SmPC (samenvatting van de productkenmerken) - Risedronaatnatrium Aurobindo 5 mg filmomhulde tablet
1. NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
Risedronaatnatrium Aurobindo 5 mg, filmomhulde tabletten
2. KWALITATIEVE EN KWANTITATIEVE SAMENSTELLING
Elke filmomhulde tablet van bevat 5,0 mg natriumrisedronaat (overeenkomend met 4,6 mg risedroninezuur).
Hulpstof met bekend effect: Elke filmomhulde tablet bevat 24,60 mg lactosemonohydraat.
Voor de volledige lijst van hulpstoffen, zie rubriek 6.1
3. FARMACEUTISCHE VORM
Filmomhulde tablet.
Geel gekleurde, ronde vorm, schuine rand, filmomhulde biconvexe tabletten met de opdruk 'X' aan de ene kant en '61' aan de andere kant.
4. KLINISCHE GEGEVENS
4.1 Therapeutische indicaties
Behandeling van postmenopauzale osteoporose om het risico van wervelfracturen te verminderen. Behandeling van bewezen postmenopauzale osteoporose om het risico van heupfracturen te verminderen.
Preventie van osteoporose bij postmenopauzale vrouwen met een verhoogd risico op osteoporose (zie rubriek 5.1).
Behouden of vergroten van de botmassa bij postmenopauzale vrouwen die een langdurige (meer dan 3 maanden), systemische behandeling met corticosteroïden ondergaan met doses ≥ 7,5 mg/dag prednison of equivalent.
4.2 Dosering en wijze van toediening
Dosering
De aanbevolen dagdosering voor volwassenen is één tablet van 5 mg oraal. De absorptie van natriumrisedronaat wordt beïnvloed door voedsel. Om adequate absorptie te garanderen dienen patiënten natriumrisedronaat daarom als volgt in te nemen:
- Vóór het ontbijt: tenminste 30 minuten vóór andere geneesmiddelen en het eerste eten of drinken van de dag (met uitzondering van gewoon leidingwater)
Indien inname vóór het ontbijt niet praktisch is, kan natriumrisedronaat tussen de maaltijden of ’s avonds ingenomen worden; elke dag rond hetzelfde tijdstip, op een lege maag en volgens de hieronder beschreven instructies:
- Tussen de maaltijden: natriumrisedronaat moet ingenomen worden tenminste 2 uur vóór en tenminste 2 uur na andere geneesmiddelen, eten of drinken (met uitzondering van gewoon leidingwater)
- s’ Avonds: natriumrisedronaat moet ingenomen worden tenminste 2 uur na andere geneesmiddelen en het laatste eten of drinken van de dag (met uitzondering van gewoon leidingwater). natriumrisedronaat moet tenminste 30 minuten voor het slapen gaan worden ingenomen.
Indien een dosis vergeten is, kan natriumrisedronaat ingenomen worden op een ander tijdstip namelijk vóór het ontbijt, tussen de maaltijden of ’s avonds volgens bovengenoemde instructies.
De tablet moet in zijn geheel worden doorgeslikt en mag niet opgezogen of gekauwd worden. Om het transport van de tablet naar de maag te bevorderen moet natriumrisedronaat zittend of staand ingenomen worden met een glas gewoon leidingwater (> 120 ml). Nadat de tablet is ingenomen, mag de patiënt de eerstvolgende 30 minuten niet gaan liggen (zie rubriek 4.4).
Toedienen van extra calcium en vitamine D dient te worden overwogen bij onvoldoende inname via de voeding.
De optimale duur van de behandeling van osteoporose met een bisfosfonaat is niet vastgesteld. De noodzaak van voortgezette behandeling moet periodiek heroverwogen worden op basis van de voordelen en potentiële risico's van [Productnaam] voor de individuele patiënt, met name na 5 jaar gebruik of langer.
Ouderen: Aanpassing van de dosering is niet nodig, omdat de biologische beschikbaarheid, distributie en eliminatie bij ouderen (> 60 jaar) vergelijkbaar was met deze van jongere patiënten.
Nierfunctiestoornis: Bij patiënten met milde tot matige nierinsufficiëntie hoeft de dosering niet te worden aangepast. natriumrisedronaat mag niet worden gebruikt bij patiënten met een ernstige nierfunctiestoornis (creatinineklaring lager dan 30 ml/min) (zie rubriek 4.3 en 5.2).
Pediatrische populatie: Natriumrisedronaat wordt niet aanbevolen voor het gebruik bij kinderen jonger dan 18 jaar vanwege onvoldoende gegevens over veiligheid en werkzaamheid (zie ook rubriek 5.1)
4.3 Contra-indicaties
Overgevoeligheid voor natriumrisedronaat of voor één van de in rubriek 6.1 vermelde hulpstoffen.
Hypocalciëmie (zie rubriek 4.4).
Zwangerschap en borstvoeding.
Ernstige nierinsufficiëntie (creatinineklaring < 30 ml/min.).
4.4 Bijzondere waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik
Voedsel, drank (met uitzondering van gewoon leidingwater) en geneesmiddelen die meerwaardige kationen bevatten (zoals calcium, magnesium, ijzer en aluminium) kunnen de absorptie van bisfosfonaten verstoren en mogen niet tegelijkertijd worden ingenomen met natriumrisedronaat (zie rubriek 4.5). Het is noodzakelijk om de doseringsinstructies zorgvuldig op te volgen om de bedoelde effectiviteit te behouden (zie rubriek 4.2).
De werkzaamheid van bisfosfonaten bij de behandeling van postmenopauzale osteoporose hangt samen met de aanwezigheid van een lage botmineraaldichtheid (BMD T-score ter hoogte van heup of wervelkolom ≤ 2.5 SD) en/of bestaande fracturen.
Hoge leeftijd dan wel klinische risicofactoren voor fracturen zijn, op zichzelf staand, geen redenen om een osteoporosebehandeling met een bisfosfonaat te starten.
Er bestaat slechts beperkt bewijs voor de effectiviteit van bisfosfonaten waaronder natriumrisedronaat bij zeer oude vrouwen (> 80 jaar), zie rubriek 5.1.
Bisfosfonaten zijn in verband gebracht met oesofagitis, gastritis en ulceratie van de oesofagus en gastroduodenum. Dus, voorzichtigheid is geboden:
- Bij patiënten met een voorgeschiedenis van oesofagusaandoeningen die de passage door de slokdarm of de lediging ervan vertragen zoals stricturen en achalasie.
- Bij patiënten die niet in staat zijn om 30 minuten na de inname van de tablet rechtop te kunnen blijven zitten of staan.
- Als natriumrisedronaat wordt gegeven aan patiënten met actieve of recente problemen van de oesofagus of het bovenste gedeelte van het maagdarmkanaal (waaronder een Barrett slokdarm).
Artsen moeten aan patiënten het belang van de doseringsinstructies uitleggen en benadrukken alert te zijn op klachten en symptomen van een mogelijke oesofageale reactie. Patiënten moeten geïnstrueerd worden om tijdig medische hulp te zoeken indien zij klachten van oesofageale irritatie zoals dysfagie, pijn bij slikken, retrosternale pijn of nieuw/verergerd zuurbranden ontwikkelen.
Hypocalciëmie moet worden behandeld, voordat met natriumrisedronaat wordt gestart. Andere stoornissen van het bot- en mineraalmetabolisme (b.v. dysfunctie van de bijschildklier, hypovitaminose D) moeten worden behandeld, wanneer met natriumrisedronaat wordt gestart.
Osteonecrose van de kaak, algemeen geassocieerd met het trekken van tanden en/of locale infectie (inclusief osteomyelitis) is gemeld bij kankerpatiënten met behandelingsschema’s met daarin primair intraveneus toegediende bisfosfonaten. Veel van deze patiënten kregen ook chemotherapie en corticosteroïden. Osteonecrose van de kaak is ook gemeld bij osteoporosepatiënten die orale bisfosfonaten kregen.
Een tandonderzoek met geschikte preventieve tandheelkunde moet overwogen worden vóór de behandeling met bisfosfonaten bij patiënten met bijkomende risicofactoren (bv. kanker, chemotherapie, radiotherapie, corticosteroïden, slechte mondhygiëne).
Tijdens de behandeling moeten deze patiënten zo mogelijk invasieve tandbehandelingen vermijden. Voor patiënten die osteonecrose van de kaak ontwikkelen tijdens de therapie met bisfosfonaten, kunnen tandheelkundige operaties de klachten verergeren. Voor patiënten waarvoor tandheelkundige operaties noodzakelijk zijn, zijn geen gegevens beschikbaar die aangeven of discontinueren van de behandeling met bisfosfonaten het risico op osteonecrose van de kaak vermindert.
De klinische beoordeling door de behandelend arts dient de richtlijn te zijn voor het behandelingsplan van elke patiënt, gebaseerd op een individuele afweging van de voor- en nadelen.
Atypische femurfracturen
Bij behandeling met bisfosfonaten zijn atypische subtrochantere en femurschachtfracturen gemeld, met name bij patiënten die langdurig wegens osteoporose behandeld worden. Deze transversale of korte schuine fracturen kunnen langs het hele femur optreden vanaf direct onder de trochanter minor tot vlak boven de supracondylaire rand. Deze fracturen treden op na minimaal of geen trauma. Sommige patiënten ervaren pijn in de dij of lies, weken tot maanden voor het optreden van een volledige femorale fractuur, vaak samen met kenmerken van stressfracturen bij beeldvormend onderzoek. De fracturen zijn in veel gevallen bilateraal. Daarom moet het contralaterale femur worden onderzocht bij patiënten die met bisfosfonaten worden behandeld en een femurschachtfractuur hebben opgelopen. Ook is slechte genezing van deze fracturen gemeld. Op basis van een individuele inschatting van de voor- en nadelen moet worden overwogen om de bisfosfonaattherapie te staken bij patiënten met verdenking op een atypische femurfractuur tot er een beoordeling is gemaakt van de patiënt.
Patiënten moeten het advies krijgen om tijdens behandeling met bisfosfonaten elke pijn in de dij, heup of lies te melden. Elke patiënt die zich met zulke symptomen aandient, moet worden onderzocht op een onvolledige femurfractuur.
Osteonecrose van de uitwendige gehoorgang is gemeld bij gebruik van bisfosfonaten, vooral in samenhang met langdurige behandeling. Mogelijke risicofactoren voor osteonecrose van de uitwendige gehoorgang zijn onder andere gebruik van steroïden en chemotherapie en/of lokale risicofactoren zoals infectie of trauma. Er dient rekening te worden gehouden met de mogelijkheid van osteonecrose van de uitwendige gehoorgang bij patiënten die bisfosfonaten toegediend krijgen en bij wie oorsymptomen waaronder chronische oorinfecties optreden.
Hulpstoffen
Lactose
Dit geneesmiddel bevat lactose. Patiënten met zeldzame erfelijke aandoeningen als galactose-intolerantie, Lapp-lactasedeficiëntie of glucose-galactosemalabsorptie dienen dit geneesmiddel niet te gebruiken.
Natrium
Dit geneesmiddel bevat minder dan 1 mmol natrium (23 mg) per filmomhulde tablet, dat wil zeggen dat het in wezen ‘natriumvrij’ is.
4.5 Interacties met andere geneesmiddelen en andere vormen van interactie
Interactiestudies zijn niet uitgevoerd. Tijdens de klinische studies werden echter geen klinisch relevante interacties met andere geneesmiddelen gevonden.
Tijdens de fase III studies van natriumrisedronaat voor behandeling van osteoporose, vermeldde 33 % van de patiënten ook acetylsalicylzuur te gebruiken en 45 % NSAIDs.
Natriumrisedronaat kan tegelijk met oestrogeensuppletie worden gebruikt, indien dit gewenst wordt geacht.
Gelijktijdige inname van geneesmiddelen die meerwaardige kationen bevatten (bijvoorbeeld calcium, magnesium, ijzer en aluminium) verstoort de absorptie van natriumrisedronaat (zie rubriek 4.4).
Natriumrisedronaat wordt niet systemisch gemetaboliseerd, geeft geen cytochroom P450-enzym inductie en heeft een geringe eiwitbinding.
4.6 Vruchtbaarheid, zwangerschap en borstvoeding
Er zijn geen adequate gegevens beschikbaar over het gebruik van natriumrisedronaat bij zwangere vrouwen. Onderzoek bij dieren heeft reprotoxiciteit aangetoond (zie rubriek 5.3). Het potentiële risico voor de mens is niet bekend. Onderzoek bij dieren heeft aangetoond dat een kleine hoeveelheid natriumrisedronaat overgaat in moedermelk.
Natriumrisedronaat mag tijdens de zwangerschap of bij borstvoeding niet worden gebruikt.
4.7 Beïnvloeding van de rijvaardigheid en het vermogen om machines te bedienen
Er werden geen effecten waargenomen die de rijvaardigheid en het vermogen om machines te bedienen beïnvloedden.
4.8 Bijwerkingen
In fase III studies werd het gebruik van natriumrisedronaat bij meer dan 15.000 patiënten bestudeerd. In de klinische proeven was de meerderheid van de bijwerkingen licht tot matig van ernst en meestal was stoppen van de behandeling niet nodig.
Bijwerkingen gerapporteerd tijdens de fase III klinische studies bij postmenopauzale vrouwen met osteoporose, behandeld tot 36 maanden met risedronaat 5 mg/dag (n=5020) of placebo (n=5048), gezien als mogelijk of waarschijnlijk gerelateerd aan risedronaat zijn hieronder weergegeven gebruik makend van de volgende regel (voorvallen versus placebo worden weergegeven tussen haakjes): zeer vaak (≥1/10); vaak (≥1/100 tot <1/10); soms (≥1/1000 tot <1/100); zelden (≥1/10.000 tot <1/1000); zeer zelden (<1/10.000), onbekend (kan niet worden bepaald uit de beschikbare gegevens).
Zenuwstelselaandoeningen:
Vaak: hoofdpijn (1,8% vs 1,4 %)
Oogaandoeningen:
Soms: iritis*
Ooraandoeningen:
Zeer zelden: Osteonecrose van de uitwendige gehoorgang (bijwerking van de bisfosfonaatklasse).
Maagdarmstelselaandoeningen:
Vaak: obstipatie (5,0% vs 4,8%), dyspepsie (4,5% vs 4,1%), nausea (4,3% vs 4,0%), buikpijn (3,5% vs 3,3%), diarree (3,0% vs 2,7%)
Soms: gastritis (0,9% vs 0,7%), oesophagitis (0,9% vs 0,9%), dysfagie (0,4% vs 0,2%), duodenitis (0,2% vs 0,1%), oesophagale ulcus (0,2% vs 0,2%)
Zelden: glossitis (<0,1% vs 0,1%), oesophagale strictuur (<0,1% vs 0,0%)
Skeletspierstelsel- en bindweefselaandoeningen:
Vaak: musculoskeletale pijn (2,1% vs 1,9%)
Onderzoeken:
Zelden: afwijkende leverfunctietesten*
* Geen relevante voorvallen van de fase III osteoporose studies; frequentie is gebaseerd op bijwerkingen/laboratorium/immuniteitsonderzoek bevindingen uit eerdere klinische studies.
Laboratoriumbevindingen: Bij sommige patiënten zijn in het begin van de behandeling voorbijgaande, asymptomatische, lichte dalingen van de serumcalcium- en fosfaatspiegels waargenomen.
Volgende bijkomende bijwerkingen zijn gerapporteerd nadat natriumrisedronaat op de markt kwam:
Immuunsysteemaandoeningen:
onbekend: Anafylactische reactie
Oogaandoeningen:
onbekend: Iritis, uveïtis
Lever- en galaandoeningen:
onbekend: Ernstige leveraandoeningen. In de meeste van de gemelde gevallen werden de patiënten tevens behandeld met andere producten waarvan bekend is dat het leveraandoeningen veroorzaakt.
Huid- en onderhuid aandoeningen:
onbekend: Hypersensibiliteit en huidreacties zoals angio-oedeem, huiduitslag, netelroos en huidreacties met blaasvorming, waarvan sommige ernstig, zoals geïsoleerde meldingen van Stevens-Johnson syndroom en toxische epidermale necrolyse en leukocytoclastische vasculitis.
onbekend: Haarverlies
Skeletspierstelsel- en bindweefselaandoeningen:
Zelden: Atypische subtrochantere en femurschachtfracturen (bijwerking van bisfosfonaatklasse).
Atypische subtrochantere en femurschachtfracturen (bijwerking van bisfosfonaatklasse).
onbekend: Osteonecrose van de kaak
Melding van vermoedelijke bijwerkingen
Het is belangrijk om na toelating van het geneesmiddel vermoedelijke bijwerkingen te melden. Op deze wijze kan de verhouding tussen voordelen en risico’s van het geneesmiddel voortdurend worden gevolgd. Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg wordt verzocht alle vermoedelijke bijwerkingen te melden via het Nederlands Bijwerkingen Centrum Lareb, (website: www.lareb.nl).
4.9 Overdosering
Er is geen specifieke informatie beschikbaar over de behandeling van overdosering met natriumrisedronaat.
Na substantiële overdosering kan een daling van de serumcalciumspiegel worden verwacht. Bij sommige van deze patiënten zouden ook tekenen en symptomen van hypocalciëmie kunnen optreden.
Melk of antacida die magnesium, calcium of aluminium bevatten, dienen te worden toegediend om natriumrisedronaat te binden en de absorptie van natriumrisedronaat te verminderen. In gevallen van substantiële overdosering kan maagspoeling worden overwogen om niet-geabsorbeerd natriumrisedronaat te verwijderen.
5. FARMACOLOGISCHE EIGENSCHAPPEN
5.1 Farmacodynamische eigenschappen
Farmacotherapeutische groep: bisfosfonaten
ATC code: M05 BA07.
Natriumrisedronaat is een pyridinylbisfosfonaat dat zich bindt aan hydroxyapatiet en dat de botafbraak, veroorzaakt door osteoclasten, remt. De botomzetting vermindert terwijl de activiteit van de osteoblasten en de botmineralisatie behouden blijven. Tijdens het preklinisch onderzoek werd voor natriumrisedronaat een potente anti-osteoclasten en botafbraakremmende activiteit aangetoond, waarbij de botmassa en de biomechanische skeletsterkte dosisafhankelijk toenamen. De activiteit van natriumrisedronaat werd bevestigd door metingen van biochemische markers van de botomzetting tijdens de farmacodynamische en de klinische studies. Daling van de biochemische markers van de botomzetting werd waargenomen binnen 1 maand na starten van de behandeling en was na 3-6 maanden maximaal.
Behandeling en preventie van postmenopauzale osteoporose:
Een aantal risicofactoren wordt geassocieerd met postmenopauzale osteoporose o.a. een lage botmassa, een lage botmineraaldensiteit (BMD), vroege menopauze, roken of hebben gerookt en een familiegeschiedenis van osteoporose. Fracturen zijn het klinische gevolg van osteoporose. Het risico op fracturen verhoogt met het aantal risicofactoren.
Het klinische programma bestudeerde het effect van natriumrisedronaat op het risico van heup- en wervelfracturen en omvatte vroeg en laat postmenopauzale vrouwen, met of zonder fracturen. Dagelijkse doses van 2.5 mg en 5 mg werden bestudeerd en alle groepen - met inbegrip van de controlegroepen - kregen calcium en vitamine D (wanneer de ‘baseline’ waarden laag waren). De absolute en relatieve risico’s voor nieuwe wervel- en heupfracturen werden door een ‘time-to-first event’ analyse bepaald.
- In twee placebo-gecontroleerde studies (n = 3661) werden vrouwen onder de 85 jaar met bestaande wervelfracturen geïncludeerd. Natriumrisedronaat 5 mg per dag, gegeven gedurende 3 jaar, verminderde het risico van nieuwe wervelfracturen vergeleken met de controlegroep. Bij vrouwen met respectievelijk ten minste twee dan wel ten minste één wervelfractuur, nam het relatieve risico af met respectievelijk 49 % en 41 % (incidentie van nieuwe wervelfracturen met natriumrisedronaat respectievelijk 18.1 % en 11.3 %, met placebo respectievelijk 29.0 % en 16.3 %). Het effect werd reeds gezien aan het einde van het eerste jaar behandelen. Voordelen werden ook aangetoond bij vrouwen met multipele fracturen bij aanvang van de behandeling. Ook verminderde natriumrisedronaat 5 mg, in vergelijking met de controlegroep, het jaarlijkse lengteverlies.
- In twee andere placebo-gecontroleerde studies werden postmenopauzale vrouwen geïncludeerd ouder dan 70 jaar met of zonder bestaande wervelfracturen. Vrouwen van 70-79 jaar werden geïncludeerd met een femurhals BMD T-score < - 3 SD (fabrikantennorm d.w.z. – 2.5 SD wanneer NHANES III wordt gebruikt) en ten minste één andere risicofactor. Vrouwen > 80 jaar oud konden worden geïncludeerd op basis van één niet-skelet gerelateerde risicofactor voor heupfracturen dan wel een lage femurhals BMD. Statistische significantie voor de effectiviteit van natriumrisedronaat versus placebo werd enkel bereikt na samenvoegen van beide behandelingsgroepen, 2.5 en 5 mg. De volgende resultaten zijn gebaseerd op een a posteriori analyse van subgroepen gedefinieerd volgens de klinische praktijk en de huidige definities van osteoporose:
- In een subgroep patiënten met femurhals BMD T score < - 2.5 SD (NHANES III) en ten minste één bestaande wervelfractuur, verminderde natriumrisedronaat – gegeven gedurende 3 jaar – het risico van heupfracturen met 46% in vergelijking met de controlegroep (incidentie van heupfracturen met natriumrisedronaat in de gecombineerde 2.5 en 5 mg groepen 3.8%, met placebo 7.4 %).
- Gegevens suggereren dat er een meer beperkte bescherming zou zijn bij hoogbejaarden (> 80 jaar). Dit zou te wijten kunnen zijn aan het stijgende belang van niet-skelet gerelateerde factoren met toenemen van de leeftijd, bij het ontstaan van heupfracturen.
In deze studies tonen gegevens – geanalyseerd als secundair eindpunt – een vermindering aan van het risico van nieuwe wervelfracturen bij patiënten met een lage femurhals BMD zonder bestaande wervelfracturen en bij patiënten met een lage femurhals BMD met of zonder bestaande wervelfracturen.
Natriumrisedronaat 5 mg per dag, gegeven gedurende 3 jaar, verhoogde t.o.v. de controlegroep de BMD van de lumbale wervelkolom, femurhals, trochanter en pols en voorkwam botverlies ter hoogte van de midschacht radius.
- Het remmend effect van natriumrisedronaat op de botomzettingssnelheid was na een jaar zonder behandeling volgend op 3 jaar behandeling met natriumrisedronaat 5 mg per dag, snel omkeerbaar.
- Natriumrisedronaat 5 mg per dag, gegeven aan postmenopauzale vrouwen die ook oestrogenen gebruiken, leidde tot een BMD-toename enkel in de femurhals en de midschacht radius vergeleken met oestrogenen alleen.
- Botbiopten van postmenopauzale vrouwen die 2 à 3 jaar natriumrisedronaat 5 mg per dag innamen, toonden de verwachte gematigde vermindering van de botomzetting. Bot, gevormd tijdens de behandeling met natriumrisedronaat, had een normale lamellaire structuur en was normaal gemineraliseerd. Deze gegevens, samen met de verminderde incidentie bij postmenopauzale vrouwen met osteoporose, van osteoporotische fracturen ter hoogte van de wervels, lijken aan te geven dat er geen negatief effect is op de botkwaliteit.
- Endoscopische bevindingen bij een aantal patiënten met matige tot ernstige maagdarmklachten, zowel in de natriumrisedronaat- als in de controlegroep, gaven géén aanwijzingen voor het ontstaan van, aan de behandeling gerelateerde maag-, duodenum of oesofaguszweren, hoewel duodenitis in zeldzame gevallen werd waargenomen in de natriumrisedronaat groep.
- In een vergelijkende studie van postmenopauzale vrouwen met osteoporose betreft dosering vóór het ontbijt of dosering op een ander moment van de dag, was de winst van de BMD van de lumbale wervelkolom statistisch hoger bij de dosering vóór het ontbijt.
Natriumrisedronaat heeft bij postmenopauzale vrouwen met osteopenie een superieur effect aangetoond in vergelijking met placebo ten aanzien van het verhogen van de BMD van de lumbale wervelkolom na 12 en 24 maanden.
Door corticosteroïden geïnduceerde osteoporose:
Het klinische programma omvatte patiënten die in de voorafgaande 3 maanden een behandeling met corticosteroïden waren begonnen (> 7.5 mg/dag prednison of equivalent) enerzijds en patiënten die al langer dan 6 maanden corticosteroïden namen anderzijds.
Deze studies toonden aan dat:
- natriumrisedronaat 5 mg per dag, gegeven gedurende 1 jaar, leidde tot behoud of stijging van de BMD t.h.v. de lumbale wervelkolom, de femurhals en de trochanter, vergeleken met de controlegroep.
- na samenvoegen van de studies, natriumrisedronaat 5 mg per dag, de incidentie van wervelfracturen - gecontroleerd als veiligheidscriterium - in 1 jaar verminderde ten opzichte van de controlegroep.
- histologisch onderzoek van botbiopten bij patiënten die dagelijks corticosteroïden en natriumrisedronaat 5 mg innamen, geen tekenen van een verstoord mineralisatieproces vertoonden.
Pediatrische populatie:
De veiligheid en werkzaamheid van natriumrisedronaat werd onderzocht in een 3 jarige studie (een éénjarige gerandomiseerde, dubbelblinde, placebo-gecontroleerde, multicenter studie met parallele groepen gevolgd door een open label behandeling van 2 jaar) bij pediatrische patiënten in de leeftijd van 4 tot jonger dan 16 jaar met lichte tot matige osteogenesis imperfecta. In deze studie kregen patiënten tussen 10 en 30 kg, dagelijks 2,5 mg risedronaat; en patiënten boven de 30 kg wogen, dagelijks 5 mg risedronaat. Na voltooiing van het eerste jaar van deze gerandomiseerde, dubbelblinde, placebogecontroleerde fase, werd een statistisch significante verhoging van de BMD van de lumbale wervelkolom aangetoond bij de risedronaat groep versus de placebo groep. Desondanks werd een verhoogd aantal van minstens 1 nieuwe morfometrische wervelfractuur (aangetoond op een röntgenfoto) gevonden in de risedronaat groep versus placebo. Tijdens de dubbelblinde periode van een jaar, was de percentage van patiënten die een klinische botbreuk rapporteerden 30,9% in de risedronaat groep, en 49,0% in de placebo groep.
In de open label periode waarin alle patienten risedronaat kregen (maand 12 tot en met maand 36), werden klinische botbreuken geraporteerd door 65,3% van de patienten die initieel in de placebogroep zaten en door 52,9% van de patienten die initieel in de risedronaat groep zaten. Al met al ondersteunen deze resultaten het gebruik van risedronaat bij pediatrische
patiënten met mild tot gematigd osteogenesis imperfecta niet.
5.2 Farmacokinetische eigenschappen
Absorptie: Na een orale dosis vindt absorptie relatief snel plaats (tmax ~1 uur). In het onderzochte traject (tussen 2,5 en 30 mg) is de absorptie onafhankelijk van de dosis. De gemiddelde biologische beschikbaarheid na inname van de tablet is 0,63 % en deze neemt af wanneer natriumrisedronaat samen met voedsel wordt ingenomen. De biologische beschikbaarheid is vergelijkbaar bij mannen en vrouwen.
Distributie: Het gemiddelde steady-state distributievolume bij de mens bedraagt 6,3 l/kg. De plasma-eiwitbinding bedraagt ongeveer 24 %.
Biotransformatie:Er zijn geen aanwijzingen dat natriumrisedronaat systemisch wordt gemetaboliseerd.
Eliminatie: Ongeveer de helft van de geabsorbeerde dosis wordt binnen 24 uur via de urine uitgescheiden en 85 % van een intraveneuze dosis wordt na 28 dagen in de urine teruggevonden. De gemiddelde renale klaring is 105 ml/min en de gemiddelde totale klaring 122 ml/min. Het verschil kan waarschijnlijk worden toegeschreven aan klaring als gevolg van adsorptie aan bot. De renale klaring is onafhankelijk van de concentratie en er bestaat een lineair verband tussen renale en creatinineklaring. Niet-geabsorbeerd natriumrisedronaat wordt onveranderd in de faeces uitgescheiden. Na orale toediening vertoont het concentratie-tijd profiel drie eliminatiefasen met een terminale halfwaardetijd van 480 uur.
Bijzondere Populaties:
Ouderen: aanpassing van de dosering is niet nodig.
Acetylsalicylzuur- en NSAID-gebruikers: Bij regelmatige inname van NSAIDs of acetylsalicylzuur (3 dagen of meer per week) was de incidentie van bijwerkingen bij patiënten die natriumrisedronaat gebruikten ter hoogte van het bovenste gedeelte van het maagdarmkanaal vergelijkbaar met de incidentie bij de controlepatiënten.
5.3 Gegevens uit het preklinisch veiligheidsonderzoek
In de toxicologische studies met natriumrisedronaat bij rat en hond, werden dosisafhankelijke toxische effecten op de lever gezien, die zich voornamelijk uitten als verhoogde enzymwaarden met histologische veranderingen in de rat. De klinische betekenis hiervan is niet bekend. Toxiciteit op de testikels werd waargenomen bij ratten en honden na blootstelling die boven de menselijke therapeutische blootstelling lag. Dosis gerelateerd voorkomen van irritatie van de bovenste luchtwegen werd regelmatig vastgesteld bij knaagdieren. Soortgelijke effecten zijn vastgesteld met andere bisfosfonaten. Effecten op de lagere luchtwegen werden ook vastgesteld bij knaagdieren na inname over een langere periode, maar de klinische betekenis van deze bevindingen is onduidelijk. In reproductie toxiciteitsstudies vertoonden foetussen van behandelde vrouwelijke ratten veranderingen in de ossificatie van het sternum en/of de schedel, bij doses die de klinische benaderden. Bij drachtige ratten kwam hypocalciëmie voor en mortaliteit bij deze die mochten werpen. Er is geen bewijs van teratogenese bij 3.2 mg/kg/dag bij ratten en 10 mg/kg/dag bij konijnen, doch slechts gegevens van een beperkt aantal konijnen zijn beschikbaar. Toxiciteit bij de moeder belette het testen van hogere doses. De studies betreffende genotoxiciteit en carcinogenese, wijzen niet op een speciaal risico voor de mens.
6. FARMACEUTISCHE GEGEVENS
6.1 Lijst van hulpstoffen
Tabletkern:
Lactosemonohydraat
Microkristallijne cellulose
Crospovidon
Hydroxy propyl cellulose
Magnesiumstearaat.
Filmomhulling:
Hypromellose 6cPs
Titaandioxide
Macrogol 400
Hydroxy propyl cellulose
IJzeroxidegeel
Macrogol 8000
Colloïdaal siliciumdioxide
6.2 Gevallen van onverenigbaarheid
Niet van toepassing.
6.3 Houdbaarheid
4 jaar.
6.4 Speciale voorzorgsmaatregelen bij bewaren
Voor dit geneesmiddel zijn er geen speciale bewaarcondities.
6.5 Aard en inhoud van de verpakking
Doorzichtige PVC/PE/PVdC/aluminium blisterverpakking in een kartonnen doosje, Verpakkingen met 14, 20, 28, 84, 98 of 140 tabletten.
Niet alle genoemde verpakkingsgrootten worden in de handel gebracht.
6.6 Speciale voorzorgsmaatregelen voor het verwijderen
Geen bijzondere vereisten.
7. HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
Aurobindo Pharma B.V.
Baarnsche Dijk 1
3741 LN Baarn
Nederland
8. NUMMER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
Risedronaatnatrium Aurobindo 5 mg, filmomhulde tabletten: RVG 106807
9. DATUM VAN EERSTE VERLENING VAN DE VERGUNNING / HERNIEUWING VAN DE VERGUNNING
Datum van eerste verlening van de vergunning: 6 september 2010
Datum van laatste hernieuwing: 30 november 2013
10. DATUM VAN HERZIENING VAN DE TEKST
Laatste gedeeltelijke wijziging betreft rubriek 4.4: 21 november 2020
