SmPC (samenvatting van de productkenmerken) - Ropinirol Viatris 5 mg filmomhulde tablet
1. NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
Ropinirol Viatris 5 mg, filmomhulde tabletten.
2. KWALITATIEVE EN KWANTITATIEVE SAMENSTELLING
Elke filmomhulde tablet bevat 5,0 mg ropinirol (als hydrochloride).
Hulpstoffen met bekend effect:
Elke filmomhulde tablet bevat 54,25 mg lactose.
Voor de volledige lijst van hulpstoffen, zie rubriek 6.1.
3. FARMACEUTISCHE VORM
Filmomhulde tablet.
Blauwe, capsulevormige, biconvexe, filmomhulde tabletten met een breukstreep aan beide zijden.
De tablet kan worden verdeeld in gelijke doses.
4. KLINISCHE GEGEVENS
4.1 Therapeutische indicaties
Behandeling van de ziekte van Parkinson onder de volgende voorwaarden:
- Startbehandeling als monotherapie, teneinde de toepassing van levodopa uit te stellen.
- In combinatie met levodopa, tijdens het verloop van de ziekte als het effect van levodopa vermindert of inconsistent wordt en fluctuaties in het therapeutisch effect optreden (“end of dose” of “on-off” type fluctuaties).
4.2 Dosering en wijze van toediening
Voor oraal gebruik
Volwassenen
Individuele dosistitratie, op basis van werkzaamheid en tolerantie, wordt aanbevolen.
Ropinirol dient driemaal daags, bij voorkeur met voedsel te worden ingenomen, om gastro-intestinale klachten te voorkomen.
Aanvang van de behandeling
De startdosering van Ropinirol is 0,25 mg ropinirol drie maal daags, gedurende de eerste week. Hierna kan de dosering Ropinirol worden verhoogd in intervallen van 0,25 mg, volgens het volgende schema:
| Week | 1 | 2 | 3 | 4 |
|---|---|---|---|---|
| Enkele dosis (mg) | 0,25 | 0,5 | 0,75 | 1,0 |
| Totale dagdosering (mg) | 0,75 | 1,5 | 2,25 | 3,0 |
Therapeutische dosering
Na de initiële dosistitratie, kan de driemaal daags in te nemen dosis van ropinirol per week met intervallen van 0,5 mg tot 1 mg (1,5 tot 3 mg/dag) worden verhoogd.
Respons op de behandeling kan bij een dagdosering van 3 mg tot 9 mg ropinirol worden verwacht. Indien dit niet voldoende is om de symptomen voldoende of blijvend te beheersen, mag de dosering van ropinirol worden verhoogd tot een maximum van 24 mg/dag.
Doseringen ropinirol boven de 24 mg/dag zijn in klinische studies niet meegenomen.
Als de behandeling gedurende een dag of langer wordt onderbroken, dient een herstart met een dosistitratie overwogen te worden (zie hierboven).
Als ropinirol wordt gebruikt als toevoeging bij levodopa, dan kan de dosering levodopa geleidelijk worden teruggebracht naar aanleiding van het symptomatische response. In klinische studies werd de dosis levodopa geleidelijk verminderd met ongeveer 20% bij patiënten die behandeld waren met ropinirol als aanvullende therapie.
Bij patiënten met gevorderde ziekte van Parkinson die ropinirol gebruiken in combinatie met levodopa kan dyskinesie optreden gedurende de eerste titratie van ropinirol. In klinische studies werd aangetoond dat een lagere dosis van levodopa de dyskinesie kan verbeteren (zie rubriek 4.8).
Wanneer er van behandeling met een andere dopamine-agonist wordt overgegaan op behandeling met ropinirol, dienen de voorschriften van de vergunninghouder ten aanzien van het stoppen te worden opgevolgd alvorens met ropinirol te beginnen.
Zoals dat ook bij andere dopamine-agonisten het geval is, moet bij het stoppen met de behandeling met ropinirol de dagelijkse dosis gedurende één week geleidelijk worden afgebouwd (zie rubriek 4.4).
Voor doseringen die met dit geneesmiddel niet realiseerbaar of praktisch zijn, zijn andere sterktes van dit geneesmiddel in de handel.
Kinderen en adolescenten
Ropinirol wordt niet aanbevolen bij kinderen jonger dan 18 jaar oud vanwege het ontbreken van gegevens over veiligheid en werkzaamheid.
Ouderen
De klaring van ropinirol is voor ongeveer 15% verminderd bij patiënten van 65 jaar of ouder. De dosering dient geleidelijk te worden verhoogd, gebaseerd op de individuele respons op de behandeling.
Nierinsufficiëntie
Bij Parkinson patiënten met lichte tot matige nierfunctiestoornissen (creatinineklaring tussen 30 en 50 ml/min) werd geen verandering in de klaring van ropinirol waargenomen, hetgeen aangeeft dat aanpassing van de dosis bij deze groep patiënten niet noodzakelijk is.
Het gebruik van ropinirol bij patiënten met een ernstig verminderde nierfunctie (creatinineklaring lager dan 30 ml / min) zonder regelmatige hemodialyse is niet onderzocht.
4.3 Contra-indicaties
- Overgevoeligheid voor de werkzame stof of één van de in rubriek 6.1 vermelde hulpstoffen.
- Ernstige nierinsufficiëntie (creatinineklaring < 30 ml/min) zonder regelmatig hemodialyse.
- Leveraandoeningen.
4.4 Bijzondere waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik
Slaperigheid en het optreden van plotselinge slaapaanvallen
Ropinirol wordt geassocieerd met slaperigheid en het optreden van plotselinge slaapaanvallen, met name bij patiënten met de ziekte van Parkinson. Plotselinge slaapaanvallen tijdens dagelijkse bezigheden zijn soms gerapporteerd. In sommige gevallen traden dergelijke episodes op zonder waarschuwingssignalen of dat de patiënt dit opmerkte. Patiënten dienen hierover geïnformeerd te worden en geadviseerd te worden voorzichtig te zijn tijdens autorijden of het bedienen van machines gedurende de behandeling met ropinirol.
Patiënten die last gehad hebben van slaperigheid en/of het optreden van een plotselinge slaapaanval, dienen van autorijden of het bedienen van machines af te zien. Een vermindering van de dosering of staken van de therapie kan overwogen worden.
Psychiatrische- of psychotische aandoeningen
Patiënten met ernstige psychiatrische- of psychotische aandoeningen, dienen niet te worden behandeld met dopamine-agonisten, tenzij de potentiële voordelen opwegen tegen de risico's.
Stoornissen in de impulsbeheersing Patiënten moeten regelmatig worden gecontroleerd op de ontwikkeling van stoornissen in de impulsbeheersing. Patiënten en verzorgers dienen erop te worden gewezen dat gedragssymptomen van stoornissen in de impulsbeheersing aandoeningen, waaronder pathologisch gokken, toegenomen libido, hyperseksualiteit, agressief gedrag, compulsieve uitgaven of aankopen, eetaanvallen en dwangmatig eten kan optreden bij patiënten die werden behandeld met dopamine-agonisten, waaronder ropinirol. Dosisverlaging of geleidelijk stoppen van de behandeling zou overwogen moeten worden als zulke symptomen zich ontwikkelen.
Manie
Patiënten moeten regelmatig worden gecontroleerd op het ontstaan van een manie. Patiënten en verzorgers moeten zich ervan bewust zijn dat, bij patiënten die met ropinirol worden behandeld, symptomen van een manie kunnen optreden met of zonder de symptomen van impulsbeheersingsstoornissen. Een dosisreductie/geleidelijk staken moet worden overwogen als zich dergelijke symptomen ontwikkelen.
Maligne neurolepticasyndroom
Symptomen die het maligne neurolepticasyndroom doen vermoeden zijn gemeld bij het abrupt staken van dopaminerge behandeling. Daarom wordt aanbevolen om de behandeling geleidelijk af te bouwen (zie rubriek 4.2).
Hypotensie
Vanwege het risico op hypotensie, wordt controle van de bloeddruk aanbevolen, in het bijzonder bij aanvang van de behandeling bij patiënten met ernstige hart- en vaataandoeningen (in het bijzonder bij coronaire insufficiëntie).
Dopamine-agonist onttrekkingssyndroom (dopamine agonist withdrawal syndrome, DAWS)
DAWS is gemeld voor dopamine-agonisten, inclusief ropinirol (zie rubriek 4.8). Om de behandeling bij patiënten met Parkinson te staken, moet de behandeling met ropinirol worden afgebouwd (zie rubriek 4.2). Op grond van beperkte gegevens wordt verondersteld dat patiënten met impulsbeheersingsstoornissen en patiënten die worden behandeld met hoge dagelijkse doses en/of hoge cumulatieve doses van dopamine-agonisten, een grotere kans hebben op de ontwikkeling van DAWS. Onttrekkingssymptomen kunnen onder meer bestaan uit apathie, angst, depressie, vermoeidheid, zweten en pijn, en deze symptomen reageren niet op levodopa.
Voordat ropinirol wordt afgebouwd en gestaakt, moeten patiënten worden geïnformeerd over mogelijke onttrekkingssymptomen. Patiënten moeten zorgvuldig worden gemonitord tijdens het afbouwen en staken. In het geval van ernstige en/of aanhoudende onttrekkingssymptomen kan worden overwogen om tijdelijk opnieuw ropinirol toe te dienen in de laagste effectieve dosis.
Hallucinaties
Hallucinaties zijn bekend als een bijwerking van de behandeling met dopamineagonisten en levodopa. Patiënten moeten worden geïnformeerd dat er hallucinaties kunnen optreden.
Hulpstoffen
Lactose
Dit geneesmiddel bevat lactose. Patiënten met de zeldzame erfelijke aandoening galactose-intolerantie, totale-lactasedeficiëntie of glucose-galactose malabsorptie dienen dit geneesmiddel niet te gebruiken.
Natrium
Dit middel bevat minder dan 1 mmol natrium (23 mg) per tablet, dat wil zeggen dat het in wezen ‘natriumvrij’ is.
4.5 Interacties met andere geneesmiddelen en andere vormen van interactie
Tussen ropinirol en levodopa of domperidon is geen farmacokinetische interactie waargenomen die aanpassing van de dosering van deze geneesmiddelen noodzakelijk maakt.
Neuroleptica en andere centraal werkende dopamine-antagonisten zoals sulpiride of metoclopramide kunnen de werkzaamheid van ropinirol verminderen en daarom dient het gelijktijdig gebruik van deze geneesmiddelen te worden vermeden.
Verhoogde plasmaconcentraties van ropinirol zijn waargenomen bij patiënten die met hoge doses oestrogeen worden behandeld. Bij patiënten die reeds hormoonvervangingstherapie (HRT) ondergaan, kan op de normale wijze met de behandeling met ropinirol worden begonnen. Als de HRT echter wordt gestaakt of juist gestart tijdens de behandeling met ropinirol, kan het nodig zijn de dosis ropinirol aan te passen op geleide van de klinische respons.
Ropinirol wordt voornamelijk gemetaboliseerd door het cytochroom P450-enzym CYP1A2. Een farmacokinetische studie (met een dosering van driemaal daags 2 mg ropinirol bij patiënten met de ziekte van Parkinson) bracht aan het licht dat bij gelijktijdige toediening van ciprofloxacine, de Cmax en AUC van ropinirol met 60% resp. 84% toenam, met een potentieel risico op bijwerkingen. Zodoende kan het nodig zijn om bij patiënten die al ropinirol gebruiken, de dosering van ropinirol aan te passen als gelijktijdig geneesmiddelen die het CYP1A2 remmen (zoals bijv. ciprofloxacine, enoxacine of fluvoxamine) worden gestart of gestopt.
Een farmacokinetische interactiestudie bij patiënten met de ziekte van Parkinson met ropinirol (met een dosering ropinirol 2 mg, driemaal daags) en theofylline (een substraat voor CYP1A2), bracht geen verandering aan het licht in de farmacokinetiek van zowel ropinirol als theofylline.
Van roken is bekend dat het CYP1A2-metabolisme induceert. Vandaar dat bij patiënten, die tijdens de behandeling met ropinirol stoppen of starten met roken, een dosisaanpassing noodzakelijk kan zijn.
Bij patiënten die een combinatie kregen van vitamine-K-antagonisten en ropinirol zijn gevallen van onevenwichtige INR gemeld. Een verscherpte klinische en biologische bewaking (INR) is gerechtvaardigd.
4.6 Vruchtbaarheid, zwangerschap en borstvoeding
Zwangerschap
Er zijn geen toereikende gegevens over het gebruik van ropinirol bij zwangere vrouwen. De concentraties van ropinirol kunnen tijdens de zwangerschap geleidelijk toenemen (zie rubriek 5.2).
Uit experimenteel onderzoek bij dieren is reproductietoxiciteit gebleken (zie rubriek 5.3). Het potentiële risico voor de mens is niet bekend. Daarom wordt aanbevolen ropinirol niet tijdens de zwangerschap te gebruiken, tenzij het potentiële voordeel voor de patiënt opweegt tegen het potentiële risico voor de foetus.
Borstvoeding
Aan ropinirol gerelateerde substanties zijn aangetroffen in de moedermelk van zogende ratten. Het is niet bekend of ropinirol en zijn metabolieten worden uitgescheiden in de moedermelk van de mens. Een risico voor de zuigeling kan niet worden uitgesloten. Ropinirol Viatris dient niet te worden gebruikt door moeders die borstvoeding geven omdat het de lactatie kan remmen.
Vruchtbaarheid
Er zijn geen gegevens over de effecten van ropinirol op de vruchtbaarheid van de mens. In onderzoeken naar de vruchtbaarheid van vrouwelijke ratten zijn er effecten waargenomen op de nidatie, maar er werden geen effecten gezien op de vruchtbaarheid bij de mannelijke ratten (zie rubriek 5.3).
4.7 Beïnvloeding van de rijvaardigheid en het vermogen om machines te bedienen
Patiënten die met ropinirol worden behandeld en last hebben van hallucinaties, slaperigheid of het optreden van plotselinge slaapaanvallen, moeten geïnformeerd worden af te zien van autorijden of het bezig zijn met activiteiten, waarbij een verminderde alertheid risico op een ernstige verwonding of levensgevaar (bijvoorbeeld het bedienen van machines) voor henzelf of anderen oplevert, totdat dergelijke terugkerende episodes en slaperigheid zijn verdwenen (zie rubriek 4.4).
4.8 Bijwerkingen
Bijwerkingen die zijn gerapporteerd, worden hieronder vermeld per orgaansysteemklasse en frequentie. Er wordt vermeld of deze bijwerkingen in klinische onderzoeken zijn gerapporteerd als monotherapie of als combinatietherapie bij levodopa.
Frequenties worden gedefinieerd als: zeer vaak (≥1/10), vaak (≥1/100 tot <1/10); soms (≥1/1.000 tot <1/100); zelden (≥1/10.000 tot <1/1.000), zeer zelden (<1/10.000), Niet bekend (frequenties kan met de beschikbare gegevens niet worden bepaald).
Binnen elke frequentiecategorie worden de bijwerkingen gepresenteerd in afnemende mate van ernst.
Immuunsysteemaandoeningen
Niet bekend: overgevoeligheidsreacties (waaronder urticaria, angio-oedeem, rash, pruritus).
Psychische stoornissen
Vaak: hallucinaties
Soms: psychotische reacties (anders dan hallucinaties), waaronder delirium, waanbeelden en paranoia
Niet bekend: agressie*, dopamine dysregulatie syndroom, manie (zie rubriek 4.4) en impulsbeheersingsstoornissen** (zie rubriek 4.4)
* Agressie is in verband gebracht met psychotische reacties en met symptomen van dwangmatigheid.
** Impulsbeheersingsstoornissen: een ziekelijke neiging tot gokken, verhoogd libido, hypersexualiteit, agressie, dwangmatig geld uitgeven of aankopen doen, overmatig eten en dwangmatig eten kunnen voorkomen bij patiënten die worden behandeld met dopamine-agonisten zoals Ropinirole (zie rubriek 4.4).
Gebruik in combinatietherapie onderzoek:
Vaak: verwarring
Zenuwstelselaandoeningen
Zeer vaak: slaperigheid
Vaak: duizeligheid (inclusief draaierigheid)
Soms: plotselinge slaapaanvallen, overmatige slaperigheid overdag
Ropinirol wordt in verband gebracht met slaperigheid en soms met overmatige slaperigheid overdag en plotselinge slaapaanvallen.
Gebruik in onderzoek in monotherapie:
Zeer vaak: syncope
Gebruik in combinatietherapie onderzoek:
Zeer vaak: dyskinesie. Bij patiënten met de ziekte van Parkinson in een vergevorderd stadium kunnen dyskinesieën optreden tijdens de aanvang van de behandeling met ropinirol. In klinische onderzoeken werd aangetoond dat een verlaging van de levodopa dosering dyskinesieklachten kan verminderen (zie rubriek 4.2).
Bloedvataandoeningen
Soms: orthostatische hypotensie, hypotensie
orthostatische hypotensie en hypotensie zijn zelden ernstig
Ademhalingsstelsel-, thorax- en mediastinumaandoeningen
Soms: de hik
Maagdarmstelselaandoeningen
Zeer vaak: misselijkheid
Vaak: maagzuur
Gebruik in onderzoek in monotherapie:
Vaak: braken, buikpijn
Lever- en galaandoeningen
Niet bekend: leverreacties, voornamelijk verhoogde leverenzymen
Voortplantingsstelsel- en borstaandoeningen
Niet bekend: spontane peniserectie
Algemene aandoeningen en toedieningsplaatsstoornissen
Gebruik in onderzoek in monotherapie:
Vaak: perifeer oedeem (inclusief oedeem in de benen)
Niet bekend: dopamine-agonist onttrekkingssyndroom (inclusief apathie, angst, depressie, vermoeidheid, zweten en pijn)
Dopamine-agonist onttrekkingssyndroom
Er kunnen niet-motorische bijwerkingen optreden wanneer de dosering met dopamine-agonisten, inclusief ropinirol, wordt afgebouwd of de behandeling wordt gestaakt (zie rubriek 4.4).
Melding van vermoedelijke bijwerkingen
Het is belangrijk om na toelating van het geneesmiddel vermoedelijke bijwerkingen te melden. Op deze wijze kan de verhouding tussen voordelen en risico’s van het geneesmiddel voortdurend worden gevolgd. Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg wordt verzocht alle vermoedelijke bijwerkingen te melden via het Nederlands Bijwerkingen Centrum Lareb, website: www.lareb.nl.
4.9 Overdosering
De symptomen van een overdosis ropinirol houden verband met de dopaminerge werking van het middel.
Deze symptomen kunnen worden verlicht door passende behandeling met dopamine-antagonisten zoals neuroleptica of metoclopramide.
5. FARMACOLOGISCHE EIGENSCHAPPEN
5.1 Farmacodynamische eigenschappen
Farmacotherapeutische categorie: dopamine-agonist, ATC code: N04B C04.
Werkingsmechanisme
Ropinirol is een non-ergoline D2/D3 dopamine-agonist die striatale dopamine receptoren stimuleert.
Ropinirol verlicht de symptomen van dopamine gebrek, wat kenmerkend is voor de ziekte van Parkinson, door de striatale dopaminereceptoren te stimuleren.
De werking van ropinirol in de hypothalamus en hypofyse leidt tot een remming van de secretie van prolactine.
Studie naar de effecten van ropinirol op cardiale repolarisatie
Een grondige QT-studie uitgevoerd bij gezonde mannelijke en vrouwelijke vrijwilligers met doseringen van 0.5, 1, 2 en 4 mg ropinirol filmomhulde tabletten (directe vrijgifte) eenmaal daags, liet bij een dosering van 1 mg een maximale verhoging van het QT-interval zien van 3,46 milliseconden
(puntschatting) vergeleken met placebo. De bovenste grens van het 95% betrouwbaarheidsinterval voor het grootste gemiddelde effect was 7,5 milliseconden. Het effect van ropinirol bij hogere doseringen is niet systematisch onderzocht.
De beschikbare klinische data uit een diepgaande QT-studie tonen geen risico aan op QT-verlenging bij doseringen tot 4 mg/dag. Een risico op QT verlenging bij doseringen tot 24 mg/dag kan echter niet worden uitgesloten omdat dit niet is onderzocht.
5.2 Farmacokinetische eigenschappen
Absorptie
De orale absorptie van ropinirol is snel. De biologische beschikbaarheid van ropinirol bedraagt ongeveer 50% (36-57%). Orale absorptie van ropinirol filmomhulde (directe vrijgifte) tabletten verloopt snel met een mediane tijd van het bereiken van de piekconcentraties van 1,5 uur na inname. Een maaltijd met een hoog vetgehalte verlaagt de absorptie van ropinirol, zoals de vertraging in de mediane Tmax na 2,6 uur laat zien en een gemiddeld 25% verlaagde Cmax.
Distributie
De plasma-eiwitbinding van ropinirol is laag (10-40%).
Overeenkomend met zijn hoge lipofiele eigenschappen, heeft ropinirol een groot distributievolume (ongeveer 7 l/kg).
Biotransformatie
Het cytochrom P450 isoenzym CYP1A2 is voornamelijk verantwoordelijk voor het oxidatieve metabolisme van ropinirol. Ropinirol wordt vooral uitgescheiden via de urine. De hoofdmetaboliet is ten minste 100 maal minder potent dan ropinirol in diermodellen voor dopaminerge functie.
Eliminatie
Ropinirol wordt geklaard uit de systemische circulatie met een gemiddelde eliminatiehalfwaardetijd van ongeveer 6 uur. De toename van de systemische blootstelling (Cmax en AUC) aan ropinirol is ongeveer evenredig over het therapeutische dosisbereik. Geen verandering in de orale klaring van ropinirol is er waargenomen na enkelvoudige en herhaalde orale toedieningen. Grote interindividuele variabiliteit in de farmacokinetische parameters is er waargenomen.
Nierinsufficiëntie Er was geen verandering waargenomen in de farmacokinetiek van ropinirol bij patiënten met de ziekte van Parkinson met milde tot matige nierinsufficiëntie.
Bij patiënten met een nierziekte in het eindstadium die regelmatig hemodialyse ondergaan is de orale klaring van ropinirol met ongeveer 30% verlaagd. Orale klaring van de metabolieten SKF-104557 en SKF-89124 werden verlaagd met ongeveer 80% en 60%, respectievelijk. Daarom wordt de aanbevolen maximale dosis beperkt tot 3 mg/dag bij patiënten met de ziekte van Parkinson (zie rubriek 4.2).
Zwangerschap
Verwacht wordt dat fysiologische veranderingen die plaatsvinden tijdens de zwangerschap (inclusief verminderde CYP1A2-activiteit) geleidelijk zullen leiden tot een verhoogde maternale systemische blootstelling aan ropinirol (zie ook rubriek 4.6).
5.3 Gegevens uit het preklinische veiligheidsonderzoek
Reproductietoxicologie
In vruchtbaarheidsonderzoeken bij vrouwelijke ratten werden effecten waargenomen op de nidatie als gevolg van het prolactine-verlagende effect van ropinirol. Er moet worden opgemerkt dat prolactine niet essentieel is voor nidatie bij mensen.
Het toedienen van toxische doseringen ropinirol aan zwangere ratten, resulteerde in een afgenomen foetaal gewicht bij doseringen van 60 mg/kg/dag (waarbij de gemiddelde AUC bij ratten ongeveer 2x hoger was dan de hoogst gemeten AUC bij mensen na toediening van de maximale aanbevolen dosering (Maximum Recommended Human Dose – MRHD)), toegenomen foetale sterfte bij doseringen van 90 mg/kg/dag (ongeveer 3x de hoogst gemeten humane AUC na toediening van de MRHD) en vinger- of teenmalformaties bij doseringen van 150 mg/kg/dag (ongeveer 5x de hoogst gemeten humane AUC na toediening van de MRHD). Bij doseringen van 120 mg/kg/dag (ongeveer 4x de hoogst gemeten humane AUC na toediening van de MRHD) werden er bij de rat geen teratogene effecten waargenomen en bij konijnen waren er geen aanwijzingen voor een effect tijdens de organogenese wanneer uitsluitend ropinirol werd toegediend in een dosering van 20 mg/kg (9,5x de gemiddelde humane Cmax bij MRHD). Echter, ropinirol toegediend aan konijnen in een dosering van 10 mg/kg (4,8x de gemiddelde humane Cmax bij MRHD) in combinatie met oraal L-dopa gaf een hogere incidentie en ernst van vinger- of teenmalformaties dan indien uitsluitend L-dopa werd toegediend.
Toxicologie:
Het toxicologische profiel wordt voornamelijk bepaald door de farmacologische werking van ropinirol: gedragsveranderingen, hypoprolactinemie, verlaagde bloeddruk en hartslag, ptosis en speekselvloed. Alleen bij de albinorat werd degeneratie van het netvlies waargenomen tijdens een lange-termijnstudie bij de hoogste doseringen (50 mg/kg/dag), hetgeen waarschijnlijk in verband kan worden gebracht met een verhoogde blootstelling aan licht.
Genotoxiciteit:
Genotoxiciteit is niet waargenomen in de gebruikelijke serie in vitro- en in vivo-proeven.
Carcinogenese:
Bij ratten en muizen zijn studies uitgevoerd over een periode van twee jaar met doseringen tot 50 mg/kg. Bij de muis werd geen enkel carcinogeen effect waargenomen. De enige, aan ropinirol gerelateerde laesies, werden bij ratten waargenomen. Het betrof hyperplasie van de cellen van Leydig en adenoma in de testes als gevolg van het hypoprolactinemisch effect van ropinirol. Deze laesies worden echter beschouwd als soort-specifiek en vormen geen risico bij klinisch gebruik van Ropinirol Viatris.
Veiligheid Farmacologie In vitro studies hebben aangetoond dat ropinirol hERG-gemedieerde prikkels inhibeert. De IC50 5 keer hoger dan de verwachte maximale plasmaconcentratie bij patiënten behandeld met de hoogste aanbevolen dosis (24 mg / dag) (zie rubriek 5.1).
6. FARMACEUTISCHE GEGEVENS
6.1 Lijst van hulpstoffen
Tabletkern:
Microkristallijne cellulose
Lactosemonohydraat
Natrium croscarmellose
Hypromellose
Magnesiumstearaat
Filmomhulling:
Hypromellose
Titaandioxide (E 171)
Macrogol
Polysorbaat
Indigocarmine (E 132)
6.2 Gevallen van onverenigbaarheid
Niet van toepassing.
6.3 Houdbaarheid
3 jaar
6.4 Speciale voorzorgsmaatregelen bij bewaren
Geen speciale bewaarcondities.
6.5 Aard en inhoud van de verpakking
HDPE flacon met PP sluiting en voorzien van silica gel koker.
21, 28, 84 en 126 filmomhulde tabletten
6.6 Speciale voorzorgsmaatregelen voor het verwijderen
Geen bijzondere vereisten.
7. HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
Viatris Ltd
Damastown Industrial Park
Mulhuddart
Dublin 15
Dublin
Ierland
8. NUMMER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
Ropinirol Viatris 5 mg, filmomhulde tabletten: RVG 34860
9. DATUM VAN EERSTE VERLENING VAN DE VERGUNNING/VERLENGING VAN DE VERGUNNING
Datum van eerste verlening van de vergunning: 29 september 2008
Datum van laatste verlenging: 8 maart 2012
10. DATUM VAN HERZIENING VAN DE TEKST
Laatste gedeeltelijke wijziging betreft de rubrieken 4.4 en 4.8: 8 juni 2026
