SmPC (samenvatting van de productkenmerken) - Valsartan Jubilant 320 mg filmomhulde tablet
1. NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
Valsartan Jubilant 320 mg filmomhulde tabletten
2. KWALITATIEVE EN KWANTITATIEVE SAMENSTELLING
Elke filmomhulde tablet bevat 320 mg valsartan. Hulpstoffen met bekend effect:
Elke tablet bevat 315 mg watervrije lactose.
Voor de volledige lijst van hulpstoffen, zie rubriek 6.1.
3. FARMACEUTISCHE VORM
Filmomhulde tabletten.
Gele, ovale, biconvexe filmomhulde tabletten met een lengte van ± 20,45 mm en een breedte van ± 9,65 mm en met de inscriptie ‘C5’ op één zijde en glad aan de andere zijde.
4. KLINISCHE GEGEVENS
4.1 Therapeutische indicaties
Hypertensie
Behandeling van essentiële hypertensie bij volwassenen en van hypertensie bij kinderen en adolescenten in de leeftijd van 6 tot 18 jaar.
4.2 Dosering en wijze van toediening
Dosering
Hypertensie
De aanbevolen startdosis Valsartan Jubilant is eenmaal daags 80 mg. Het bloeddrukverlagend effect is binnen 2 weken substantieel aanwezig, en het maximale effect wordt binnen 4 weken bereikt. Bij sommige patiënten bij wie de bloeddruk niet adequaat onder controle is, kan de dosis worden verhoogd tot 160 mg en tot een maximum van 320 mg.
Valsartan Jubilant kan ook met andere antihypertensiva worden toegediend (zie rubrieken 4.3, 4.4, 4.5 en 5.1). Bij deze patiënten zal de bloeddruk door toevoeging van een diureticum zoals hydrochloorthiazide nog verder dalen.
Aanvullende informatie over speciale populaties
Ouderen
Bij oudere patiënten is geen aanpassing van de dosis noodzakelijk.
Nierfunctiestoornis
Gewoonlijk is geen dosisaanpassing noodzakelijk bij volwassen patiënten met een creatinineklaring > 10 ml/min (zie rubrieken 4.4 en 5.2).
Leverfunctiestoornis
Valsartan Jubilant is gecontra-indiceerd bij patiënten met een ernstige leverfunctiestoornis, galcirrose en bij patiënten met cholestase (zie rubrieken 4.3, 4.4 en 5.2). Bij patiënten met een lichte tot matige leverfunctiestoornis zonder cholestasis mag de dosis valsartan niet hoger zijn dan 80 mg.
Pediatrische patiënten
Pediatrische hypertensie
Voor kinderen en adolescenten die geen tabletten kunnen doorslikken, wordt een drank voor oraal gebruik aanbevolen. De systemische blootstelling aan en de piekplasmaconcentratie van valsartan zijn bij gebruik van de drank respectievelijk ongeveer 1,7 en 2,2 keer zo hoog als bij de tabletten.
Kinderen en adolescenten in de leeftijd van 6 tot 18 jaar
De startdosis is eenmaal daags 40 mg voor kinderen lichter dan 35 kg en eenmaal daags 80 mg voor kinderen die 35 kg of meer wegen. De dosis dient aangepast te worden op basis van de reactie van de bloeddruk en tolerantie. Voor maximum doses, zoals bestudeerd tijdens klinische studies, zie onderstaande tabel.
Hogere doses dan aangegeven zijn niet bestudeerd en worden daarom niet aanbevolen.
| Gewicht | Maximale tabletdosis bestudeerd in klinische studies |
|---|---|
| ≥ 18 kg tot < 35 kg | 80 mg |
| ≥ 35 kg tot < 80 kg | 160 mg |
| ≥ 80 kg tot ≤ 160 kg | 320 mg |
Kinderen jonger dan 6 jaar
Voor kinderen tussen 1 en 5 jaar en voor personen die geen tabletten kunnen doorslikken, wordt een drank aanbevolen. Beschikbare gegevens zijn beschreven in de rubrieken 4.8, 5.1 en 5.2. De veiligheid en werkzaamheid van Valsartan Jubilant bij kinderen jonger dan 1 jaar zijn niet vastgesteld.
Overschakelen van drank naar Valsartan-tabletten
Indien overschakelen van drank naar Valsartan-tabletten klinisch noodzakelijk wordt geacht, dient in eerste instantie dezelfde dosis in milligram te worden toegediend. Vervolgens dient de bloeddruk frequent te worden gecontroleerd, rekening houdend met mogelijke onderdosering, en dient de dosering verder te worden getitreerd op basis van de bloeddrukrespons en de verdraagbaarheid.
Gebruik bij pediatrische patiënten met nierfunctiestoornis in de leeftijd van 6 tot 18 jaar Gebruik bij pediatrische patiënten met een creatinineklaring van < 30 ml/min en bij pediatrische dialysepatiënten werd niet onderzocht; daarom wordt valsartan niet aanbevolen voor deze patiënten.
Een dosisaanpassing voor pediatrische patiënten met een creatinineklaring van > 30 ml/min is niet nodig. De nierfunctie en de serum kalium spiegel dienen scherp gecontroleerd te worden (zie rubrieken 4.4 en 5.2).
Gebruik bij pediatrische patiënten met leverfunctiestoornis in de leeftijd van 6 tot 18 jaar
Net als bij volwassenen, is Valsartan Jubilant gecontra-indiceerd bij pediatrische patiënten met een ernstige leverfunctiestoornis, galcirrose en bij patiënten met cholestase (zie rubrieken 4.3, 4.4 en 5.2). Er is weinig klinische ervaring met Valsartan Jubilant bij pediatrische patiënten met een lichte tot matige leverfunctiestoornis. De dosis valsartan mag bij deze patiënten niet hoger zijn dan 80 mg.
Hartfalen en recent hartinfarct bij kinderen
Het gebruik van Valsartan Jubilant wordt niet aanbevolen voor de behandeling van hartfalen of een recent hartinfarct bij kinderen en jongeren jonger dan 18 jaar, vanwege een gebrek aan gegevens over veiligheid en werkzaamheid.
Wijze van toediening
Valsartan Jubilant kan onafhankelijk van een maaltijd worden ingenomen en moet met water worden ingenomen.
4.3 Contra-indicaties
- Overgevoeligheid voor de werkzame stof of voor één van de in rubriek 6.1 vermelde hulpstoffen.
- Ernstige leverfunctiestoornis, biliaire cirrose en cholestase.
- Tweede en derde trimester van de zwangerschap (zie rubrieken 4.4. en 4.6).
- Gelijktijdig gebruik met producten die aliskiren bevatten bij patiënten met diabetes mellitus of nierfunctiestoornis (GFR < 60 ml/min/1,73 m2) (zie rubriek 4.5 en 5.1).
4.4 Bijzondere waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik
Hyperkaliëmie
Het gelijktijdig gebruik met kaliumsupplementen, kaliumsparende diuretica, kaliumbevattende zoutvervangers of andere middelen waardoor de kaliumspiegel kan toenemen (heparine, enz.) wordt niet aanbevolen. Zo nodig moet de kaliumspiegel worden bewaakt.
Nierfunctiestoornis
Er is momenteel geen ervaring met het veilig gebruik bij patiënten met een creatinineklaring van < 10 ml/min en bij patiënten die worden gedialyseerd. Daarom moet valsartan bij deze patiënten met voorzichtigheid worden gebruikt. Een dosisaanpassing voor patiënten met een creatinineklaring van > 10 ml/min is niet nodig (zie rubrieken 4.2 en 5.2).
Leverfunctiestoornis
Bij patiënten met een lichte tot matige leverfunctiestoornis zonder cholestasis moet Valsartan Jubilant met voorzichtigheid worden gebruikt (zie rubrieken 4.2 en 5.2).
Patiënten met natrium- en/of volumedepletie
Bij patiënten met ernstige natrium- en/of volumedepletie, zoals patiënten die hoge doses diuretica krijgen toegediend, kan in zeldzame gevallen na het starten van de Valsartan Jubilant-therapie symptomatische hypotensie optreden. Een natrium- en/of volumedepletie moet vóór de start van de Valsartan Jubilant behandeling worden gecorrigeerd, bijvoorbeeld door een verlaging van de dosis diureticum.
Stenose van de arteria renalis
Bij patiënten met een bilaterale nierarteriestenose of met een stenose bij slechts één functionele nier, is niet bekend of het gebruik van Valsartan Jubilant veilig is.
Kortdurende toediening van valsartan aan twaalf patiënten met renovasculaire hypertensie, welke werd veroorzaakt door een unilaterale nierarteriestenose, veroorzaakte geen significante verschillen in de renale hemodynamiek, in het serumcreatinine of in de ureumwaarde in bloed. Andere middelen die het renine-angiotensinesysteem beïnvloeden, kunnen echter bij patiënten met unilaterale renale arteriestenose de ureumwaarde in bloed en de creatininewaarde in serum verhogen. Daarom wordt het bewaken van de nierfunctie aanbevolen wanneer patiënten met valsartan worden behandeld.
Niertransplantatie
Er is nog geen ervaring opgedaan met het veilige gebruik van Valsartan Jubilant bij patiënten die recent een niertransplantatie hebben ondergaan.
Primair hyperaldosteronisme
Patiënten met primair hyperaldosteronisme mogen niet met Valsartan Jubilant worden behandeld aangezien hun renine-angiotensinesysteem niet is geactiveerd.
Aorta- en mitralisklepstenose, obstructieve hypertrofische cardiomyopathie
Zoals met alle andere vasodilatoren is bijzondere voorzichtigheid geboden bij patiënten met aorta-of mitralisstenose of hypertrofische obstructieve cardiomyopathie (HOCM).
Zwangerschap
Tijdens de zwangerschap mag niet worden gestart met het gebruik van angiotensine-II-receptorantagonisten (ARBs). Tenzij voortzetting van de behandeling met ARBs van essentieel belang wordt geacht, moeten patiënten die een zwangerschap plannen worden overgezet op een andere antihypertensieve behandeling waarvan is vastgesteld dat het gebruik ervan in de zwangerschap veilig is. Indien zwangerschap wordt vastgesteld, moet de behandeling met ARBs onmiddellijk worden gestaakt, en moet indien nodig met een andere behandeling worden gestart (zie rubrieken 4.3 en 4.6).
Voorgeschiedenis van angio-oedeem
Angio-oedeem, inclusief zwelling van strottenhoofd en glottis die luchtwegobstructie veroorzaakt en/of zwelling van gezicht, lippen, keelholte en/of tong is gemeld bij met valsartan behandelde patiënten; sommige van deze patiënten hadden al eerder last van angio-oedeem met andere geneesmiddelen waaronder ACE-remmers. Valsartan Jubilant moet onmiddellijk worden gestaakt bij patiënten die angio-oedeem ontwikkelen, en Valsartan Jubilant mag niet opnieuw worden toegediend (zie rubriek 4.8).
Intestinaal angio-oedeem
Intestinaal angio-oedeem is gemeld bij patiënten die werden behandeld met angiotensine II-receptorantagonisten, waaronder Valsartan (zie rubriek 4.8). Bij deze patiënten deden zich buikpijn, misselijkheid, braken en diarree voor. De symptomen verdwenen na stopzetting van angiotensine II-receptorantagonisten. Wanneer intestinaal angio-oedeem wordt vastgesteld, moet het gebruik van Valsartan worden gestaakt en moet gepaste monitoring plaatsvinden tot de symptomen volledig zijn verdwenen.
Andere aandoeningen die het renine-angiotensinesysteem stimuleren
Bij patiënten bij wie de nierfunctie afhankelijk kan zijn van de activiteit van het renineangiotensinesysteem (bijvoorbeeld bij patiënten met ernstig congestief hartfalen), wordt de behandeling met angiotensineconverterend enzymremmers (ACE-remmers) geassocieerd met oligurie en/of progressieve azotemie en in zeldzame gevallen met acuut nierfalen en/of overlijden. Aangezien valsartan een angiotensine-II-antagonist is, kan niet worden uitgesloten dat het gebruik van Valsartan Jubilant gepaard kan gaan met een vermindering van de nierfunctie.
Dubbele blokkade van het renine-angiotensine-aldosteronsysteem (RAAS). Er is bewijs dat bij gelijktijdig gebruik van ACE-remmers, angiotensine II-
receptorantagonisten of aliskiren het risico op hypotensie, hyperkaliëmie en een verminderde nierfunctie (inclusief acuut nierfalen) toeneemt. Dubbele blokkade van RAAS door het gecombineerde gebruik van ACE-remmers, angiotensine II-receptorantagonisten of aliskiren wordt daarom niet aanbevolen (zie rubrieken 4.5 en 5.1).
Als behandeling met dubbele blokkade absoluut noodzakelijk wordt geacht, mag dit alleen onder supervisie van een specialist plaatsvinden en moeten de nierfunctie, elektrolyten en bloeddruk regelmatig worden gecontroleerd.
ACE-remmers en angiotensine II-receptorantagonisten dienen niet gelijktijdig te worden ingenomen door patiënten met diabetische nefropathie.
Pediatrische patiënten
Nierfunctiestoornis
Gebruik bij pediatrische patiënten met een creatinineklaring van < 30 ml/min en bij pediatrische dialysepatiënten werd niet onderzocht; daarom wordt valsartan niet aanbevolen voor deze patiënten.
Een dosisaanpassing voor pediatrische patiënten met een creatinineklaring van > 30 ml/min is niet nodig (zie rubrieken 4.2 en 5.2). De nierfunctie en de serum kalium spiegel dienen scherp gecontroleerd te worden tijdens behandeling met valsartan. Dit is met name van toepassing, wanneer valsartan wordt gegeven in aanwezigheid van andere aandoeningen (koorts, uitdroging) die de nierfunctie verstoren. Gelijktijdig gebruik van ARB’s – waaronder valsartan – of ACE-remmers en aliskiren is gecontra-indiceerd bij patiënten met nierfunctiestoornis (GFR < 60 ml/min/1,73 m2) (zie rubriek 4.3 en 4.5).
Leverfunctiestoornis
Net als bij volwassenen, is Valsartan Jubilant gecontra-indiceerd bij pediatrische patiënten met een ernstige leverfunctiestoornis, galcirrose en bij patiënten met cholestase (zie rubrieken 4.3 en 5.2). Er is weinig klinische ervaring met Valsartan Jubilant bij pediatrische patiënten met een lichte tot matige leverfunctiestoornis. De dosis valsartan mag bij deze patiënten niet hoger zijn dan 80 mg.
Dit geneesmiddel bevat lactose. Patiënten met zeldzame erfelijke aandoeningen als galactose-intolerantie, algehele lactasedeficiëntie of glucose-galactose malabsorptie, dienen dit geneesmiddel niet te gebruiken.
4.5 Interacties met andere geneesmiddelen en andere vormen van interactie
Dubbele blokkade van het renine-angiotensinesysteem (RAS) met ARB’s, ACE-remmers of aliskiren:
De gegevens uit klinische studies laten zien dat dubbele blokkade van het renine-angiotensine-aldosteronsysteem (RAAS) bij het gecombineerde gebruik van ACE-remmers, angiotensine II- receptorantagonisten en aliskiren in verband wordt gebracht met een hogere frequentie van bijwerkingen zoals hypotensie, hyperkaliëmie en een verminderde nierfunctie (inclusief acuut nierfalen) in vergelijking met het gebruik van een enkel geneesmiddel dat op het RAAS werkt (zie rubrieken 4.3, 4.4 en 5.1).
Gelijktijdig gebruik wordt niet aanbevolen
Lithium
Bij gelijktijdige toediening van lithium met angiotensineconverterend enzymremmers of angiotensine II receptor antagonisten waaronder valsartan zijn reversibele verhogingen van lithiumconcentraties in serum en toxiciteit gemeld. Als de combinatie noodzakelijk is, dan wordt een zorgvuldige bewaking van de lithiumwaarden in serum aanbevolen. Het risico van lithiumtoxiciteit kan waarschijnlijk nog verder toenemen als ook een diureticum wordt gebruikt.
Kaliumsparende diuretica, kaliumsupplementen, kaliumbevattende zoutvervangers en andere middelen waardoor de kaliumspiegel kan toenemen.
Het verdient aanbeveling de kaliumspiegel in plasma te bewaken als het gebruik van een geneesmiddel dat de kaliumspiegel beïnvloedt in combinatie met het gebruik van valsartan als noodzakelijk wordt beschouwd.
Bij gelijktijdig gebruik is voorzichtigheid vereist
Niet-steroïde anti-inflammatoire geneesmiddelen (NSAID's), inclusief selectieve COX-2-remmers, acetylsalicylzuur > 3 g/dag, en niet-selectieve NSAID's.
Wanneer angiotensine-II-antagonisten gelijktijdig met NSAID's worden toegediend, kan verzwakking van het bloeddrukverlagende effect optreden. Ook kan een gelijktijdig gebruik van angiotensine-II-antagonisten en NSAID's leiden tot een groter risico op een verslechtering van de nierfunctie en een toename van de kaliumspiegel in serum. Daarom wordt controle van de nierfunctie bij het begin van behandeling aanbevolen, net als het voldoende hydrateren van de patiënt.
Transporters
In-vitrogegevens duiden erop dat valsartan een substraat is van de hepatische opnametransporter OATP1B1/OATP1B3 en de hepatische effluxtransporter MRP2. De klinische relevantie van deze bevinding is onbekend. Gelijktijdige toediening van remmers van de opnametransporter (bijv. rifampicine, ciclosporine) of effluxtransporter (bijv. ritonavir) kan de systemische blootstelling aan valsartan verhogen. Gepaste voorzichtigheid is geboden bij het starten of stopzetten van gelijktijdige behandeling met dergelijke geneesmiddelen.
Overige
Bij onderzoek naar interacties van valsartan met andere geneesmiddelen zijn geen klinische significante interacties van valsartan met de volgende stoffen waargenomen: cimetidine, warfarine, furosemide, digoxine, atenolol, indometacine, hydrochloorthiazide, amlodipine, glibenclamide.
Pediatrische patiënten
Bij hypertensie, waarbij onderliggende nierafwijkingen vaak optreden, is voorzichtigheid geboden bij kinderen en adolescenten bij het gelijktijdig gebruik van valsartan en andere middelen die het renine-angiotensine-aldosteronsysteem remmen, wat de serumkaliumspiegel kan verhogen. De nierfunctie en het serumkalium moeten nauwkeurig gevolgd worden.
4.6 Vruchtbaarheid, zwangerschap en borstvoeding
Zwangerschap
Het epidemiologische bewijs voor het risico van teratogeniciteit na blootstelling aan ACE-remmers tijdens het eerste trimester van de zwangerschap was niet overtuigend. Een kleine
Het gebruik van angiotensine-II-receptorantagonisten (ARBs) wordt tijdens het eerste trimester van de zwangerschap niet aanbevolen (zie rubriek 4.4). Het gebruik van ARBs is gecontra-indiceerd tijdens het tweede en derde trimester van de zwangerschap (zie verhoging van het risico kan echter niet worden uitgesloten. Hoewel er geen gecontroleerde epidemiologische gegevens zijn over het risico van ARBs kunnen voor deze categorie geneesmiddelen vergelijkbare risico's bestaan. Tenzij voortzetting van de behandeling met ARBs van essentieel belang wordt geacht, moeten patiënten die een zwangerschap plannen worden overgezet op een andere hypertensieve behandeling waarvan is vastgesteld dat het gebruik ervan in de zwangerschap veilig is. Zodra een zwangerschap wordt vastgesteld moet de behandeling met ARBs onmiddellijk worden gestaakt, en moet indien nodig met een andere behandeling worden gestart.
Van blootstelling aan behandeling met ARBs tijdens het tweede en derde trimester is bekend dat het bij de mens foetotoxiciteit veroorzaakt (verminderde nierfunctie, oligohydramnion, vertraging van de ossificatie van de schedel) en neonatale toxiciteit (nierfalen, hypotensie, hyperkaliëmie); zie ook rubriek 5.3 'Gegevens uit het preklinisch veiligheidsonderzoek'.
Als vanaf het tweede trimester van de zwangerschap blootstelling aan ARBs heeft plaatsgevonden, wordt echografische controle van de nierfunctie en de schedel aanbevolen.
Baby's van wie de moeder ARBs heeft gebruikt, moeten zorgvuldig op hypotensie worden gecontroleerd (zie ook rubrieken 4.3 en 4.4).
Borstvoeding
Omdat er geen informatie beschikbaar is met betrekking tot het gebruik van valsartan tijdens de lactatieperiode wordt het gebruik van Valsartan Jubilant niet aanbevolen en gaat de voorkeur uit naar andere behandelingen waarvan het veiligheidsprofiel tijdens de lactatieperiode beter is vastgesteld, met name bij het geven van borstvoeding aan een pasgeboren of te vroeg geboren baby.
Vruchtbaarheid
Valsartan vertoonde geen negatieve effecten op de voortplanting van mannetjes- en vrouwtjesratten bij orale doses van maximaal 200 mg/kg/dag. Deze dosis is zesmaal de maximaal aanbevolen dosis voor mensen, omgerekend naar mg/m2 (bij de berekening wordt uitgegaan van een orale dosis van 320 mg/dag en een patiënt van 60 kg).
4.7 Beïnvloeding van de rijvaardigheid en het vermogen om machines te bedienen
Er is geen onderzoek verricht met betrekking tot de effecten op de rijvaardigheid. Bij het besturen van voertuigen of het bedienen van machines moet rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat af en toe duizeligheid en vermoeidheid kunnen voorkomen.
4.8 Bijwerkingen
In gecontroleerde klinische onderzoeken met volwassen patiënten met hypertensie was de totale incidentie van bijwerkingen vergelijkbaar met die in de placebogroep en is consistent met de farmacologie van valsartan. De incidentie van bijwerkingen bleek niet gerelateerd te zijn aan de dosis of behandelingsduur en toonde ook geen verband met geslacht, leeftijd of ras.
De bijwerkingen die zijn gemeld in klinisch onderzoek, postmarketing ervaring en laboratoriumbevindingen zijn hieronder vermeld, ingedeeld naar systeem/orgaanklasse.
Samenvatting van het veiligheidsprofiel
De bijwerkingen zijn in volgorde van frequentie gerangschikt, de meest voorkomende bijwerkingen eerst, waarbij gebruik wordt gemaakt van de volgende conventie: zeer vaak (≥ 1/10); vaak (≥ 1/100 tot < 1/10); soms (≥ 1/1.000 tot < 1/100); zelden (≥ 1/10.000 tot < 1/1.000) zeer zelden (< 1/10.000); niet bekend (kan met de beschikbare gegevens niet worden bepaald). Binnen iedere frequentiegroep zijn de bijwerkingen gerangschikt naar afnemende ernst.
Voor alle bijwerkingen die zijn gemeld vanuit post-marketing ervaring en laboratoriumbevindingen is het niet mogelijk om een bijwerkingenfrequentie te bepalen en daarom is bij deze bijwerkingen bij frequentie 'niet bekend' vermeld.
- Hypertensie
| Bloed- en lymfestelselaandoeningen | |
|---|---|
| Niet bekend | Daling van de hemoglobinewaarde, daling van de hematocrietwaarde, neutropenie, trombocytopenie |
| Immuunsysteemaandoeningen | |
| Niet bekend | Overgevoeligheid inclusief serumziekte |
| Voedings- en stofwisselingsstoornissen | |
| Niet bekend | Stijging van de kaliumspiegel in serum |
| Niet bekend | Hyponatriëmie |
| Evenwichtsorgaan- en ooraandoeningen | |
| Soms | Vertigo |
| Bloedvataandoeningen | |
| Niet bekend | Vasculitis |
| Ademhalingsstelsel-, borstkas- en mediastinumaandoeningen | |
| Soms | Hoesten |
| Maagdarmstelselaandoeningen | |
| Soms | Buikpijn |
| Zeer zelden | Intestinaal angio-oedeem |
| Lever- en galaandoeningen | |
| Niet bekend | Verhoging van de leverfunctiewaarden inclusief een stijging van de bilirubinewaarde in serum |
| Huid- en onderhuidaandoeningen | |
| Niet bekend | Angio-oedeem, dermatitis bullosa, huiduitslag, pruritus |
| Skeletspierstelsel- en bindweefselaandoeningen | |
| Niet bekend | Myalgie |
| Nier- en urinewegaandoeningen | |
| Niet bekend | Nierfalen en nierfunctiestoornis, verhoging van de creatininewaarde in serum |
| Algemene aandoeningen en toedieningsplaatsstoornissen | |
| Soms | Vermoeidheid |
Pediatrische patiënten
Hypertensie
Het bloeddrukverlagend effect van valsartan werd beoordeeld in twee gerandomiseerde, dubbelblinde klinische studies (die elk werden gevolgd door een uitbreidingsperiode of - studie) en één open-label studie. Aan deze studies namen 711 pediatrische patiënten deel in de leeftijd van jonger dan 6 tot 17 jaar met en zonder chronische nierfunctiestoornis. Hiervan kregen 560 patiënten valsartan. Met uitzondering van geïsoleerde gevallen van gastro-intestinale aandoeningen (zoals buikpijn, misselijkheid en braken) en duizeligheid, werden er geen verschillen in type, frequentie en ernst van bijwerkingen opgemerkt tussen het veiligheidsprofiel voor pediatrische patiënten in de leeftijd van 6 tot 17 jaar en het profiel eerder gerapporteerd voor volwassen patiënten.
Neurocognitieve en ontwikkelingsbeoordeling van pediatrische patiënten in de leeftijd van 6 tot 16 jaar toonde geen algehele klinisch relevante negatieve impact na behandeling met valsartan tot maximaal een jaar.
Een gepoolde analyse werd uitgevoerd van 560 pediatrische patiënten met hypertensie (in de leeftijd 6 tot 17 jaar) die ofwel monotherapie met valsartan [n=483] ofwel antihypertensieve combinatietherapie met o.a. valsartan [n=77] kregen. Van de 560 patiënten leden er 85 (15,2%) aan chronische nierfunctiestoornis (baseline GFR <90 ml/min/1,73m2). In totaal zetten 45 (8,0%) patiënten hun deelname aan een studie stop omwille van bijwerkingen. In totaal ondervonden 111 (19,8%) patiënten een bijwerking (ADR) waarbij hoofdpijn (5,4%), duizeligheid (2,3%), en hyperkaliëmie (2,3%) het meest voorkwamen.In patiënten met chronische nierfunctiestoornis waren de meest voorkomende bijwerkingen hyperkaliëmie (12,9%), hoofdpijn (7,1%), verhoging van de bloedcreatininewaarden (5,9%) en hypotensie (4,7%). In patiënten zonder chronische nierfunctiestoornis waren de meest voorkomende bijwerkingen hoofdpijn (5,1%) en duizeligheid (2,7%). Bijwerkingen werden vaker opgemerkt in patiënten die werden behandeld met een combinatie van valsartan en andere bloeddrukverlagende geneesmiddelen, dan bij hen die alleen valsartan kregen.
Het bloeddrukverlagende effect van valsartan bij kinderen van 1 tot jonger dan 6 jaar is onderzocht in drie gerandomiseerde, dubbelblinde klinische studies (elk gevolgd door een verlengingsperiode). In de eerste studie, bij 90 kinderen in de leeftijd van 1 tot jonger dan 6 jaar, werden twee gevallen van overlijden en enkele gevallen van aanzienlijke verhoging van levertransaminasen waargenomen. Deze gevallen deden zich voor in een populatie met ernstige comorbiditeit. Er is geen oorzakelijk verband met Valsartan Jubilant vastgesteld. In de twee daaropvolgende studies, waarin 202 kinderen van 1 tot jonger dan 6 jaar werden gerandomiseerd, traden bij behandeling met valsartan geen significante verhogingen van levertransaminasen of gevallen van overlijden op.
In een gecombineerde analyse van de twee daaropvolgende studies bij 202 kinderen met hypertensie (in de leeftijd van 1 tot jonger dan 6 jaar) kregen alle patiënten tijdens de dubbelblinde periodes (met uitzondering van de placebo-stopzettingperiode) monotherapie met valsartan. Van hen gingen 186 patiënten door naar een verlengingsstudie of een open-labelperiode. Van de 202 patiënten hadden er 33 (16,3%) chronische nierziekte (CKD; eGFR bij aanvang <90 ml/min). Tijdens de dubbelblinde periode stopten twee patiënten (1%) vanwege een bijwerking, en tijdens de open-label- of verlengingsperiode stopten vier patiënten (2,1%) vanwege een bijwerking. Tijdens de dubbelblinde periode ervoeren 13 patiënten (7,0%) ten minste één bijwerking. De meest voorkomende bijwerkingen waren braken (n=3; 1,6%) en diarree (n=2; 1,1%). Er was één bijwerking (diarree) in de CKD-groep. Tijdens de open-labelperiode ervoer 5,4% van de patiënten (10/186) ten minste één bijwerking. De meest voorkomende bijwerking was verminderde eetlust, wat door twee patiënten (1,1%) werd gemeld. Zowel in de dubbelblinde periode als in de open-labelperiodes werd bij één patiënt per periode hyperkaliëmie gemeld. Er deden zich geen gevallen van hypotensie of duizeligheid voor in de dubbelblinde of open-labelperiodes.
Hyperkaliëmie werd vaker waargenomen bij kinderen en adolescenten van 1 tot jonger dan 18 jaar met een onderliggende chronische nierziekte (CKD). Het risico op hyperkaliëmie kan hoger zijn bij kinderen van 1 tot 5 jaar in vergelijking met kinderen van 6 tot jonger dan 18 jaar.
Melding van vermoedelijke bijwerkingen
Het is belangrijk om na toelating van het geneesmiddel vermoedelijke bijwerkingen te melden. Op deze wijze kan de verhouding tussen voordelen en risico’s van het geneesmiddel voortdurend worden gevolgd. Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg wordt verzocht alle vermoedelijke bijwerkingen te melden via Nederlands Bijwerkingen Centrum Lareb (website: www.lareb.nl).
4.9 Overdosering
Symptomen
Overdosering met Valsartan Jubilant kan leiden tot sterke hypotensie, wat tot verminderd bewustzijn, circulatoire collaps en/of shock kan leiden.
Behandeling
De therapeutische maatregelen zijn afhankelijk van het tijdstip van inname en het type en de ernst van de symptomen waarbij het stabiliseren van de circulatoire conditie van primair belang is.
Indien hypotensie optreedt dient de patiënt in een achteroverliggende positie te worden geplaatst en moet voor een correctie van het bloedvolume worden gezorgd.
Het is onwaarschijnlijk dat valsartan via hemodialyse kan worden verwijderd.
5. FARMACOLOGISCHE EIGENSCHAPPEN
5.1 Farmacodynamische eigenschappen
Farmacotherapeutische categorie: angiotensine-II-antagonisten, enkelvoudig, ATC-code: C09CA03
Valsartan is een oraal actieve, krachtige en specifieke angiotensine-II-receptorantagonist (Ang IIreceptorantagonist). Het werkt selectief op het AT1-receptorsubtype, dat verantwoordelijk is voor de bekende werking van angiotensine II. De toegenomen plasmaconcentratie van angiotensine II als gevolg van AT1-receptorblokkade met valsartan kan de niet-geblokkeerde AT2-receptor stimuleren, wat het effect van de AT1-receptor lijkt tegen te werken. Valsartan vertoont geen enkele partiële agonistische werking aan de AT1-receptor en heeft een veel grotere affiniteit voor de AT1-receptor (ongeveer 20.000 maal) dan voor de AT2-receptor. Het is niet bekend of valsartan aan andere hormoonreceptoren of ionenkanalen waarvan het belang voor de cardiovasculaire regulatie bekend is, bindt of deze blokkeert.
Valsartan heeft geen remmend effect op ACE (ook bekend als kininase II), dat Ang I in Ang II omzet en bradykinine afbreekt. Omdat er geen effect is op de ACE en geen potentiëring van bradykinine of substantie P is het onwaarschijnlijk dat het gebruik van angiotensine-II-antagonisten samenhangt met hoesten. In klinische studies waarin valsartan werd vergeleken met een ACE-remmer was de incidentie van een droge hoest significant lager (P<0,05) bij patiënten die met valsartan werden behandeld in vergelijking met degenen die met een ACE-remmer werden behandeld (respectievelijk 2,6% versus 7,9%). In een klinisch onderzoek met patiënten met een voorgeschiedenis van droge hoest tijdens behandeling met een ACE-remmer vertoonde 19,5% van de proefpersonen die valsartan kregen en 19,0% van degenen die een thiazidediureticum kregen toegediend hoest, ten opzichte van 68,5% van degenen die met een ACE-remmer werden behandeld (P<0,05).
Hypertensie
Toediening van valsartan aan patiënten met hypertensie resulteert in een verlaging van de bloeddruk zonder effect op de hartfrequentie.
Na toediening van een enkelvoudige orale dosis treedt de bloeddrukverlagende werking bij de meeste patiënten binnen 2 uur op en wordt de grootste bloeddrukverlaging binnen 4-6 uur bereikt. Het bloeddrukverlagend effect houdt meer dan 24 uur na inname aan. Bij herhaalde toediening is het bloeddrukverlagend effect binnen 2 weken substantieel aanwezig en het maximale effect wordt binnen 4 weken bereikt en houdt bij behandeling op lange termijn aan. Gecombineerd met hydrochloorthiazide wordt een significante extra bloeddrukverlaging bereikt.
Plotselinge stopzetting van valsartan is niet in verband gebracht met reboundhypertensie of andere ongunstige klinische effecten.
Bij hypertensieve patiënten met type 2 diabetes en microalbuminurie is aangetoond dat valsartan de urinesecretie van albumine vermindert. Het MARVAL-onderzoek (Micro Albuminuria Reduction with Valsartan) beoordeelde de reductie van de urinaire albumine-excretie (UAE) bij gebruik van valsartan (eenmaal daags 80-160 mg) versus amlodipine (eenmaal daags 5-10 mg), bij 332 patiënten met type 2 diabetes (gemiddelde leeftijd: 58 jaar; 265 mannen) met micro-albuminurie (valsartan: 58 μg/min; amlodipine: 55,4 μg/min), met een normale of hoge bloeddruk en bij wie de nierfunctie is behouden (creatininewaarde in bloed < 120 μmol/l). Na 24 weken was de UAE bij behandeling met valsartan met 42% (–24,2 μg/min; 95% BI: –40,4 tot –19,1) gereduceerd (p<0,001) en bij behandeling met amlodipine met ongeveer 3% (–1,7 μg/min; 95% BI: –5,6 tot 14,9) ondanks vergelijkbare percentages daling van de bloeddruk in beide groepen.
In het DROP-onderzoek (Diovan Reduction of Proteinuria) werd de werkzaamheid van valsartan verder onderzocht voor wat betreft het reduceren van de UAE bij 391 hypertensieve patiënten (BD=150/88 mmHg) met type 2 diabetes, albuminurie(gemiddeld = 102 μg/min; 20-700 μg/min) en bij wie de nierfunctie is behouden (gemiddelde serumcreatinine = 80 μmol/l). Patiënten werden gerandomiseerd voor één van de 3 doses valsartan (eenmaal daags 160, 320 en 640 mg) en gedurende 30 weken behandeld. Het doel van het onderzoek was het bepalen van de optimale dosis valsartan voor het reduceren van de UAE bij hypertensieve patiënten met type 2 diabetes. Na 30 weken was het percentage verandering in de UAE significant gereduceerd met 36% vanaf de uitgangssituatie bij gebruik van valsartan 160 mg (95% BI: 22 tot 47%) en met 44% bij gebruik van valsartan 320 mg
(95% BI: 31 tot 54%). Geconcludeerd werd dat 160-320 mg valsartan bij hypertensieve patiënten met type 2 diabetes een klinisch relevante daling van de UAE veroorzaakte.
Overige: dubbele blokkade van het renine-angiotensine-aldosteronsysteem (RAAS)
In twee grote, gerandomiseerde, gecontroleerde trials (ONTARGET - ONgoing Telmisartan Alone and in combination with Ramipril Global Endpoint Trial en VA NEPHRON-D - The Veterans Affairs Nephropathy in Diabetes)) is het gebruik van de combinatie van een ACE-remmer met een angiotensine II-receptorantagonist onderzocht.
ONTARGET was een studie bij patiënten met een voorgeschiedenis van cardiovasculair of cerebrovasculair lijden, of diabetes mellitus type 2 in combinatie met tekenen van eind- orgaanschade. VA NEPHRON-D was een studie bij patiënten met diabetes mellitus type 2 en diabetische nefropathie.
In deze studies werd geen relevant positief effect op de nierfunctie en/of cardiovasculaire uitkomsten en de mortaliteit gevonden, terwijl een verhoogd risico op hyperkaliëmie, acute nierbeschadiging en/of hypotensie werd gezien in vergelijking met monotherapie. Gezien hun overeenkomstige farmacodynamische eigenschappen zijn deze uitkomsten ook relevant voor andere ACE-remmers en angiotensine II-receptorantagonisten.
ACE-remmers en angiotensine II-receptorantagonisten dienen daarom niet gelijktijdig te worden ingenomen bij patiënten met diabetische nefropathie.
ALTITUDE (Aliskiren Trial in Type 2 Diabetes Using Cardiovascular and Renal Disease Endpoints) was een studie die was opgezet om het voordeel van de toevoeging van aliskiren aan de standaardbehandeling van een ACE-remmer of een angiotensine II-receptorantagonist te onderzoeken bij patiënten met diabetes mellitus type 2 en chronisch nierlijden, cardiovasculair lijden of beide. De studie werd vroegtijdig beëindigd vanwege een verhoogd risico op negatieve uitkomsten. Cardiovasculaire mortaliteit en beroerte kwamen beide numeriek vaker voor in de aliskirengroep dan in de placebogroep, en bijwerkingen en belangrijke ernstige bijwerkingen (hyperkaliëmie, hypotensie en renale disfunctie) werden vaker in de aliskirengroep dan in de placebogroep gerapporteerd.
Pediatrische patiënten
Hypertensie
Het bloeddrukverlagend effect van valsartan is bestudeerd in vier gerandomiseerde, dubbelblinde klinische studies met 561 pediatrische patiënten in de leeftijd van 6 tot 18 jaar en met 165 pediatrische patiënten in de leeftijd van 1 tot 6 jaar.
De voornaamste onderliggende medische klachten, welke mogelijk bijdroegen aan hypertensie bij de kinderen in deze studies, waren aandoeningen van nieren en urinewegen en obesitas.
Klinische ervaring bij kinderen van 6 jaar en ouder
In een klinische studie met 261 pediatrische patiënten in de leeftijd van 6 tot 16 jaar met hypertensie, kregen patiënten die minder dan 35 kg wogen, dagelijks tabletten toegediend met 10, 40 of 80 mg valsartan (laag, middel en hoge doses), en patiënten, die 35 kg of meer wogen, kregen dagelijks tabletten toegediend met 20, 80 en 160 mg valsartan (laag, middel en hoge doses). Na twee weken verlaagde valsartan zowel de systolische als de diastolische bloeddruk op een dosisafhankelijke manier.
Over het geheel, verminderden de drie dosisniveaus van valsartan (laag, middel en hoog) de systolische bloeddruk significant met respectievelijk 8, 10 en 12 mmHg ten opzichte van de beginwaarde. Patiënten werden opnieuw gerandomiseerd, waarbij ze dezelfde dosis valsartan toegediend bleven krijgen of werden overgezet op placebo. Bij de patiënten die de middel of hoge dosis valsartan toegediend bleven krijgen, was de systolische bloeddruk tijdens de dalperiode 4 en 7 mmHg lager dan bij patiënten die placebo kregen toegediend. De systolische bloeddruk in de dalperiode bij patiënten die de lage dosis valsartan toegediend kregen, was te vergelijken met die bij patiënten die placebo kregen toegediend. Het dosisafhankelijke bloeddrukverlagende effect van valsartan was, in het algemeen, overeenkomstig bij alle demografische subgroepen.
In een tweede klinische studie met 300 pediatrische patiënten in de leeftijd van 6 tot 18 jaar met hypertensie, werden in aanmerking komende patiënten gerandomiseerd, waarbij ze gedurende 12 weken valsartan of enalapril toegediend kregen. Kinderen met een gewicht van
≥ 18 kg en < 35 kg kregen 80 mg valsartan of 10 mg enalapril toegediend; kinderen met een gewicht van ≥ 35 kg en < 80 kg kregen 160 mg valsartan of 20 mg enalapril toegediend; kinderen met een gewicht van ≥ 80 kg kregen 320 mg valsartan of 40 mg enalapril. De verlagingen van de systolische bloeddruk waren vergelijkbaar tussen patiënten, die valsartan (15 mmHg) en enalapril (14 mmHg) toegediend kregen (non-inferiority p-value < 0,0001). Overeenkomstige resultaten werden bij diastolische bloeddruk geconstateerd met een verlaging van respectievelijk, 9,1 mmHg en 8,5 mmHg bij valsartan en enalapril.
In een derde, open-label klinische studie met 150 pediatrische patiënten in de leeftijd van 6 tot 17 jaar met hypertensie, kregen in aanmerking komende patiënten (systolische bloeddruk
≥95e percentiel voor leeftijd, geslacht en lengte) gedurende 18 maanden valsartan om de veiligheid en verdraagbaarheid ervan te beoordelen. Van de 150 patiënten die deelnamen aan deze studie, kregen 41 patiënten ook gelijktijdig bloeddrukverlagende geneesmiddelen. De dosis van de patiënten werd bepaald op basis van gewichtscategorieën voor start- en onderhoudsdoses. Patiënten met een gewicht van ≥18 tot < 35 kg, ≥35 tot < 80 kg en ≥ 80 tot
< 160 kg kregen 40 mg, 80 mg en 160 mg en na één week werden de doses getitreerd naar 80 mg, 160 mg en 320 mg respectievelijk. De helft van de ingeschreven patiënten (50,0%, n=75) leed aan chronische nierfunctiestoornis waarbij 29,3% (44) van de patiënten chronische nierfunctiestoornis Stadium 2 (GFR 60 – 89 ml/min/1,73m2) of Stadium 3 (GFR 30-59 ml/min/1,73m2) had. Gemiddelde verlagingen van de systolische bloeddruk bedroegen 14,9 mmHg in alle patiënten (baseline 133,5 mmHg), 18,4 mmHg in patiënten met chronische nierfunctiestoornis (baseline 131,9 mmHg) en 11,5 mmHg in patiënten zonder chronische nierfunctiestoornis (baseline 135,1 mmHg). Het percentage patiënten dat de bloeddruk volledig onder controle kreeg (zowel systolische als diastolische bloeddruk <95e percentiel) was iets hoger in de groep met chronische nierfunctiestoornis (79,5%) vergeleken met de groep zonder chronische nierfunctiestoornis (72,2%).
Klinische ervaring bij kinderen jonger dan 6 jaar
Er werden drie klinische studies uitgevoerd bij 291 patiënten in de leeftijd van 1 tot 5 jaar met respectievelijk 90 en 75 patiënten. In deze studies werden geen kinderen jonger dan 1 jaar bestudeerd. In de eerste studie werd de werkzaamheid van valsartan bevestigd in vergelijk met placebo, maar een dosisreactie kon niet worden aangetoond. In de tweede studie werden hogere doses valsartan gerelateerd aan een grotere bloeddrukverlaging.
In de eerste studie met 90 patiënten kon geen dosis-responsrelatie worden aangetoond, maar in de tweede studie met 75 patiënten gingen hogere doses valsartan gepaard met een sterkere daling van de bloeddruk. De derde studie was een gerandomiseerd, dubbelblind onderzoek van 6 weken waarin de dosis-respons van valsartan werd geëvalueerd bij 126 kinderen van 1 tot 5 jaar oud met hypertensie (al dan niet gepaard gaand met chronische nierziekte); zij werden gerandomiseerd naar een dosering van 0,25 mg/kg of 4 mg/kg lichaamsgewicht. Aan het einde van de studie bedroeg de daling van de gemiddelde systolische bloeddruk (MSBP) en de gemiddelde diastolische bloeddruk (MDBP) bij valsartan 4,0 mg/kg respectievelijk 8,5/6,8 mmHg, vergeleken met 4,1/0,3 mmHg bij valsartan 0,25 mg/kg (p=0,0157/p<0,0001). Ook in de subgroep met chronische nierziekte werd een daling van de MSBP/MDBP waargenomen bij valsartan 4,0 mg/kg vergeleken met 0,25 mg/kg (9,2/6,5 mmHg versus 1,2/+1,3 mmHg).
Het Europees Geneesmiddelenbureau heeft vrijstelling verleend voor de verplichting om de resultaten in te dienen van studies met valsartan bij alle subgroepen van de pediatrische populatie met hartfalen en hartfalen na een recent myocardinfarct. Zie rubriek 4.2 voor informatie over gebruik bij kinderen.
5.2 Farmacokinetische eigenschappen
Absorptie:
Na orale toediening van alleen valsartan worden piekplasmaconcentraties van valsartan bereikt binnen 2 tot 4 uur. De gemiddelde absolute biologische beschikbaarheid is 23%. Voedsel vermindert de blootstelling aan valsartan met ongeveer 40% (gemeten via de AUC) en de piekplasmaconcentratie (Cmax) met ongeveer 50%, alhoewel de valsartan-plasmaconcentratie vanaf ongeveer 8 uur na inname gelijk is voor zowel de niet-nuchtere als de nuchtere groep. Deze verlaging van de AUC gaat echter niet gepaard met een klinisch significante vermindering van het therapeutisch effect en valsartan kan daarom zowel met als zonder voedsel worden gegeven.
Distributie:
Het steady-state distributievolume van valsartan is na intraveneuze toediening ongeveer 17 liter, wat aangeeft dat valsartan niet uitgebreid in het weefsel wordt gedistribueerd. Valsartan is sterk gebonden aan serumeiwitten (94-97%), voornamelijk aan serumalbumine.
Biotransformatie:
Valsartan wordt niet in hoge mate gebiotransformeerd omdat ongeveer 20% van de dosis in de vorm van metabolieten wordt teruggevonden. Een hydroxymetaboliet is in lage concentraties in plasma aangetroffen (minder dan 10% van de AUC van valsartan). Deze metaboliet is farmacologisch inactief.
Eliminatie:
De eliminatie van valsartan verloopt multi-exponentieel (t½α < 1 uur en t½ß ongeveer 9 uur). Valsartan wordt voornamelijk via biliaire excretie als ongewijzigd geneesmiddel in feces (ongeveer 83% van de dosis) en via renale excretie in urine (ongeveer 13% van de dosis) geëlimineerd. Na intraveneuze toediening is de plasmaklaring van valsartan ongeveer 2 l/u en de renale klaring is 0,62 l/u (ongeveer 30% van de totale klaring). De halfwaardetijd van valsartan is 6 uur.
Speciale populaties
Ouderen
Bij sommige oudere personen werd een licht verhoogde systemische blootstelling aan valsartan waargenomen in vergelijking met jongere personen; er is echter niet aangetoond dat dit enige klinische betekenis heeft.
Nierfunctiestoornis
Zoals te verwachten is voor een stof met een renale klaring van slechts 30% van de totale plasmaklaring was er geen correlatie te zien tussen de nierfunctie en de systemische blootstelling aan valsartan. Bij patiënten met een nierfunctiestoornis (creatinineklaring > 10 ml/min) is dosisaanpassing daarom niet nodig. Omdat er geen ervaring is opgedaan met een veilig gebruik bij patiënten met een creatinineklaring < 10 ml/min en bij patiënten die worden gedialyseerd, is bij gebruik van valsartan bij deze patiënten voorzichtigheid geboden (zie rubrieken 4.2 en 4.4). Valsartan wordt in hoge mate aan plasma-eiwitten gebonden en wordt waarschijnlijk niet door dialyse geëlimineerd.
Leverfunctiestoornis
Ongeveer 70% van de geabsorbeerde dosis wordt in de gal geëlimineerd, hoofdzakelijk in ongewijzigde vorm. Valsartan ondergaat geen noemenswaardige biotransformatie. Bij patiënten met een lichte of matige leverfunctiestoornis werd een verdubbeling van de blootstelling (AUC) waargenomen in vergelijking met die bij gezonde proefpersonen. Er is echter geen correlatie waargenomen tussen de valsartanconcentraties in plasma en de ernst van de leverfunctiestoornis. Valsartan is niet onderzocht bij patiënten met een ernstige leverfunctiestoornis (zie rubrieken 4.2, 4.3 en 4.4).
Pediatrische patiënten
Uit een studie met 26 pediatrische patiënten met hypertensie (in de leeftijd van 1 tot 16 jaar) die een enkele dosis valsartan drank (gemiddeld 0,9 tot 2,0 mg/kg, met 80 mg als maximumdosis) toegediend kregen, bleek dat de valsartan-klaring (in liter/uur/kg) vergelijkbaar was over de leeftijdsgroep van 1 tot 16 jaar en gelijk aan de klaring bij volwassenen, na toediening van dezelfde formulering (zie informatie over absorptie in rubriek 5.2).
Nierfunctiestoornis
Gebruik bij pediatrische patiënten met een creatinineklaring van < 30 ml/min en bij pediatrische dialyse patiënten werd niet onderzocht; daarom wordt valsartan niet aanbevolen voor deze patiënten. Een dosisaanpassing voor pediatrische patiënten met een creatinineklaring van > 30 ml/min is niet nodig. De nierfunctie en de serum kalium spiegel dienen gemonitord te worden (zie rubrieken 4.2 en 4.4).
5.3 Gegevens uit het preklinisch veiligheidsonderzoek
Niet-klinische gegevens duiden niet op een speciaal risico voor mensen. Deze gegevens zijn afkomstig van conventioneel onderzoek op het gebied van veiligheidsfarmacologie, toxiciteit bij herhaalde dosering, genotoxiciteit, carcinogeen potentieel.
Bij ratten leidden de maternaal toxische doses (600 mg/kg/dag) tijdens de laatste dagen van zwangerschap en lactatie bij de nakomelingen tot een lager overlevingspercentage, een lagere gewichtstoename en een vertraagde ontwikkeling (loslaten van de oorschelp en opening van het oorkanaal) (zie rubriek 4.6). Deze doses bij ratten (600 mg/kg/dag) zijn ongeveer 18 maal de maximale aanbevolen humane dosis op basis van mg/m2 (berekeningen gaan uit van een orale dosis van 320 mg/dag en een patiënt van 60 kg).
In niet-klinische veiligheidsonderzoeken veroorzaakten hoge doses valsartan (200 tot 600 mg/kg lichaamsgewicht) bij ratten een reductie van de rode bloedcelparameters (erytrocyten, hemoglobine, hematocriet) en tekenen van veranderingen in de renale hemodynamiek (licht verhoogde ureumwaarde in plasma en renale tubulaire hyperplasie en basofilie bij mannetjesratten). Deze doses bij ratten (200 tot 600 mg/kg/dag) zijn ongeveer 6 en 18 maal de maximale aanbevolen humane dosis op basis van mg/m2 (berekeningen gaan uit van een orale dosis van 320 mg/dag en een patiënt van 60 kg).
Bij zijdeaapjes waren de veranderingen bij vergelijkbare doses wel vergelijkbaar, maar ernstiger, met name in de nier waar de veranderingen tot nefropathie met een verhoogde ureum- en creatininewaarde leidden.
Tevens werd bij beide soorten hypertrofie van de renale juxtaglomerulaire cellen waargenomen. Alle veranderingen werden beschouwd als het gevolg van de farmacologische activiteit van valsartan dat een verlengde hypotensie produceert, met name bij zijdeaapjes.
Voor therapeutische doses van valsartan bij mensen lijkt de hypertrofie van de renale juxtaglomerulaire cellen geen enkele relevantie te hebben.
Pediatrische patiënten
Dagelijkse orale toediening van valsartan in doseringen zo laag als 1 mg/kg/dag (circa 10 tot 35% van de maximum aanbevolen pediatrische dosis van 4 mg/kg/dag gebaseerd op systemische blootstelling) aan neonatale/jeugdige ratten (van dag 7 tot dag 70 na geboorte) leidde tot aanhoudende irreversibele nierschade. Deze hierboven vermeldde effecten vertegenwoordigen een verwachte overdreven farmacologisch effect van ACE-remmers en type 1 angiotensine-II-antagonisten; dergelijke effecten worden gezien als ratten gedurende de eerste 13 dagen van hun leven worden behandeld.
Deze periode komt overeen met 36 weken zwangerschap bij de mens, welke sporadisch tot 44 weken na bevruchting bij de mens kan worden verlengd. De jeugdige ratten in de valsartanstudie werden tot op dag 70 gedoseerd, en effecten op de volgroeiing van de nier (4 tot 6 weken na geboorte) kunnen niet uitgesloten worden. Functionele volgroeiing van de nier is een doorlopend proces gedurende het eerste levensjaar van de mens. Daarom kan een klinische relevantie bij kinderen jonger dan 1 jaar niet worden uitgesloten, terwijl preklinische gegevens geen zorg om de veiligheid voor kinderen ouder dan 1 jaar aangeven.
6. FARMACEUTISCHE GEGEVENS
6.1 Lijst van hulpstoffen
Microkristallijne cellulose (E460) Crospovidone (E1202)
Silica
Magnesiumstearaat (E470b) Watervrije lactose Hypromellose (E464) Titanium dioxide (E171) Macrogol
Geel ijzeroxide (E172)
6.2 Gevallen van onverenigbaarheid
Niet van toepassing.
6.3 Houdbaarheid
PVC/PE/PVDC blisterverpakking: 18 maanden Al/Al blisterverpakking: 2 jaar.
6.4 Speciale voorzorgsmaatregelen bij bewaren
PVC/PE/PVDC blisterverpakking: Bewaren beneden 30°C.
Al/Al blisterverpakking: voor dit geneesmiddel zijn er geen speciale bewaarcondities.
6.5 Aard en inhoud van de verpakking
Al/Al blisterverpakking of PVC/PE/PVdC blisterverpakking met 28, 56 of 98 filmomhulde tabletten.
Niet alle genoemde verpakkingsgrootten worden in de handel gebracht.
6.6 Speciale voorzorgsmaatregelen voor het verwijderen
Geen bijzondere vereisten.
7. HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
Jubilant Pharmaceuticals nv Axxes Business Park Guldensporenpark 22 – Block C 9820 Merelbeke
België
8. NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
RVG 114052
9. DATUM VAN EERSTE VERLENING VAN DE VERGUNNING/VERLENGINGVAN DE VERGUNNING
Datum van eerste verlening van de vergunning: 17 november 2014 Datum van laatste verlenging: 22 september 2019
10. DATUM VAN HERZIENING VAN DE TEKST
Laatste gedeeltelijke wijziging betreft de rubrieken 4.1 t/m 4.5, 5.1 en 5.2: 6 augustus 2026
