SmPC (samenvatting van de productkenmerken) - BOTOX
1. NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
BOTOX,
50 Allerganeenheden,
poeder voor oplossing voor injectie
2. KWALITATIEVE EN KWANTITATIEVE SAMENSTELLING
botulinumtoxine* type A, 50 Allerganeenheden per injectieflacon.
* van Clostridium botulinum
Botulinumtoxine-eenheden van verschillende producten zijn niet onderling uitwisselbaar.
Voor de volledige lijst van hulpstoffen, zie rubriek 6.1.
3. FARMACEUTISCHE VORM
Poeder voor oplossing voor injectie.
Wit poeder.
BOTOX verschijnt als een dunne witte afzetting die op de bodem van de injectieflacon moeilijk zichtbaar kan zijn.
4. KLINISCHE GEGEVENS
4.1 Therapeutische indicaties
Neurologische aandoeningen:
BOTOX is geïndiceerd voor de symptomatische behandeling van:
- Focale spasticiteit van de enkel en voet bij ambulante pediatrische patiënten met hersenverlamming van twee jaar of ouder als aanvulling op revalidatietherapie.
- Focale spasticiteit van de pols en hand bij volwassen patiënten na een beroerte.
- Focale spasticiteit van de enkel en de voet bij volwassen patiënten na een beroerte (zie rubriek 4.4).
- Blefarospasme, hemifaciale spasme en geassocieerde focale dystonieën.
- Cervicale dystonie (torticollis spastica).
- Symptoomverlichting bij volwassenen die voldoen aan de criteria voor chronische migraine (elke maand op ≥15 of meer dagen hoofdpijn, waarvan er op ten minste 8 dagen sprake is van migraine) bij patiënten die onvoldoende hebben gereageerd op of die intolerant zijn voor profylactische migrainemedicatie (zie rubriek 4.4).
BOTOX is geïndiceerd voor de behandeling van:
Blaasaandoeningen:
- Idiopathische overactieve blaas met symptomen van urine-incontinentie, aandrang en frequentie bij volwassen patiënten die onvoldoende hebben gereageerd op of die intolerant zijn voor anticholinergische medicatie.
- Urine-incontinentie bij volwassenen met een neurogene detrusoroveractiviteit als gevolg van een stabiel subcervicaal ruggenmergletsel of multiple sclerose.
Huid- en huidgerelateerde aandoeningen:
- Aanhoudende ernstige primaire hyperhidrose van de oksels, die de dagelijkse activiteiten belemmert en resistent is tegen een plaatselijke behandeling.
4.2 Dosering en wijze van toediening
Dosering
Botulinumtoxine-eenheden van verschillende producten zijn niet onderling uitwisselbaar. De aanbevolen dosering voor Allerganeenheden (E) is niet dezelfde als die van andere preparaten van botulinumtoxine.
Chronische migraine moet worden vastgesteld door neurologen en BOTOX mag uitsluitend worden toegediend onder toezicht van neurologen die gespecialiseerd zijn in de behandeling van chronische migraine.
Oudere patiënten
Er is geen specifieke dosisaanpassing vereist voor het gebruik bij ouderen. De eerste dosis dient de laagste aanbevolen dosis voor de specifieke indicatie te zijn. Voor herhaalinjecties wordt de laagste doeltreffende dosis met het langste, klinisch aangewezen interval tussen injecties aanbevolen. Oudere patiënten met een significante medische voorgeschiedenis en die tegelijkertijd andere geneesmiddelen gebruiken, moeten met voorzichtigheid worden behandeld. Er zijn beperkte klinische gegevens bij patiënten ouder dan 65 jaar die met BOTOX worden behandeld voor spasticiteit van de bovenste en onderste ledematen na een beroerte. Zie rubriek 4.4, 4.8 en 5.1 voor meer informatie.
Pediatrische patiënten
De veiligheid en werkzaamheid van BOTOX voor andere indicaties dan beschreven voor pediatrische patiënten in rubriek 4.1, zijn niet vastgesteld. Er kan dan ook geen doseringsadvies worden gegeven voor die indicaties met uitzondering van pediatrische focale spasticiteit geassocieerd met hersenverlamming. Voor deze indicatie mag BOTOX alleen worden toegediend door artsen die ervaring hebben met de beoordeling en behandeling van focale spasticiteit bij kinderen en als onderdeel van een gestructureerd revalidatieprogramma.
De momenteel beschikbare gegevens voor de pediatrische populaties worden beschreven in rubriek 4.2, 4.4, 4.8 en 5.1 zoals weergegeven in onderstaande tabel.
| 12 jaar (zie rubriek 4.4 en 4.8) |
|---|---|
| 12 jaar (zie rubriek 4.4 en 4.8) |
| 2 jaar (zie rubriek 4.2, 4.4 en 4.8) |
| 12 jaar (beperkte ervaring bij adolescenten tussen 12 en 17 jaar, zie rubriek 4.4, 4.8 en 5.1) |
| 5-17 jaar (zie rubriek 4.8 en 5.1) |
| 12-17 jaar (zie rubriek 4.8 en 5.1) |
De volgende informatie is belangrijk:
Als u bij één injectieprocedure verschillende maten van injectieflacons BOTOX gebruikt, moet u goed opletten dat u de juiste hoeveelheid verdunningsmiddel gebruikt om een bepaald aantal eenheden per 0,1 ml te bereiden. De hoeveelheid verdunningsmiddel verschilt tussen BOTOX 50 Allerganeenheden, BOTOX 100 Allerganeenheden en BOTOX 200 Allerganeenheden. Elke spuit moet worden voorzien van een correct etiket.
BOTOX mag alleen gereconstitueerd worden met een steriele niet-geconserveerde 0,9% natriumchloride oplossing voor injectie. De juiste hoeveelheid verdunningsmiddel moet in een spuit worden opgetrokken. Zie de verdunningstabellen in rubriek 6.6.
Dit product is uitsluitend bestemd voor eenmalig gebruik en alle ongebruikte oplossing moet worden weggegooid.
Voor instructies over het gebruik, de hantering en de verwijdering van de injectieflacons, zie rubriek 6.6.
![]() |
Wijze van toediening
Raadpleeg de specifieke richtlijnen voor elke indicatie die hieronder wordt beschreven.
BOTOX mag alleen worden toegediend door artsen met de juiste kwalificaties en met ervaring in de behandeling en het gebruik van de benodigde apparatuur.
De algemeen geldende optimale dosisniveaus en het aantal injectieplaatsen per spier werden niet voor alle indicaties vastgesteld. In die gevallen moet de arts individuele behandelschema’s opstellen. De optimale dosisniveaus moeten door middel van titratie worden bepaald maar de aanbevolen maximale dosis mag niet worden overschreden.
NEUROLOGISCHE AANDOENINGEN:
Focale spasticiteit van de onderste ledematen bij pediatrische patiënten
| Aanbevolen naald: | Steriele naald met juiste maatvoering. De lengte van de naald moet worden bepaald op basis van de plaats en de diepte van de spieren. |
|---|---|
| Richtlijn voor toediening: | Lokalisatie van de betrokken spieren met technieken zoals naald elektromyografische (EMG) begeleiding, zenuwstimulatie of echografie wordt aanbevolen. Voorafgaand aan de injectie kan lokale anesthesie of lokale anesthesie in combinatie met minimale of matige sedatie worden toegepast, volgens de richtlijnen van het ziekenhuis. De veiligheid en werkzaamheid van BOTOX bij de behandeling van pediatrische spasticiteit zijn niet onderzocht onder algemene verdoving of diepe sedatie/analgesie. Het volgende schema geeft de injectieplaatsen voor pediatrische spasticiteit van de onderste ledematen aan: |
| Aanbevolen dosis: | De aanbevolen dosis voor de behandeling van pediatrische spasticiteit van de onderste ledematen is 4 eenheden/kg tot 8 eenheden/kg lichaamsgewicht verdeeld over de aangetaste spieren. Dosering van BOTOX per spier voor pediatrische spasticiteit van de onderste ledematen: |
| Geïnjecteerde spieren | BOTOX 4 eenheden/kg* (maximale eenheden per spier) | BOTOX 8 eenheden/kg** (maximale eenheden per spier) | Aantal Injectieplaatsen |
|---|---|---|---|
Enkelspieren Gastrocnemius mediale kop | 1 eenheid/kg (37,5 eenheden) | 2 eenheden/kg (75 eenheden) | 2 |
| Gastrocnemius laterale kop | 1 eenheid/kg (37,5 eenheden) | 2 eenheden/kg (75 eenheden) | 2 |
| Soleus | 1 eenheid/kg (37,5 eenheden) | 2 eenheden/kg (75 eenheden) | 2 |
| Tibialis posterior | 1 eenheid/kg (37,5 eenheden) | 2 eenheden/kg (75 eenheden) | 2 |
* niet hoger dan een totale dosis van 150 eenheden ** niet hoger dan een totale dosis van 300 eenheden | |||
| Maximale totale dosis: | De totale dosis BOTOX die per behandelingssessie in het onderste ledemaat wordt toegediend, mag niet hoger zijn dan 8 eenheden/kg lichaamsgewicht of 300 eenheden, afhankelijk van welke van de twee het laagst is. Indien de behandelende arts dit nodig acht, dient de patiënt in aanmerking te komen voor herinjectie wanneer het klinische effect van de vorige injectie is afgenomen, niet eerder dan 12 weken na de vorige injectie. Bij de behandeling van beide onderste ledematen mag de totale dosis niet hoger zijn dan de laagste van 10 eenheden/kg lichaamsgewicht of 340 eenheden, in een interval van 12 weken. | ||
| Meer informatie: | De behandeling met BOTOX is niet bedoeld ter vervanging van de gebruikelijke standaard van revalidatiezorg. Gewoonlijk wordt een klinische verbetering gezien binnen de eerste twee weken na injectie. Herhaalbehandelingen moeten worden toegediend wanneer het klinisch effect van een vorige injectie afneemt, maar niet vaker dan eenmaal per 3 maanden. | ||
Focale spasticiteit van de bovenste ledematen als gevolg van een beroerte bij volwassenen
Aanbevolen naald: Steriele naald met maatvoering 25, 27 of 30. De naaldlengte moet worden bepaald op basis van de locatie en diepte van de spier.
Richtlijn voor toediening: Het kan nuttig zijn om de betrokken spieren te lokaliseren met behulp van elektromyografie of zenuwstimulatietechnieken of echografie. Injectie van BOTOX op meerdere plaatsen kan resulteren in een gelijkmatiger contact met de innervatiegebieden van de spier, wat vooral nuttig is in grotere spieren.
Het volgende schema geeft de injectieplaatsen voor spasticiteit van de bovenste ledematen bij volwassenen:

Aanbevolen dosis: De aanbevolen dosis voor de behandeling van spasticiteit van de bovenste ledematen bij volwassenen is maximaal 240 eenheden, verdeeld over de aangetaste spieren, zoals vermeld in de volgende tabel. De maximale dosis in één behandeling is 240 eenheden.
De exacte dosering en het aantal injectieplaatsen dienen individueel te worden bepaald op basis van de grootte, het aantal en de ligging van de betrokken spieren, de ernst van de spasticiteit, de aanwezigheid van plaatselijke spierzwakte en de respons van de patiënt op de vorige behandeling.
| Spier | Aanbevolen dosering; Aantal plaatsen |
|---|---|
Onderarm Pronator quadratus | 10 – 50 eenheden; 1 plaats |
Pols Flexor carpi radialis Flexor carpi ulnaris | 15 – 60 eenheden; 1-2 plaatsen 10 – 50 eenheden; 1-2 plaatsen |
Vingers/hand Flexor digitorum profundus Flexor digitorum sublimis/superficialis Lumbricalen* Interossei* | 15 – 50 eenheden; 1-2 plaatsen 15 – 50 eenheden; 1-2 plaatsen 5 – 10 eenheden; 1 plaats 5 – 10 eenheden; 1 plaats |
Duim Adductor pollicis Flexor pollicis longus Flexor pollicis brevis Opponens pollicis | 20 eenheden; 1-2 plaatsen 20 eenheden; 1-2 plaatsen 5 – 25 eenheden; 1 plaats 5 – 25 eenheden; 1 plaats |
*Wanneer zowel lumbricalen en/of interossei worden geïnjecteerd, is de aanbevolen maximale dosis 50 eenheden per hand.
Meer informatie: In gecontroleerde klinische onderzoeken werden de patiënten gedurende 12 weken na een enkele behandeling gevolgd. Verbetering in spiertonus trad op binnen twee weken en het maximale effect was meestal na vier tot zes weken merkbaar. In een open-label
vervolgonderzoek werden de meeste patiënten opnieuw geïnjecteerd na een interval van 12 tot 16 weken, wanneer het effect op de spiertonus was afgenomen. Deze patiënten kregen maximaal vier injecties toegediend met een maximale cumulatieve dosis van 960 eenheden in de loop van 54 weken. Als de behandelend arts dit wenselijk acht, kunnen herhaaldoses worden toegediend wanneer het effect van een vorige injectie is afgenomen, niet eerder dan 12 weken na de vorige injectie. Afhankelijk van de ernst en aard van de spierspasticiteit op het moment van de herhaalinjectie kan het nodig zijn om de dosis van BOTOX aan te passen en andere spieren te behandelen. De laagste doeltreffende dosis moet worden gebruikt.
Focale spasticiteit van de onderste ledematen als gevolg van een beroerte bij volwassenen
Aanbevolen naald: Steriele naald met maatvoering 25, 27 of 30. De naaldlengte moet worden bepaald op basis van de locatie en diepte van de spier.
Richtlijn voor toediening: Het kan nuttig zijn om de betrokken spieren te lokaliseren met behulp van elektromyografie of zenuwstimulatietechnieken. Injectie van BOTOX op meerdere plaatsen kan resulteren in een gelijkmatiger contact met de innervatiegebieden van de spier, wat vooral nuttig is in grotere spieren.
Het volgende schema geeft de injectieplaatsen weer voor spasticiteit van de onderste ledematen bij volwassenen:

Aanbevolen dosis: De aanbevolen dosis voor de behandeling van spasticiteit van de onderste ledematen bij volwassenen, met name de enkel en de voet, bedraagt 300 tot 400 eenheden, verdeeld over hoogstens 6 spieren, zoals beschreven in onderstaande tabel. De maximale aanbevolen dosis in een behandeling is 400 eenheden.
Dosering van BOTOX per spier voor spasticiteit van de onderste ledematen bij volwassenen:
| Spier | Aanbevolen dosis Totale dosering; aantal plaatsen |
|---|---|
Gastrocnemius mediale kop laterale kop | 75 eenheden; 3 plaatsen 75 eenheden; 3 plaatsen |
| Soleus | 75 eenheden; 3 plaatsen |
| Tibialis posterior | 75 eenheden; 3 plaatsen |
| Flexor hallucis longus | 50 eenheden; 2 plaatsen |
| Flexor digitorum longus | 50 eenheden; 2 plaatsen |
| Flexor digitorum brevis | 25 eenheden; 1 plaats |
![[Plantaire aanzicht]](/pil-img/00142f22f4087522.webp)


Meer informatie: Als de behandelend arts dit wenselijk acht, moet een herhaalinjectie bij de patiënt worden overwogen wanneer het klinische effect van een vorige injectie is afgenomen, maar dit mag niet eerder dan 12 weken na de vorige injectie plaatsvinden.
Blefarospasme/hemifaciale spasme
Aanbevolen naald: Steriele naald met maatvoering van 27 tot 30 en naaldlengte van 0,40 tot 0,30 mm.
Richtlijn voor toediening: Elektromyografie is niet nodig.
Aanbevolen dosis: De aanbevolen eerste dosis is 1,25-2,5 eenheden geïnjecteerd in de mediale en laterale orbicularis oculi van het bovenste ooglid en de laterale orbicularis oculi van het onderste ooglid. Aanvullende plaatsen rond de wenkbrauw, de laterale orbicularis en het bovenste gedeelte van het gezicht kunnen eveneens worden geïnjecteerd als spasmen op die plaatsen het zicht belemmeren.
Maximale totale dosis: De eerste dosis mag niet hoger zijn dan 25 eenheden per oog. Bij het behandelen van blefarospasme mag de totale dosering niet hoger liggen dan 100 eenheden per 12 weken.
Meer informatie: Injecteer niet in de buurt van m. levator palpebrae superioris want dit kan leiden tot de complicatie ptosis. Als u niet injecteert in het mediale gedeelte van het onderste ooglid, beperkt u de diffusie naar de m. obliquus inferior, waardoor de kans op diplopie kleiner wordt. De volgende schema's geven de mogelijke injectieplaatsen weer:
| Oog open | Oog gesloten | |||
|---|---|---|---|---|
| Mediaal | Lateraal | Mediaal | Lateraal | |


