Bijsluiter-info.nl

Sitagliptine Aspire – SmPC

De SmPC is bedoeld voor zorgverleners. Begrijpelijke informatie voor patiënten staat in de bijsluiter: dosering, bijwerkingen, andere geneesmiddelen, zwangerschap en borstvoeding.

Status:
Alleen op recept Feiten
Sterkte:
25 mg, 50 mg, 100 mg
Werkzame stof:

SmPC (samenvatting van de productkenmerken) - Sitagliptine Aspire

1 NAAM VAN HET GENEESMIDDEL

Sitagliptine Aspire 25 mg filmomhulde tabletten

Sitagliptine Aspire 50 mg filmomhulde tabletten

Sitagliptine Aspire 100 mg filmomhulde tabletten

2 KWALITATIEVE EN KWANTITATIEVE SAMENSTELLING

Sitagliptine Aspire 25 mg filmomhulde tabletten

Elke filmomhulde tablet bevat sitagliptinefosfaatmonohydraat, overeenkomend met 25 mg sitagliptine.

Sitagliptine Aspire 50 mg filmomhulde tabletten

Elke filmomhulde tablet bevat sitagliptinefosfaatmonohydraat, overeenkomend met 50 mg sitagliptine.

Sitagliptine Aspire 100 mg filmomhulde tabletten

Elke filmomhulde tablet bevat sitagliptinefosfaatmonohydraat, overeenkomend met 100 mg sitagliptine.

Voor de volledige lijst van hulpstoffen, zie rubriek 6.1.

3 FARMACEUTISCHE VORM

Filmomhulde tabletten (tablet)

Sitagliptine Aspire 25 mg filmomhulde tabletten

Roze, ronde filmomhulde tabletten met aan één zijde de inscriptie ‘11’ en aan de andere zijde geen inscriptie. Met een diameter van ongeveer 6 mm.

Sitagliptine Aspire 50 mg filmomhulde tabletten

Lichtbeige, ronde filmomhulde tabletten met aan één zijde de inscriptie ‘12’ en aan de andere zijde geen inscriptie. Met een diameter van ongeveer 8 mm.

Sitagliptine Aspire 100 mg filmomhulde tabletten

Beige, ronde filmomhulde tabletten met aan één zijde de inscriptie ‘13’ en aan de andere zijde geen inscriptie. Met een diameter van ongeveer 10 mm.

4 KLINISCHE GEGEVENS

4.1 Therapeutische indicaties

Bij volwassen patiënten met type 2-diabetes mellitus is Sitagliptine Aspire geïndiceerd voor het verbeteren van de bloedglucoseregulatie:

als monotherapie:

  • voor patiënten bij wie de glucosespiegel met alleen dieet en lichaamsbeweging onvoldoende onder controle kan worden gebracht en voor wie metformine ongeschikt is omdat het gecontra-indiceerd is of niet verdragen wordt.

als orale duotherapie in combinatie met:

  • metformine, als met dieet en lichaamsbeweging plus alleen metformine de glucosespiegel onvoldoende onder controle kan worden gebracht.
  • een sulfonylureumderivaat, als met dieet en lichaamsbeweging plus de maximale verdragen dosis van alleen een sulfonylureumderivaat de glucosespiegel onvoldoende onder controle kan worden gebracht en als metformine ongeschikt is omdat het gecontra-indiceerd is of niet verdragen wordt.
  • een peroxisome proliferator-activated receptor gamma (PPARγ)-agonist (een thiazolidinedion), als gebruik van een PPARγ-agonist aangewezen is en als met dieet en lichaamsbeweging plus de PPARγ-agonist alleen de glucosespiegel onvoldoende onder controle kan worden gebracht.
  • als orale tripeltherapie in combinatie met:
  • een sulfonylureumderivaat en metformine, als met dieet en lichaamsbeweging plus behandeling met deze beide geneesmiddelen de glucosespiegel onvoldoende onder controle kan worden gebracht.
  • een PPARγ-agonist en metformine, wanneer gebruik van een PPARγ-agonist aangewezen is en als met dieet en lichaamsbeweging plus behandeling met deze beide geneesmiddelen de glucosespiegel onvoldoende onder controle kan worden gebracht.
  • Sitagliptine Aspire is ook geїndiceerd als toevoeging aan insuline (met of zonder metformine), als met dieet en lichaamsbeweging plus een stabiele dosis van insuline de glucosespiegel onvoldoende onder controle kan worden gebracht.

4.2 Dosering en wijze van toediening

Dosering

De dosis is 100 mg sitagliptine eenmaal daags. Wanneer gebruikt in combinatie met metformine en/of een PPARγ-agonist, moet de dosis van metformine en/of de PPARγ-agonist onveranderd blijven en moet Sitagliptine Aspire gelijktijdig worden toegediend.

Als Sitagliptine Aspire in combinatie met een sulfonylureumderivaat of met insuline wordt gebruikt, kan een lagere dosis van het sulfonylureumderivaat of de insuline worden overwogen om de kans op hypoglykemie te verminderen (zie rubriek 4.4).

Als een dosis Sitagliptine Aspire wordt overgeslagen, moet deze worden ingenomen zodra de patiënt eraan denkt. Op dezelfde dag mag geen dubbele dosis worden ingenomen.

Speciale populaties

Nierfunctiestoornis

Wanneer gebruik van sitagliptine in combinatie met een ander antidiabetisch geneesmiddel wordt overwogen, moeten de voorwaarden voor gebruik van dit middel bij patiënten met een nierfunctiestoornis worden gecontroleerd.

Voor patiënten met een lichte nierfunctiestoornis (glomerulaire filtratiesnelheid [GFR] ≥60 tot <90 ml/min) hoeft de dosis niet te worden aangepast.

Voor patiënten met een matige nierfunctiestoornis (GFR ≥45 tot <60 ml/min) hoeft de dosis niet te worden aangepast.

Voor patiënten met een matige nierfunctiestoornis (GFR ≥30 tot <45 ml/min) is de dosis Sitagliptine Aspire 50 mg eenmaal daags.

Voor patiënten met een ernstige nierfunctiestoornis (GFR ≥15 tot <30 ml/min) of eindstadium nierfalen (ESRD) (GFR <15 ml/min), waaronder degenen die hemodialyse of peritoneale dialyse nodig hebben, is de dosis Sitagliptine Aspire 25 mg eenmaal daags. De behandeling kan worden toegediend, ongeacht het tijdstip van de dialyse.

Omdat de dosis op basis van de nierfunctie moet worden aangepast, wordt aanbevolen vóór aanvang van behandeling met Sitagliptine Aspire en daarna periodiek de nierfunctie te beoordelen.

Leverfunctiestoornis

Voor patiënten met een lichte tot matige leverfunctiestoornis hoeft de dosis niet te worden aangepast. Sitagliptine is niet onderzocht bij patiënten met een ernstige leverfunctiestoornis en voorzichtigheid is geboden (zie rubriek 5.2).

Omdat sitagliptine echter vooral via de nieren wordt uitgescheiden, wordt niet verwacht dat een ernstige leverfunctiestoornis van invloed is op de farmacokinetiek van sitagliptine.

Ouderen

De dosis hoeft niet op grond van leeftijd te worden aangepast.

Pediatrische patiënten

Sitagliptine mag niet worden gebruikt bij kinderen en jongeren van 10 tot en met 17 jaar vanwege onvoldoende werkzaamheid. De momenteel beschikbare gegevens worden beschreven in rubriek 4.8, 5.1 en 5.2. Sitagliptine is niet onderzocht bij kinderen jonger dan 10 jaar.

Wijze van toediening

Sitagliptine Aspire kan met of zonder voedsel worden ingenomen.

Vanwege de bittere smaak wordt aanbevolen om niet te kauwen op de filmomhulde tablet of deze te vermalen.

4.3 Contra-indicaties

Overgevoeligheid voor de werkzame stof of voor een van de in rubriek 6.1 vermelde hulpstoffen (zie rubriek 4.4 en 4.8).

4.4 Bijzondere waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik

Algemeen

Sitagliptine Aspire mag niet worden gebruikt bij patiënten met type 1-diabetes of voor de behandeling van diabetische ketoacidose.

Acute pancreatitis

Het gebruik van DPP-4-remmers is in verband gebracht met een risico op het ontwikkelen van acute pancreatitis. Patiënten moeten worden geïnformeerd over het kenmerkende symptoom van acute pancreatitis: aanhoudende, ernstige buikpijn. Na stopzetting van sitagliptine (met of zonder ondersteunende behandeling) is waargenomen dat de pancreatitis verdween, maar er zijn zeer zeldzame gevallen van necrotiserende of hemorragische pancreatitis en/of overlijden gemeld. Als pancreatitis vermoed wordt, moeten Sitagliptine Aspire en andere mogelijk suspecte geneesmiddelen worden stopgezet; als acute pancreatitis wordt bevestigd, mag Sitagliptine Aspire niet worden hervat. Voorzichtigheid moet worden betracht bij patiënten met een voorgeschiedenis van pancreatitis.

Hypoglykemie bij gebruik in combinatie met andere antihyperglykemische geneesmiddelen

In klinisch onderzoek met Sitagliptine Aspire als monotherapie en als onderdeel van combinatietherapie met geneesmiddelen die zover bekend geen hypoglykemie veroorzaken (zoals metformine en/of een PPARγ-agonist), was de gemelde frequentie van hypoglykemie met sitagliptine ongeveer gelijk aan die bij patiënten die placebo kregen. Hypoglykemie is waargenomen wanneer sitagliptine in combinatie met insuline of een sulfonylureumderivaat werd gebruikt. Daarom kan een lagere dosis van het sulfonylureumderivaat of de insuline worden overwogen om het risico op hypoglykemie te verminderen (zie rubriek 4.2).

Nierfunctiestoornis

Sitagliptine wordt via de nieren uitgescheiden. Om plasmaconcentraties van sitagliptine te krijgen die overeenkomen met die van patiënten met een normale nierfunctie, worden lagere doseringen aanbevolen bij patiënten met GFR <45 ml/min, en ook bij ESRD-patiënten die hemodialyse of peritoneale dialyse nodig hebben (zie rubriek 4.2 en 5.2).

Wanneer gebruik van sitagliptine in combinatie met een ander antidiabetisch geneesmiddel wordt overwogen, moeten de voorwaarden voor gebruik van dit middel bij patiënten met een nierfunctiestoornis worden gecontroleerd.

Overgevoeligheidsreacties

Er zijn postmarketingmeldingen van ernstige overgevoeligheidsreacties bij met sitagliptine behandelde patiënten. Deze reacties zijn onder andere anafylaxie, angio-oedeem en exfoliatieve huidaandoeningen, waaronder het Stevens-Johnsonsyndroom. Deze reacties begonnen in de eerste 3 maanden na aanvang van de behandeling, met enkele meldingen na de eerste dosis. Als een overgevoeligheidsreactie wordt vermoed, moet het gebruik van Sitagliptine Aspire worden stopgezet. Andere mogelijke oorzaken van het voorval moeten worden beoordeeld en er moet worden begonnen met een andere diabetesbehandeling.

Bulleus pemfigoïd

Er zijn postmarketingmeldingen van bulleus pemfigoïd bij patiënten die DPP-4-remmers gebruikten, waaronder sitagliptine. Als bulleus pemfigoïd wordt vermoed, moet Sitagliptine Aspire worden stopgezet.

Natrium

Dit middel bevat minder dan 1 mmol natrium (23 mg) per tablet. Dat wil zeggen dat het in wezen ‘natriumvrij’ is.

4.5 Interacties met andere geneesmiddelen en andere vormen van interactie

Effecten van andere geneesmiddelen op sitagliptine

De hieronder beschreven klinische gegevens maken het aannemelijk dat sitagliptine weinig gevoelig is voor klinisch significante interacties met gelijktijdig toegediende geneesmiddelen.

In vitro-onderzoek wees uit dat het primaire enzym dat verantwoordelijk is voor het beperkte metabolisme van sitagliptine CYP3A4 is, met inbreng van CYP2C8. Bij patiënten met een normale nierfunctie speelt metabolisme, ook dat via CYP3A4, slechts een geringe rol in de klaring van sitagliptine. Metabolisme kan een belangrijkere rol spelen bij de eliminatie van sitagliptine in de setting van een ernstige nierfunctiestoornis of eindstadium nierfalen (ESRD). Daarom is het mogelijk dat krachtige CYP3A4-remmers (zoals ketaconazol, itraconazol, ritonavir, claritromycine) bij patiënten met een ernstige nierfunctiestoornis of ESRD de farmacokinetiek van sitagliptine kunnen veranderen. De effecten van krachtige CYP3A4-remmers in de setting van een nierfunctiestoornis zijn niet in klinisch onderzoek bestudeerd.

In vitro-transportonderzoek wees uit dat sitagliptine een substraat voor p-glycoproteïne en organic anion transporter-3 (OAT3) is. Door OAT3 gemedieerd transport van sitagliptine werd in vitro geremd door probenecide, hoewel het risico op klinisch significante interacties laag wordt geacht. Gelijktijdige toediening van OAT3-remmers is niet in vivo onderzocht.

Metformine: Gelijktijdige toediening van meerdere tweemaaldaagse doses van 1000 mg metformine met 50 mg sitagliptine gaf geen wezenlijke verandering van de farmacokinetiek van sitagliptine bij patiënten met type 2-diabetes.

Ciclosporine: Het effect van ciclosporine, een krachtige remmer van p-glycoproteïne, op de farmacokinetiek van sitagliptine is in een onderzoek beoordeeld. Gelijktijdige toediening van een eenmalige orale dosis sitagliptine 100 mg en een eenmalige orale dosis ciclosporine 600 mg verhoogde de AUC en Cmax van sitagliptine met respectievelijk ongeveer 29% en 68%. Deze veranderingen in de farmacokinetiek van sitagliptine werden niet klinisch relevant geacht. De renale klaring van sitagliptine veranderde niet wezenlijk. Daarom worden er met andere remmers van p-glycoproteïne geen belangrijke interacties verwacht.

Effecten van sitagliptine op andere geneesmiddelen

Digoxine: Sitagliptine had een gering effect op de plasmaconcentraties digoxine. Na dagelijkse toediening van 0,25 mg digoxine samen met 100 mg sitagliptine gedurende 10 dagen was de plasma-AUC van digoxine gemiddeld met 11% en de plasma- Cmax gemiddeld met 18% verhoogd. Er wordt geen aanpassing van de dosis digoxine aanbevolen. Maar patiënten met een risico op digoxinetoxiciteit moeten hierop worden gecontroleerd als sitagliptine en digoxine gelijktijdig worden toegediend.

In vitro-gegevens maken het aannemelijk dat sitagliptine CYP450-iso-enzymen niet remt of induceert. In klinisch onderzoek gaf sitagliptine geen wezenlijke verandering van de farmacokinetiek van metformine, glibenclamide, simvastatine, rosiglitazon, warfarine of orale anticonceptiva, waarmee in vivo bewezen is dat sitagliptine een lage neiging heeft om interacties te veroorzaken met substraten van CYP3A4, CYP2C8, CYP2C9 en organic cationic transporter (OCT). Sitagliptine kan in vivo een lichte remmer van p-glycoproteïne zijn.

4.6 Vruchtbaarheid, zwangerschap en borstvoeding

Zwangerschap

Er zijn geen toereikende gegevens over het gebruik van sitagliptine bij zwangere vrouwen. Uit dieronderzoek is bij hoge doses reproductietoxiciteit gebleken (zie rubriek 5.3). Het potentiële risico voor de mens is niet bekend. Vanwege het gebrek aan gegevens bij de mens mag Sitagliptine Aspire niet tijdens de zwangerschap worden gebruikt.

Borstvoeding

Het is niet bekend of sitagliptine bij de mens in de moedermelk wordt uitgescheiden. Bij dieronderzoek bleek dat sitagliptine in de moedermelk werd uitgescheiden. Sitagliptine mag niet tijdens het geven van borstvoeding worden gebruikt.

Vruchtbaarheid

Gegevens uit dieronderzoek wijzen niet op effecten van behandeling met sitagliptine op de vruchtbaarheid van mannetjes en vrouwtjes. Gegevens bij de mens ontbreken.

4.7 Beïnvloeding van de rijvaardigheid en het vermogen om machines te bedienen

Sitagliptine Aspire heeft geen of een verwaarloosbare invloed op de rijvaardigheid en op het vermogen om machines te bedienen. Bij het rijden of bij het bedienen van machines moet er echter rekening mee gehouden worden dat duizeligheid en slaperigheid gemeld zijn.

Daarnaast moeten patiënten worden gewezen op het risico van hypoglykemie wanneer Sitagliptine Aspire in combinatie met een sulfonylureumderivaat of met insuline wordt gebruik.

4.8 Bijwerkingen

Samenvatting van het veiligheidsprofiel

Er zijn ernstige bijwerkingen, waaronder pancreatitis en overgevoeligheidsreacties, gemeld. Hypoglykemie is gemeld in combinatie met sulfonylureumderivaten (4,7%-13,8%) en insuline (9,6%) (zie rubriek 4.4).

Tabel met bijwerkingen

Bijwerkingen staan hieronder (tabel 1) per systeemorgaanklasse en frequentie. De frequenties zijn gedefinieerd als: zeer vaak (≥1/10); vaak (≥1/100, <1/10); soms (≥1/1000, <1/100); zelden (≥1/10.000, <1/1000); zeer zelden (<1/10.000) en niet bekend (kan met de beschikbare gegevens niet worden bepaald).

Tabel 1. De frequentie van bijwerkingen zoals bepaald op basis van placebogecontroleerd klinisch onderzoek naar sitagliptine monotherapie en postmarketingervaring

BijwerkingFrequentie van bijwerking
Bloed- en lymfestelselaandoeningen
trombocytopenieZelden
Immuunsysteemaandoeningen
overgevoeligheidsreacties waaronder anafylaxie *,†Frequentie niet bekend
Voedings- en stofwisselingsstoornissen
hypoglykemie†Vaak
Zenuwstelselaandoeningen
hoofdpijnVaak
duizeligheidSoms
Ademhalingsstelsel-, borstkas- en mediastinumaandoeningen
interstitiële longziekte*Frequentie niet bekend
Maag-darmstelselaandoeningen
obstipatieSoms
braken*Frequentie niet bekend
acute pancreatitis*,†,‡Frequentie niet bekend
fatale en niet-fatale hemorragische en necrotiserende pancreatitis*,†Frequentie niet bekend
Huid- en onderhuidaandoeningen
pruritus*Soms
angio-oedeem*,†Frequentie niet bekend
uitslag*,†Frequentie niet bekend
urticaria*,†Frequentie niet bekend
cutane vasculitis*,†Frequentie niet bekend
exfoliatieve huidaandoeningen waaronder het Stevens Johnsonsyndroom*,†Frequentie niet bekend
bulleus pemfigoïd*Frequentie niet bekend
Skeletspierstelsel- en bindweefselaandoeningen
artralgie*Frequentie niet bekend
myalgie*Frequentie niet bekend
rugpijn*Frequentie niet bekend
arthropathie*Frequentie niet bekend
Nier- en urinewegaandoeningen
verminderde nierfunctie*Frequentie niet bekend
acuut nierfalen*Frequentie niet bekend

*Bijwerkingen werden vastgesteld door middel van postmarketingsurveillance.

† Zie rubriek 4.4.

‡ Zie TECOS Cardiovascular Safety Study hieronder.

Beschrijving van geselecteerde bijwerkingen

Naast de bovengenoemde geneesmiddelgerelateerde bijwerkingen werden er bijwerkingen gemeld die ongeacht causaal verband met de medicatie optraden bij minstens 5% van de patiënten en vaker bij patiënten die met sitagliptine werden behandeld, waaronder bovensteluchtweginfectie en nasofaryngitis. Overige bijwerkingen die werden gemeld ongeacht causaal verband met de medicatie en die vaker optraden bij patiënten die met sitagliptine werden behandeld (minder dan 5%, maar met een incidentie die met sitagliptine >0,5% hoger was dan die in de controlegroep), waren osteoartritis en pijn in de extremiteiten.

Sommige bijwerkingen werden vaker waargenomen in onderzoeken met het gecombineerde gebruik van sitagliptine met andere antidiabetica dan in onderzoeken met sitagliptine monotherapie. Dit zijn onder andere hypoglykemie (frequentie zeer vaak met de combinatie van sulfonylureumderivaten en metformine), influenza (vaak met insuline [met of zonder metformine]), misselijkheid en braken (vaak met metformine), flatulentie (vaak met metformine of pioglitazon), obstipatie (vaak met de combinatie van sulfonylureumderivaten en metformine), perifeer oedeem (vaak met pioglitazon of de combinatie van pioglitazon en metformine), somnolentie en diarree (soms met metformine) en droge mond (soms met insuline [met of zonder metformine]).

Pediatrische patiënten

In klinische onderzoeken met sitagliptine bij pediatrische patiënten van 10 tot en met 17 jaar met type 2-diabetes mellitus was het bijwerkingenprofiel vergelijkbaar met dat bij volwassenen.

TECOS Cardiovascular Safety Study

In het onderzoek ‘Trial Evaluating Cardiovascular Outcomes with Sitagliptin’ (TECOS) werden 7332 patiënten behandeld met sitagliptine 100 mg per dag (of 50 mg per dag indien de baselinewaarde voor eGFR ≥30 en <50 ml/min/1,73 m2 was) en werden 7339 patiënten in de 'intention-to-treat'-populatie behandeld met placebo. Beide behandelingen werden aanvullend gegeven naast de regionale standaardzorg voor HbA1c en cardiovasculaire risicofactoren. De totale incidentie van ernstige ongewenste voorvallen bij patiënten die sitagliptine kregen was vergelijkbaar met die bij patiënten die placebo kregen.

In de 'intention-to-treat'-populatie bij patiënten die bij aanvang van het onderzoek insuline en/of een sulfonylureumderivaat gebruikten, was de incidentie van ernstige hypoglykemie 2,7% bij de patiënten die sitagliptine kregen en 2,5% bij de patiënten die placebo kregen. Bij de patiënten die bij aanvang van het onderzoek geen insuline en/of een sulfonylureumderivaat gebruikten, was de incidentie van ernstige hypoglykemie 1,0% bij de patiënten die sitagliptine kregen en 0,7% bij de patiënten die placebo kregen. De incidentie van bevestigde pancreatitis was 0,3% bij de patiënten die sitagliptine kregen en 0,2% bij de patiënten die placebo kregen.

Melding van vermoedelijke bijwerkingen

Het is belangrijk om na toelating van het geneesmiddel vermoedelijke bijwerkingen te melden. Op deze wijze kan de verhouding tussen voordelen en risico’s van het geneesmiddel voortdurend worden gevolgd. Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg wordt verzocht alle vermoedelijke bijwerkingen te melden via het Nederlands Bijwerkingen Centrum Lareb, website: www.lareb.nl.

4.9 Overdosering

Tijdens gecontroleerd klinisch onderzoek bij gezonde proefpersonen werden eenmalige doses tot 800 mg sitagliptine toegediend. In één onderzoek werden bij een dosis van 800 mg sitagliptine minimale, niet klinisch relevant geachte verhogingen van de QTc waargenomen. Er is in klinisch onderzoek geen ervaring met doses boven 800 mg. In fase I-onderzoeken met meerdere doses werden geen dosisafhankelijke klinische bijwerkingen waargenomen bij doses sitagliptine van maximaal 600 mg per dag in periodes van maximaal 10 dagen en 400 mg per dag in periodes van maximaal 28 dagen.

In geval van een overdosering is het redelijk om de gebruikelijke ondersteunende maatregelen te treffen, bijvoorbeeld niet-geabsorbeerd materiaal uit het spijsverteringskanaal verwijderen, klinische controle instellen (waaronder een elektrocardiogram laten maken) en waar nodig ondersteunende therapie instellen.

Sitagliptine is matig dialyseerbaar. In klinisch onderzoek werd tijdens een hemodialysesessie van 3-4 uur ongeveer 13,5% van de dosis verwijderd. Langduriger hemodialyse kan worden overwogen als dat klinisch aangewezen is. Het is niet bekend of sitagliptine dialyseerbaar is door peritoneale dialyse.

5 FARMACOLOGISCHE EIGENSCHAPPEN

5.1 Farmacodynamische eigenschappen

Farmacotherapeutische categorie: geneesmiddelen bij diabetes, dipeptidylpeptidase-4 (DPP-4)-remmers, ATC-code: A10BH01.

Werkingsmechanisme

Sitagliptine behoort tot een klasse orale antihyperglykemische middelen die dipeptidylpeptidase-4 (DPP-4)-remmers genoemd worden. De verbetering in bloedglucoseregulatie die met dit geneesmiddel wordt waargenomen, wordt mogelijk gemedieerd door verhoging van de concentratie actieve incretinehormonen. Incretinehormonen, waaronder glucagon-like polypeptide-1 (GLP-1) en glucose-dependent insulinotropic polypeptide (GIP) worden de hele dag door de darm afgegeven, en de concentraties stijgen na een maaltijd. De incretines maken deel uit van een endogeen systeem dat betrokken is bij de fysiologische regulatie van de glucosehomeostase. Wanneer de bloedglucoseconcentraties normaal of verhoogd zijn, verhogen GLP-1 en GIP door intracellulaire signalen waarbij cyclisch AMP een rol speelt, de vorming en afgifte van insuline uit de bètacellen in de pancreas. Behandeling met GLP-1 of met DPP-4-remmers in diermodellen van type 2-diabetes blijkt de reactiviteit van bètacellen op glucose te verbeteren en de biosynthese en afgifte van insuline te stimuleren. Bij een hogere insulineconcentratie nemen de weefsels meer glucose op. Daarnaast verlaagt GLP-1 de uitscheiding van glucagon uit de alfacellen in de pancreas. Lagere glucagonconcentraties, samen met hogere insulineconcentraties, leiden tot een verminderde productie van glucose in de lever, waardoor de glucoseconcentraties in het bloed afnemen. De effecten van GLP-1 en GIP zijn glucoseafhankelijk, zodat bij lage glucoseconcentraties in het bloed geen stimulering van de insulineafgifte en onderdrukking van de glucagonuitscheiding door GLP-1 wordt waargenomen. Voor zowel GLP-1 als GIP wordt de stimulering van de insulineafgifte versterkt als de glucose boven de normale concentraties komt. Daarnaast verstoort GLP-1 de normale glucagonreactie op hypoglykemie niet. De activiteit van GLP-1 en GIP wordt beperkt door het DPP-4-enzym, dat de incretinehormonen snel hydrolyseert in onwerkzame producten. Sitagliptine voorkomt de hydrolyse van incretinehormonen door DPP-4, waardoor de plasmaconcentraties van de actieve vorm van GLP-1 en GIP worden verhoogd. Door de concentraties actieve incretines te laten stijgen, verhoogt sitagliptine de insulineafgifte en vermindert het de glucagonconcentraties op glucoseafhankelijke wijze. Bij patiënten met type 2-diabetes met hyperglykemie leiden deze veranderingen in de insulineafgifte en de glucagonconcentraties tot een lagere hemoglobine A1c (HbA1c) en lagere nuchtere en postprandiale glucoseconcentraties. Het glucoseafhankelijke mechanisme van sitagliptine is anders dan het mechanisme van de sulfonylureumderivaten, die de insulineafgifte ook verhogen als de glucose laag is, wat bij patiënten met type 2-diabetes en bij gezonde proefpersonen hypoglykemie kan veroorzaken. Sitagliptine is een krachtige en zeer selectieve remmer van het enzym DPP-4 en geeft bij therapeutische concentraties geen remming van de nauw verwante enzymen DPP-8 of DPP-9.

In een tweedaags onderzoek bij gezonde proefpersonen verhoogde monotherapie met sitagliptine de concentraties actief GLP-1, terwijl monotherapie met metformine in vergelijkbare mate de concentraties van actief en totaal GLP-1 verhoogde. Gelijktijdige toediening van sitagliptine en metformine had een additief effect op de concentraties actief GLP-1. Sitagliptine verhoogde de concentraties actief GIP, maar metformine niet.

Klinische werkzaamheid en veiligheid

In het algemeen verbeterde sitagliptine de bloedglucoseregulatie bij gebruik als monotherapie of als combinatietherapie bij volwassen patiënten met type 2-diabetes (zie tabel 2).

Er zijn twee onderzoeken verricht naar de werkzaamheid en veiligheid van sitagliptine als monotherapie. Behandeling met sitagliptine 100 mg eenmaal daags als monotherapie gaf in twee onderzoeken, een van 18 weken en een van 24 weken, significante verbeteringen van HbA1c, nuchtere plasmaglucose (FPG), en 2-uurs postprandiale glucose (2-uurs-PPG) in vergelijking met placebo. Er werd een verbetering waargenomen van de surrogaatmarkers van de bètacelfunctie, waaronder HOMA-β (Homeostasis Model Assessment-β), pro-insuline/insulineratio, en parameters van de bètacelreactiviteit uit de frequently-sampled meal tolerance test. De waargenomen incidentie van hypoglykemie bij met sitagliptine behandelde patiënten was vergelijkbaar met die bij placebo. In beide onderzoeken nam het lichaamsgewicht bij behandeling met sitagliptine niet toe vergeleken met de baseline versus een geringe verlaging bij patiënten die placebo kregen.

Sitagliptine 100 mg eenmaal daags gaf significante verbeteringen in de glykemische parameters versus placebo in twee 24 weken durende onderzoeken met sitagliptine als add-on-therapie, één in combinatie met metformine en één in combinatie met pioglitazon. De verandering ten opzichte van de baseline in lichaamsgewicht was voor de met sitagliptine behandelde patiënten ongeveer gelijk aan de met placebo behandelde patiënten. In deze onderzoeken was er voor de met sitagliptine of placebo behandelde patiënten een ongeveer gelijke incidentie van hypoglykemie.

Er is een placebogecontroleerd onderzoek van 24 weken opgezet om de werkzaamheid en veiligheid van sitagliptine (100 mg eenmaal daags) te beoordelen als het wordt toegevoegd aan alleen glimepiride of glimepiride in combinatie met metformine. De toevoeging van sitagliptine aan hetzij glimepiride alleen of aan glimepiride en metformine gaf significante verbeteringen in de glykemische parameters. Met sitagliptine behandelde patiënten hadden in vergelijking met patiënten die placebo kregen, een bescheiden toename van het lichaamsgewicht.

Er is een placebogecontroleerd onderzoek van 26 weken opgezet om de werkzaamheid en veiligheid van sitagliptine (100 mg eenmaal daags) te beoordelen als het wordt toegevoegd aan pioglitazon in combinatie met metformine. Toevoeging van sitagliptine aan pioglitazon en metformine gaf significante verbeteringen in de glykemische parameters. De verandering ten opzichte van de baseline in lichaamsgewicht was voor de met sitagliptine behandelde patiënten ongeveer gelijk aan de met placebo behandelde patiënten. De incidentie van hypoglykemie was ook vergelijkbaar voor patiënten die met sitagliptine of placebo werden behandeld.

Er is een placebogecontroleerd onderzoek van 24 weken opgezet om de werkzaamheid en veiligheid te beoordelen van sitagliptine (100 mg eenmaal daags) als het wordt toegevoegd aan insuline (in een stabiele dosis gedurende minstens 10 weken) met of zonder metformine (minstens 1500 mg). Bij patiënten die voorgemengde insuline kregen, was de gemiddelde dagelijkse dosis 70,9 E/dag. Bij patiënten die niet-voorgemengde (middellang- of langwerkende) insuline kregen, was de gemiddelde dagelijkse dosis 44,3 E/dag. De toevoeging van sitagliptine aan insuline gaf significante verbeteringen in de glykemische parameters. Er was in beide groepen geen significante verandering in lichaamsgewicht ten opzichte van de baseline.

In een placebogecontroleerd factorieel onderzoek van 24 weken van een aanvangsbehandeling gaf sitagliptine 50 mg tweemaal daags in combinatie met metformine (500 mg of 1000 mg tweemaal daags) in vergelijking met beide monotherapieën significante verbeteringen in de glykemische parameters. De afname in lichaamsgewicht met de combinatie van sitagliptine en metformine was ongeveer gelijk aan de afname die werd waargenomen bij metformine alleen of placebo; er was voor patiënten die alleen sitagliptine kregen geen verandering ten opzichte van de baseline. De incidentie van hypoglykemie was voor de behandelingsgroepen ongeveer gelijk.

Tabel 2. HbA1c-resultaten in placebogecontroleerde monotherapie- en combinatietherapieonderzoeken*

OnderzoekGem. baseline-HbA1c (%)Gem. verandering t.o.v. baseline-HbA1c (%)†

Placebogecorrigeerde gem. verandering in HbA1c (%)†

(95% BI)

Monotherapieonderzoeken

Sitagliptine 100 mg eenmaal daags§

(N=193)

8,0-0,5

-0,6‡

(-0,8, -0,4)

Sitagliptine 100 mg eenmaal daags%

(N=229)

8,0-0,6

-0,8‡

(-1,0, -0,6)

Combinatietherapieonderzoeken

Sitagliptine 100 mg eenmaal daags toegevoegd aan eerder ingestelde behandeling met metformine%

(N=453)

8,0-0,7

-0,7‡

(-0,8, -0,5)

Sitagliptine 100 mg eenmaal daags toegevoegd aan eerder ingestelde behandeling met pioglitazon%

(N=163)

8,1-0,9

-0,7‡

(-0,9, -0,5)

Sitagliptine 100 mg eenmaal daags toegevoegd aan eerder ingestelde behandeling met glimepiride%

(N=102)

8,4-0,3

-0,6‡

(-0,8, -0,3)

Sitagliptine 100 mg eenmaal daags toegevoegd aan eerder ingestelde behandeling met glimepiride + metformine%

(N=115)

8,3-0,6

-0,9‡

(-1,1, -0,7)

Sitagliptine 100 mg eenmaal daags toegevoegd aan eerder ingestelde behandeling met pioglitazon + metformine#

(N=152)

8,8-1,2

-0,7‡

(-1,0, -0,5)

Aanvangsbehandeling (tweemaal daags)%:

Sitagliptine 50 mg + metformine 500 mg

(N=183)

8,8-1,4

-1,6‡

(-1,8, -1,3)

Aanvangsbehandeling (tweemaal daags)%:

Sitagliptine 50 mg + metformine 1000 mg

(N=178)

8,8-1,9

-2,1‡

(-2,3, -1,8)

Sitagliptine 100 mg eenmaal daags toegevoegd aan eerder ingestelde behandeling met insuline (+/- metformine)%

(N=305)

8,7-0,6

-0,6‡,¶

(-0,7, -0,4)

* All Patients Treated Population (een intention-to-treat-analyse).

† Kleinste-kwadraten-gemiddelden aangepast voor status van eerdere antihyperglykemische therapie en baselinewaarde.

‡ p<0,001 vergeleken met placebo of placebo + combinatiebehandeling.

§ HbA1c (%) in week 18.

§ HbA1c (%) in week 24.

§ HbA1c (%) in week 26.

Kleinste-kwadraten-gemiddelde aangepast voor gebruik van metformine bij bezoek 1 (ja/nee), gebruik van insuline bij bezoek 1 (voorgemengd vs. niet-voorgemengd [middellang- of langwerkend]), en baselinewaarde. Interacties van behandeling per stratum (gebruik metformine en insuline) waren niet significant (p>0,10).

Er is een met actieve stof (metformine) gecontroleerd onderzoek van 24 weken opgezet om de werkzaamheid en veiligheid te beoordelen van sitagliptine 100 mg eenmaal daags (N=528) vergeleken met metformine (N=522) bij patiënten met onvoldoende bloedglucoseregulatie met dieet en lichaamsbeweging en die geen antihyperglykemische behandeling kregen (minstens 4 maanden geen behandeling). De gemiddelde dosis metformine was ongeveer 1900 mg per dag. De verlaging in HbA1c ten opzichte van gemiddelde baselinewaarden van 7,2% was -0,43% voor sitagliptine en -0,57% voor metformine (per-protocolanalyse). De totale incidentie van gastro-intestinale bijwerkingen die als geneesmiddelgerelateerd werden beschouwd bij patiënten die met sitagliptine werden behandeld was 2,7% vergeleken met 12,6% bij met metformine behandelde patiënten. De incidentie van hypoglykemie was tussen de behandelingsgroepen niet significant verschillend (sitagliptine 1,3%; metformine 1,9%). Het lichaamsgewicht nam in beide groepen ten opzichte van de baseline af (sitagliptine -0,6 kg; metformine -1,9 kg).

In een onderzoek waarin de werkzaamheid en veiligheid van de toevoeging van sitagliptine 100 mg eenmaal daags of glipizide (een sulfonylureumderivaat) werden vergeleken bij patiënten met onvoldoende bloedglucoseregulatie bij monotherapie met metformine, was sitagliptine vergelijkbaar met glipizide voor wat betreft verlaging van het HbA1c. De gemiddelde dosis glipizide die in de comparatorgroep werd gebruikt, was 10 mg per dag, waarbij ongeveer 40% van de patiënten tijdens het hele onderzoek een dosis glipizide van ≤5 mg/dag nodig had. Maar in de sitagliptinegroep stopten meer patiënten wegens gebrek aan werkzaamheid dan in de glipizidegroep. Met sitagliptine behandelde patiënten hadden een significante gemiddelde verlaging van het lichaamsgewicht ten opzichte van de baseline vergeleken met een significante gewichtstoename bij patiënten die glipizide kregen (-1,5 vs. +1,1 kg). In dit onderzoek werd de pro-insuline/insulineratio, een marker van de doelmatigheid van de synthese en afgifte van insuline, bij behandeling met sitagliptine beter en met glipizide slechter. De incidentie van hypoglykemie in de sitagliptinegroep (4,9%) was significant lager dan die in de glipizidegroep (32,0%).

Er is een placebogecontroleerd onderzoek van 24 weken met 660 patiënten opgezet om de insulinesparende werkzaamheid en de veiligheid te beoordelen van sitagliptine (100 mg eenmaal daags) als het wordt toegevoegd aan insuline glargine met of zonder metformine (minstens 1500 mg) tijdens intensivering van de insulinetherapie. De baseline HbA1c was 8,74% en de baseline insulinedosis was 37 IE/dag. De patiënten kregen de instructie om hun dosis insuline glargine te titreren op basis van de nuchtere glucosewaarden gemeten met een vingerprik. In week 24 was de toename in dagelijkse insulinedosis 19 IE/dag bij patiënten die met sitagliptine werden behandeld en 24 IE/dag bij de patiënten die met placebo werden behandeld. De afname in HbA1c bij patiënten die werden behandeld met sitagliptine en insuline (met of zonder metformine) was -1,31% vergeleken met -0,87% bij patiënten die met placebo en insuline (met of zonder metformine) werden behandeld, een verschil van -0,45% [95% BI: -0,60, -0,29]. De incidentie van hypoglykemie was 25,2% bij patiënten die met sitagliptine en insuline (met of zonder metformine) werden behandeld en 36,8% bij patiënten die met placebo en insuline (met of zonder metformine) werden behandeld. Het verschil werd grotendeels veroorzaakt door een hoger percentage patiënten in de placebogroep dat 3 of meer episoden van hypoglykemie ondervond (9,4 vs. 19,1%). Er was geen verschil in de incidentie van ernstige hypoglykemie.

Er is een onderzoek uitgevoerd bij patiënten met een matige tot ernstige nierfunctiestoornis waarin sitagliptine 25 of 50 mg eenmaal daags werd vergeleken met glipizide 2,5 tot 20 mg/dag. Aan dit onderzoek namen 423 patiënten met een chronische nierfunctiestoornis deel (geschatte glomerulaire filtratiesnelheid <50 ml/min). Na 54 weken was de gemiddelde verlaging ten opzichte van de baseline in HbA1c, -0,76% bij sitagliptine en -0,64% bij glipizide (per-protocolanalyse). In dit onderzoek waren de werkzaamheid en het veiligheidsprofiel van sitagliptine 25 of 50 mg eenmaal daags over het algemeen ongeveer gelijk aan de werkzaamheid en het veiligheidsprofiel zoals waargenomen in andere monotherapieonderzoeken bij patiënten met een normale nierfunctie. De incidentie van hypoglykemie in de sitagliptinegroep (6,2%) was significant lager dan die in de glipizidegroep (17,0%). Er was ook een significant verschil tussen de groepen voor wat betreft verandering in lichaamsgewicht ten opzichte van de baseline (sitagliptine -0,6 kg; glipizide +1,2 kg).

In een ander onderzoek werd sitagliptine 25 mg eenmaal daags vergeleken met glipizide 2,5 tot 20 mg/dag bij 129 patiënten met ESRD die gedialyseerd werden. Na 54 weken was de gemiddelde verlaging ten opzichte van de baseline in HbA1c -0,72% bij sitagliptine en -0,87% bij glipizide. In dit onderzoek waren de werkzaamheid en het veiligheidsprofiel van sitagliptine 25 mg eenmaal daags over het algemeen ongeveer gelijk aan de werkzaamheid en het veiligheidsprofiel zoals waargenomen in andere monotherapieonderzoeken bij patiënten met een normale nierfunctie. De incidentie van hypoglykemie was tussen de behandelingsgroepen niet significant verschillend (sitagliptine 6,3%; glipizide 10,8%).

In een ander onderzoek bij 91 patiënten met type 2-diabetes en een chronische nierfunctiestoornis (creatinineklaring <50 ml/min) waren de veiligheid en verdraagbaarheid van behandeling met sitagliptine 25 of 50 mg eenmaal daags over het algemeen ongeveer gelijk aan die bij placebo. Daarnaast waren na 12 weken de gemiddelde verlagingen van HbA1c (sitagliptine -0,59%; placebo -0,18%) en FPG (sitagliptine -25,5 mg/dl; placebo -3,0 mg/dl) over het algemeen ongeveer gelijk aan de verlagingen die werden waargenomen in andere monotherapieonderzoeken bij patiënten met een normale nierfunctie (zie rubriek 5.2).

TECOS was een gerandomiseerd onderzoek uitgevoerd bij 14.671 patiënten in de 'intention-to-treat'-populatie met een HbA1c van ≥6,5 tot 8,0% bij wie cardiovasculaire ziekte was vastgesteld en die werden behandeld met sitagliptine (7332) 100 mg per dag (of 50 mg per dag indien de waarde bij de baseline voor eGFR ≥30 en <50 ml/min/1,73 m2 was) of met placebo (7339) als aanvulling op de regionale standaardzorg voor HbA1c en cardiovasculaire risicofactoren. Patiënten met een eGFR van <30 ml/min/1,73 m2 mochten niet aan het onderzoek deelnemen. In de onderzoekspopulatie waren 2004 patiënten in de leeftijd van ≥75 en 3324 patiënten met een nierfunctiestoornis (eGFR <60 ml/min/1,73 m2).

Tijdens het onderzoek was het totale geschatte gemiddelde (SD) verschil in HbA1c tussen de sitagliptinegroep en de placebogroep 0,29% (0,01), 95% BI (-0,32; -0,27); p<0,001.

Het primaire cardiovasculaire eindpunt was een samenstelling van het eerste optreden van cardiovasculair overlijden, niet-fataal myocardinfarct, niet-fatale beroerte of ziekenhuisopname vanwege instabiele angina pectoris. Secundaire cardiovasculaire eindpunten waren onder andere het eerste optreden van cardiovasculair overlijden, niet-fataal myocardinfarct of niet-fatale beroerte; het eerste optreden van de individuele onderdelen van de primaire samenstelling; overlijden, door welke oorzaak dan ook; en ziekenhuisopname vanwege congestief hartfalen.

Na een mediane follow-upperiode van 3 jaar werd het risico op ernstige ongewenste cardiovasculaire voorvallen of het risico op ziekenhuisopname vanwege hartfalen niet hoger door het gebruik van sitagliptine wanneer dit als aanvulling op de standaardzorg werd gegeven, in vergelijking met de standaardzorg zonder sitagliptine bij patiënten met type 2-diabetes (tabel 3).

Tabel 3. Percentages van samengestelde cardiovasculaire uitkomsten en belangrijke secundaire uitkomsten

Sitagliptine 100 mgPlacebo

Hazardr atio

(95% BI)

p-waard e†
N (%)Incidentiecij fers per 100 patiëntjaren *N (%)Incidentiecij fers per 100 patiëntjaren *
Analyse in de 'intention-to-treat'-populatie
Aantal patiënten73327339<0,00 1Ziekenhuisopn ame vanwege hartfalen‡228 (3,1 )1,1229 (3,1 )1,11,00 (0,83–1,20)0,983
0,98 (0,89–1,08)

Primair samengesteld eindpunt

(cardiovascula ir overlijden, niet-fataal myocardinfarc t, niet-fatale beroerte, of ziekenhuisopn ame vanwege instabiele angina pectoris)

839 (11, 4)4,1851 (11, 6)4,2

Secundair samengesteld eindpunt

(cardiovascula ir overlijden, niet-fataal myocardinfarc t of niet-fatale beroerte)

745 (10, 2)3,6746 (10, 2)3,60,99 (0,89–1,08)<0,00 1
Secundaire uitkomst
Cardiovascula ir overlijden380 (5,2 )1,7366 (5,0 )1,71,03 (0,89–1,19)0,711
Alle myocardinfarc ten (fataal en niet-fataal)300 (4,1 )1,4316 (4,3 )1,50,95 (0,81–1,11)0,487
Alle beroertes (fataal en niet-fataal)178 (2,4 )0,8183 (2,5 )0,90,97 (0,79–1,19)0,760
Ziekenhuisopn ame vanwege instabiele angina pectoris116 (1,6 )0,5129 (1,8 )0,60,90 (0,70–1,16)0,419
Overlijden, door welke oorzaak dan ook547 (7,5 )2,5537 (7,3 )2,51,01 (0,90–1,14)0,875

* Incidentiecijfer per 100 patiëntjaren is berekend als 100 × (totaal aantal patiënten met ≥1 voorval tijdens in aanmerking komende blootstellingsperiode per totaal aantal patiëntjaren van follow-upperiode).

† Op basis van een Cox-model dat is gestratificeerd naar regio. Voor samengestelde eindpunten komt de p-waarde overeen met een 'non-inferiority'-test die moet aantonen dat de hazardratio lager is dan 1,3. Voor alle andere eindpunten komen de p-waarden overeen met een test voor verschillen in hazardratio's.

‡ De analyse van ziekenhuisopname vanwege hartfalen werd aangepast voor een voorgeschiedenis van hartfalen bij aanvang van het onderzoek.

Pediatrische patiënten

Er is een dubbelblind onderzoek van 54 weken uitgevoerd om de werkzaamheid en veiligheid van sitagliptine 100 mg eenmaal daags te evalueren bij pediatrische patiënten (10 tot en met 17 jaar) met type 2-diabetes die ten minste 12 weken geen antihyperglykemische behandeling hadden gehad (met HbA1c 6,5% tot 10%) of die ten minste 12 weken een stabiele dosis insuline gebruikten (HbA1c 7% tot 10%). Patiënten werden gerandomiseerd naar sitagliptine 100 mg eenmaal daags of placebo gedurende 20 weken.

Gemiddelde baseline-HbA1c was 7,5%. Behandeling met sitagliptine 100 mg zorgde niet voor een significante verbetering in HbA1c na 20 weken. De verlaging in HbA1c bij patiënten die met sitagliptine werden behandeld (N = 95) was 0,0% vergeleken met 0,2% bij patiënten die met placebo werden behandeld (N=95), een verschil van -0,2% (95% BI: -0,7; 0,3). Zie rubriek 4.2.

5.2 Farmacokinetische eigenschappen

Absorptie

Na orale toediening van een dosis van 100 mg aan gezonde proefpersonen werd sitagliptine snel geabsorbeerd, waarbij de piekplasmaconcentraties (mediane Tmax) 1 tot 4 uur na de dosis optraden; het gemiddelde plasma-AUC van sitagliptine was 8,52 μM•u, de Cmax was 950 nM. De absolute biologische beschikbaarheid van sitagliptine is ongeveer 87%. Omdat toediening van sitagliptine met een vetrijke maaltijd geen effect had op de farmacokinetiek, kan Sitagliptine Aspire met of zonder voedsel worden toegediend.

De plasma-AUC van sitagliptine nam op dosisproportionele wijze toe. Dosisproportionaliteit werd niet vastgesteld voor Cmax en C24u (Cmax nam meer dan dosisproportioneel toe en C24u nam minder dan dosisproportioneel toe).

Distributie

Het gemiddelde distributievolume in steady state na een eenmalige intraveneuze dosis sitagliptine van 100 mg aan gezonde proefpersonen is ongeveer 198 liter. De fractie van reversibel aan plasma-eiwitten gebonden sitagliptine is gering (38%).

Biotransformatie

Sitagliptine wordt voornamelijk onveranderd uitgescheiden in de urine, en metabolisme is een ondergeschikte pathway. Ongeveer 79% van het sitagliptine wordt onveranderd in de urine uitgescheiden.

Na een orale, met [14C]gelabelde dosis sitagliptine werd ongeveer 16% van de radioactiviteit als metabolieten van sitagliptine uitgescheiden. Zes metabolieten werden in sporenconcentraties gedetecteerd en dragen naar verwachting niet bij tot de DPP-4-remmende activiteit van sitagliptine in het plasma. Uit in vitro-onderzoek bleek dat het enzym dat primair verantwoordelijk is voor het beperkte metabolisme van sitagliptine, CYP3A4 was, met een bijdrage van CYP2C8.

Uit in vitro-gegevens bleek dat sitagliptine geen remmer is van de CYP-isozymen CYP3A4, 2C8, 2C9, 2D6, 1A2, 2C19 of 2B6, en geen inductor is van CYP3A4 en CYP1A2.

Eliminatie

Na toediening van een orale, met [14C]gelabelde dosis sitagliptine aan gezonde proefpersonen, werd ongeveer 100% van de toegediende radioactiviteit binnen een week na toediening in feces (13%) of urine (87%) uitgescheiden. De schijnbare terminale t1/2 na een orale dosis sitagliptine van 100 mg was ongeveer 12,4 uur. Accumulatie van sitagliptine na meerdere doses is slechts minimaal. De renale klaring was ongeveer 350 ml/min.

Eliminatie van sitagliptine vindt primair via renale excretie plaats waarbij actieve tubulaire secretie een rol speelt. Sitagliptine is een substraat voor human organic anion transporter-3 (hOAT-3), dat betrokken kan zijn bij de renale eliminiatie van sitagliptine. De klinische relevantie van hOAT-3 in het transport van sitagliptine is niet vastgesteld. Sitagliptine is ook een substraat van p-glycoproteïne, dat betrokken kan zijn bij de regulering van de renale eliminatie van sitagliptine. Maar ciclosporine, een p-glycoproteïneremmer, verminderde de renale klaring van sitagliptine niet. Sitagliptine is geen substraat voor OCT2 of OAT1 of PEPT1/2-transporters. In vitro gaf sitagliptine bij therapeutisch relevante plasmaconcentraties geen remming van het door OAT3 (IC50=160 µM) of p-glycoproteïne (tot 250 µM) gemedieerde transport. In een klinisch onderzoek had sitagliptine een gering effect op de plasmaconcentraties digoxine, wat erop wijst dat sitagliptine een lichte remmer van p-glycoproteïne kan zijn.

Kenmerken bij patiënten

De farmacokinetiek van sitagliptine was bij gezonde proefpersonen en bij patiënten met type 2-diabetes over het algemeen vergelijkbaar.

Nierfunctiestoornis

Er is een open-labelonderzoek met een enkele dosis verricht om de farmacokinetiek van een verlaagde dosis sitagliptine (50 mg) te beoordelen bij patiënten met wisselende mate van chronische nierfunctiestoornis in vergelijking met normale gezonde proefpersonen. Het onderzoek omvatte patiënten met een lichte, matige en ernstige nierfunctiestoornis, evenals patiënten met eindstadium nierfalen (ESRD) die hemodialyse ondergingen. Daarnaast zijn de effecten onderzocht van een nierfunctiestoornis op de farmacokinetiek van sitagliptine bij patiënten met type 2-diabetes en een lichte, matige of ernstige nierfunctiestoornis (waaronder ESRD) met behulp van analyses van de farmacokinetiek van de populatie.

Vergeleken met normale gezonde proefpersonen uit de controlegroep was bij patiënten met een lichte nierfunctiestoornis (GFR ≥60 tot <90 ml/min) en een matige nierfunctiestoornis (GFR ≥45 tot <60 ml/min) de plasma-AUC van sitagliptine respectievelijk ongeveer 1,2 keer en 1,6 keer verhoogd. Omdat verhogingen van deze omvang niet klinisch relevant zijn, is een aanpassing van de dosering bij deze patiënten niet nodig.

Bij patiënten met een matige nierfunctiestoornis (GFR ≥30 tot <45 ml/min) was de plasma-AUC van sitagliptine ongeveer 2 keer verhoogd, en ongeveer 4 keer bij patiënten met een ernstige nierfunctiestoornis (GFR <30 ml/min), waaronder patiënten met ESRD die hemodialyse ondergingen. Sitagliptine werd matig verwijderd door hemodialyse (13,5% gedurende een 3 tot 4 uur durende hemodialysesessie die 4 uur na toediening begon). Om plasmaconcentraties van sitagliptine te krijgen die overeenkomen met die bij patiënten met een normale nierfunctie, worden lagere doseringen aanbevolen bij patiënten met GFR <45 ml/min (zie rubriek 4.2).

Leverfunctiestoornis

Voor patiënten met een lichte of matige leverfunctiestoornis (Child-Pugh-score ≤9) hoeft de dosis Sitagliptine Aspire niet te worden aangepast. Er is geen klinische ervaring bij patiënten met een ernstige leverfunctiestoornis (Child-Pugh-score >9). Omdat sitagliptine echter vooral via de nieren wordt uitgescheiden, wordt niet verwacht dat een ernstige leverfunctiestoornis van invloed is op de farmacokinetiek van sitagliptine.

Ouderen

De dosis hoeft niet op grond van leeftijd te worden aangepast. Leeftijd had op grond van een populatieanalyse van farmacokinetische gegevens uit fase I en fase II geen klinisch significante invloed op de farmacokinetiek van sitagliptine. Oudere proefpersonen (65 tot en met 80 jaar) hadden een ongeveer 19% hogere plasmaconcentratie sitagliptine dan jongere proefpersonen.

Pediatrische patiënten

De farmacokinetiek van sitagliptine (enkele dosis van 50 mg, 100 mg of 200 mg) werd onderzocht bij pediatrische patiënten (10 tot en met 17 jaar) met type 2-diabetes. In deze populatie was de voor dosis aangepaste plasma-AUC van sitagliptine ongeveer 18% lager vergeleken met die bij volwassen patiënten met type 2-diabetes bij een dosis van 100 mg. Dit wordt niet beschouwd als een klinisch sigificant verschil vergeleken met volwassen patiënten op basis van de vlakke PK/PD-relatie tussen de doses van 50 mg en 100 mg. Er zijn geen onderzoeken met sitagliptine uitgevoerd bij kinderen jonger dan 10 jaar.

Andere kenmerken van patiënten

De dosis hoeft niet op grond van geslacht, ras of body mass index (BMI) te worden aangepast. Deze kenmerken hadden op grond van een samengestelde analyse van farmacokinetische gegevens uit fase I en een populatieanalyse van farmacokinetische gegevens uit fase I en fase II geen klinisch significant effect op de farmacokinetiek van sitagliptine.

5.3 Gegevens uit het preklinisch veiligheidsonderzoek

Bij knaagdieren werd bij een systemische blootstelling die 58 keer hoger was dan die bij de mens, renale en hepatische toxiciteit waargenomen, terwijl het geen-effectniveau op 19 keer de blootstelling bij de mens bleek te liggen. Bij ratten werden bij een blootstelling die 67 keer hoger was dan de klinische blootstelling, afwijkingen aan de snijtanden waargenomen; het geen-effectniveau voor deze bevinding was in het 14 weken durende onderzoek bij ratten 58-voudig. De relevantie van deze bevindingen voor mensen is niet bekend. Voorbijgaande, met de behandeling samenhangende fysieke tekenen, waarvan sommige op neurale toxiciteit duidden, zoals ademen door open mond, speekselvloed, witte schuimachtige emesis, ataxie, trillen, verminderde activiteit en/of gebogen houding werden bij honden waargenomen bij een blootstelling van ongeveer 23 keer de klinische blootstelling. Daarnaast werd ook zeer lichte tot lichte degeneratie van skeletspieren histologisch waargenomen bij doses die leidden tot een systemische blootstelling van ongeveer 23 keer het blootstellingsniveau bij de mens. Een geen-effectniveau voor deze bevindingen werd gevonden bij een blootstelling die 6 keer hoger was dan de klinische blootstelling.

Van sitagliptine is in het preklinisch onderzoek geen genotoxiciteit vastgesteld. Sitagliptine was bij muizen niet carcinogeen. Bij ratten was er bij een systemische blootstelling die 58 keer hoger was dan die bij de mens een verhoogde incidentie van hepatische adenomen en carcinomen. Omdat hepatotoxiciteit blijkt te correleren met inductie van hepatische neoplasie bij ratten, was deze verhoogde incidentie van hepatische tumoren bij ratten waarschijnlijk secundair aan chronische levertoxiciteit bij deze hoge dosis. Vanwege de hoge veiligheidsmarge (19-voudig bij dit geen-effectniveau) worden deze neoplastische veranderingen niet relevant geacht voor de situatie bij de mens.

Er werden bij mannetjes- en vrouwtjesratten die vóór en tijdens de paringsperiode sitagliptine kregen, geen ongunstige effecten op de vruchtbaarheid waargenomen.

In een onderzoek naar pre-/postnatale ontwikkeling bij ratten werden bij sitagliptine geen bijwerkingen waargenomen.

Onderzoek naar reproductietoxiciteit gaf een lichte, met de behandeling samenhangende verhoogde incidentie van foetale ribdeformaties (ontbrekende, hypoplastische of golvende ribben) te zien in de nakomelingen van ratten bij een systemische blootstelling die meer dan 29 keer hoger was dan die bij de mens. Er werd maternale toxiciteit bij konijnen waargenomen bij meer dan 29 keer de blootstelling bij de mens. Gezien de hoge veiligheidsmarges wijzen deze bevindingen niet op een relevant risico voor de voortplanting bij de mens. Sitagliptine wordt bij zogende ratten in aanzienlijke hoeveelheden in de moedermelk uitgescheiden (melk/plasmaratio 4:1).

6 FARMACEUTISCHE GEGEVENS

6.1. Lijst van hulpstoffen

Tabletkern:

microkristallijne cellulose (E461),

calciumwaterstoffosfaat (E341),

natriumcroscarmellose (E468),

magnesiumstearaat (E470b),

natriumstearylfumaraat.

Filmomhulling:

poly(vinylalcohol),

macrogol,

talk (E553b),

titaandioxide (E171),

rood ijzeroxide (E172),

geel ijzeroxide (E172).

6.2 Gevallen van onverenigbaarheid

Niet van toepassing.

6.3 Houdbaarheid

2 jaar

6.4 Speciale voorzorgsmaatregelen bij bewaren

Bewaren beneden 25°C.

6.5 Aard en inhoud van de verpakking

Ondoorzichtige blisterverpakkingen (PVC/PE/PVDC en aluminium). Verpakkingen van 14, 28, 30, 56, 84, 90, 98 of 100 filmomhulde tabletten.

Niet alle genoemde verpakkingsgrootten worden in de handel gebracht.

6.6 Speciale voorzorgsmaatregelen voor het verwijderen

Al het ongebruikte geneesmiddel of afvalmateriaal dient te worden vernietigd overeenkomstig lokale voorschriften.

7 HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN

Aspire Pharma (Malta) Limited

No. 2 Level 3 Notabile Gardens, Trident Park

Mdina Road, Central Business District

CBD 2010 Birkirkara

Malta

8 NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN

RVG 132608

RVG 132610

RVG 132611

9 DATUM VAN EERSTE VERLENING VAN DE VERGUNNING/VERLENGING VAN DE VERGUNNING

Datum van eerste verlening van de vergunning: 13 juni 2025

10 DATUM VAN HERZIENING VAN DE TEKST

Over dit document

Bron: CBG-MEB – Geneesmiddeleninformatiebank · Registratienummer: RVG 132611

Een fout gevonden? Schrijf ons via de contactpagina.

De informatie op deze website vervangt niet het advies van uw arts of apotheker.

Gegevens over het medicijn Sitagliptine Aspire

Afleverstatus
Alleen op recept?
  • Afleverstatus: alleen op recept (UR, uitsluitend recept)
Werkzame stof Sitagliptine
Toedieningsweg Oraal gebruik
Hulpstoffen
calciumwaterstoffosfaat 0-water (e 341), cellulose, microkristallijn (e 460(i)), croscarmellose natrium (e 468), ijzeroxide geel (e 172) … (+7)+

calciumwaterstoffosfaat 0-water (e 341), cellulose, microkristallijn (e 460(i)), croscarmellose natrium (e 468), ijzeroxide geel (e 172), ijzeroxide rood (e 172), macrogol 3350, magnesiumstearaat (e 470b), natriumstearylfumaraat, polyvinylalcohol, gedeeltelijk gehydrolyseerd (e1203), talk (e 553b), titaandioxide (e 171)

ATC-indeling
  1. A Middelen voor maag-darmkanaal en metabolisme
    1. A10 Middelen bij diabetes
      1. A10B Bloedglucoseverlagende middelen, excl. insulinen
        1. A10BH Dipeptidylpeptidase-4(DPP-4)-remmers, bloedglucoseverlagend
          1. A10BH01 Sitagliptine
Registratiehouder Aspire Pharma (Malta) Limited
Sterkten en vormen
  • 25 mg filmomhulde tablet 132608
  • 50 mg filmomhulde tablet 132610
  • 100 mg filmomhulde tablet 132611
Registratie 132608, 132610, 132611

Bron: CBG-MEB – Geneesmiddeleninformatiebank, gegevens van 31-10-2026. Gegevens uit de Geneesmiddeleninformatiebank van het CBG-MEB, zonder garantie. Ze vervangen niet het advies van uw arts of apotheker.