Bijsluiter-info.nl

Solifenacinesuccinaat SUN 5 mg filmomhulde tablet – SmPC

De SmPC is bedoeld voor zorgverleners. Begrijpelijke informatie voor patiënten staat in de bijsluiter: dosering, bijwerkingen, andere geneesmiddelen, zwangerschap en borstvoeding.

Bijgewerkt:
Feiten
Status:
Alleen op recept
Sterkte:
5 mg
Werkzame stof:

SmPC (samenvatting van de productkenmerken) - Solifenacinesuccinaat SUN 5 mg filmomhulde tablet

1. NAAM VAN HET GENEESMIDDEL

Solifenacinesuccinaat SUN 5 mg, filmomhulde tabletten

2. KWALITATIEVE EN KWANTITATIEVE SAMENSTELLING

Solifenacinesuccinaat SUN 5 mg, filmomhulde tablet:

Elke filmomhulde tablet bevat 5 mg solifenacinesuccinaat, overeenkomend met 3,8 mg solifenacine. Elke filmomhulde tablet bevat 133 mg lactose.

Voor de volledige lijst van hulpstoffen, zie rubriek 6.1.

3. FARMACEUTISCHE VORM

Filmomhulde tabletten.

Solifenacinesuccinaat SUN 5 mg zijn ronde, gebroken wit tot lichtgeel, biconvexe filmomhulde tabletten gemerkt met de code ‘RK75’ aan één zijde en blanco aan de andere zijde, met een diameter van 7,5 mm.

4. KLINISCHE GEGEVENS

4.1 Therapeutische indicaties

Symptomatische behandeling van urge-incontinentie en/of verhoogde mictiefrequentie en aandrang zoals kan voorkomen bij patiënten met het overactieveblaassyndroom.

4.2 Dosering en wijze van toediening

Dosering

Volwassenen, inclusief ouderen

De aanbevolen dosering is 5 mg solifenacinesuccinaat eenmaal daags. Indien nodig mag de dosering worden verhoogd tot 10 mg solifenacinesuccinaat eenmaal daags.

Pediatrische patiënten

De veiligheid en werkzaamheid van solifenacinesuccinaat bij kinderen zijn nog niet vastgesteld. Daarom dient Solifenacinesuccinaat SUN niet te worden gebruikt bij kinderen.

Patiënten met nierinsufficiëntie

Aanpassing van de dosering is niet noodzakelijk voor patiënten met milde tot matige nierinsufficiëntie (creatinineklaring > 30 ml/min). Patiënten met ernstige nierinsufficiëntie (creatinineklaring ≤ 30 ml/min) dienen voorzichtig te worden behandeld en de dagelijkse dosering mag niet hoger zijn dan 5 mg (zie rubriek 5.2).

Patiënten met leverinsufficiëntie

Aanpassing van de dosering is niet noodzakelijk voor patiënten met milde leverinsufficiëntie. Patiënten met matige leverinsufficiëntie (Child-Pugh score van 7 tot 9) dienen voorzichtig te worden behandeld en de dagelijkse dosering mag niet hoger zijn dan 5 mg (zie rubriek 5.2).

Sterke remmers van cytochroom P450 3A4

De maximale dosering Solifenacinesuccinaat SUN dient beperkt te worden tot 5 mg bij gelijktijdig gebruik van ketoconazol of therapeutische doseringen van andere sterke CYP3A4-remmers, zoals ritonavir, nelfinavir, itraconazol (zie rubriek 4.5).

Wijze van toediening

Solifenacinesuccinaat SUN dient oraal te worden ingenomen en met wat drinken heel te worden doorgeslikt. Het kan met of zonder voedsel worden ingenomen.

4.3 Contra-indicaties

Solifenacine is gecontra-indiceerd bij patiënten met urineretentie, een ernstige gastro-intestinale aandoening (met inbegrip van toxisch megacolon), myasthenia gravis of nauwe kamerhoekglaucoom, en patiënten met een risico op deze aandoeningen.

  • Overgevoeligheid voor de werkzame stof of voor een van de in rubriek 6.1 vermelde hulpstoffen
  • Patiënten die hemodialyse ondergaan (zie rubriek 5.2).
  • Patiënten met ernstige leverinsufficiëntie (zie rubriek 5.2).
  • Patiënten met een ernstige nierinsufficiëntie of matige leverinsufficiëntie die worden behandeld met een sterke CYP3A4-remmer, zoals ketoconazol (zie rubriek 4.5).

4.4 Bijzondere waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik

Andere oorzaken van frequent urineren (hartfalen of nierziekte) dienen te worden onderzocht voordat de behandeling met solifenacinesuccinaat wordt gestart. Als er sprake is van een urineweginfectie, dient een passende antibacteriële therapie te worden ingezet.

Solifenacinesuccinaat SUN dient met de nodige voorzichtigheid gebruikt te worden bij patiënten:

  • met een klinisch significante obstructie van de blaas met een risico op urineretentie.
  • met gastro-intestinale obstructie.
  • met een risico op verminderde gastro-intestinale motiliteit
  • met ernstige nierinsufficiëntie (creatinineklaring ≤ 30 ml/min; zie rubrieken 4.2 en 5.2) en de dagelijkse dosering mag niet hoger zijn dan 5 mg voor deze patiënten.
  • met matige leverinsufficiëntie (Child-Pugh score van 7 tot 9; zie rubrieken 4.2 en 5.2), en de dagelijkse dosering mag voor deze patiënten niet hoger zijn dan 5 mg.
  • die gelijktijdig behandeld worden met een sterke CYP3A4-remmer, zoals ketoconazol (zie rubrieken 4.2 en 4.5).
  • met een hiatus hernia/gastro-esofageale reflux en/of patiënten die gelijktijdig geneesmiddelen gebruiken die oesofagitis kunnen veroorzaken of verergeren, zoals bisfosfonaten.
  • met autonome neuropathie.

QT-verlenging en torsade de pointes zijn waargenomen bij patiënten met risicofactoren zoals bestaande lange-QT-syndroom en hypokaliëmie.

De veiligheid en werkzaamheid zijn nog niet vastgesteld bij patiënten met een neurogene oorzaak voor overactiviteit van de blaas.

Angio-oedeem met luchtwegobstructie is gemeld bij sommige patiënten op solifenacinesuccinaat.

Indien angio-oedeem optreedt, dient de behandeling met Solifenacinesuccinaat SUN te worden gestaakt en zal een geschikte behandeling moeten worden ingesteld en/of passende maatregelen worden genomen.

Anafylactische reacties zijn gerapporteerd bij enkele patiënten die werden behandeld met solifenacinesuccinaat. Indien anafylactische reacties optreden, dient de behandeling met Solifenacinesuccinaat SUN te worden gestaakt en zal een geschikte behandeling moeten worden ingesteld en/of maatregelen worden genomen.

Het maximale effect van Solifenacinesuccinaat SUN kan op zijn vroegst pas na 4 weken worden vastgesteld.

Solifenacinesuccinaat SUN 5 mg bevat lactose.

Patiënten met zeldzame erfelijke aandoeningen als galactose-intolerantie, algehele lactasedeficiëntie of glucose-galactose malabsorptie, dienen dit geneesmiddel niet te gebruiken.

4.5 Interacties met andere geneesmiddelen en andere vormen van interactie

Farmacologische interacties

Gelijktijdige behandeling met andere geneesmiddelen die anticholinerge eigenschappen hebben, kan resulteren in meer uitgesproken therapeutische effecten en bijwerkingen. Alvorens met een andere anticholinerge therapie te beginnen, dient men een interval van ongeveer een week te hanteren na het stoppen van de behandeling met Solifenacinesuccinaat SUN. Het therapeutische effect van solifenacine kan verminderd worden indien het tegelijk met cholinerge receptoragonisten wordt toegediend.

Het effect van middelen die de motiliteit van het maag-darmkanaal bevorderen, zoals metoclopramide en cisapride, kan door solifenacine verminderd worden.

Farmacokinetische interacties

In vitro studies hebben getoond dat solifenacine in therapeutische concentraties geen remming veroorzaakt vanuit humane levermicrosomen verkregen CYP1A1/2, 2C9, 2C19, 2D6, of 3A4. Derhalve is het niet aannemelijk dat solifenacine de klaring verandert van geneesmiddelen die ook door deze enzymen worden gemetaboliseerd.

Effect van andere geneesmiddelen op de farmacokinetiek van solifenacine

Solifenacine wordt gemetaboliseerd door CYP3A4. Gelijktijdige toediening van ketoconazol (200 mg/dag), een sterke CYP3A4-remmer, resulteerde in een verdubbeling van de AUC van solifenacine, terwijl een ketoconazol dosering van 400 mg/dag resulteerde in een verdrievoudiging van de AUC van solifenacine. Daarom dient de maximale dosering solifenacinesuccinaat beperkt te worden tot 5 mg wanneer het gelijktijdig wordt gebruikt met ketoconazol of therapeutische doseringen van andere sterke CYP3A4-remmers (zoals ritonavir, nelfinavir, itraconazol) (zie rubriek 4.2).

Gelijktijdige toediening van solifenacine en een sterke CYP3A4-remmer is gecontra-indiceerd bij patiënten met ernstige nierinsufficiëntie of matige leverinsufficiëntie.

De effecten van enzyminductie op de farmacokinetiek van solifenacine en haar metabolieten, noch het effect van substraten met een hogere affiniteit voor CYP3A4 op de blootstelling aan solifenacine, zijn onderzocht. Omdat solifenacine wordt gemetaboliseerd door CYP3A4 kunnen farmacokinetische interacties optreden met andere CYP3A4-substraten met een hogere affiniteit (zoals verapamil, diltiazem) en CYP3A4-inductoren (zoals rifampicine, fenytoïne, carbamazepine).

Effect van solifenacine op de farmacokinetiek van andere geneesmiddelen

Orale contraceptiva

Inname van solifenacinesuccinaat had geen invloed op de farmacokinetiek van combinatiepreparaten van orale anticonceptiva (ethinyloestradiol/levonorgestrel).

Warfarine

Inname van solifenacinesuccinaat had geen invloed op de farmacokinetiek van R-warfarine en S- warfarine en hun effecten op de protrombinetijd.

Digoxine

Inname van solifenacinesuccinaat had geen invloed op de farmacokinetiek van digoxine.

4.6 Vruchtbaarheid, zwangerschap en borstvoeding

Zwangerschap

Er zijn geen klinische gegevens van vrouwen die zwanger werden tijdens de behandeling met solifenacine. Dierproeven laten geen directe schadelijke effecten zien op de vruchtbaarheid, ontwikkeling van het embryo/de foetus of de bevalling (zie rubriek 5.3). Het potentiële risico voor de mens is niet bekend. Voorzichtigheid is geboden bij het voorschrijven aan zwangere vrouwen.

Borstvoeding

Er zijn geen gegevens beschikbaar over de excretie van solifenacine in de moedermelk bij de mens. In muizen

werden solifenacine en/of haar metabolieten in de melk uitgescheiden, en veroorzaakten deze een dosisafhankelijke groeistoornis bij pasgeboren muizen (zie rubriek 5.3). Daarom dient gebruik van Solifenacinesuccinaat SUN bij borstvoeding te worden vermeden.

4.7 Beïnvloeding van de rijvaardigheid en het vermogen om machines te bedienen

Omdat solifenacine, net als andere anticholinerge stoffen, wazig zien, en soms slaperigheid en vermoeidheid (zie rubriek 4.8 Bijwerkingen) kan veroorzaken, heeft solifenacine invloed op de rijvaardigheid en op het vermogen om machines te bedienen.

4.8 Bijwerkingen

Samenvatting van het veiligheidsprofiel

Ten gevolge van de farmacologische werking, kan Solifenacinesuccinaat SUN anticholinerge bijwerkingen veroorzaken van in het algemeen milde of matige aard. De frequentie van anticholinerge bijwerkingen is gerelateerd aan de dosering.

De meest gerapporteerde bijwerking van Solifenacinesuccinaat SUN was een droge mond. Dit kwam voor bij ongeveer 11% van de patiënten behandeld met 5 mg per dag, 22% van de patiënten behandeld met 10 mg per dag en in 4% van de met placebo behandelde patiënten. De ernst van een droge mond was over het algemeen milde en leidde slechts in enkele gevallen tot het afbreken van de behandeling. In het algemeen was de therapietrouw erg hoog (ongeveer 99%) en ongeveer 90% van de patiënten behandeld met solifenacinesuccinaat voltooide de volledige behandelingsperiode van 12 weken.

Overzicht van bijwerkingen in tabelvorm

Systeem/orgaZeer vaakVaakSomsZeldenZeer zeldenNiet bekend
anklas(≥1/10)(≥1/100,(≥1/1.000,(≥1/10.000,(<1/10.000)(kan met de
sen volgens<1/10)<1/100)<1/1.000)beschikbare
gegevensbankgegevens
MedDRAniet
worden
bepaald)

Infecties en parasitaire

aandoeningen

Urineweginfe ctie

Cystitis

Immuunsystee maandoeninge

n

Anafylactisch e reactie *
Voedings- enVerminderde
stofwisselingsseetlust*
toornissenHyperkaliëmi
e
*
Psychische stoornissen

Hallucinaties*

Verwarde toestand*

Delirium*
Zenuwstelselaa ndoeningenSlaperigheid Dysgeusie

Duizeligheid

* Hoofdpijn*

Oogaandoenin genWazig zienDroge ogenGlaucoom*
HartaandoeninTorsade de
genpointes*
Elektrocardio
gram
QT verlengd*
Atriumfibrillat
ie*
Palpitaties*
Tachycardie*

Ademhalingsst elsel-,

borstkas- en mediastinumaa

ndoeningen

Droge neusslijmvliez enDysfonie*
MaagdarmstelsDrogeConstipatieGastroesofageColonobstrucIleus*
elaandoeningemondMisselijkheidaletieAbdominale
nDyspepsierefluxFecaleklachten*
BuikpijnDroge keelimpactie
Braken*
Lever- en galaandoening enLeveraandoen ing* Abnormale resultaten leverfunctie test*
Huid ofDroge huidPruritus*ErythemaExfoliatieve
onderhuid-Huiduitslag*multiforme*dermatitis*
aandoeningenUrticaria*
Angiooedeem*

Skeletspierstels el- en bindweefselaan

doeningen

Spierzwakte*
Nier- en urinewegaando eningen

Moeilijkheden met

mictie

UrineretentieNierfalen*

Algemene aandoeningen en toedieningspla

atsstoornissen

Vermoeidheid Perifeer oedeem

*Post-marketing meldingen

Melding van vermoedelijke bijwerkingen

Het is belangrijk om na toelating van het geneesmiddel vermoedelijke bijwerkingen te melden. Op deze wijze kan de verhouding tussen voordelen en risico’s van het geneesmiddel voortdurend worden gevolgd. Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg wordt verzocht alle vermoedelijke bijwerkingen te melden via het Nederlands Bijwerkingen Centrum Lareb, website: www.lareb.nl

4.9 Overdosering

Symptomen

Overdosering met solifenacinesuccinaat kan aanleiding geven tot ernstige anticholinerge effecten. De hoogste dosis solifenacinesuccinaat die onbedoeld aan één patiënt werd gegeven was 280 mg in een periode van 5 uur. Dit resulteerde in veranderingen in mentale toestand waarvoor geen ziekenhuisopname nodig was.

Behandeling

In het geval van een overdosis met solifenacinesuccinaat dient de patiënt behandeld te worden met actieve kool. Maagspoeling is zinvol wanneer dit binnen 1 uur wordt uitgevoerd, maar braken mag niet worden opgewekt.

Zoals voor andere cholinerge stoffen kunnen symptomen als volgt worden behandeld:

  • Ernstige centraal anticholinergische effecten zoals hallucinaties of ernstige opwinding: behandelen met fysostigmine of carbachol.
  • Convulsies of uitgesproken opwinding: behandelen met benzodiazepines.
  • Respiratoire insufficiëntie: behandelen door middel van kunstmatige beademing.
  • Tachycardie: behandelen met bètablokkers.
  • Urineretentie: behandelen door middel van catheterisatie.
  • Mydriasis: behandelen met pilocarpine oogdruppels en/of middels het overbrengen van de patiënt naar een donkere ruimte.

Zoals met andere antimuscarinica dient in geval van overdosering speciale aandacht te worden gegeven aan patiënten met een bekend risico op QT-verlenging (zoals hypokaliëmie, bradycardie en gelijktijdige toediening van middelen waarvan bekend is dat ze het QT-interval verlengen) en relevante hartziekten in de anamnese (zoals myocard-ischemie, aritmie en congestief hartfalen).

5. FARMACOLOGISCHE EIGENSCHAPPEN

5.1 Farmacodynamische eigenschappen

Farmacotherapeutische groep: Urinaire antispasmodica, ATC-code: G04B D08 Werkingsmechanisme

Solifenacine is een competitieve, specifieke cholinerge-receptorantagonist.

De urineblaas wordt geïnnerveerd door parasympathische cholinerge zenuwen. Acetylcholine veroorzaakt samentrekking van het gladde spierweefsel van de detrusor via muscarinereceptoren, voornamelijk van het M3 subtype. In vitro en in vivo farmacologische experimenten wijzen erop dat solifenacine een competitieve remmer van de M3 subtype receptor is. Bovendien is aangetoond dat solifenacine een specifieke antagonist voor muscarinereceptoren is met een lage of geen affiniteit voor verscheidene andere receptoren en ionkanalen die zijn getest.

Farmacodynamische effecten

Behandeling met solifenacinesuccinaat in doseringen van 5 en 10 mg eenmaal daags is onderzocht in verscheidene dubbelblinde, gerandomiseerde, gecontroleerde klinische studies onder mannelijke en vrouwelijke patiënten met symptomen van een overactieve blaas.

Eenmaal daagse toediening van 5 en 10 mg solifenacinesuccinaat liet ten opzichte van placebo te allen tijde een statistisch significante verbetering zien van de symptomen geassocieerd met een overactieve blaas (zie tabel).

Het effect van de behandeling kan binnen 1 week worden waargenomen en stabiliseert over een periode van 12 weken. Een langdurende open label studie heeft aangetoond dat de werkzaamheid behouden bleef gedurende ten minste 12 maanden. Na 12 weken behandeling werden ongeveer 50% van de patiënten met incontinentie voor behandeling vrij van incontinentie, en ongeveer 35% van de patiënten bereikte een mictiefrequentie van minder dan 8 micties per dag. Behandeling van de symptomen van overactieve blaas resulteerde tevens in de verbetering van een aantal aspecten van kwaliteit van leven, zoals de algemene gezondheidsperceptie, invloed van incontinentie op de kwaliteit van leven, rollen beperkingen, fysieke beperkingen, sociale beperkingen, emoties, ernst van de symptomen, maatregelen m.b.t. de ernst en de verhouding slaap/energie.

Resultaten (gecombineerde analyse) van 4 gecontroleerde Fase-III-studies, 12 weken behandeling

PlaceboSolifenacine succinaat 5 mg per dag

Solifenacin e succinaat 10 mg per

dag

Tolterodine 2 mg tweemaal daags
Aantal micties per 24 uur
Gemiddelde baseline11,912,111,912,1
Gemiddelde afname t.o.v.1,42,32,71,9
baseline(12%)(19%)(23%)(16%)
% verschil t.o.v. baseline11385521158250
n<0,001<0,0010,004
p-waarde*
Aantal aandrang-episodes per 24 uur
Gemiddelde baseline6,35,96,25,4
Gemiddelde afname t.o.v.2,02,93,42,1
baseline(32%)(49%)(55%)(39%)
% verschil t.o.v. baseline11245481151250
n<0,001<0,0010,031
p-waarde*
Aantal incontinentie episodes per 24 uur
Gemiddelde baseline2,92,62,92,3
Gemiddelde afname t.o.v.1,11,51,81,1
baseline(38%)(58%)(62%)(48%)
% verschil t.o.v. baseline781314778157
n<0,001<0,0010,009
p-waarde*
Aantal nycturie episodes per 24 uur
Gemiddelde baseline1,82,01,81,9
Gemiddelde afname t.o.v.0,40,60,60,5
baseline(22%)(30%)(33%)(26%)
% verschil t.o.v. baseline10054941035232
n0,025<0,0010,199
p-waarde*
Geplast volume per mictie
Gemiddelde baseline166 ml146 ml163 ml147 ml
Gemiddelde toename t.o.v.9 ml32 ml43 ml24 ml
baseline(5%)(21%)(26%)(16%)
% verschil t.o.v. baseline11355521156250
n<0,001<0,001<0,001
p-waarde*
Aantal luiers per 24 uur
Gemiddelde baseline3,02,82,72,7
Gemiddelde afname t.o.v.0,81,31,31,0
baseline(27%)(46%)(48%)(37%)
% verschil t.o.v. baseline238236242250
n<0,001<0,0010,010
p-waarde*

Noot: In 4 van de belangrijkste studies werd solifenacinesuccinaat 10 mg en placebo gebruikt. In 2 van de 4 studies werd tevens solifenacinesuccinaat 5 mg gebruikt en in één studie tolterodine tweemaal daags 2 mg.

Niet alle waarnemingen en behandelingsgroepen zijn geëvalueerd in elke individuele studie. Daarom kunnen de aantallen patiënten in de tabel verschillen per waarneming en per behandelingsgroep.

* Statistische significantie in vergelijking met placebo

5.2 Farmacokinetische eigenschappen

Absorptie

Na inname van solifenacinesuccinaat tabletten worden maximum plasmaconcentraties (Cmax) solifenacine na 3 tot 8 uur (tmax) bereikt. De tmax is onafhankelijk van de dosis. De Cmax en de oppervlakte onder tijd-curve (AUC) nemen evenredig toe met de dosis tussen 5 en 40 mg. De absolute biologische beschikbaarheid is ongeveer 90%.

Voedselinname heeft geen effect op de Cmax en de AUC van solifenacine. Distributie

Het distributievolume van solifenacine na intraveneuze toediening is ongeveer 600 l. Solifenacine wordt in sterke mate (ongeveer 98%) gebonden aan plasmaproteïnen, voornamelijk α1-glycoproteinezuur.

Biotransformatie

Solifenacine wordt in hoge mate gemetaboliseerd door de lever, voornamelijk door cytochroom P450 3A4 (CYP3A4). Er zijn echter ook andere metabole routes die kunnen bijdragen aan het metabolisme van solifenacine. De systemische klaring van solifenacine is ongeveer 9,5 l/uur en de terminale halfwaardetijd is 45-68 uur. Na orale toediening zijn in het plasma, naast solifenacine, één actieve metaboliet (4R-hydroxy solifenacine) en drie inactieve metabolieten (N-glucuronide, N-oxide en 4R- hydroxy-N-oxide solifenacine).

Eliminatie

Na eenmalige toediening van 10 mg [14C-gelabeld]- solifenacine werd ongeveer 70% van de radioactiviteit terug gevonden in de urine en 23% in de feces, gedurende 26 dagen. In de urine werd ongeveer 11% van de radioactiviteit teruggevonden als onveranderd werkzaam bestanddeel; ongeveer 18% als de N-oxide metaboliet, 9% als de 4R-hydroxy-N-oxide metaboliet en 8% als de 4R-hydroxy metaboliet (werkzame metaboliteit).

Lineariteit/niet-lineariteit

In het therapeutisch doseringsgebied is er sprake van lineaire farmacokinetiek. Andere bijzondere populaties

Ouderen

Doseringsaanpassing op basis van leeftijd is niet noodzakelijk. Studies in oudere patiënten hebben aangetoond dat de blootstelling aan solifenacine, uitgedrukt in AUC na toediening van solifenacinesuccinaat (5 mg en 10 mg eenmaal daags) gelijk was in gezonde oudere (65-80 jaar) en jongere (jonger dan 55 jaar) proefpersonen. De gemiddelde absorptiesnelheid, uitgedrukt als tmax, was iets langzamer en de halfwaardetijd was ongeveer 20% langer bij de oudere proefpersonen. Deze geringe verschillen werden klinisch niet significant geacht.

De farmacokinetiek van solifenacine is niet vastgesteld bij kinderen en adolescenten.

Geslacht

De farmacokinetiek van solifenacine wordt niet beïnvloed door het geslacht.

Ras

De farmacokinetiek van solifenacine wordt niet beïnvloed door het ras.

Nierinsufficiëntie

De AUC en Cmax van solifenacine bij patiënten met milde tot matige nierinsufficiëntie was niet significant verschillend van die bij gezonde proefpersonen. Bij patiënten met ernstige

nierinsufficiëntie (creatinineklaring ≤ 30 ml/min) was de blootstelling aan solifenacine significant groter dan in controle proefpersonen; Cmax was ongeveer 30% hoger, AUC meer dan 100% en de halfwaardetijd meer dan 60%. Een statistisch significant verband werd waargenomen tussen de creatinineklaring en de klaring van solifenacine.

De farmacokinetiek bij patiënten die hemodialyse ondergaan is niet onderzocht.

Leverinsufficiëntie

Bij patiënten met matige leverinsufficiëntie (Child-Pugh score van 7 tot 9) is de Cmax niet beïnvloed, de AUC met 60% toegenomen en de halfwaardetijd verdubbeld. De farmacokinetiek van solifenacine in patiënten met ernstige leverinsufficiëntie is niet onderzocht.

5.3 Gegevens uit het preklinisch veiligheidsonderzoek

Preklinische gegevens duiden niet op een speciaal risico voor de mens. Deze gegevens zijn afkomstig van conventionele studies op het gebied van veiligheidsfarmacologie, toxiciteit bij herhaalde dosering, vruchtbaarheid, ontwikkeling van het embryo/de foetus, genotoxiciteit en carcinogeen potentieel. In een pre- en postnatale ontwikkelingsstudie bij muizen leidde solifenacine, in klinisch relevante concentraties, bij lacterende muizen tot een dosisafhankelijke postpartum-afname in overleving, gewichtsverlies en vertraagde fysieke ontwikkeling van de pups. Dosisgerelateerde verhoogde mortaliteit zonder voorafgaande klinische symptomen kwam voor bij jonge muizen die vanaf dag

10 of 21 na geboorte werden behandeld met doseringen die een farmacologisch effect bereikten en beide groepen hadden een hogere mortaliteit in vergelijking met volwassen muizen. In jonge muizen, die postnataal op dag 10 werden behandeld, was de plasma blootstelling hoger dan bij volwassen muizen; vanaf postnataal dag 21 was de systemische blootstelling vergelijkbaar met die van volwassen muizen. De klinische implicaties van de verhoogde mortaliteit bij jonge muizen zijn niet bekend.

6. FARMACEUTISCHE GEGEVENS

6.1 Lijst van hulpstoffen

Kern van de tablet Lactose Hypromellose (E464) Maïszetmeel

Magnesiumstearaat (E470b)

Filmomhulling

Opadry Wit YS-1-7040 (Hypromellose (E464)/HPMC 2910, Macrogol 6000/PEG (E1521), Titaniumdioxide (E171), Talk (E553b))

IJzeroxide geel (E172)

6.2 Gevallen van onverenigbaarheid

Niet van toepassing.

6.3 Houdbaarheid

2 jaar.

6.4 Speciale voorzorgsmaatregelen bij bewaren

Voor dit geneesmiddel zijn er geen speciale bewaarcondities.

6.5 Aard en inhoud van de verpakking

Verpakking

De tabletten zijn verpakt in:

PVC/PVDC Eenheidsafleververpakking (EAV) blisterverpakking

PVC/PVDC blisterverpakking bestaande uit helder, doorzichtig PVC (bedekt met PVDC ) film met gehard aluminiumfolie met hitteverzegelingslak aan de binnenkant.

HDPE-Flesverpakking

Flesverpakking bestaande uit witte ondoorzichtige 40 ml HDPE fles met een sluiting van polypropyleen die moeilijk te openen is voor kinderen.

Blisterverpakking:

30, 50, 90, 100 filmomhulde tabletten

Flesverpakking

30, 50, 90, 100 filmomhulde tabletten

Niet alle verpakkingsgrootten worden in de handel gebracht.

6.6 Speciale voorzorgsmaatregelen voor het verwijderen

Geen bijzondere vereisten.

7. HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN

Sun Pharmaceutical Industries Europe B.V. Polarisavenue 87

2132 JH Hoofddorp Nederland

8. NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN

Solifenacinesuccinaat SUN 5 mg, filmomhulde tabletten: RVG 122396

9. DATUM VAN EERSTE VERLENING VAN DE VERGUNNING/VERLENGING VAN DE VERGUNNING

Datum van de eerste verlening van de vergunning: 17 september 2019 Datum van de laatste verlenging van de vergunning: 3 april 2022

10. DATUM VAN HERZIENING VAN DE TEKST

Laatste gedeeltelijke herziening betreft rubriek 6.5: 2 augustus 2024

Over dit document

Bron: CBG-MEB – Geneesmiddeleninformatiebank · Registratienummer: RVG 122396

Datum van herziening volgens de tekst: 02-08-2024

Een fout gevonden? Schrijf ons via de contactpagina.

De informatie op deze website vervangt niet het advies van uw arts of apotheker.

Gegevens over het medicijn Solifenacinesuccinaat SUN 5 mg filmomhulde tablet

Afleverstatus
Alleen op recept?
  • Afleverstatus: alleen op recept (UR, uitsluitend recept)
Werkzame stof Solifenacine
Farmaceutische vorm Filmomhulde tablet
Toedieningsweg Oraal gebruik
Hulpstoffen
hypromellose 2910 (3 - 15 mpa.s) (e 464), ijzeroxide geel (e 172), lactose 0-water, macrogol 6000 … (+4)+

hypromellose 2910 (3 - 15 mpa.s) (e 464), ijzeroxide geel (e 172), lactose 0-water, macrogol 6000, magnesiumstearaat (e 470b), maïszetmeel, talk (e 553b), titaandioxide (e 171)

ATC-indeling
  1. G Middelen voor urogenitaal stelsel en geslachtshormonen
    1. G04 Urologische middelen
      1. G04B Urologische middelen
        1. G04BD Middelen bij frequente mictie en incontinentie
          1. G04BD08 Solifenacine
Registratiehouder Sun Pharmaceutical Industries Europe B.V.
Registratie 122396 sinds 17-09-2019 Procedure: NL/H/3734/003

Bron: CBG-MEB – Geneesmiddeleninformatiebank, gegevens van 31-10-2026. Gegevens uit de Geneesmiddeleninformatiebank van het CBG-MEB, zonder garantie. Ze vervangen niet het advies van uw arts of apotheker.