SmPC (samenvatting van de productkenmerken) - Brinzolamide Teva
1. NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
Brinzolamide Teva 10 mg/ml, oogdruppels, suspensie
2. KWALITATIEVE EN KWANTITATIEVE SAMENSTELLING
Elke ml suspensie bevat 10 mg brinzolamide.
Hulpstof met bekend effect
Elke ml suspensie bevat ongeveer 0,15 mg benzalkoniumchloride.
Voor de volledige lijst van hulpstoffen, zie rubriek 6.1
3. FARMACEUTISCHE VORM
Oogdruppels, suspensie
Witte tot gebroken witte suspensie
4. KLINISCHE GEGEVENS
4.1 Therapeutische indicaties
Brinzolamide Teva is geïndiceerd om verhoogde intra-oculaire druk te verlagen bij:
- oculaire hypertensie
- open-hoek glaucoom
als monotherapie bij volwassen patiënten die niet reageren op bètablokkers of bij volwassen patiënten bij wie bètablokkers gecontra-indiceerd zijn, of als ondersteunende therapie bij bètablokkers of prostaglandine-analoga (zie ook rubriek 5.1).
4.2 Dosering en wijze van toediening
Dosering
Bij gebruik als monotherapie of ondersteunende therapie bedraagt de dosis één druppel Brinzolamide Teva tweemaal daags in de conjunctivale zak van het (de) aangedane oog (ogen). Sommige patiënten kunnen een betere respons hebben bij één druppel driemaal daags.
Speciale populaties
Oudere patiënten
Er is geen aanpassing van de dosis noodzakelijk bij oudere patiënten.
Lever- en nierinsufficiëntie
Brinzolamide is niet bestudeerd bij patiënten met hepatische insufficiëntie en wordt daarom niet aanbevolen bij deze patiënten.
Brinzolamide is niet bestudeerd bij patiënten met ernstige renale insufficiëntie (creatinineklaring < 30 ml/min.) of bij patiënten met hyperchloremische acidose. Aangezien brinzolamide en zijn belangrijkste metaboliet hoofdzakelijk via de nieren worden uitgescheiden, is brinzolamide gecontra-indiceerd bij deze patiënten (zie ook rubriek 4.3).
Pediatrische patiënten
De veiligheid en werkzaamheid van brinzolamide bij zuigelingen, kinderen en adolescenten in de leeftijd van 0 tot 17 jaar zijn niet vastgesteld. De momenteel beschikbare gegevens worden beschreven in rubriek 4.8 en 5.1. Brinzolamide Teva wordt niet aanbevolen voor gebruik bij zuigelingen, kinderen en adolescenten.
Wijze van toediening
Voor oculair gebruik.
Nasolacrimale occlusie of het zachtjes sluiten van het ooglid wordt aanbevolen na instillatie. Dit kan de systemische absorptie van oculair toegediende geneesmiddelen verminderen en leiden tot een vermindering van systemische bijwerkingen.
Instrueer de patiënt het flesje goed te schudden voor gebruik. Na verwijdering van de dop, moet de veiligheidsring, als deze los is, worden verwijderd vóór gebruik van het geneesmiddel.
Om besmetting van de druppelaar en de suspensie te voorkomen, moet erop gelet worden dat de oogleden, omliggende gebieden of andere oppervlakken niet worden aangeraakt met de punt van de druppelaar van het flesje. Instrueer patiënten het flesje goed gesloten te houden wanneer het niet wordt gebruikt.
Wanneer een ander oftalmisch geneesmiddel tegen glaucoom wordt vervangen door Brinzolamide Teva, moet het gebruik van het andere middel worden stopgezet en de volgende dag met Brinzolamide Teva worden begonnen.
Indien meer dan één topisch oftalmisch geneesmiddel wordt gebruikt, moeten deze geneesmiddelen met een tussenperiode van minimaal 5 minuten worden toegediend. Oogzalven moeten als laatste worden toegediend.
Als een dosis wordt vergeten, dient de behandeling volgens schema voortgezet te worden met de volgende dosis. De dosis mag niet hoger zijn dan driemaal daags één druppel in het (de) aangedane oog (ogen).
4.3 Contra-indicaties
- Overgevoeligheid voor de werkzame stof of voor een van de in rubriek 6.1 vermelde hulpstoffen
- Bekende overgevoeligheid voor sulfonamiden (zie ook rubriek 4.4)
- Ernstige nierinsufficiëntie
- Hyperchloremische acidose
4.4 Bijzondere waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik
Systemische effecten
Brinzolamide is een sulfonamideremmer van koolzuuranhydrase en, hoewel topisch toegediend, wordt het systemisch geabsorbeerd. Dezelfde bijwerkingen, die worden toegeschreven aan sulfonamiden, kunnen zich voordoen na topische toediening, waaronder Stevens-Johnson-syndroom (SJS) en toxische epidermale necrolyse (TEN). Op het moment van het voorschrijven moeten patiënten geïnformeerd worden over de tekenen en symptomen en nauwlettend worden gecontroleerd op huidreacties. Indien tekenen van ernstige reacties of overgevoeligheid voorkomen, moet het gebruik van brinzolamide onmiddellijk worden stopgezet.
Verstoringen van de zuur-base-balans werden gerapporteerd bij orale koolzuuranhydraseremmers. Met voorzichtigheid gebruiken bij patiënten met een risico op renale insufficiëntie vanwege het mogelijke risico op metabole acidose (zie rubriek 4.2).
Brinzolamide werd niet bestudeerd bij vroeggeboren zuigelingen (zwangerschapsduur van minder dan 36 weken) of bij zuigelingen van minder dan 1 week oud. Patiënten waarbij de renale tubulus significant onvolgroeid is of afwijkingen vertoont, mogen brinzolamide alleen toegediend krijgen na zorgvuldige afweging van het risico en de voordelen, vanwege het mogelijke risico op metabole acidose.
Orale koolzuuranhydraseremmers kunnen het vermogen verminderen om taken uit te voeren die psychische waakzaamheid en/of lichamelijke coördinatie vereisen. Brinzolamide wordt systemisch geabsorbeerd en daarom zou dit kunnen voorkomen bij topische toediening.
Gelijktijdige therapie
Er is kans op een additief effect bovenop de bekende systemische effecten van koolzuuranhydraseremmers bij patiënten die een orale koolzuuranhydraseremmer en brinzolamide toegediend krijgen. Gelijktijdige toediening van brinzolamide en orale koolzuuranhydraseremmers is niet bestudeerd en wordt niet aanbevolen (zie ook rubriek 4.5).
Brinzolamide werd primair geëvalueerd bij gelijktijdige toediening met timolol als ondersteunende behandeling van glaucoom. Verder werd het intraoculaire druk (IOD)-verlagend effect van brinzolamide als ondersteunende therapie bij de prostaglandine-analoog travoprost bestudeerd. Er zijn geen gegevens beschikbaar over langdurig gebruik van brinzolamide als ondersteunende therapie bij travoprost (zie ook rubriek 5.1).
Er is beperkte ervaring met brinzolamide bij de behandeling van patiënten met pseudoexfoliatief glaucoom of pigmentglaucoom. Dergelijke patiënten dienen met de nodige voorzichtigheid te worden behandeld en nauwlettende controle van de IOD wordt aanbevolen. Brinzolamide is niet bestudeerd bij patiënten met nauwe-kamerhoekglaucoom en het gebruik ervan wordt niet aanbevolen bij deze patiënten.
De mogelijke rol van brinzolamide op de corneale endotheelfunctie is niet onderzocht bij patiënten met gecompromitteerde cornea (voornamelijk bij patiënten met een laag aantal endotheelcellen). In het bijzonder, patiënten die contactlenzen dragen zijn niet bestudeerd en zorgvuldige controle van deze patiënten bij gebruik van brinzolamide wordt aanbevolen, aangezien koolzuuranhydraseremmers de corneale hydratatie kunnen beïnvloeden en het dragen van contactlenzen het risico voor de cornea kan vergroten. Zorgvuldige controle van patiënten met gecompromitteerde cornea, zoals patiënten met diabetes mellitus of met corneadystrofie, wordt aanbevolen.
Brinzolamide Teva is niet bestudeerd bij patiënten die contactlenzen dragen.
Mogelijke terugvaleffecten na stoppen van de behandeling met brinzolamide zijn niet bestudeerd; er wordt verwacht dat het IOD-verlagend effect 5-7 dagen duurt.
Pediatrische patiënten
De veiligheid en werkzaamheid van Brinzolamide Teva bij zuigelingen, kinderen en adolescenten in de leeftijd van 0 tot 17 jaar zijn niet vastgesteld en het gebruik ervan bij zuigelingen, kinderen en adolescenten wordt niet aanbevolen.
Hulpstof(fen)
Benzalkoniumchloride
Er is gemeld dat benzalkoniumchloride oogirritatie en symptomen van droge ogen veroorzaakt en invloed kan hebben op de traanfilm en het corneaoppervlak. Benzalkoniumchloride moet met voorzichtigheid worden gebruikt bij patiënten met droge ogen en bij patiënten bij wie de cornea mogelijk beschadigd is.
In geval van langdurig gebruik moeten patiënten worden gecontroleerd.
Benzalkoniumchloride kan worden opgenomen door zachte contactlenzen en kan de kleur van de contactlenzen veranderen. De patiënt moet de contactlenzen uit doen voordat dit middel gebruikt wordt en deze pas 15 minuten daarna weer indoen.
4.5 Interacties met andere geneesmiddelen en andere vormen van interactie
Specifieke studies met betrekking tot interacties met andere geneesmiddelen werden niet uitgevoerd met brinzolamide.
In klinische studies werd brinzolamide gelijktijdig met prostaglandine-analoga en timolol-bevattende oogpreparaten gebruikt zonder tekenen van ongewenste interacties. Een associatie tussen brinzolamide en miotica of adrenerge agonisten werd niet geëvalueerd bij ondersteunende glaucoomtherapie.
Brinzolamide is een koolzuuranhydraseremmer en, alhoewel het product topisch wordt toegediend, wordt het systemisch geabsorbeerd. Verstoringen van de zuurbase-balans werden gerapporteerd bij orale koolzuuranhydraseremmers. Er moet rekening worden gehouden met de kans op interacties bij patiënten die Brinzolamide Teva krijgen toegediend.
De cytochroom P-450 iso-enzymen verantwoordelijk voor het metabolisme van brinzolamide omvatten CYP3A4 (hoofdzakelijk), CYP2A6, CYP2C8 en CYP2C9. Het is te verwachten dat CYP3A4-remmers zoals ketoconazol, itraconazol, clotrimazol, ritonavir en troleandomycine het metabolisme van brinzolamide via CYP3A4 zullen remmen. Voorzichtigheid is aangewezen wanneer gelijktijdig CYP3A4-remmers worden toegediend. Accumulatie van brinzolamide is echter niet waarschijnlijk omdat renale eliminatie de belangrijkste route is. Brinzolamide is geen inhibitor van cytochroom P-450 iso-enzymen.
4.6 Vruchtbaarheid, zwangerschap en borstvoeding
Zwangerschap
Er zijn geen of een beperkte hoeveelheid gegevens over het gebruik van oftalmisch brinzolamide bij zwangere vrouwen. Uit dieronderzoek is na systemische toediening reproductietoxiciteit gebleken (zie ook rubriek 5.3).
Brinzolamide wordt niet aanbevolen voor gebruik tijdens de zwangerschap en bij vrouwen die zwanger kunnen worden en geen anticonceptie gebruiken.
Borstvoeding
Het is niet bekend of brinzolamide/metabolieten na topische oculaire toediening in de moedermelk wordt/worden uitgescheiden. Uit dierstudies is gebleken dat brinzolamide na orale toediening in minimale hoeveelheden in de moedermelk wordt uitgescheiden.
Risico voor pasgeborenen/zuigelingen kan niet worden uitgesloten. Er moet worden besloten of borstvoeding moet worden gestaakt of dat behandeling met brinzolamide moet worden gestaakt of niet moet worden ingesteld, waarbij het voordeel van borstvoeding voor het kind en het voordeel van behandeling voor de vrouw in overweging moeten worden genomen.
Vruchtbaarheid
Onderzoek bij dieren met brinzolamide heeft geen effect op de vruchtbaarheid aangetoond. Er werden geen onderzoeken uitgevoerd om het effect te beoordelen van topische oculaire toediening van brinzolamide op de vruchtbaarheid bij de mens.
4.7 Beïnvloeding van de rijvaardigheid en het vermogen om machines te bedienen
Brinzolamide heeft geringe invloed op de rijvaardigheid en op het vermogen om machines te bedienen.
Tijdelijk wazig zien of andere visuele stoornissen kunnen de rijvaardigheid en het vermogen om machines te bedienen beïnvloeden (zie ook rubriek 4.8). Wanneer wazig zicht optreedt na instillatie, moet de patiënt wachten tot hij of zij weer helder ziet alvorens een voertuig te besturen of een machine te bedienen.
Orale koolzuuranhydraseremmers kunnen het vermogen verminderen om taken uit te voeren die psychische waakzaamheid en/of lichamelijke coördinatie vereisen (zie ook rubriek 4.4 en rubriek 4.8).
4.8 Bijwerkingen
Samenvatting van het veiligheidsprofiel
Tijdens klinische studies waarbij 2732 patiënten behandeld werden met brinzolamide 10 mg/ml als monotherapie of ondersteunende therapie bij 5 mg/ml timololmaleaat, waren de meest gerapporteerde behandelingsgerelateerde bijwerkingen: smaakafwijking (6,0%) (bittere of vreemde smaak, zie beschrijving hieronder) en tijdelijk wazig zicht (5,4%) na instillatie, gedurende een paar seconden tot een paar minuten (zie ook rubriek 4.7).
Samenvatting van bijwerkingen in tabelvorm
De volgende bijwerkingen werden gemeld met brinzolamide en zijn ingedeeld volgens de volgende conventie: zeer vaak (≥ 1/10), vaak (≥ 1/100 tot <1/10), soms (≥ 1/1.000 tot < 1/100), zelden (≥ 1/10.000 tot < 1/1.000) zeer zelden (< 1/10.000) of niet bekend (kan met de beschikbare gegevens niet worden bepaald). Binnen iedere frequentiegroep worden bijwerkingen gerangschikt naar afnemende ernst. De bijwerkingen zijn verkregen uit klinische studies en spontane meldingen tijdens gebruik in de praktijk.
| Systeem/Orgaanklasse | MedDRA voorkeursterm |
|---|---|
Infecties en parasitaire aandoeningen | Soms: nasofaryngitis, faryngitis, sinusitis Niet bekend: rhinitis |
Bloed- en lymfestelselaandoeningen | Soms: vermindering van het aantal rode bloedcellen, toename van chloride in het bloed |
| Immuunsysteemaandoeningen | Niet bekend: overgevoeligheid |
| Voedings- en stofwisselingsstoornissen | Niet bekend: verminderde eetlust |
| Psychische stoornissen | Soms: apathie, depressie, depressieve stemming, verminderd libido, nachtmerries, nervositeit Zelden: slapeloosheid |
| Zenuwstelselaandoeningen | Soms: motorische disfunctie, amnesie, duizeligheid, paresthesie, hoofdpijn Zelden: geheugenfunctiestoornis, slaperigheid Niet bekend: tremor, hypoaesthesie, ageusie |
| Oogaandoeningen | Vaak: wazig zicht, oogirritatie, oogpijn, corpus-alienum-gevoel in de ogen, oculaire hyperemie |
Soms: cornea-erosie, keratitis, keratitis punctata, keratopathie, afzetting op het oog, verkleuring van de cornea, defect van het cornea-epitheel, aandoening van het cornea epitheel, blefaritis, pruritus aan het oog, conjunctivitis, zwelling van het oog, meibomianitis, glare (overgevoeligheid voor licht), fotofobie, droog oog, allergische conjunctivitis, pterygium, sclerale pigmentatie, asthenopie, oculair ongemak, abnormaal gevoel in het oog, keratoconjunctivitis sicca, subconjunctivale cyste, conjunctivale hyperemie, pruritus van de oogleden, oogafscheiding, korstvorming op de ooglidrand, verhoogde tranenvloed Zelden: cornea-oedeem, diplopie, verminderde gezichtsscherpte, fotopsie, hypo-esthesie van het oog, periorbitaal oedeem, verhoogde intraoculaire druk, vergroting van de cup/disc-ratio van de oogzenuw Niet bekend: aandoening van de cornea, visuele stoornis, oogallergie, madarosis, aandoening van het ooglid, erytheem van het ooglid | |
| Evenwichtsorgaan- en ooraandoeningen | Zelden: tinnitus Niet bekend: vertigo |
| Hartaandoeningen | Soms: cardio-respiratoire uitputting, bradycardie, palpitaties Zelden: angina pectoris, onregelmatige hartslag Niet bekend: aritmie, tachycardie, hypertensie, verhoogde bloeddruk, verlaagde bloeddruk, versnelde hartslag |
| Ademhalingsstelsel-, borstkas- en mediastinumaandoeningen | Soms: dyspneu, epistaxis, orofaryngeale pijn, faryngolaryngeale pijn, irritatie van de keel, hoestsyndroom van de bovenste luchtwegen, rinorroe, niezen Zelden: bronchiale hyperactiviteit, congestie van de bovenste luchtwegen, sinuscongestie, nasale congestie, hoesten, nasale droogte Niet bekend: astma |
| Maagdarmstelselaandoeningen | Vaak: dysgeusie Soms: oesofagitis, diarree, misselijkheid, braken, dyspepsie, pijn in de bovenste buik, abdominaal ongemak, ongemak van de maag, flatulentie, frequente bewegingen van de darm, gastro- |
| intestinale aandoeningen, orale hypoaesthesie, orale paraesthesie, droge mond | |
| Lever- en galaandoeningen | Niet bekend: afwijkende leverfunctietest |
| Huid- en onderhuidaandoeningen | Soms: uitslag, maculo-papullaire uitslag, strakke huid Zelden: urticaria, alopecia, gegeneraliseerde pruritus Niet bekend: dermatitis, erytheem, Stevens-Johnson-syndroom (SJS) / toxische epidermale necrolyse (TEN) (zie rubriek 4.4) |
| Skeletspierstelsel- en bindweefselaandoeningen | Soms: rugpijn, spierspasmen, myalgie Niet bekend: artralgie, pijn in de extremiteiten |
| Nier- en urinewegaandoeningen | Soms: renale pijn Niet bekend: pollakisurie |
| Voortplantingsstelsel- en borstaandoeningen | Soms: erectiestoornissen |
| Algemene aandoeningen en toedieningsplaatsstoornissen | Soms: pijn, ongemak ter hoogte van de borst, vermoeidheid, abnormaal gevoel Zelden: pijn op de borst, zenuwachtig gevoel, asthenie, geïrriteerdheid Niet bekend: perifeer oedeem, malaise |
| Letsels, intoxicaties en verrichtingscomplicaties | Soms: corpus alienum in het oog |
Beschrijving van geselecteerde bijwerkingen
Dysgeusie (bittere of vreemde smaak in de mond na indruppeling) was de meest gerapporteerde systemische bijwerking die in verband werd gebracht met het gebruik van brinzolamide tijdens klinische studies. Het wordt waarschijnlijk veroorzaakt door de passage van de oogdruppels in de nasofarynx via het nasolacrimale kanaal. Nasolacrimale afsluiting of het zachtjes sluiten van het ooglid na indruppeling kan helpen om de incidentie van dit effect te beperken (zie ook rubriek 4.2).
Brinzolamide is een sulfonamideremmer van koolzuuranhydrase met systemische absorptie. Effecten op het maagdarmstelsel, op het zenuwstelsel en hematologische, renale en metabole effecten worden gewoonlijk in verband gebracht met systemische koolzuuranhydraseremmers. Gelijksoortige bijwerkingen als die worden toegeschreven aan orale koolzuuranhydraseremmers kunnen voorkomen bij lokale toediening.
Er werden geen onverwachte bijwerkingen waargenomen bij het gebruik van brinzolamide als ondersteunende therapie bij travoprost. De bijwerkingen die zich voordeden bij de ondersteunende therapie werden waargenomen bij elk afzonderlijk actief bestanddeel.
Pediatrische patiënten
Tijdens kleinschalige, kortdurende, klinische onderzoeken werd bij ongeveer 12,5% van de pediatrische patiënten aan het geneesmiddel gerelateerde bijwerkingen waargenomen. Van deze bijwerkingen bestond het merendeel uit lokale, niet-ernstige oculaire reacties, zoals conjunctivale hyperemie, oogirritatie, oogafscheiding en verhoogde tranenvloed (zie ook rubriek 5.1).
Melding van vermoedelijke bijwerkingen
Het is belangrijk om na toelating van het geneesmiddel vermoedelijke bijwerkingen te melden. Op deze wijze kan de verhouding tussen voordelen en risico’s van het geneesmiddel voortdurend worden gevolgd. Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg wordt verzocht alle vermoedelijke bijwerkingen te melden via het Nederlands Bijwerkingen Centrum Lareb, website: www.lareb.nl.
4.9 Overdosering
Er werd geen geval van overdosering gerapporteerd.
De behandeling moet symptomatisch en ondersteunend zijn. Verstoring van de elektrolytenbalans, ontwikkeling van acidose en mogelijke effecten op het zenuwstelsel kunnen voorkomen. De elektrolytenconcentraties in het serum (in het bijzonder van kalium) en pH-waarden in het bloed moeten worden gecontroleerd.
5. FARMACOLOGISCHE EIGENSCHAPPEN
5.1 Farmacodynamische eigenschappen
Farmacotherapeutische categorie: antiglaucoompreparaten en miotica, koolzuuranhydraseremmers, ATC-code: S01EC04
Werkingsmechanisme
Koolzuuranhydrase (CA) is een enzym dat in vele weefsels van het lichaam voorkomt, ook in het oog. Koolzuuranhydrase katalyseert de omkeerbare reactie van de hydratatie van kooldioxide en de dehydratie van koolzuur.
De inhibitie van koolzuuranhydrase in de processus ciliaires van het oog, vermindert de afscheiding van kamerwater, waarschijnlijk door de vorming van bicarbonaationen te vertragen, met een vermindering van natrium- en vloeistoftransport als gevolg. Dit resulteert in een verlaging van de intraoculaire druk (IOD) wat een belangrijke risicofactor is bij de pathogenese van schade aan de oogzenuw en glaucomateus gezichtsveldverlies. Brinzolamide is een koolzuuranhydrase II (CA-II)-remmer, het voornaamste iso-enzym in het oog, met een in vitro IC50 van 3,2 nM en een Ki van 0,13 nM tegen CA-II.
Klinische werkzaamheid en veiligheid
Het IOD-verlagend effect van brinzolamide als ondersteunende therapie bij de prostaglandine-analoog travoprost werd bestudeerd. Na gebruik van travoprost gedurende 4 weken werden patiënten met een IOD ≥ 19 mmHg gerandomiseerd om behandeld te worden met een additionele therapie van brinzolamide of timolol. Er werd een bijkomende verlaging van de gemiddelde dagelijkse IOD van 3,2 tot 3,4 mmHg voor de brinzolamide-groep en van 3,2 tot 4,2 mmHg voor de timololgroep waargenomen.
Over het algemeen kwamen niet ernstige bijwerkingen aan het oog, voornamelijk gerelateerd aan tekenen van plaatselijke irritatie, vaker voor bij de brinzolamide/travoprostgroepen. Deze bijwerkingen waren mild en hadden geen effect op de totale hoeveelheid patiënten die de studie staakten (zie ook rubriek 4.8).
Pediatrische patiënten
Er werd een klinisch onderzoek met brinzolamide uitgevoerd onder 32 kinderen jonger dan 6 jaar, gediagnostiseerd met glaucoom of oculaire hypertensie. Sommige patiënten gebruikten geen IOD-medicatie, terwijl anderen (een) ander(e) IOD verlagend(e) geneesmiddel(en) gebruikten. Degenen die IOD-geneesmiddelen gebruikten waren niet verplicht hun IOD-verlagend(e) geneesmiddel(en) te staken, tot het inzetten van brinzolamide als monotherapie.
Bij de patiënten die geen IOD-verlagende medicatie gebruikten (10 patiënten) was de werkzaamheid van brinzolamide vergelijkbaar met wat eerder werd waargenomen bij volwassenen, met een gemiddelde IOD-reductie vanaf de uitgangswaarde oplopend tot 5 mmHg. Bij de patiënten die (een) loka(a)l(e) IOD-verlagend(e) geneesmiddel(en) gebruikten (22 patiënten), nam de gemiddelde IOD in de groep die brinzolamide gebruikte enigszins toe vanaf de uitgangswaarde.
5.2 Farmacokinetische eigenschappen
Absorptie
Na topische oculaire toediening wordt brinzolamide in de systemische circulatie geabsorbeerd.
Distributie
Wegens zijn hoge affiniteit voor CA-II wordt brinzolamide in hoge mate gedistribueerd in de rode bloedcellen (RBCs) en vertoont een lange halfwaardetijd in compleet bloed (gemiddeld ongeveer 24 weken).
Biotransformatie
Bij de mens wordt de metaboliet N-desethylbrinzolamide gevormd, die ook aan CA bindt en accumuleert in rode bloedcellen. Deze metaboliet bindt zich hoofdzakelijk aan CA-I in de aanwezigheid van brinzolamide. In het plasma zijn zowel de brinzolamide- als N-desethylbrinzolamideconcentraties laag en in het algemeen onder de kwantificeringslimiet van de gehaltebepalingsmethode (<7,5 ng/ml).
De binding met plasmaproteïnen is niet hoog (ongeveer 60%).
Eliminatie
Brinzolamide wordt hoofdzakelijk via renale excretie (ongeveer 60%) geëlimineerd. Ongeveer 20% van de dosis wordt teruggevonden in de urine als metaboliet. Brinzolamide en N-desethylbrinzolamide zijn de belangrijkste componenten in de urine, samen met sporengehaltes (<1%) van de N-desmethoxypropyl- en O-desmethyl-metabolieten.
In een orale farmacokinetische studie kregen gezonde vrijwilligers tweemaal daags, tot 32 weken, 1 mg-capsules brinzolamide toegediend en werd de CA-activiteit in de rode bloedcellen gemeten om de mate van systemische CA-remming te bepalen.
Brinzolamide-verzadiging van CA-II in de rode bloedcellen werd binnen 4 weken bereikt (concentraties in de rode bloedcellen van ongeveer 20 μM). N-desethylbrinzolamide accumuleerde in de rode bloedcellen tot steady-state binnen 20-28 weken en bereikte daarbij concentraties variërend van 6-30 μM. De inhibitie van de totale CA-activiteit in de rode bloedcellen bedroeg bij steady-state ongeveer 70-75%.
Nierinsufficiëntie
Personen met matige nierinsufficiëntie (creatinineklaring van 30-60 ml/minuut) kregen 1 mg brinzolamide, tweemaal daags, tot 54 weken, oraal toegediend. De brinzolamide-concentratie in de rode bloedcellen varieerde van ongeveer 20 tot 40 μM in de vierde week van behandeling. Bij steady-state varieerden concentraties van brinzolamide en zijn metaboliet in de rode bloedcellen van respectievelijk 22,0 tot 46,1 en 17,1 tot 88,6 μM.
De N-desethylbrinzolamideconcentraties in de rode bloedcellen namen toe en de totale CA activiteit in de rode bloedcellen nam af met afnemende creatinineklaring, terwijl de brinzolamide-concentraties en de CA-II-activiteit in de rode bloedcellen niet veranderden. Bij personen met de hoogste graad van nierinsufficiëntie was de inhibitie van de totale CA activiteit groter, alhoewel het minder was dan 90% van de steady-state.
In een topische oculaire studie bij steady-state waren de brinzolamide-concentraties in de rode bloedcellen vergelijkbaar met die welke werden vastgesteld in de orale studie, maar concentraties van N-desethylbrinzolamide waren lager. De koolzuuranhydrase-activiteit bedroeg ongeveer 40-70% van de waarden die voor de toediening waren vastgesteld.
5.3 Gegevens uit het preklinisch veiligheidsonderzoek
Niet-klinische gegevens duiden niet op een speciaal risico voor mensen. Deze gegevens zijn afkomstig van conventioneel onderzoek op het gebied van veiligheidsfarmacologie, toxiciteit bij enkelvoudige dosering, toxiciteit bij herhaalde dosering, genotoxiciteit en carcinogeen potentieel.
Ontwikkelingstoxiciteitsstudies bij konijnen met orale doses brinzolamide tot 6 mg/kg/dag (125 maal de aanbevolen humane oculaire dosis) lieten geen effect zien op de foetale ontwikkeling, ondanks significante maternale toxiciteit. Vergelijkbare studies bij ratten resulteerden in geringe vermindering in ossificatie van de schedel en sternebrae van foetussen van moederdieren bij brinzolamide-doses van 18 mg/kg/dag (375 maal de aanbevolen humane oculaire dosis), maar niet bij doses van 6 mg/kg/dag. Deze bevindingen werden gezien bij doses die metabole acidose veroorzaakten met een afname in de groei van het lichaamsgewicht van het moederdier en een afname van het gewicht van de foetus. Dosis-gerelateerde afnames in het gewicht van de foetus werden geobserveerd in jongen van moederdieren die brinzolamide oraal kregen toegediend, variërend van een lichte afname (ongeveer 5-
6%) bij 2 mg/kg/dag tot bijna 14% bij 18 mg/kg/dag. Tijdens lactatie was de maximale dosering waarbij bijwerkingen optraden bij de jongen 5 mg/kg/dag.
6. FARMACEUTISCHE GEGEVENS
6.1 Lijst van hulpstoffen
Benzalkoniumchloride
Mannitol (E421)
Carbomeer 974P
Dinatriumedetaat
Natriumchloride
Gezuiverd water
Hydrochloorzuur/natriumhydroxide (voor pH aanpassing)
6.2 Gevallen van onverenigbaarheid
Niet van toepassing
6.3 Houdbaarheid
30 maanden
Na eerste opening: 4 weken
6.4 Speciale voorzorgsmaatregelen bij bewaren
Voor dit geneesmiddel zijn er geen speciale bewaarcondities.
Voor bewaarcondities na eerste opening, zie rubriek 6.3.
6.5 Aard en inhoud van de verpakking
Brinzolamide Teva is een melkachtige vloeistof (een suspensie) in een ondoorzichtige lage densiteit polyethyleen (LPDE) flacon met een hoge densiteit polyethyleen (HDPE) draaidop.
De volgende verpakkingen zijn verkrijgbaar: doosjes met 1 x 5 ml, 3 x 5 ml en 6 x 5 ml flesjes.
Niet alle genoemde verpakkingsgrootten worden in de handel gebracht.
6.6 Speciale voorzorgsmaatregelen voor het verwijderen en andere instructies
Geen bijzondere vereisten
7. HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
Teva Nederland B.V.
Swensweg 5
2031 GA Haarlem
Nederland
8. NUMMER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
RVG 113971
9. DATUM VAN EERSTE VERLENING VAN DE VERGUNNING/VERLENGING VAN DE VERGUNNING
Datum van eerste verlening van de vergunning: 13 april 2015
Datum van laatste verlenging: 18 februari 2020
10. DATUM VAN HERZIENING VAN DE TEKST
Laatste gedeeltelijke wijziging betreft rubriek 6.5: 22 mei 2024.
0324.8v.EV
