SmPC (samenvatting van de productkenmerken) - Ceftazidim Fresenius Kabi
1. NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
Ceftazidim Fresenius Kabi 500 mg poeder voor oplossing voor injectie
Ceftazidim Fresenius Kabi 1000 mg poeder voor oplossing voor injectie
Ceftazidim Fresenius Kabi 2000 mg poeder voor oplossing voor injectie/infusie
2. KWALITATIEVE EN KWANTITATIEVE SAMENSTELLING
Ceftazidim Fresenius Kabi 500 mg poeder voor oplossing voor injectie
Iedere injectieflacon bevat 500 mg ceftazidim (als Ceftazidim pentahydraat)
Hulpstof: Dit geneesmiddel bevat 1,1 mmol (26 mg) natrium per dosis.
Ceftazidim Fresenius Kabi 1000 mg poeder voor oplossing voor injectie
Iedere injectieflacon bevat 1000 mg ceftazidim (als Ceftazidim pentahydraat)
Hulpstof: Dit geneesmiddel bevat 2,3 mmol (52 mg) natrium per dosis.
Ceftazidim Fresenius Kabi 2000 mg poeder voor oplossing voor injectie/infusie
Iedere fles bevat 2000 mg ceftazidim (als Ceftazidim pentahydraat)
Hulpstof: Dit geneesmiddel bevat 4,6 mmol (104 mg) natrium per dosis.
Voor de volledige lijst van hulpstoffen, zie rubriek 6.1.
3. FARMACEUTISCHE VORM
500 mg en 1000 mg:
Poeder voor oplossing voor injectie.
2000 mg:
Poeder voor oplossing voor injectie/infusie.
Wit tot geelachtig poeder.
4. KLINISCHE GEGEVENS
4.1 Therapeutische indicaties
Ceftazidim Fresenius Kabi is aangewezen voor de behandeling van onderstaande infecties in volwassenen en kinderen, inclusief neonaten (vanaf de geboorte).
- nosocomiale pneumonie
- bronchopulmonaire infecties bij patiënten met cystische fibrose
- bacteriële meningitis
- chronisch etterende otitis media
- maligne otitis externa
- gecompliceerde urineweginfecties
- gecompliceerde infecties van de huid en de weke delen
- gecompliceerde intra-abdominale infecties
- bot- en gewrichtsinfecties
- peritonitis geassocieerd met dialyse bij patiënten op CAPD (continue ambulante peritoneale dialyse)
De behandeling van patiënten met bacteriëmie die optreedt in associatie met, of waarbij de verdenking bestaat dat het optreden geassocieerd is met, één van de bovengenoemde infecties.
Ceftazidim kan gebruikt worden bij de behandeling van neutropene patiënten met koorts, waarbij de verdenking bestaat dat deze koorts veroorzaakt wordt door een bacteriële infectie.
Ceftazidim kan gebruikt worden bij de peri-operatieve profylaxe van urineweginfecties bij patiënten die een TURP (transuretrale resectie van de prostaat) ondergaan.
Bij de keuze van ceftazidim moet rekening gehouden worden met het antibacteriële spectrum ervan, dit spectrum is hoofdzakelijk beperkt tot aerobe gramnegatieve bacteriën (zie de rubrieken 4.4 en 5.1).
De toediening van ceftazidim moet worden gecombineerd met andere antibacteriële middelen bij de behandeling van infecties die waarschijnlijk worden veroorzaakt door een mengsel van gevoelige en resistente soorten bacteriën.
Men dient rekening te houden met de officiële richtlijnen betreffende het juiste gebruik van antibacteriële middelen.
4.2 Dosering en wijze van toediening
Dosering
Tabel 1: Volwassenen en kinderen ≥ 40 kg
| Intermitterende toediening | |
| Infectie | Toe te dienen dosering |
| Bronchopulmonale infecties bij cystische fibrose | 100 tot 150 mg/kg/dag elke 8 uur, maximaal 9 gram per dag1 |
| Febriele neutropenie | 2 gram elke 8 uur |
| Nosocomiale pneumonie | |
| Bacteriële meningitis | |
| Bacteriëmie* | |
| Bot- en gewrichtsinfecties | 1-2 gram elke 8 uur |
| Gecompliceerde infecties van de huid en de weke delen | 1-2 gram elke 8 of 12 uur |
| Gecompliceerde intra-abdominale infecties | |
| Peritonitis geassocieerd met dialyse bij patiënten op CAPD | |
| Gecompliceerde urineweginfecties | |
| Peri-operatieve profylaxe bij transuretrale resectie van de prostaat (TURP) | 1 gram bij de inductie van de anesthesie, en een tweede dosis bij de verwijdering van de katheter |
| Chronisch etterende otitis media | 1 tot 2 gram elke 8 uur |
| Maligne otitis externa | |
| Continu infuus | |
| Infectie | Toe te dienen dosering |
| Febriele neutropenie | Oplaaddosis van 2 gram, gevolgd door een continu infuus van 4 tot 6 gram elke 24 uur1 |
| Nosocomiale pneumonie | |
| Bronchopulmonaire infecties bij cystische fibrose | |
| Bacteriële meningitis | |
| Bacteriëmie* | |
| Bot- en gewrichtsinfecties | |
| Gecompliceerde infecties van de huid en van de weke delen | |
| Gecompliceerde intra-abdominale infecties | |
| Peritonitis geassocieerd met dialyse bij patiënten op CAPD | |
1 Bij volwassenen met een normale nierfunctie is 9 gram/dag gebruikt zonder dat er bijwerkingen optraden. * Wanneer geassocieerd met, of wanneer de verdenking bestaat geassocieerd te zijn met, één van de infecties beschreven in rubriek 4.1. | |
Tabel 2: Kinderen < 40 kg
| Zuigelingen en peuters > 2 maanden en kinderen < 40 kg | Infectie | Gebruikelijke dosering |
| Intermitterende toediening | ||
| Gecompliceerde urineweginfecties | 100-150 mg/kg/dag verdeeld over drie doseringen, maximaal 6 g/dag | |
| Chronisch etterende otitis media | ||
| Maligne otitis externa | ||
| Kinderen met neutropenie | 150 mg/kg/dag verdeeld over drie doseringen, maximaal 6 gram per dag | |
| Bronchopulmonaire infecties bij cystische fibrose | ||
| Bacteriële meningitis | ||
| Bacteriëmie* | ||
| Bot- en gewrichtsinfecties | 100-150 mg/kg/dag verdeeld over drie doseringen, maximaal 6 g/dag | |
| Gecompliceerde infecties van de huid en de weke delen | ||
| Gecompliceerde intra-abdominale infecties | ||
| Peritonitis geassocieerd met dialyse bij patiënten op CAPD | ||
| Continu infuus | ||
| Febriele neutropenie | Oplaaddosis van 60-100 mg/kg gevolgd door een continu infuus van 100-200 mg/kg/dag, maximaal 6 g/dag | |
| Nosocomiale pneumonie | ||
| Bronchopulmonaire infecties bij cystische fibrose | ||
| Bacteriële meningitis | ||
| Bacteriëmie* | ||
| Bot- en gewrichtsinfecties | ||
| Gecompliceerde infecties van de huid en de weke delen | ||
| Gecompliceerde intra-abdominale infecties | ||
| Peritonitis geassocieerd met dialyse bij patiënten op CAPD | ||
| Neonaten en zuigelingen ≤ 2 maanden | Infectie | Gebruikelijke dosering |
| Intermitterende toediening | ||
| Meeste infecties | 25-60 mg/kg/dag verdeeld over twee doseringen1 | |
1 Bij neonaten en zuigelingen ≤ 2 maanden, kan de halfwaardetijd van ceftazidim in serum drie tot vier keer zo lang zijn als bij volwassenen. * Wanneer geassocieerd met, of wanneer de verdenking bestaat geassocieerd te zijn met, één van de infecties beschreven in rubriek 4.1. | ||
Pediatrische populatie
De veiligheid en werkzaamheid van Ceftazidim Fresenius Kabi, toegediend als continu infuus aan neonaten en zuigelingen ≤ 2 maanden, is niet vastgesteld.
Ouderen
Met het oog op de leeftijdsgerelateerde klaring van ceftazidim bij oudere patiënten, dient de dagelijkse dosering normalerwijs niet hoger te zijn dan 3 gram bij personen ouder dan 80 jaar.
Verminderde leverfunctie
Beschikbare gegevens geven geen aanleiding te veronderstellen dat de noodzaak bestaat de dosering aan te passen bij een licht tot matig verminderde leverfunctie. Er zijn geen onderzoeksgegevens bij patiënten met een ernstig verminderde leverfunctie (zie ook rubriek 5.2). Het nauwkeurig volgen van de veiligheid en werkzaamheid wordt aanbevolen.
Verminderde nierfunctie
Ceftazidim wordt onveranderd door de nieren uitgescheiden. Daarom dient bij patiënten met een verminderde nierfunctie de dosering verminderd te worden (zie ook rubriek 4.4).
Er moet een initiële oplaaddosis van 1 gram gegeven worden. Onderhoudsdoseringen dienen gebaseerd te zijn op de creatinineklaring.
Tabel 3: Aanbevolen onderhoudsdoseringen van Ceftazidim Fresenius bij verminderde nierfunctie – intermitterend infuus
Volwassenen en kinderen ≥ 40 kg
Creatinineklaring (ml/min) | Serumcreatinine (bij benadering) μmol/l (mg/dl) | Aanbevolen eenheidsdosering van Ceftazidim Fresenius Kabi (g) | Doseringsfrequenti e (per aantal uren) |
| 50-31 | 150-200 (1,7-2,3) | 1 | 12 |
| 30-16 | 200-350 (2,3-4,0) | 1 | 24 |
| 15-6 | 350-500 (4,0-5,6) | 0,5 | 24 |
| <5 | >500 (>5,6) | 0,5 | 48 |
Bij patiënten met ernstige infecties moet de eenheidsdosering met 50% verhoogd worden of de doseringsfrequentie moet toenemen.
Bij kinderen moet de creatinineklaring aangepast worden voor het lichaamsoppervlak of voor het vetvrije lichaamsgewicht.
Kinderen < 40 kg
Creatinineklaring (ml/min)** | Serumcreatinine* (bij benadering) μmol/l (mg/dl) | Aanbevolen individuele dosering (mg/kg lichaamsgewicht) | Doseringsfrequent ie (per aantal uren) |
| 50-31 | 150-200 (1,7-2,3) | 25 | 12 |
| 30-16 | 200-350 (2,3-4,0) | 25 | 24 |
| 15-6 | 350-500 (4,0-5,6) | 12,5 | 24 |
| <5 | >500 (>5,6) | 12,5 | 48 |
* De serumcreatininewaarden zijn richtwaarden, die niet exact dezelfde mate van vermindering hoeven aan te geven bij alle patiënten met een verminderde nierfunctie. ** Schatting gebaseerd op het lichaamsoppervlak, of gemeten. | |||
Het klinisch nauwkeurig volgen van de veiligheid en werkzaamheid wordt aanbevolen.
Tabel 4: Aanbevolen onderhoudsdoseringen van Ceftazidim Fresenius Kabi bij verminderde nierfunctie – continu infuus
Volwassenen en kinderen ≥ 40 kg
Creatinineklaring (ml/min) | Serum creatinine (bij benadering) μmol/l (mg/dl) | Doseringsfrequentie (per aantal uren) |
| 50-31 | 150-200 (1,7-2,3) | Oplaaddosering van 2 g, gevolgd door 1 tot 3 gram per 24 uur |
| 30-16 | 200-350 (2,3-4,0) | Oplaaddosering van 2 g, gevolgd door 1 gram per 24 uur |
| ≤ 15 | > 350 (> 4,0) | Niet bepaald |
Er wordt voorzichtigheid geadviseerd bij het bepalen van de dosering. Het klinisch nauwkeurig volgen van de veiligheid en werkzaamheid wordt aanbevolen.
Kinderen < 40 kg
De veiligheid en werkzaamheid van Ceftazidim Fresenius Kabi, toegediend als continu infuus aan kinderen < 40 kg met een nierfunctiestoornis, is niet vastgesteld. Het klinisch nauwkeurig volgen van de veiligheid en werkzaamheid wordt aanbevolen.
Als er een continu infuus bij kinderen met een verminderde nierfunctie wordt gebruikt, moet de creatinineklaring aangepast worden voor het lichaamsoppervlak of voor het vetvrije lichaamsgewicht.
Hemodialyse
De serum halfwaardetijd gedurende hemodialyse varieert van 3 tot 5.
Na iedere hemodialyseperiode dient de onderhoudsdosering van ceftazidim, zoals aanbevolen in onderstaande tabel, herhaald te worden.
Peritoneale dialyse
Ceftazidim kan gebruikt worden bij peritoneale dialyse and bij continue ambulante peritoneale dialyse (CAPD).
Als aanvulling op het intraveneuze gebruik kan ceftazidim worden opgenomen in de dialysevloeistof (gewoonlijk 125 tot 250 mg voor 2 liter dialyseoplossing).
Bij patiënten met nierfalen die continue arterioveneuze hemodialyse of high-flux hemofiltratie op een intensivecareafdeling ondergaan: dagelijks 1 gram als een eenmalige dosering of verdeeld over de dag. Bij low-flux hemofiltratie dient de doseringsaanbeveling gevolgd te worden zoals gegeven bij verminderde nierfunctie.
Bij patiënten die venoveneuze hemofiltratie en venoveneuze hemodialyse ondergaan, dienen de doseringsaanbevelingen uit onderstaande tabellen gevolgd te worden.
Tabel 5: Continue venoveneuze hemofiltratie doseringsrichtlijnen
| Overgebleven nierfunctie (creatinine-klaring ml/min) | Onderhoudsdosering (mg) bij een ultrafiltratiesnelheid (ml/min) van1: | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 5 | 16,7 | 33,3 | 50 | ||||
| 0 | 250 | 250 | 500 | 500 | |||
| 5 | 250 | 250 | 500 | 500 | |||
| 10 | 250 | 500 | 500 | 750 | |||
| 15 | 250 | 500 | 500 | 750 |
|---|---|---|---|---|
| 20 | 500 | 500 | 500 | 750 |
| 1 Onderhoudsdosering dient elke 12 uur toegediend te worden. | ||||
Tabel 6: Continue venoveneuze hemodialyse doseringsrichtlijnen
| Overgebleven nierfunctie (creatinine-klaring ml/min) | Onderhoudsdosering (mg) bij een dialysaat met stroomsnelheid van1: | |||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 1,0 liter/uur | 2,0 liter/uur | |||||||||||
| Ultrafiltratiesnelheid (liter/uur) | Ultrafiltratiesnelheid (liter/uur) | |||||||||||
| 0,5 | 1,0 | 2,0 | 0,5 | 1,0 | 2,0 | |||||||
| 0 | 500 | 500 | 500 | 500 | 500 | 750 | ||||||
| 5 | 500 | 500 | 750 | 500 | 500 | 750 | ||||||
| 10 | 500 | 500 | 750 | 500 | 750 | 1000 | ||||||
| 15 | 500 | 750 | 750 | 750 | 750 | 1000 | ||||||
| 20 | 750 | 750 | 1000 | 750 | 750 | 1000 | ||||||
| 1 Onderhoudsdosering dient elke 12 uur toegediend te worden. | ||||||||||||
Wijze van toediening:
Voor instructies over verdunning van het geneesmiddel voorafgaand aan toediening, zie rubriek 6.6.
Ceftazidim Fresenius Kabi dient als intraveneuze injectie, als intraveneus infuus of als diepe intramusculaire injectie toegediend te worden. De aanbevolen intramusculaire injectieplaatsen zijn de bovenste buitenkwadrant van de gluteus maximus of de laterale kant van de dij. Ceftazidim Fresenius Kabi oplossingen kunnen direct in de ader gegeven worden of als infuus toegediend worden via de slang van de infusieset wanneer de patiënt parenterale vloeistoffen ontvangt.
De standaard aanbevolen wijze van toediening is door een intraveneuze intermitterende injectie of door een intraveneus continu infuus. Intramusculaire toediening moet alleen overwogen worden wanneer de intraveneuze weg niet mogelijk of minder geschikt is voor de patiënt.
De dosering is afhankelijk van de ernst, de gevoeligheid van het pathogeen, de plaats en het type van de infectie en van de leeftijd en de nierfunctie van de patiënt.
Voor instructies over reconstitutie van het geneesmiddel voorafgaand aan toediening zie rubriek 6.6
4.3 Contra-indicaties
Overgevoeligheid voor ceftazidim, voor antibiotica uit de cefalosporinegroep of voor één van de hulpstoffen vermeld in rubriek 6.1.
Eerdere overgevoeligheidsreactie (bijvoorbeeld een anafylactische reactie) op enig ander bèta-lactam antibioticum (penicillines, monobactams en carbapenems).
4.4 Bijzondere waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik
Overgevoeligheidsreacties
Zoals bij alle bèta-lactam antibiotica zijn ernstige en soms fatale overgevoeligheidsreacties gemeld. Wanneer er sprake is van ernstige overgevoeligheidsreacties moet de behandeling met ceftazidim onmiddellijk gestaakt worden en moet met adequate noodmaatregelen gestart worden.
Voor aanvang van de behandeling moet worden nagegaan of de patiënt in het verleden overgevoeligheidsreacties heeft gehad op ceftazidim, op andere cefalosporinen, of op andere bèta-lactam antibiotica. Speciale zorg is geïndiceerd bij patiënten die eerder een niet-ernstige overgevoeligheid hebben ontwikkeld op andere bèta-lactam antibiotica.
Ernstige cutane bijwerkingen (SCAR's) waaronder Stevens-Johnson-syndroom (SJS), toxische epidermale necrolyse (TEN), geneesmiddelenreactie met eosinofilie en systemische symptomen (DRESS) en acute gegeneraliseerde exanthemateuze pustulose (AGEP), die levensbedreigend of fataal kunnen zijn, zijn gemeld met onbekende frequentie in verband met behandeling met ceftazidime.
Patiënten moeten worden geïnformeerd over de tekenen en symptomen en moeten nauwgezet worden gecontroleerd op huidreacties.
Bij het optreden van tekenen en symptomen die wijzen op deze reacties, moet ceftazidime direct worden gestaakt en een alternatieve behandeling worden overwogen.
Als de patiënt tijdens het gebruik van ceftazidime een ernstige reactie zoals SJS, TEN, DRESS of AGEP heeft ontwikkeld, mag de behandeling met ceftazidime bij deze patiënt op geen enkel moment worden hervat.
Spectrum van antibacteriële activiteit
Ceftazidim heeft een beperkt spectrum van antibacteriéle activiteit. Het is niet geschikt om als afzonderlijk geneesmiddel gebruikt te worden voor de behandeling van sommige soorten infecties tenzij een bekende overgevoeligheid van het pathogeen al aangetoond en bekend is, of een zeer sterk vermoeden bestaat dat behandeling met ceftazidim geschikt is voor het meest waarschijnlijke pathogeen (de meest waarschijnlijke pathogenen). Dit is in het bijzonder het geval wanneer er sprake is van de behandeling van patiënten met bacteriëmie en bij de behandeling van bacteriële meningitis, van infecties van de huid en de weke delen en van bot- en gewrichtsinfecties. Daarnaast is ceftazidim gevoelig voor hydrolyse door verschillende bèta-lactamasen met een uitgebreid spectrum (ESBL’s). Daarom moet informatie over de prevalentie van ESBL-producerende organismen meegenomen worden wanneer gekozen wordt voor een behandeling met ceftazidim.
Pseudomembranous colitis Met antibacteriële middelen geassocieerde colitis en pseudomembraneuze colitis is gemeld met bijna alle antibacteriële middelen, inclusief ceftazidim, de ernst hiervan kan variëren van mild tot levensbedreigend. Daarom is het belangrijk deze diagnose in overweging te nemen wanneer een patiënt melding maakt van diarree tijdens of na toediening van ceftazidim (zie rubriek 4.8). Stopzetting van de therapie met ceftazidim en toediening van een specifieke behandeling voor Clostridium difficile moet in overweging worden genomen. Geneesmiddelen die de peristaltiek remmen dienen niet te worden gegeven.
Voortgezet gebruik kan resulteren in overgroei van niet-gevoelige organismen (bijvoorbeeld enterokokken, schimmels), dit kan het staken van de therapie of het treffen van geschikte maatregelen noodzakelijk maken. Regelmatige beoordeling van de toestand van de patiënt is noodzakelijk.
Nierfunctie/stoornis
Gelijktijdige behandeling met hoge doses cefalosporinen en nefrotoxische geneesmiddelen zoals aminoglycosiden of sterk werkzame diuretica (zoals furosemide), kunnen de renale functie nadelig beïnvloeden.
Ceftazidim wordt via de nieren uitgescheiden, daarom moet de dosering worden aangepast op geleide van de ernst van de verminderde nierfunctie. Patiënten met een verminderde nierfunctie moeten nauwkeurig gevolgd worden op zowel veiligheid als werkzaamheid. Neurologische verschijnselen zijn incidenteel gemeld wanneer de dosering niet verminderd werd bij patiënten met een verminderde nierfunctie (zie rubrieken 4.2 en 4.8).
Invloed op laboratoriumtesten
Ceftazidim heeft geen invloed op de glucosurietesten, die op enzymen zijn gebaseerd. Er kan wel een lichte interferentie (vals-positief) optreden met methodes die zijn gebaseerd op koperreductie (Benedicts, Fehlings, Clinitest).
Ceftazidim heeft geen invloed op de creatininebepaling met alkalisch picraat.
Een positieve Coombstest wordt gezien bij circa 5% van de patiënten die ceftazidim gebruikt. Dit kan invloed hebben op de kruisproef in geval van bloedtransfusie.
Belangrijke informatie over één van de hulpstoffen van Ceftazidim Fresenius Kabi:
Ceftazidim Fresenius Kabi 500 mg
Dit geneesmiddel bevat 26 mg natrium per injectieflacon, overeenkomend met 1,3% van de door de WHO aanbevolen maximale dagelijkse inname van 2 g natrium voor een volwassene.
Ceftazidim Fresenius Kabi 1000 mg
Dit geneesmiddel bevat 52 mg natrium per injectieflacon, overeenkomend met 2,6% van de door de WHO aanbevolen maximale dagelijkse inname van 2 g natrium voor een volwassene.
Ceftazidim Fresenius Kabi 2000 mg
Dit geneesmiddel bevat 104 mg natrium per injectieflacon, overeenkomend met 5,2% van de door de WHO aanbevolen maximale dagelijkse inname van 2 g natrium voor een volwassene.
4.5 Interacties met andere geneesmiddelen en andere vormen van interactie
Er zijn alleen interactiestudies uitgevoerd met probenecide en met furosemide.
Het gelijktijdig gebruik van hoge doseringen nefrotoxische geneesmiddelen kan de nierfunctie ongunstig beïnvloeden (zie rubriek 4.4).
Chlooramfenicol vertoont in vitro antagonisme met ceftazidim en andere cefalosporinen. De klinische relevantie hiervan is niet bekend. Indien gelijktijdige toediening van ceftazidim met chlooramfenicol wordt overwogen, dient men rekening te houden met de mogelijkheid van antagonisme.
4.6 Vruchtbaarheid, zwangerschap en borstvoeding
Zwangerschap
Er zijn beperkte gegevens over het gebruik van ceftazidim bij zwangere vrouwen. Er zijn geen aanwijzingen voor directe of indirecte schadelijkheid bij dierproeven met betrekking tot zwangerschap, embryonale foetale ontwikkeling en postnatale ontwikkeling (zie rubriek 5.3).
Ceftazidim Fresenius Kabi dient alleen aan zwangere vrouwen te worden voorgeschreven als het therapeutisch voordeel zwaarder weegt dan de mogelijke risico’s.
Borstvoeding
Ceftazidim wordt in de moedermelk in lage concentraties uitgescheiden, maar bij therapeutische doseringen ceftazidim worden geen effecten verwacht op de zuigeling die borstvoeding krijgt. Ceftazidim kan tijdens borstvoeding gebruikt worden.
Vruchtbaarheid
Er zijn geen gegevens beschikbaar.
4.7 Beïnvloeding van de rijvaardigheid en het vermogen om machines te bedienen
Er zijn geen gegevens bekend over het effect op de rijvaardigheid en het vermogen om machines te bedienen. Echter, er dient rekening te worden gehouden met de mogelijkheid van het optreden van bijwerkingen (bijvoorbeeld duizeligheid), waardoor het besturen van voertuigen en het bedienen van machines beïnvloed kunnen worden (zie rubriek 4.8).
4.8 Bijwerkingen
De meest algemene bijwerkingen zijn eosinofilie, trombocytose, flebitis of tromboflebitis bij intraveneuze toediening, diarree, voorbijgaande verhogingen van leverenzymen, maculopapulaire of urticariële uitslag, pijn en/of ontsteking na intramusculaire injectie en positieve Coomb’s testen.
Gegevens van klinische onderzoeken (zowel gesponsorde als niet-gesponsorde) zijn gebruikt om de frequentie te bepalen van ‘vaak’ en ‘soms’ voorkomende bijwerkingen. De frequenties van alle andere bijwerkingen zijn voornamelijk bepaald aan de hand van ‘postmarketing’ gegevens en geven meer de mate van rapporteren weer dan de frequentie van de bijwerking. Binnen iedere systeem/orgaanklasse worden de bijwerkingen vermeld op volgorde van afnemende frequentie.
Voor de classificatie van de frequenties zijn de volgende termen vastgesteld:
Zeer vaak: ≥ 1/10
Vaak: ≥ 1/100 en < 1/10
Soms: ≥ 1/1000 en < 1/100
Zelden: ≥ 1/10.000 en < 1/1000
Zeer zelden: < 1/10.000
Niet bekend: kan met de beschikbare gegevens niet worden bepaald
Systeem/ orgaanklasse | Vaak | Soms | Zeer zelden | Niet bekend |
| Infecties en parasitaire aandoeningen | candidiasis (inclusief vaginitis en orale spruw) | |||
| Bloed- en lymfestelsel-aandoeningen | eosinofilie trombocytose | neutropenie leukopenie trombocytopenie | agranulocytose hemolytische anemie lymfocytose | |
| Immuunsysteem-aandoeningen | anafylaxie (inclusief bronchospasme en/of hypotensie) (zie rubriek 4.4) | |||
| Zenuwstelsel-aandoeningen | hoofdpijn duizeligheid | neurologische verschijnselen 1 paresthesie | ||
| Bloedvataandoeningen | flebitis of tromboflebitis bij intraveneuze toediening | |||
| Maagdarmstelsel-aandoeningen | diarree | met antibiotica geassocieerde diarree en colitis 2 (zie rubriek 4.4) | nare smaak in de mond |
abdominale pijn misselijkheid braken | ||||
| Lever- en galaandoeningen | Voorbijgaande verhogingen van één of meer leverenzymen 3 | geelzucht | ||
| Huid- en onderhuid-aandoeningen | Maculopapulaire of urticariële rash | Pruritus | toxische epidermale necrolyse Stevens-Johnson syndroom erythema multiforme angio-oedeem DRESS5, acute gegeneraliseerde exanthemateuze pustulose (AGEP) | |
| Nier- en urineweg-aandoeningen | Voorbijgaande verhogingen van bloed ureum, bloed ureum stikstof en/of serumcreatinine | interstitiële nefritis acuut nierfalen | ||
| Algemene aandoeningen en toedieningsplaats-stoornissen | pijn en/of ontsteking na intramusculaire injectie | koorts | ||
| Onderzoeken | Positieve Coombs’ test 4 |
1 Er zijn meldingen geweest van neurologische verschijnselen inclusief tremor, myoclonie, convulsies, encefalopathie en coma bij patiënten met verminderde nierfunctie, bij wie de dosis Ceftazidim Fresenius Kabi niet
conform de nierfunctie was gereduceerd.
2 Diarree en colitis kunnen verband hebben met Clostridium difficile en kunnen zich manifesteren als pseudomembraneuze colitis.
3 ALAT (SGPT), ASAT (SOGT), LHD, GGT, alkalische fosfatase.
4 Een positieve Coombstest wordt gezien bij circa 5% van de patiënten. Dit kan invloed hebben op de kruisproef in geval van bloedtransfusie.
5 Er zijn zeldzame meldingen van DRESS geassocieerd met ceftazidim
Melding van vermoedelijke bijwerkingen
Het is belangrijk om na toelating van het geneesmiddel vermoedelijke bijwerkingen te melden. Op deze wijze kan de verhouding tussen voordelen en risico’s van het geneesmiddel voortdurend worden gevolgd. Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg wordt verzocht alle vermoedelijke bijwerkingen te melden via het Nederlands Bijwerkingen Centrum Lareb, website: www.lareb.nl.
4.9 Overdosering
Overdosering van cefalosporinen kan leiden tot neurologische verschijnselen als encefalopathie, convulsies en coma.
Symptomen van overdosering kunnen optreden als de dosering bij patiënten met een verminderde nierfunctie niet op aangepaste wijze wordt gereduceerd (zie rubrieken 4.2 en 4.4).
Ceftazidimserumspiegels kunnen door hemodialyse of door peritoneale dialyse worden gereduceerd.
5. FARMACOLOGISCHE EIGENSCHAPPEN
5.1 Farmacodynamische eigenschappen
Farmacotherapeutische groep: antibacteriële middelen voor systemisch gebruik. Derde generatie cefalosporinen, ATC code: J01DD02.
Werkingsmechanisme
Ceftazidim remt de synthese van de bacteriële celwand doordat het zich bindt aan penicillinebindende eiwitten (PBP’s). Het resultaat hiervan is de onderbreking van de biosynthese van de celwand (peptidoglycanen), waardoor de bacteriële cel in ontbinding gaat en sterft.
PK/PD verhouding
Bij cefalosporinen is aangetoond dat de meest belangrijke farmacokinetische-farmacodynamische index, die correleert met de werkzaamheid in vivo, het percentage van het doseringsinterval is dat de niet-gebonden concentratie boven de minimale remmende concentratie (MRC) van ceftazidim blijft bij de individuele bacteriële species die het doel zijn (dat wil zeggen %T>MRC).
Mechanisme van de resistentie
Bacteriële resistentie tegen ceftazidim kan het gevolg zijn van één of meer van de volgende mechanismen:
- hydrolyse door bèta-lactamasen. Ceftazidim kan doeltreffend worden gehydrolyseerd door breedspectrum bèta-lactamasen (ESBL’s), inclusief de SHV-familie van de ESBL’s en door AmpC-enzymen, die kunnen worden geïnduceerd of waarvan de productie kan worden geactiveerd door stabiele derepressie bij sommige aerobe gramnegatieve bacteriële species
- verminderde affiniteit van penicillinebindende proteïnen voor ceftazidim
ondoorlaatbaarheid van de buitenmembraan, waardoor ceftazidim minder toegang krijgt tot de
penicillinebindende proteïnen in gramnegatieve micro-organismen.
- bacteriële pompen die het geneesmiddel uit de cel pompen.
Breekpunten
Volgens de EUCAST-richtlijnen (European Committee on Antimicrobial Susceptibility Testing)) zijn de minimale remmende concentratie (MRC)-breekpunten als volgt gedefinieerd:
| Organisme | Breekpunten (mg/l) | |||||
|---|---|---|---|---|---|---|
| G | I | R | ||||
| Enterobacteriaceae | ≤ 1 | 2-4 | > 4 | |||
| Pseudomonas aeruginosa | ≤ 81 | - | > 8 | |||
| Non-species gerelateerde breekpunten 2 | ≤ 4 | 8 | > 8 | |||
G = gevoelig, I = intermediair gevoelig, R = resistent
1 De breekpunten betreffen de therapie met de hoge dosering (2 g x 3).
2 Non-species gerelateerde breekpunten zijn voornamelijk bepaald op basis van PK/PD gegevens en zijn onafhankelijk van de MRC-verdelingen van specifieke species. Deze breekpunten zijn alleen voor gebruik bij species die niet in de tabel of in de voetnoten genoemd worden.
Microbiologische gevoeligheid
De prevalentie van verworven resistentie kan bij geselecteerde species zowel geografisch als in de tijd variëren. Lokale informatie omtrent resistentie is gewenst, in het bijzonder wanneer ernstige infecties behandeld worden. Indien nodig moet advies van experts gezocht worden wanneer de lokale resistentieprevalentie zodanig is, dat het nut van ceftazidim bij ten minste enige soorten van infecties twijfelachtig is.
| Species die normalerwijs gevoelig zijn |
Grampositieve aerobe bacteriën: Streptococcus pyogenes Streptococcus agalactiae |
Gramnegatieve aerobe bacteriën: Citrobacter koseri Haemophilus influenzae Moraxella catarrhalis Neisseria meningitidis Proteus mirabilis Proteus spp. (andere) Providencia spp. |
| Species waarvoor verworven resistentie een probleem zou kunnen zijn |
Gramnegatieve aerobe bacteriën: Acinetobacter baumannii*+ Burkholderia cepacia Citrobacter freundii Enterobacter aerogenes Enterobacter cloacae Escherichia coli Klebsiella pneumoniae Klebsiella spp. (andere) Pseudomonas aeruginosa Serratia spp. Morganella morganii |
Grampositieve aerobe bacteriën: Staphylococcus aureus* Streptococcus pneumoniae** Viridans groep streptococcus |
Grampositieve anaerobe bacteriën: Clostridium perfringens Peptostreptococcus spp. |
Gramnegatieve anaerobe bacteriën: Fusobacterium spp. |
| Intrinsiek resistente organismen |
Grampositieve aerobe bacteriën: Enterococcus spp. inclusief Enterococcus faecalis en Enterococcus faecium Listeria spp. |
Grampositieve anaerobe bacteriën: Clostridium difficile |
Gramnegatieve anaerobe bacteriën: Bacteroides spp. (voornamelijk stammen van Bacteroides fragilis zijn resistent). |
Andere: Chlamydia spp. |
Mycoplasma spp. Legionella spp. |
*S. aureus stammen die meticilline-gevoelig zijn, worden beschouwd een intrinsiek lage gevoeligheid voor ceftazidim te hebben. Alle meticilline-resistente S. aureus stammen zijn resistent tegen ceftazidim. **Van S. pneumoniae stammen die een intermediaire gevoeligheid hebben voor penicilline of hier resistent tegen zijn, kan worden verwacht dat deze ten minste een verminderde gevoeligheid voor ceftazidim zullen vertonen. + Een hoog niveau van resistentie is waargenomen in één of meerdere gebieden/landen/regio’s binnen de EU. |
5.2 Farmacokinetische eigenschappen
Absorptie:
Na intramusculaire toediening van 500 mg en 1 g ceftazidim worden snel piekplasmaniveaus van respectievelijk 18 mg/l en 37 mg/l bereikt. Vijf minuten na een intraveneuze bolusinjectie van 500 mg, 1 g of 2 g zijn de plasmaniveaus respectievelijk 46 mg/l, 87 mg/l en 170 mg/l. Wanneer een eenmalige dosering tussen 0,5 en 2 g wordt gegeven, is de kinetiek van ceftazidim lineair na intraveneuze of intramusculaire dosering.
Distributie
De serumeiwitbinding van ceftazidim is laag, circa 10%. Concentraties boven de MRC-waarden voor de normaal voorkomende pathogenen kunnen worden bereikt in bot- en hartspierweefsel, in gal, in speeksel, in oogkamervocht en in synoviale, pleurale en peritoneale vloeistoffen. Ceftazidim passeert gemakkelijk de placenta en wordt uitgescheiden in de moedermelk. De penetratie van de intacte bloed-hersenbarrière is slecht en resulteert in lage ceftazidimspiegels in de cerebrospinale vloeistof wanneer er geen ontsteking is. Bij ontstoken meningen worden echter in de cerebrospinale vloeistof concentraties bereikt van van 4 tot 20 mg/l of hoger.
Biotransformatie
Ceftazidim wordt niet gemetaboliseerd.
Eliminatie
Na parenterale toediening nemen de plasmawaarden af met een halfwaardetijd van ongeveer 2 uur. Ceftazidim wordt onveranderd in de urine uitgescheiden door middel van glomerulaire filtratie. Circa 80 tot 90% van de dosis wordt binnen 24 uur in de urine teruggevonden. Minder dan 1% wordt via de gal uitgescheiden.
Speciale patiëntenpopulaties
Verminderde nierfunctie
De eliminatie van ceftazidim is verminderd bij patiënten met een verminderde nierfunctie en de dosering moet verminderd worden (zie rubriek 4.2).
Verminderde leverfunctie
Een licht of matig verminderde leverfunctie had geen invloed op de farmacokinetiek van ceftazidim bij personen die gedurende 5 dagen iedere 8 uur 2 g ceftazidim intraveneus kregen toegediend, vooropgesteld dat de nierfunctie niet verminderd was (zie rubriek 4.2).
Ouderen
De waargenomen verminderde klaring bij oudere patiënten was in eerste instantie het gevolg van een leeftijdsgerelateerde afname van de renale klaring van ceftazidim. De gemiddelde eliminatie halfwaardetijd varieerde van 3,5 tot 4 uur bij een eenmalige dosering of bij een herhaalde tweemaal daagse dosering gedurende 7 dagen van een intraveneuze bolusinjectie van 2 g bij oudere patiënten van 80 jaar of ouder.
Pediatrische patiënten
Bij zowel te vroeg als op tijd geboren neonaten is 4,5 tot 7,5 uur na doseringen van 25 tot 30 mg/kg de halfwaardetijd van ceftazidim verlengd. Echter, op een leeftijd van 2 maanden ligt de halfwaardetijd binnen de grenzen voor de volwassenen.
5.3 Gegevens uit het preklinisch veiligheidsonderzoek
Niet-klinische gegevens duiden niet op een speciaal risico voor mensen. Deze gegevens zijn afkomstig van conventioneel onderzoek op het gebied van veiligheidsfarmacologie, toxiciteit bij herhaalde dosering, genotoxiciteit, reproductie- en ontwikkelingstoxiciteit. Carcinogeniteitsstudies met ceftazidim zijn niet uitgevoerd.
6. FARMACEUTISCHE GEGEVENS
6.1 Lijst van hulpstoffen
Natriumcarbonaat
6.2 Gevallen van onverenigbaarheid
Ceftazidim mag niet gemengd worden met oplossingen met een pH hoger dan 7,5 zoals natriumbicarbonaat oplossing voor injectie. Ceftazidim en aminoglycosiden mogen niet gemengd worden in de oplossing voor injectie, vanwege het risico op neerslag.
Canules en katheters voor intraveneus gebruik moeten doorgespoeld worden met fysiologische zoutoplossing tussen toedieningen van ceftazidim en vancomycine om neerslag te vermijden.
Dit geneesmiddel mag niet gemengd worden met andere geneesmiddelen dan die vermeld in rubriek 6.6
6.3 Houdbaarheid
3 jaar.
Gereconstitueerde oplossing: Na reconstitutie van het product met water voor injectie, 1% lidocaïneoplossing, 0,9% natriumchlorideoplossing, Ringer-lactaat en 10% glucoseoplossing is bij gebruik een chemische en fysische stabiliteit aangetoond tot 6 uur bij 25°C en 12 uur bij 5°C. Vanuit microbiologisch standpunt moet het product onmiddellijk worden gebruikt.
6.4 Speciale voorzorgsmaatregelen bij bewaren
Bewaar de injectieflacon/fles in de buitenverpakking ter bescherming tegen licht.
Bewaren beneden 25° C.
Voor de bewaarcondities na reconstitutie van het geneesmiddel, zie rubriek 6.3.
6.5 Aard en inhoud van de verpakking
Ceftazidim Fresenius Kabi 500 mg poeder voor oplossing voor injectie
Aard: Kleurloze type II glazen injectieflacons afgesloten met type I rubberen stoppen bedekt met aluminium doppen en aftrekbare plastic dekselkapjes.
Inhoud: Iedere verpakking bevat:
1 injectieflacon van 10 ml
10 injectieflacons van 10 ml
Ceftazidim Fresenius Kabi 1000 mg poeder voor oplossing voor injectie
Aard: Kleurloze type II glazen injectieflacons afgesloten met type I rubberen stoppen bedekt met aluminium doppen en aftrekbare plastic dekselkapjes.
Inhoud: Iedere verpakking bevat:
1 injectieflacon van 10 ml
10 injectieflacons van 10 ml
Ceftazidim Fresenius Kabi 2000 mg poeder voor oplossing voor injectie/infusie
Aard: Kleurloze type II glazen flessen afgesloten met type I rubberen stoppen bedekt met aluminium doppen en aftrekbare plastic dekselkapjes.
Inhoud: Iedere verpakking bevat:
1 fles van 50 ml
10 flessen van 50 ml
Mogelijk worden niet alle genoemde verpakkingsgrootten in de handel gebracht.
6.6 Speciale voorzorgsmaatregelen voor het verwijderen
Intraveneus gebruik - injectie
Voor onmiddellijke intermitterende intraveneuze toediening, moet ceftazidim gereconstitueerd worden met Water voor Injecties (zie tabel hieronder). De oplossing moet langzaam en rechtstreeks in een ader geïnjecteerd worden gedurende een tijdspanne tot 5 minuten of toegediend worden via de slangen van een toedieningsset.
Intramusculair gebruik (voor 500 mg en 1000 mg):
Ceftazidim moet gereconstitueerd worden met Water voor Injecties of Lidocaïne Hydrochloride 10 mg/ml (1%) oplossing voor injectie, zoals aangegeven in de tabel hieronder. Informatie betreffende Lidocaïne dient geraadpleegd te worden alvorens ceftazidim met lidocaïne te reconstitueren.
Intraveneus gebruik – infusie (zie rubriek 4.2):
Voor intraveneuze infusie moet de inhoud van de 2 g fles gereconstitueerd worden met 10 ml water voor injecties (voor bolus) en 50 ml water voor injecties (intraveneuze infusie) of één van de verenigbare intraveneuze vloeistoffen.
Toe te dienen via intraveneuze infusie gedurende 15-30 minuten. Intermitterende intraveneuze infusie met een Y-type toedieningsset is mogelijk met verenigbare oplossingen. Tijdens de infusie van een oplossing met ceftazidim is het echter wenselijk om de toediening van de andere oplossing te onderbreken.
Alle injectieflacons van Ceftazidim Fresenius Kabi worden onder verlaagde druk gesloten en als zodanig afgeleverd. Als de in-houd oplost komt kooldioxide vrij en wordt de druk positief. Kleine belletjes kooldioxide in de gevormde oplossing kunnen genegeerd worden.
Instructies voor het oplossen
Zie de onderstaande tabel voor de toe te voegen volumina en de concentraties in de verkregen oplossing. Dit kan nuttig zijn als er kleine doseringen vereist zijn.
| Inhoud injectieflacon/fles | Hoeveelheid toe te voegen diluens (ml) | Concentratie bij benadering (mg/ml) | |
| 500 mg poeder voor oplossing voor injectie | |||
| 500 mg | intramusculair intraveneuze bolus | 1,5 ml 5 ml | 260 90 |
| 1 g poeder voor oplossing voor injectie | |||
| 1 g | intramusculair intraveneuze bolus | 3 ml 10 ml | 260 90 |
| 2 g poeder voor oplossing voor injectie/infusie | |||
| 2 g | intraveneuze bolus intraveneuze infusie | 10 ml 50 ml* | 170 40 |
* de toevoeging dient in twee stappen plaats te vinden
Verenigbare intraveneuze vloeistoffen:
Bij concentraties ceftazidim tussen 90 mg/ml en 206 mg/ml, 90 mg/ml en 260 mg/ml en 40 mg/ml en 170 mg/ml kunnen de Ceftazidim Fresenius Kabi poeders voor injectie gemengd worden in algemeen gebruikte oplossingen voor infusie:
- natriumchloride 9 mg/ml (0,9%) oplossing (fysiologische zoutoplossing),
- Ringer Lactaatoplossing
- Glucose 10 mg/ml (10%) oplossing
Wanneer Ceftazidim Fresenius Kabi poeder voor injectie gereconstitueerd wordt voor intramusculair gebruik, kan dit ook verdund worden met lidocaïne 10 mg/ml (1%) oplossingen.
Wanneer ceftazidim is opgelost, wordt koolstofdioxide vrijgegeven en ontwikkelt zich een positieve druk. Voor gemakkelijk gebruik moeten de aanbevolen technieken voor reconstitutie zoals hieronder beschreven, worden opgevolgd.
Instructies voor reconstitutie:
Voor 500 mg intramusculair/intraveneus en 1000 mg intramusculair/intraveneus:
Bereiding van oplossingen voor bolusinjecties
- 1. Steek de naald van de spuit door de stop van de injectieflacon en voeg de geadviseerde hoe-veelheid diluens toe. Het vacuüm vergemakkelijkt de toevoeging van het diluens. Trek de naald er vervolgens uit.
- 2. Schud om de inhoud op te lossen. Hierbij komt kooldioxide vrij. Er wordt in circa 1-2 minuten een heldere oplossing verkregen.
- 3. Houd de injectieflacon ondersteboven. Steek de naald door de stop van de injectieflacon met de zuiger van de spuit helemaal ingedrukt. Zuig de gehele oplossing op in de spuit (de druk in de injectieflacon vergemakkelijkt het opzuigen). Let erop dat de naald in de oplossing blijft en niet boven de vloeistofspiegel uitsteekt. De opgezogen oplossing kan belletjes kooldioxide bevatten; deze belletjes kunnen genegeerd worden.
Deze oplossingen kunnen direct in de ader worden gegeven of worden toegediend via de slang van een infusieset als de patiënt parenterale vloeistoffen krijgt. Ceftazidim is verenigbaar met de meest algemeen gebruikte intraveneuze vloeistoffen.
Voor 2000 mg fles voor infusie
Bereiding van oplossingen voor intraveneuze infusie vanuit ceftazidim injectie in standaard fles presentatie (mini-zakje of buretachtige set):
- 1. Steek de naald van de spuit door de stop van de fles en voeg 10 ml diluens toe
- 2. Trek de naald er vervolgens uit en schud de fles om een heldere oplossing te krijgen.
- 3. Gebruik geen ontluchtingsnaald totdat het product opgelost is. Steek daarna een ontluchtingsnaald door de stop van de fles om de druk binnenin te verminderen.
- 4. Breng de gereconstitueerde oplossing over in de uiteindelijke toedieningsset (bijvoorbeeld een mini-zakje of een buretachtige set) waarbij een volume van ten minste 50 ml gemaakt moet worden en dien dit toe als intraveneuze infusie over een periode van 15 tot 30 minuten.
OPMERKING: om de steriliteit van het product te bewaren is het belangrijk dat de ontluchtingsnaald niet door de stop van de injectieflacon/fles wordt gestoken voordat het product opgelost is.
De verdunning moet plaatsvinden onder aseptische omstandigheden.
Uitsluitend voor eenmalig gebruik.
Alle ongebruikte medische producten of afvalmaterialen dienen te worden vernietigd overeenkomstig lokale voorschriften.
Enkel heldere oplossingen die nagenoeg vrij zijn van partikels mogen worden gebruikt.
Vrij van bacteriële endotoxinen.
De kleur van de oplossingen varieert van lichtgeel tot geelbruin, afhankelijk van de concentratie, het oplosmiddel en de bewaarcondities. Mits navolging van de vermelde aanbevelingen, hebben dergelijke kleurvariaties geen negatieve invloed op de werkzaamheid van dit product.
7. HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
Fresenius Kabi Nederland BV
Amersfoortseweg 10E 3712BC Huis ter Heide
Nederland
8. NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
RVG 101815 (500 mg)
RVG 101819 (1000 mg)
RVG 101820 (2000 mg)
9. DATUM VAN EERSTE VERLENING VAN DE VERGUNNING/HERNIEUWING VAN DE VERGUNNING
Datum van eerste verlening van de vergunning: 23 januari 2009
Datum van laatste hernieuwing: 22 oktober 2013
10. DATUM VAN HERZIENING VAN DE TEKST
Laatste gedeeltelijke wijziging betreft de rubrieken 4.4, en 4.8: 8 oktober 2024
