiënten moeten worden gecontroleerd op tekenen van drugszoekend gedrag (bijv. voortijdige aanvraag van herhaalrecepten). Hiertoe behoort de beoordeling van gelijktijdig gebruikte opioïden en psychoactieve geneesmiddelen (zoals benzodiazepinen). Voor patiënten met tekenen en symptomen van OUD dient raadpleging van een verslavingsspecialist te worden overwogen.

Slaapgerelateerde ademhalingsstoornissen

Opioïden kunnen slaapgerelateerde ademhalingsstoornissen veroorzaken, zoals centrale slaapapneu (CSA) en slaapgerelateerde hypoxemie. Het verhoogde risico op CSA bij opioïdengebruik is dosisafhankelijk. Overweeg bij patiënten die tekenen van CSA vertonen de totale opioïddosering te verlagen.

Hyperalgesie

Net als bij andere opioïden moet in geval van onvoldoende pijnbeheersing als reactie op een verhoogde dosis codeïne de mogelijkheid van opioïdgeïnduceerde hyperalgesie worden overwogen. Een dosisverlaging of beoordeling van de behandeling kan aangewezen zijn.

Lever- en galaandoeningen

Codeïne kan disfunctie en spasme van de sfincter van Oddi veroorzaken, waardoor het risico op galwegsymptomen en pancreatitis toeneemt. Codeïne moet daarom met voorzichtigheid worden toegediend aan patiënten met pancreatitis en aandoeningen van de galwegen.

CYP2D6-metabolisme

Codeïne wordt door het leverenzym CYP2D6 gemetaboliseerd tot morfine, zijn actieve metaboliet. Indien een patiënt een deficiëntie heeft van dit enzym of indien dit enzym helemaal ontbreekt, zal geen toereikend therapeutisch effect worden bereikt. Uit schattingen blijkt dat tot 7% van de Kaukasische populatie deze deficiëntie kan hebben. Indien de patiënt echter een extensieve of ultrasnelle metaboliseerder is, is er een verhoogd risico op het ontwikkelen van bijwerkingen van opioïdentoxiciteit, zelfs bij doses die gebruikelijk worden voorgeschreven. Deze patiënten zetten codeïne snel om in morfine, hetgeen leidt tot morfinegehaltes in het serum die hoger zijn dan verwacht.

Algemene symptomen van opioïdentoxiciteit bestaan uit verwardheid, slaperigheid, oppervlakkige ademhaling, kleine pupillen, misselijkheid, braken, constipatie en geen eetlust. In ernstige gevallen kunnen ze symptomen omvatten van circulatoire en respiratoire depressie, wat levensbedreigend en in zeer zeldzame gevallen fataal kan zijn.

Risico van gelijktijdig gebruik met sedativa, zoals benzodiazepinen of gerelateerde middelen

Gelijktijdig gebruik van Codeïnefosfaat Teva met sedativa, zoals benzodiazepinen of gerelateerde middelen, kan leiden tot sedatie, ademhalingsdepressie, coma en overlijden.

Vanwege deze risico’s dient het voorschrijven van deze sedativa te worden beperkt tot patiënten bij wie er geen alternatieve behandelopties mogelijk zijn. Wanneer wordt besloten Codeïnefosfaat Teva gelijktijdig voor te schrijven met sedativa dient de laagst mogelijk effectieve dosis te worden gebruikt en dient de duur van de behandeling zo kort mogelijk te zijn.

Patiënten moeten nauwlettend worden gevolgd op tekenen en symptomen van ademhalingsdepressie of sedatie. Hierbij wordt sterk aanbevolen patiënten en hun verzorgers op de hoogte te stellen van deze symptomen (zie rubriek 4.5).

Schattingen van de prevalentie van ultrasnelle metaboliseerders in verschillende populaties worden hieronder samengevat:

BevolkingsgroepPrevalentie %
Afrikaans/Ethiopisch29%
Afrikaans-Amerikaans3,4% tot 6,5%
Aziatisch1,2% tot 2%
Kaukasisch3,6% tot 6,5%
Grieks6,0%
Hongaars1,9%
Noord-Europees1% tot 2%

Post-operatief gebruik bij kinderen

In de gepubliceerde literatuur werd gerapporteerd dat codeïne, postoperatief toegediend aan kinderen na een tonsillectomie/adenoïdectomie voor het obstructieveslaapapneusyndroom, leidde tot zeldzame maar levensbedreigende bijwerkingen, met inbegrip van overlijden (zie ook rubriek 4.3). Alle kinderen kregen doses codeïne binnen het toepasselijke dosisbereik; er waren echter aanwijzingen dat deze kinderen hetzij ultrasnelle hetzij extensieve metaboliseerders waren wat betreft hun vermogen om codeïne in morfine om te zetten.

Kinderen met een verminderde ademhalingsfunctie

Codeïne is niet aanbevolen voor gebruik bij kinderen bij wie de ademhalingsfunctie misschien verminderd is, waaronder neuromusculaire stoornissen, ernstige hart- of ademhalingsaandoeningen, infecties van de bovenste luchtwegen of longinfecties, meerdere traumata of grote chirurgische procedures. Deze factoren kunnen de symptomen van morfinetoxiciteit verergeren.

Hulpstoffen

Lactose

Patiënten met zeldzame erfelijke aandoeningen als galactose-intolerantie, algehele lactasedeficiëntie of glucose-galactose malabsorptie, dienen dit geneesmiddel niet te gebruiken.

4.5 Interacties met andere geneesmiddelen en andere vormen van interactie

Gelijktijdig gebruik van alcohol, anesthetica, hypnotica en sedativa, antipsychotica, anxiolytica, andere narcotische analgetica en MAO-remmers versterkt, door additie, het effect van codeïne op het centrale zenuwstelsel (ademhalingsdepressie, sedering).

Gelijktijdig gebruik van opioïden met geneesmiddelen zoals benzodiazepinen of gabapentinoïden (gabapentine en pregabaline) kan, door de additionele dempende werking op het centrale zenuwstelsel, leiden tot onderdrukte ademhaling, hypotensie, diepe sedatie, coma of overlijden (zie rubriek 4.4). De dosis en duur van gelijktijdig gebruik dienen te worden beperkt.

Codeïne mag pas twee weken na staken van het gebruik van MAO-remmers gebruikt worden.

Opiaat antagonisten (bijvoorbeeld naltrexon) of partiële opiaat agonisten kunnen het analgetisch effect van opioïden (ten dele) tegen gaan en/of ontwenningsverschijnselen uitlokken. De combinatie dient te worden vermeden.

4.6 Vruchtbaarheid, zwangerschap en borstvoeding

Zwangerschap

Beperkte gegevens over het gebruik van codeïne in de zwangerschap bij de mens laten geen verhoogd risico op congenitale afwijkingen zien. Opiaten passeren de placenta. Bij toediening vlak voor de partus kan codeïne ademhalingsdepressie bij de neonaat veroorzaken. Wanneer opiaten langdurig tot aan de partus gebruikt worden, kan dit leiden tot fysieke afhankelijkheid bij de foetus, waardoor ontwenningsverschijnselen bij de neonaat kunnen optreden. Dierstudies toonden geen teratogene of foetotoxische effecten. Codeïnefosfaat dient alleen gedurende de zwangerschap gebruikt te worden indien strikt noodzakelijk.

Borstvoeding

Codeïne is gecontra-indiceerd tijdens borstvoeding (zie rubriek 4.3).

Bij normale therapeutische doses kunnen codeïne en zijn actieve metaboliet in zeer kleine doses aanwezig zijn in de moedermelk. Het is onwaarschijnlijk dat dit een nadelig effect heeft op de met moedermelk gevoede zuigeling. Indien de patiënt een ultrasnelle metaboliseerder is van CYP2D6, kunnen echter hogere gehaltes van de actieve metaboliet, morfine, aanwezig zijn in de moedermelk en kunnen ze in zeer zeldzame gevallen leiden tot symptomen van opioïdentoxiciteit bij de zuigeling, wat fataal kan zijn.

Vruchtbaarheid

Er zijn geen nadelige effecten van codeïne op de vruchtbaarheid bekend.

4.7 Beïnvloeding van de rijvaardigheid en het vermogen om machines te bedienen

Codeïne kan sederend werken en kan het reactievermogen nadelig beïnvloeden. De patiënt moet daarom oppassen bij activiteiten die oplettendheid vereisen, zoals deelname aan het verkeer en het bedienen van machines.

4.8 Bijwerkingen

De volgende bijwerkingen kunnen optreden tijdens het gebruik van Codeïnefosfaat Teva.

De bijwerkingen staan hieronder weergegeven per systeem/orgaanklasse en frequentie.

De frequenties zijn als volgt gedefinieerd:

Zeer vaak (≥1/10)

Vaak (≥1/100, <1/10)

Soms (≥1/1.000, <1/100)

Zelden (≥1/10.000, <1/1.000)

Zeer zelden (<1/10.000)

Niet bekend (kan met de beschikbare gegevens niet worden bepaald).

In het bijzonder bij kleine kinderen is er gevaar voor het optreden van convulsies, depressie van de ademhaling en hypotensie.

Immuunsysteemaandoeningen

Zelden: anafylactoïde reacties.

Psychische stoornissen

Niet bekend: hallucinaties, stemmingsveranderingen (dysforie, euforie), verwardheid, desoriëntatie, verslaving.

Zenuwstelselaandoeningen

Niet bekend: hoofdpijn, slaperigheid, dorst, sedatie, duizeligheid, zwakheid, convulsies.

Oogaandoeningen

Niet bekend: visusstoornissen.

Hartaandoeningen

Niet bekend: tachycardie, bradycardie, palpitaties.

Bloedvataandoeningen

Niet bekend: zwakheid, flauwvallen, orthostatische hypotensie.

Ademhalingsstelsel-, borstkas- en mediastinumaandoeningen

Niet bekend: ademhalingsdepressie.

Maagdarmstelselaandoeningen

Zelden: toegenomen colonmotiliteit*, toxische dilatatie colon*.

Niet bekend: misselijkheid, braken, obstipatie, pancreatitis.

Lever- en galaandoeningen

Niet bekend: galwegspasme, sfincter van Oddi-disfunctie.

Huid- en onderhuidaandoeningen

Zelden: huiduitslag.

Nier- en urinewegaandoeningen

Niet bekend: oligurie, urineretentie.

* bij chronische colitis ulcerosa (zie rubriek 4.4).

Geneesmiddelafhankelijkheid

Herhaald gebruik van Codeïnefosfaat Teva kan zelfs bij therapeutische doses tot geneesmiddelafhankelijkheid leiden. Het risico op geneesmiddelafhankelijkheid kan variëren naargelang van de individuele risicofactoren van de patiënt, de dosering en de duur van de behandeling met opioïden (zie rubriek 4.4).

Melding van vermoedelijke bijwerkingen

Het is belangrijk om na toelating van het geneesmiddel vermoedelijke bijwerkingen te melden. Op deze wijze kan de verhouding tussen voordelen en risico’s van het geneesmiddel voortdurend worden gevolgd. Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg wordt verzocht alle vermoedelijke bijwerkingen te melden via het Nederlands Bijwerkingen Centrum Lareb, website: www.lareb.nl.

4.9 Overdosering

De letale dosis bij volwassenen wordt geschat op 0,5-1,0 gram codeïne (overeenkomend met 7-14 mg/kg lichaamsgewicht).

Symptomen

Bij een ernstige intoxicatie van codeïne treden de volgende symptomen op: slaperigheid, roodkleuring van de huid, miosis, braken, jeuk, ataxie, hoofdpijn, zwelling van de huid, vertraging van urinelozing en stoelgang alsmede ademhalingsdepressie tot apnoe, welke laatste pas uren later kan optreden.

In geval van ernstige overdosis kan dit leiden tot de dood.

Behandeling

Bij manifeste ademhalingsdepressie ten gevolge van codeïne intoxicatie dient een opiaatantagonist te worden gegeven, bijvoorbeeld naloxon in een dosis van 10 µg/kg lichaamsgewicht intraveneus. Omdat de halfwaardetijd van codeïne langer is dan die van naloxon moet de naloxontoediening eventueel worden herhaald. Patiënten die meer dan 2 mg codeïne per kg lichaamsgewicht hebben ingenomen, moeten vanwege de kans op apnoe enige uren op de intensive care afdeling worden bewaakt.

5. FARMACOLOGISCHE EIGENSCHAPPEN

5.1 Farmacodynamische eigenschappen

Farmacotherapeutische categorie: opiumalkaloïden en derivaten, ATC-code: R05D A04.

Codeïne is een opiumalkaloïde en heeft een analgetische, obstiperende en sedatieve werking en dempt de hoestprikkel.

Na innemen op een lege maag treedt de werking in na 15-30 minuten, is maximaal na 1-2 uur en houdt 3-4 uur aan.

Codeïne is een zwakke, centraal werkende pijnstiller. Codeïne oefent zijn effect uit via de opioïde μ-receptoren, ofschoon codeïne een lage affiniteit heeft voor deze receptoren; de pijnstillende werking is een gevolg van de conversie van codeïne tot morfine. Codeïne, vooral in combinatie met andere pijnstillers zoals paracetamol, heeft een bewezen doeltreffendheid bij acute nociceptieve pijn.

5.2 Farmacokinetische eigenschappen

Absorptie

Codeïne wordt goed geresorbeerd. Na orale toediening van codeïne worden maximale plasmaconcentraties na 1 tot 2 uur bereikt.

Distributie

Codeïne passeert de placenta en gaat over in de moedermelk. De plasma-eiwitbinding van codeïne is 7-25%.

Biotransformatie

Codeïne wordt gemetaboliseerd door CYP3A4 tot norcodeïne, welke geinactiveerd wordt door glucuronidatie. Ongeveer 10% van de geabsorbeerde codeïne wordt door CYP2D6 gemetaboliseerd waarbij morfine gevormd wordt. Morfine wordt onder andere geglucuronideerd tot de actieve metaboliet morfine-6-glucuronide.

Eliminatie

Codeïne wordt in de lever gemetaboliseerd en voor ongeveer 37% als glucuronide en voor 10% onveranderd met de urine uitgescheiden. De plasmahalfwaardetijd is 3-4 uur, bij leverziekten langer, na overdosering 6 uur.

Speciale patiënten groepen: CYP2D6 polymorfisme

Ten gevolge van genetische variatie, heeft ongeveer 7% van de Caucasische bevolking een niet functionerend CYP2D6 enzym. Het pijn stillend effect van codeïne kan in deze patiënten minder zijn omdat er geen morfine gevormd wordt.

Daarnaast heeft 1-5% van de Caucasische bevolking een verhoogde activiteit van het CYP2D6 enzym. Deze patiënten kunnen verhoogde plasma spiegels van morfine hebben (zie rubriek 4.4 en 4.6) en vooral in patiënten met een verminderde nierfunctie kunnen bijwerkingen van morfine optreden omdat de actieve metaboliet morfine-6-glucuronide minder wordt uitgescheiden.

Toegenomen CYP2D6 enzym activiteit kan vaker voorkomen in Afrikaanse en Mediterrane bevolkingsgroepen.

5.3 Gegevens uit het preklinisch veiligheidsonderzoek

Geen bijzonderheden.

6. FARMACEUTISCHE GEGEVENS

6.1 Lijst van hulpstoffen

Microkristallijne cellulose (E460), aardappelzetmeel, lactose, siliciumdioxide (E551), talk (E553b), magnesiumstearaat (E470b)

6.2 Gevallen van onverenigbaarheid

Niet van toepassing.

6.3 Houdbaarheid

3 jaar.

6.4 Speciale voorzorgsmaatregelen bij bewaren

Bewaren beneden 25°C. Bewaren in de oorspronkelijke verpakking.

6.5 Aard en inhoud van de verpakking en andere instructies

Codeïnefosfaat Teva is verpakt in blisterverpakkingen à 30 tabletten, in PE-potten en PP-potten à 100, 250 en 1000 tabletten en in eenheidsafleververpakkingen (EAV) à 50 (50x1) tabletten.

Het is mogelijk dat niet alle genoemde verpakkingsgrootten in de handel worden gebracht.

6.6 Speciale voorzorgsmaatregelen voor het verwijderen en andere instructies

Geen bijzondere vereisten.

Al het ongebruikte geneesmiddel of afvalmateriaal dient in overeenstemming met lokale voorschriften te worden vernietigd.

7. HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN

Teva Nederland B.V.

Swensweg 5

2031 GA Haarlem

Nederland

8. NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN

RVG 55441, tabletten 10 mg

RVG 55442, tabletten 15 mg

RVG 55443, tabletten 20 mg

9. DATUM VAN EERSTE VERLENING VAN DE VERGUNNING/VERLENGING VAN DE VERGUNNING

Datum van eerste verlening van de vergunning: 26 mei 2000

Datum van laatste verlenging: 12 augustus 2016

10. DATUM VAN HERZIENING VAN DE TEKST

Laatste gedeeltelijke wijziging betreft de rubrieken 4.2, 4.4, 4.5 en 4.8: 5 februari 2026

1225.5v.LD

Over dit document

Bron: CBG-MEB – Geneesmiddeleninformatiebank · Registratienummer: RVG 55443

Datum van herziening volgens de tekst: 05-02-2026

Een fout gevonden? Schrijf ons via de contactpagina.

De informatie op deze website vervangt niet het advies van uw arts of apotheker.

Gegevens over het medicijn Codeinefosfaat Teva

Afleverstatus
Alleen op recept?
  • Afleverstatus: alleen op recept (UR, uitsluitend recept)
Werkzame stof Codeine
Toedieningsweg Oraal gebruik
Hulpstoffen Cellulose, microkristallijn (e 460(i)), lactose 1-water, magnesiumstearaat (e 470b), potato starch (ri), siliciumdioxide (e 551), talk (e 553b)
ATC-indeling
  1. R Middelen voor de ademhalingswegen
    1. R05 Middelen bij hoest en verkoudheid
      1. R05D Hoestprikkeldempende middelen, excl. combinaties met expectorantia
        1. R05DA Opiumalkaloïden en derivaten, hoestprikkeldempende middelen
          1. R05DA04 Codeine
Registratiehouder Teva Nederland B.V.
Sterkten en vormen
  • 10 mg tablet 55441
  • 15 mg tablet 55442
  • 20 mg tablet 55443
Registratie 55441, 55442, 55443

Bron: CBG-MEB – Geneesmiddeleninformatiebank, gegevens van 31-10-2026. Gegevens uit de Geneesmiddeleninformatiebank van het CBG-MEB, zonder garantie. Ze vervangen niet het advies van uw arts of apotheker.