Bijsluiter-info.nl

Plungymed 85 microgram/43 microgram – SmPC

De SmPC is bedoeld voor zorgverleners. Begrijpelijke informatie voor patiënten staat in de bijsluiter: dosering, bijwerkingen, andere geneesmiddelen, zwangerschap en borstvoeding.

Status:
Alleen op recept Feiten
Sterkte:
85 microgram/43 microgram
Werkzame stoffen:

SmPC (samenvatting van de productkenmerken) - Plungymed

1. NAAM VAN HET GENEESMIDDEL

Plungymed 85 microgram/43 microgram inhalatiepoeder in harde capsules

2. KWALITATIEVE EN KWANTITATIEVE SAMENSTELLING

Elke capsule bevat 143 microgram indacaterolmaleaat, gelijk aan 110 microgram indacaterol, en 63 microgram glycopyrroniumbromide, gelijk aan 50 microgram glycopyrronium.

Elke afgeleverde dosis (de dosis die het mondstuk van de inhalator verlaat) bevat 110 microgram indacaterolmaleaat, gelijk aan 85 microgram indacaterol, en 54 microgram glycopyrroniumbromide, gelijk aan 43 microgram glycopyrronium.

Hulpstof met bekend effect

Elke capsule bevat 23,5 mg lactose (als monohydraat). Voor de volledige lijst van hulpstoffen, zie rubriek 6.1.

3. FARMACEUTISCHE VORM

Inhalatiepoeder in harde capsule (inhalatiepoeder).

Gele doorzichtige capsules die een wit tot nagenoeg wit poeder bevatten.

4. KLINISCHE GEGEVENS

4.1 Therapeutische indicaties

Plungymed is geïndiceerd als onderhoudstherapie voor bronchodilatatie om symptomen te verlichten bij volwassen patiënten met chronisch obstructieve longziekte (COPD).

4.2 Dosering en wijze van toediening

Dosering

De aanbevolen dosis is inhalatie van de inhoud van één capsule eenmaal daags met behulp van de Plungymed inhalator.

Het wordt aanbevolen Plungymed elke dag op hetzelfde tijdstip toe te dienen. Als een dosis wordt overgeslagen moet deze zo snel mogelijk worden ingenomen op dezelfde dag. De patiënten moeten worden geïnstrueerd dat ze niet meer dan één dosis per dag mogen innemen.

Bijzondere patiëntgroepen

Ouderen

Plungymed kan bij oudere patiënten (75 jaar of ouder) in de aanbevolen dosering worden gebruikt.

Gestoorde nierfunctie

Plungymed kan in de aanbevolen dosis worden gebruikt bij patiënten met een licht tot matig gestoorde nierfunctie. Bij patiënten met een ernstig gestoorde nierfunctie of terminale nierziekte die dialyse nodig hebben, mag Plungymed alleen gebruikt worden als de verwachte voordelen opwegen tegen het mogelijke risico (zie rubriek 4.4 en 5.2).

Gestoorde leverfunctie

Plungymed kan in de aanbevolen dosis worden gebruikt bij patiënten met een licht tot matige leverfunctiestoornis. Er zijn geen gegevens beschikbaar over het gebruik van Plungymed bij patiënten met een ernstige leverfunctiestoornis, daarom is voorzichtigheid geboden bij deze patiënten (zie rubriek 5.2).

Pediatrische patiënten

Er is geen relevante toepassing van Plungymed bij pediatrische patiënten (tot 18 jaar) voor de indicatie COPD. De veiligheid en werkzaamheid van Plungymed bij kinderen zijn niet vastgesteld. Er zijn geen gegevens beschikbaar.

Wijze van toediening

Alleen voor inhalatie. De capsules mogen niet worden ingeslikt.

De capsules mogen alleen worden toegediend met de Plungymed-inhalator (zie rubriek 6.6).

De patiënten moeten instructies krijgen over hoe ze het geneesmiddel correct moeten toedienen. Patiënten die geen verbetering van de ademhaling ervaren, moet gevraagd worden of ze het geneesmiddel inslikken in plaats van te inhaleren.

Voor instructies over het gebruik van het geneesmiddel voorafgaand aan toediening, zie rubriek 6.6.

4.3 Contra-indicaties

Overgevoeligheid voor de werkzame stoffen of voor een van de in rubriek 6.1 vermelde hulpstoffen.

4.4 Bijzondere waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik

Plungymed mag niet gelijktijdig worden gebruikt met geneesmiddelen die andere langwerkende bèta-adrenerge agonisten of langwerkende muscarine antagonisten bevatten, de farmacotherapeutische groepen waar de bestanddelen van Plungymed toe behoren (zie rubriek 4.5).

Astma

Plungymed mag niet worden gebruikt voor de behandeling van astma vanwege gebrek aan gegevens bij deze indicatie.

Wanneer langwerkende bèta-2-adrenerge agonisten gebruikt worden voor de behandeling van astma, kunnen ze het risico verhogen op astma-gerelateerde ernstige bijwerkingen, waaronder astma- gerelateerde sterfgevallen.

Niet voor acuut gebruik

Plungymed is niet geïndiceerd voor de behandeling van acute episoden van bronchospasme.

Overgevoeligheid

Onmiddellijke overgevoeligheidsreacties zijn gemeld na toediening van indacaterol of glycopyrronium, de werkzame bestanddelen van Plungymed. Als verschijnselen die duiden op allergische reacties optreden, in het bijzonder angio-oedeem (moeilijkheden met ademhalen of slikken, opzwellen van de tong, de lippen en het gezicht) urticaria of huiduitslag, dan moet de behandeling onmiddellijk worden gestaakt en moet een alternatieve behandeling worden gestart.

Paradoxale bronchospasmen

Toediening van Plungymed kan leiden tot paradoxale bronchospasmen die levensbedreigend kunnen zijn. Als dit gebeurt, moet de behandeling onmiddellijk worden stopgezet en moet een alternatieve behandeling worden gestart.

Anticholinerge effecten gerelateerd aan glycopyrronium

Nauwekamerhoekglaucoom

Er zijn geen gegevens beschikbaar bij patiënten met nauwekamerhoekglaucoom, daarom moet Plungymed met voorzichtigheid worden gebruikt bij deze patiënten.

Patiënten moeten informatie krijgen over de klachten en symptomen van acuut nauwekamerhoekglaucoom en moeten geïnformeerd worden dat ze moeten stoppen met het gebruik van Plungymed als dergelijke klachten of symptomen zich ontwikkelen.

Urineretentie

Er zijn geen gegevens beschikbaar bij patiënten met urineretentie, daarom moet Plungymed met voorzichtigheid worden gebruikt bij deze patiënten.

Patiënten met een ernstig gestoorde nierfunctie

Een matig gemiddelde toename van de totale systemische blootstelling (AUC last) aan glycopyrronium tot factor 1,4 werd gezien bij patiënten met een licht tot matig gestoorde nierfunctie en tot factor 2,2 bij patiënten met een ernstig gestoorde nierfunctie en terminale nierziekte. Bij patiënten met een ernstig gestoorde nierfunctie (geschatte glomerulusfiltratiesnelheid lager dan 30 ml/min/1,73 m2), met inbegrip van patiënten met terminale nierziekte die dialyse vereist, mag Plungymed alleen worden gebruikt als de verwachte voordelen opwegen tegen het mogelijke risico (zie rubriek 5.2). Die patiënten moeten nauwgezet gecontroleerd worden op potentiële bijwerkingen.

Cardiovasculaire effecten

Plungymed moet met voorzichtigheid worden gebruikt bij patiënten met cardiovasculaire aandoeningen (coronaire vaatziekte, acuut myocardinfarct, hartaritmieën, hypertensie).

Bèta-2-adrenerge agonisten kunnen een klinisch significant cardiovasculair effect teweegbrengen bij sommige patiënten. Dit wordt waargenomen als toename in polsslag, verhoging van bloeddruk en/of optreden van andere symptomen. In het geval dergelijke effecten optreden met dit geneesmiddel, kan het nodig zijn de behandeling stop te zetten. Bovendien is gemeld dat bèta-adrenerge agonisten elektrocardiografische (ECG) veranderingen kunnen veroorzaken, zoals afvlakking van de T-golf, verlenging van het QT-interval en ST-segmentdepressie, hoewel niet bekend is wat de klinische betekenis van deze waarnemingen is. Langwerkende bèta2-adrenerge agonisten (LABA) of LABAbevattende combinatieproducten zoals Plungymed moeten daarom met voorzichtigheid worden gebruikt bij patiënten met een bekende of vermoede verlenging van het QT-interval of die behandeld worden met geneesmiddelen die het QT-interval beïnvloeden.

Patiënten met instabiele ischemische hartziekte, falen van het linker ventrikel, voorgeschiedenis van myocardinfarct, aritmie (anders dan chronisch stabiel atriumfibrilleren), een voorgeschiedenis van lang QT-syndroom of van wie het QTc (Fridericia-methode) was verlengd (>450 ms) werden uitgesloten van de klinische studies, en daarom is er geen ervaring bij deze patiëntengroepen. Plungymed moet met voorzichtigheid gebruikt worden bij deze patiëntengroepen

Hypokaliëmie

Bèta-2-adrenerge agonisten kunnen een significante hypokaliëmie teweegbrengen bij sommige patiënten, wat ongewenste cardiovasculaire effecten kan veroorzaken. De daling van de kaliumspiegel is meestal van voorbijgaande aard en behoeft geen suppletie. Bij patiënten met ernstige COPD kan hypokaliëmie worden versterkt door hypoxie en gelijktijdige behandeling met medicatie die de gevoeligheid voor hartaritmie kan verhogen (zie rubriek 4.5).

Klinisch relevante effecten van hypokaliëmie zijn niet waargenomen in klinische studies met Plungymed bij de aanbevolen therapeutische dosis (zie rubriek 5.1).

Hyperglykemie

Inhalatie van hoge doses bèta-2-adrenerge agonisten kan een stijging in de plasmaglucosespiegel veroorzaken. Na het starten van de behandeling met Plungymed moet de plasmaglucosespiegel vaker worden gecontroleerd bij patiënten met diabetes.

Tijdens langetermijn klinische studies hadden meer patiënten met Plungymed klinisch waarneembare veranderingen in bloedglucose (4,9%) in de aanbevolen dosis dan met placebo (2,7%).

Plungymed is niet onderzocht bij patiënten met slecht gecontroleerde diabetes mellitus, daarom is voorzichtigheid en gepaste monitoring aanbevolen bij dergelijke patiënten.

Algemene aandoeningen

Plungymed dient met voorzichtigheid te worden gebruikt bij patiënten met convulsieve aandoeningen of thyrotoxicose, en bij patiënten die ongewoon gevoelig reageren op bèta-2-adrenerge agonisten.

Hulpstoffen

Dit geneesmiddel bevat lactose. Patiënten met zeldzame erfelijke aandoeningen als galactoseintolerantie, algehele lactasedeficiëntie of glucose-galactose malabsorptie dienen dit geneesmiddel niet te gebruiken.

4.5 Interacties met andere geneesmiddelen en andere vormen van interactie

Gelijktijdig gebruik van oraal geïnhaleerde indacaterol en glycopyrronium had, bij “steady-state” condities van beide werkzame bestanddelen, geen effect op de farmacokinetiek van één van beide werkzame bestanddelen.

Er zijn geen specifieke interactiestudies uitgevoerd met indacaterol/glycopyrronium. Informatie over mogelijke interacties is gebaseerd op mogelijke interacties van de twee afzonderlijke werkzame bestanddelen.

Gelijktijdig gebruik niet aanbevolen

Bèta-adrenerge blokkers

Bèta-adrenerge blokkers kunnen het effect van bèta-2-adrenerge agonisten verzwakken of tegenwerken. Daarom dient Plungymed niet samen met bèta-adrenerge blokkers (inclusief oogdruppels) te worden gegeven tenzij er noodzakelijke redenen zijn voor het gebruik ervan. Indien vereist, gaat de voorkeur uit naar cardioselectieve bèta-adrenerge blokkers, hoewel deze met de nodige voorzichtigheid dienen te worden gebruikt.

Anticholinergica

Gelijktijdige toediening van Plungymed met andere geneesmiddelen die anticholinergica bevatten is niet onderzocht en wordt daarom niet aanbevolen (zie rubriek 4.4).

Sympathicomimetica

Gelijktijdige toediening van andere sympathicomimetica (alleen of als onderdeel van een combinatietherapie) kan de bijwerkingen van indacaterol versterken (zie rubriek 4.4).

Voorzichtigheid geboden bij gelijktijdig gebruik

Hypokaliëmische behandeling

Gelijktijdige hypokaliëmische behandeling met methylxanthinederivaten, steroïden, of nietkaliumsparende diuretica kan het mogelijk hypokaliëmische effect van bèta-2-adrenerge agonisten versterken, gebruik ze daarom met voorzichtigheid (zie rubriek 4.4).

Ter overweging bij gelijktijdig gebruik

Metabole en transporter-gebaseerde interacties

Remming van CYP3A4 en P-glycoproteïne (P-gp), die de belangrijkste bijdrage leveren aan de klaring van indacaterol, geeft maximaal een verdubbeling van de systemische blootstelling aan indacaterol. Gezien de veiligheidservaringen met de behandeling met indacaterol in klinische onderzoeken tot maximaal één jaar bij doses tot twee keer de maximaal aanbevolen indacateroldosis, geeft de mate van toename in blootstelling als gevolg van interacties geen veiligheidsproblemen.

Cimetidine of andere remmers van organische-kationentransport

In een klinische studie bij gezonde vrijwilligers verhoogde cimetidine, een remmer van het organische-kationentransport dat waarschijnlijk bijdraagt aan de renale excretie van glycopyrronium, de totale blootstelling (AUC) aan glycopyrronium met 22% en verlaagde het de renale klaring met 23%. Gezien de grootteorde van deze veranderingen is geen klinisch relevante medicamenteuze interactie te verwachten als glycopyrronium tegelijk wordt toegediend met cimetidine of andere remmers van het organische-kationentransport.

4.6 Vruchtbaarheid, zwangerschap en borstvoeding

Zwangerschap

Er zijn geen gegevens voorhanden over het gebruik van indacaterol/glycopyrronium bij zwangere vrouwen. De resultaten van dieronderzoek duiden niet op directe of indirecte schadelijke effecten wat betreft reproductietoxiciteit bij klinisch relevant gebruik (zie rubriek 5.3).

Indacaterol kan de bevalling remmen door een relaxerend effect op het gladde spierweefsel van de baarmoeder. Daarom mag Plungymed alleen worden gebruikt tijdens de zwangerschap als de verwachte voordelen voor de patiënt opwegen tegen het mogelijke risico voor de foetus.

Borstvoeding

Het is niet bekend of indacaterol, glycopyrronium en hun metabolieten in de moedermelk worden uitgescheiden. Beschikbare farmacokinetische/toxicologische gegevens laten uitscheiding van indacaterol, glycopyrronium en hun metabolieten zien in de melk van zogende ratten (zie rubriek 5.3). Het gebruik van Plungymed door vrouwen die borstvoeding geven, moet alleen overwogen worden als het verwachte voordeel voor de vrouw groter is dan enig mogelijk risico voor het kind (zie rubriek 5.3).

Vruchtbaarheid

Reproductiestudies en andere gegevens bij dieren wijzen niet op zorg over de vruchtbaarheid bij mannetjes of vrouwtjes.

4.7 Beïnvloeding van de rijvaardigheid en het vermogen om machines te bedienen

Dit geneesmiddel heeft geen of een verwaarloosbare invloed op de rijvaardigheid en op het vermogen om machines te bedienen. Het optreden van duizeligheid kan de rijvaardigheid en het vermogen om machines te bedienen echter beïnvloeden (zie rubriek 4.8).

4.8 Bijwerkingen

Het veiligheidsprofiel is gebaseerd op de ervaring met indacaterol/glycopyrronium en de afzonderlijke werkzame stoffen.

Samenvatting van het veiligheidsprofiel

De ervaring met de veiligheid met indacaterol/glycopyrronium bestond uit blootstelling tot 15 maanden in de aanbevolen therapeutische dosis.

Indacaterol/glycopyrronium liet vergelijkbare bijwerkingen zien als de individuele bestanddelen. Aangezien dit geneesmiddel indacaterol en glycopyrronium bevat, kunnen het type en de ernst van de bijwerkingen geassocieerd met elk van deze bestanddelen verwacht worden bij de combinatie.

Het veiligheidsprofiel wordt gekarakteriseerd door typische anticholinerge en bèta-adrenerge symptomen gerelateerd aan de individuele bestanddelen van de combinatie. Andere veel voorkomende bijwerkingen gerelateerd aan het geneesmiddel (ten minste 3% van de patiënten met indacaterol/glycopyrronium en tevens meer dan bij placebo) waren hoest, nasofaryngitis en hoofdpijn.

Samenvatting van bijwerkingen in tabelvorm

De bijwerkingen die gevonden werden tijdens klinische studies en uit postmarketingbronnen, worden weergegeven volgens de MedDRA-systeem/orgaanklassen (tabel 1). Binnen elke systeem/orgaanklasse worden de bijwerkingen gerangschikt in volgorde van frequentie, met de meest voorkomende reacties eerst. Binnen elke frequentiecategorie worden de bijwerkingen gepresenteerd in dalende volgorde van ernst. Bovendien is de overeenstemmende frequentiecategorie voor elke bijwerking gebaseerd op de volgende conventie: zeer vaak (≥1/10); vaak (≥1/100, <1/10); soms (≥1/1.000, <1/100); zelden (≥1/10.000, <1/1.000); zeer zelden (<1/10.000); niet bekend (kan met de beschikbare gegevens niet worden bepaald).

Tabel 1 Bijwerkingen

BijwerkingenFrequentiecategorie
Infecties en parasitaire aandoeningen
Bovenste luchtweginfectieZeer vaak
NasofaryngitisVaak
UrineweginfectieVaak
SinusitisVaak
RinitisVaak
Immuunsysteemaandoeningen
OvergevoeligheidVaak
Angio-oedeem2Soms
Voedings- en stofwisselingsstoornissen
Hyperglykemie en diabetes mellitusVaak
Psychische stoornissen
SlapeloosheidSoms
Zenuwstelselaandoeningen
DuizeligheidVaak
HoofdpijnVaak
ParesthesieZelden
Oogaandoeningen
Glaucoom1Soms
Hartaandoeningen
Ischemische hartziekteSoms
AtriumfibrillatieSoms
TachycardieSoms
PalpitatiesSoms
Ademhalingsstelsel-, borstkas- en mediastinumaandoeningen
HoestVaak
Orofaryngeale pijn waaronder irritatie van de keelVaak
Paradoxale bronchospasmenSoms
Dysfonie2Soms
BloedneusSoms
Maagdarmstelselaandoeningen
DyspepsieVaak
TandcariësVaak
Gastro-enteritisSoms
Droge mondSoms
Huid- en onderhuidaandoeningen
Jeuk/uitslagSoms
Skeletspierstelsel- en bindweefselaandoeningen
SkeletspierpijnSoms
SpierspasmeSoms
MyalgieSoms
Pijn in extremiteitenSoms
Nier- en urinewegaandoeningen
Blaasobstructie en urineretentieVaak
Algemene aandoeningen en toedieningsplaatsstoornissen
Pyrexie1Vaak
Thoracale pijnVaak
Oedeem perifeerSoms
VermoeidheidSoms

1 Bijwerking waargenomen met Plungymed maar niet met de individuele bestanddelen.

2 Meldingen uit postmarketingervaring; frequenties zijn echter berekend op basis van klinische studiegegevens.

Beschrijving van geselecteerde bijwerkingen

Hoest kwam vaak voor, maar was meestal van lichte aard.

Melding van vermoedelijke bijwerkingen

Het is belangrijk om na toelating van het geneesmiddel vermoedelijke bijwerkingen te melden. Op deze wijze kan de verhouding tussen voordelen en risico’s van het geneesmiddel voortdurend worden gevolgd. Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg wordt verzocht alle vermoedelijke bijwerkingen te melden via het Nederlands Bijwerkingen Centrum Lareb. Website: www.lareb.nl.

4.9 Overdosering

Er is geen informatie over klinisch relevante overdosering met indacaterol/glycopyrronium.

Een overdosis kan leiden tot versterkte effecten die typerend zijn voor bèta-2-adrenerge stimulantia, d.w.z. tachycardie, tremor, palpitaties, hoofdpijn, misselijkheid, braken, slaperigheid, ventriculaire aritmieën, metabole acidose, hypokaliëmie en hyperglykemie. Een overdosis kan ook anticholinerge effecten induceren, zoals een verhoogde intra-oculaire druk (die pijn, visusstoornissen of rood worden van het oog veroorzaakt), obstipatie of plasproblemen. Ondersteunende en symptomatische behandeling is aangewezen. In ernstige gevallen moeten patiënten worden behandeld in het ziekenhuis. Het gebruik van cardioselectieve bètablokkers, voor de behandeling van bèta-2-adrenerge effecten, kan worden overwogen, maar dit mag alleen onder supervisie van een arts en met uiterste voorzichtigheid plaatsvinden, aangezien het gebruik van bèta-adrenerge blokkers bronchospasme kan opwekken.

5. FARMACOLOGISCHE EIGENSCHAPPEN

5.1 Farmacodynamische eigenschappen

Farmacotherapeutische categorie: Geneesmiddelen voor obstructieve longziekten, adrenergica in combinatie met anticholinergica, ATC-code: R03AL04

Werkingsmechanisme

Plungymed

Als indacaterol en glycopyrronium gelijktijdig worden toegediend via de Plungymed, dan bieden ze aanvullende werkzaamheid vanwege hun verschillende werkingsmechanismen, aangrijpend op verschillende receptoren en signaaltransductieroutes om relaxatie van de gladde spieren te bereiken. Vanwege de verschillende dichtheid van bèta-2-adrenerge receptoren en M3-receptoren in de centrale versus perifere luchtwegen, zouden bèta-2-agonisten meer effectief zijn in het relaxeren van perifere luchtwegen, terwijl een anticholinergicum effectiever zou zijn in de centrale luchtwegen. Een combinatie van een bèta-2-adrenerge agonist en een muscarine antagonist zou daarom een voordeel kunnen bieden voor bronchodilatatie in zowel de perifere als de centrale luchtwegen van de humane long.

Indacaterol

Indacaterol is een lang-werkende bèta-2-adrenerge agonist voor eenmaaldaagse toediening. De farmacologische effecten van bèta-2-adrenoceptoragonisten, waaronder indacaterol, zijn ten minste voor een deel toe te schrijven aan stimulatie van intracellulaire adenylcyclase, het enzym dat de omzetting van adenosinetrifosfaat (ATP) naar cyclisch-3’,5’-adenosinemonofosfaat (cyclisch AMP) katalyseert. Toegenomen spiegels van cyclisch AMP veroorzaken relaxatie van bronchiale gladde spieren. In vitro onderzoeken hebben aangetoond dat indacaterol een meervoudige grotere agonistische activiteit heeft op bèta-2-receptoren dan op bèta-1-en bèta-3-receptoren.

Bij inhalatie werkt indacaterol lokaal in de longen als een bronchodilatator. Indacaterol is een partiële agonist op de humane bèta-2-adrenerge receptor met nanomolaire potentie.

Hoewel bèta-2-adrenerge receptoren de voornaamste adrenerge receptoren zijn in bronchiaal glad spierweefsel en bèta-1-adrenerge receptoren de voornaamste receptoren in het menselijk hart, zijn er ook bèta-2-adrenerge receptoren in het menselijk hart, die 10-50% van de totale adrenerge receptoren uitmaken. Hun aanwezigheid in het hart verhoogt de mogelijkheid dat zelfs sterk selectieve bèta-2-adrenerge agonisten cardiale effecten kunnen hebben.

Glycopyrronium

Glycopyrronium is een geïnhaleerde langwerkende muscarinereceptorantagonist (anticholinergicum) voor eenmaaldaagse onderhoudsbehandeling met bronchodilaterende werking voor COPD. De parasympathische zenuwen zijn de belangrijkste bronchusvernauwende zenuwbanen in de luchtwegen en de cholinerge tonus is de essentiële reversibele component van de luchtwegobstructie bij COPD. Glycopyrronium blokkeert de bronchusvernauwende werking van acetylcholine op de gladdespiercellen van de luchtwegen en verwijdt zo de luchtwegen.

Glycopyrroniumbromide is een muscarinereceptorantagonist met een hoge affiniteit. Met behulp van radioligand-bindingsstudies werd een meer dan 4-maal grotere selectiviteit aangetoond voor de humane M3-receptoren dan voor de humane M2-receptor.

Farmacodynamische effecten

De combinatie van indacaterol en glycopyrronium in indacaterol/glycopyrronium liet een snel intredende werking zien binnen 5 minuten na toediening. Het effect bleef constant gedurende het gehele 24-uur durende doseerinterval.

Het belangrijkste bronchodilaterende effect, afgeleid uit opeenvolgende FEV1-metingen gedurende 24 uur was 320 milliliter na 26 behandelingsweken. Het effect was significant groter met Plungymed dan met indacaterol, glycopyrronium of tiotropium alleen (verschil 110 milliliter, voor iedere vergelijking).

Er was geen bewijs voor tachyfylaxie van het effect van indacaterol/glycopyrronium na verloop van tijd vergeleken met placebo of de monotherapiebestanddelen.

Effecten op de hartslagfrequentie

Hartslagfrequentie-effecten werden onderzocht bij gezonde vrijwilligers na een enkelvoudige, 4 keer de aanbevolen, therapeutische dosis van indacaterol/glycopyrronium, toegediend in vier dosisstappen elk gescheiden door één uur en vergeleken met de effecten van placebo, indacaterol, glycopyrronium en salmeterol.

De grootste, tijd-gematchte, toename van de hartslagfrequentie vergeleken met placebo was +5,69 bpm (90% BI) [2,71; 8,66]), de grootste afname was -2,51 bpm (90% BI [-5,48; 0,47]). In totaal liet het effect op de hartslagfrequentie na verloop van tijd geen consistent farmacodynamisch effect zien van indacaterol/glycopyrronium.

De hartslagfrequentie van COPD-patiënten werd bij supra-therapeutische dosisniveaus onderzocht. Er waren geen relevante effecten van indacaterol/glycopyrronium op de gemiddelde hartslagfrequentie gedurende 24 uur en op de hartslagfrequentie bepaald na 30 minuten, 4 uur en 24 uur.

QT-interval

Een ”thorough QT” (TQT) -studie bij gezonde vrijwilligers met hoge doses geïnhaleerd indacaterol (tot twee keer de maximale aanbevolen therapeutische dosis) liet geen klinisch relevant effect zien op het QT-interval. Vergelijkbaar werd voor glycopyrronium geen QT-verlenging waargenomen in een TQT-studie na een geïnhaleerde dosis van 8 keer de aanbevolen therapeutische dosis.

De effecten van indacaterol/glycopyrronium op het QTc-interval werden onderzocht bij gezonde vrijwilligers na inhalatie van indacaterol/glycopyrronium tot 4 keer de aanbevolen therapeutische dosis in vier dosisstappen elk gescheiden door één uur. Het grootste, tijd-gematchte, verschil versus placebo was 4,62 ms (90% BI 0,40; 8,85 ms), de grootste, tijd-gematchte, afname was -2,71 ms (90% BI -6,97; 1,54 ms), hetgeen aangeeft dat indacaterol/glycopyrronium geen relevante impact had op het QT-interval, zoals verwacht wasnaar aanleiding van de eigenschappen van de bestanddelen.

Bij COPD-patiënten lieten supratherapeutische doses tussen 116 microgram/86 microgram en 464 microgram/86 microgram van indacaterol/glycopyrronium een hoger percentage patiënten met QTcFverhogingen vs. baseline tussen 30 ms en 60 ms (variërend van 16,0% tot 21,6% vs. 1,9% voor placebo) zien, maar er waren geen QTcF-verhogingen >60 ms t.o.v. baseline. Het hoogste dosisniveau van 464 microgram/86 microgram indacaterol/glycopyrronium liet ook een hoger percentage absolute QTcFwaarden >450 ms zien (12,2% vs. 5,7% voor placebo).

Serumkalium en bloedglucose

Bij gezonde vrijwilligers was, na toediening van 4 keer de aanbevolen therapeutische dosis van indacaterol/glycopyrronium, het effect op serumkalium zeer klein (maximaal verschil van -0,14 mmol/l vergeleken met placebo). Het maximale effect op bloedglucose was 0,67 mmol/l.

Klinische werkzaamheid en veiligheid

Het klinische fase III-ontwikkelingsprogramma van indacaterol/glycopyrronium omvatte zes studies waarin meer dan 8.000 patiënten werden geïncludeerd: 1) een 26 weken durende placebo- en actieve stofgecontroleerde (indacaterol eenmaal daags, glycopyrronium eenmaal daags, open-label tiotropium eenmaal daags) studie; 2) een 26 weken durende actieve stof-gecontroleerde (fluticason/salmeterol tweemaal daags) studie; 3) een 64 weken durende actieve stof-gecontroleerde (glycopyrronium eenmaal daags, open-label tiotropium eenmaal daags) studie; 4) een 52 weken durende placebo-gecontroleerde studie; 5) een 3 weken durende placebo- en actieve stof-gecontroleerde (tiotropium eenmaaldaags) inspanningstolerantiestudie en 6) een 52 weken durende actieve stofgecontroleerde (fluticason/salmeterol tweemaal daags) studie.

In vier van deze studies werden patiënten geïncludeerd die een klinische diagnose hadden van matig tot ernstig COPD. In de 64 weken durende studie werden patiënten geïncludeerd die ernstig tot zeer ernstig COPD hadden met een voorgeschiedenis van ≥1 matige of ernstige COPD-exacerbatie in het voorafgaande jaar. In de 52 weken durende actieve stof-gecontroleerde studie werden patiënten geïncludeerd die matig tot zeer ernstig COPD hadden met een voorgeschiedenis van ≥1 matige of ernstige COPD-exacerbatie in het voorafgaande jaar.

Effecten op de longfunctie

Indacaterol/glycopyrronium liet klinisch relevante verbeteringen zien in longfunctie (gemeten door hetgeforceerde expiratoire volume in één seconde, FEV1) in een aantal klinische studies. In fase III-studies werden bronchodilaterende effecten gezien binnen 5 minuten na de eerste dosis en deze werden gehandhaafd gedurende het 24-uur durende dosisinterval, vanaf de eerste dosis. Het bronchodilaterende effect verminderde niet na verloop van tijd.

De omvang van het effect was afhankelijk van de mate van reversibiliteit van de luchtwegobstructie bij baseline (getest door toediening van een kortwerkende muscarine-antagonerge bronchusverwijder en een kortwerkende bèta-2-agonerge bronchusverwijder): Patiënten met de laagste mate van reversibiliteit bij baseline (<5%) vertoonden over het algemeen een lagere respons op de bronchodilatator dan patiënten met een hogere mate van reversibiliteit (≥5%). Na 26 weken (primair eindpunt) verhoogde indacaterol/glycopyrronium de dal-FEV1 met 80 ml bij patiënten indacaterol/glycopyrronium n=82; placebo n=42) met de laagste mate van reversibiliteit (<5%) (p=0,053) en met 220 ml bij patiënten (Plungymed n=392; placebo n=190) met een hogere mate van reversibiliteit bij baseline (≥5%) in vergelijking met placebo (p<0,001).

Dal- en piek-FEV1:

Indacaterol/glycopyrronium verhoogde de post-dosis dal-FEV1 met 200 ml vergeleken met placebo bij het primaire eindpunt na 26 weken (p<0,001) en liet statistisch significante verhogingen zien vergeleken met elke monotherapie-bestanddeelbehandelingsarm (indacaterol en glycopyrronium) als ook met de tiotropiumbehandelingsarm, zoals weergegeven in de onderstaande tabel.

Post-dosis dal-FEV1 (“least squares mean”) na dag 1 en week 26 (primaire eindpunt)

BehandelingsverschilDag 1Week 26
Indacaterol/glycopyrronium – placebo190 ml (p<0,001)200 ml (p<0,001)
Indacaterol/glycopyrronium – indacaterol80 ml (p<0,001)70 ml (p<0,001)
Indacaterol/glycopyrronium – glycopyrronium80 ml (p<0,001)90 ml (p<0,001)
Indacaterol/glycopyrronium – tiotropium80 ml (p<0,001)80 ml (p<0,001)

De gemiddelde pre-dosis FEV1 (gemiddelde van de waarden gemeten op -45 en -15 minuten voorafgaand aan de ochtenddosis van de studiemedicatie) was statistisch significant beter voor indacaterol/glycopyrronium na 26 weken vergeleken met fluticason/salmeterol (behandelingsverschil in “least squares [LS] mean” 100 ml, p<0,001), na 52 weken vergeleken met placebo (behandelingsverschil in “LS mean” 189 ml, p<0,001) en bij alle visites tot 64 weken vergeleken met glycopyrronium (behandelingsverschil in “LS mean” 70-80 ml, p<0,001) en tiotropium (behandelingsverschil in “LS mean” 60-80 ml, p<0,001). In de 52 weken durende actieve stof-gecontroleerde studie was de gemiddelde pre-dosis FEV1 statistisch significant beter voor indacaterol/glycopyrronium bij alle visites tot week 52 vergeleken met fluticason/salmeterol (behandelingsverschil in “LS mean” 62-86 ml, p<0,001). Na 26 weken liet indacaterol/glycopyrronium een statistisch significante verbetering in de FEV1-piekwaarde in de eerste 4 uur post-dosis zien vergeleken met placebo (behandelingsverschil in “LS mean” 330 ml) (p<0,001).

FEV1 AUC:

Indacaterol/glycopyrronium verhoogde de post-dosis FEV1 AUC0-12 (primaire eindpunt) met 140 ml na 26 weken (p<0,001) vergeleken met fluticason/salmeterol.

Symptomatische uitkomsten

Kortademigheid:

Indacaterol/glycopyrronium verminderde de kortademigheid gemeten met de Transitional Dyspnoea Index (TDI) statistisch significant; het liet een statistisch significante verbetering in de TDI focale score zien na 26 weken vergeleken met placebo (behandelingsverschil in “LS mean” 1,09; p<0,001), tiotropium (behandelingsverschil in “LS mean” 0,51; p=0,007) en fluticason/salmeterol (behandelingsverschil in “LS mean” 0,76; p=0,003). Verbeteringen versus indacaterol en glycopyrronium waren respectievelijk 0,26 en 0,21.

Een statistisch significant hoger percentage patiënten dat indacaterol/glycopyrronium kreeg liet een verbetering in de TDI focale score van één punt of meer zien na 26 weken vergeleken met placebo (respectievelijk 68,1% en 57,5%; p=0,004). Een hoger percentage patiënten had een klinisch relevante respons na 26 weken met indacaterol/glycopyrronium vergeleken met tiotropium (68,1% Plungymed versus 59,2% tiotropium, p=0,016) en fluticason/salmeterol (65,1% Plungymed versus 55,5% fluticason/salmeterol, p=0,088).

Gezondheidsgerelateerde kwaliteit van leven:

Indacaterol/glycopyrronium heeft ook een statistisch significant effect op de gezondheidsgerelateerde kwaliteit van leven laten zien, gemeten met de St. George’s Respiratory Questionnaire (SGRQ, weergegeven door een vermindering in de totale SGRQ-score na 26 weken vergeleken met placebo (behandelingsverschil in “LS mean” -3,01; p=0,002) en tiotropium (behandelingsverschil in “LS mean” -2,13; p=0,009). De verminderingen versus indacaterol en glycopyrronium waren respectievelijk -1,09 en -1,18. Na 64 weken was de vermindering vergeleken met tiotropium statistisch significant (behandelingsverschil in “LS mean” -2,69; p<0,001). Na 52 weken was de vermindering vergeleken met fluticason/salmeterol statistisch significant (behandelingsverschil in “LS mean” -1,3; p=0,003).

Een hoger percentage patiënten die indacaterol/glycopyrronium kreeg liet een klinisch relevante verbetering in SGRQ-score (gedefinieerd als een vermindering van tenminste 4 punten ten opzichte van baseline) zien na 26 weken vergeleken met placebo (63,7% en 56,6% respectievelijk, p=0,088) en tiotropium (63,7% Plungymed vs. 56,4% tiotropium, p=0,047), na 64 weken vergeleken met glycopyrronium en tiotropium (57,3% indacaterol/glycopyrronium versus 51,8% glycopyrronium, p=0,055; versus 50,8% tiotropium, p=0,051, respectievelijk), en na 52 weken vergeleken met fluticason/salmeterol (49,2% Plungymed versus 43,7% fluticason/salmeterol, odds ratio 1,30; p<0,001).

Dagelijkse activiteiten

Indacaterol/glycopyrronium liet een statistisch superieure verbetering zien versus tiotropium in het percentage van “dagen in staat om normale dagelijkse activiteiten te verrichten” gedurende 26 weken (behandelingsverschil in “LS mean” 8,45%; p<0,001). Na 26 weken liet indacaterol/glycopyrronium een numeriek voordeel zien ten opzichte van glycopyrronium (behandelingsverschil in “LS mean” 1,95%; p=0,175) en een statistische verbetering ten opzichte van tiotropium (behandelingsverschil in “LS mean” 4,96%; p=0,001).

COPD-exacerbaties

In een 64 weken durende studie waarbij indacaterol/glycopyrronium (n=729) werd vergeleken met glycopyrronium (n=739) en tiotropium (n=737), verminderde indacaterol/glycopyrronium het op jaarbasis berekende percentage matige of ernstige COPD-exacerbaties met 12% vergeleken met glycopyrronium (p=0,038) en met 10% vergeleken met tiotropium (p=0,096). Het aantal matige tot ernstige COPD-exacerbaties/patiëntjaren was 0,94 met indacaterol/glycopyrronium (812 gebeurtenissen) en 1,07 met glycopyrronium (900 gebeurtenissen) en 1,06 voor tiotropium (898 gebeurtenissen). indacaterol/glycopyrronium verminderde eveneens het op jaarbasis berekende percentage van alle COPD-exacerbaties (licht, matig of ernstig) ook statistisch significant met 15% vergeleken met glycopyrronium (p=0,001) en met 14% vergeleken met tiotropium (p=0,002). Het totaal aantal COPD-exacerbaties/patiëntjarenwas 3,34 met indacaterol/glycopyrronium (2.893 gebeurtenissen), 3,92 met glycopyrronium (3.294 gebeurtenissen) en 3,89 met tiotropium (3.301 gebeurtenissen).

In de 52 weken durende studie waarbij indacaterol/glycopyrronium (n=1.675) werd vergeleken met fluticason/salmeterol (n=1.679) behaalde indacaterol/glycopyrronium het primaire studiedoel van “noninferiority” van het percentage van alle COPD-exacerbaties (licht, matig of ernstig) vergeleken met fluticason/salmeterol. Het totaal aantal COPD-exacerbaties/patiëntjaren was 3,59 met indacaterol/glycopyrronium (4.531 gebeurtenissen) en 4,03 met fluticason/salmeterol (4.969 gebeurtenissen). Daarnaast vertoonde indacaterol/glycopyrronium superioriteit in vermindering van het op jaarbasis berekende percentage van alle COPD-exacerbaties met 11% versus fluticason/salmeterol (p=0,003).

Vergeleken met fluticason/salmeterol verminderde indacaterol/glycopyrronium het op jaarbasis berekende percentage van zowel matige als ernstige exacerbaties met 17% (p<0,001), en van ernstige exacerbaties (waarvoor ziekenhuisopname nodig is) met 13% (niet statistisch significant, p=0.231). Het aantal matige of ernstige COPD-exacerbaties/patiëntjaren was 0,98 met indacaterol/glycopyrronium (1.265 gebeurtenissen) en 1,19 met fluticason/salmeterol (1.452 gebeurtenissen). Indacaterol/glycopyrronium verlengde de tijd tot de eerste matige of ernstige exacerbatie met een reductie van 22% van het risico op een exacerbatie (p<0,001) en verlengde de tijd tot de eerste ernstige exacerbatie met een reductie van 19% van het risico op een exacerbatie (p=0,046).

De incidentie van pneumonie was 3,2% in de indacaterol/glycopyrronium arm vergeleken met 4,8% in de fluticason/salmeterol arm (p=0,017). De tijd tot eerste pneumonie werd verlengd met indacaterol/glycopyrronium vergeleken met fluticason/salmeterol (p=0,013).

In een andere studie waarbij indacaterol/glycopyrronium (n=258) gedurende 26 weken werd vergeleken met fluticason/salmeterol (n=264), was het aantal matige en ernstige COPD-exacerbaties/patiëntjaren respectievelijk 0,15 versus 0,18 (18 gebeurtenissen versus 22 gebeurtenissen) (p=0,512) en het aantal van alle COPD-exacerbaties/patiëntjaren (licht, matig of ernstig) was respectievelijk 0,72 versus 0,94 (86 gebeurtenissen versus 113 gebeurtenissen) (p=0,098).

Gebruik van noodmedicatie

Indacaterol/glycopyrronium verminderde het gebruik van noodmedicatie (salbutamol) gedurende 26 weken statistisch significant met 0,96 pufjes per dag (p<0,001) vergeleken met placebo, 0,54 pufjes per dag (p<0,001) vergeleken met tiotropium en 0,39 pufjes per dag (p=0,019) vergeleken met fluticason/salmeterol. Deze vermindering was gedurende 64 weken 0,76 pufjes per dag (p<0,001) vergeleken met tiotropium. Gedurende 52 weken verminderde indacaterol/glycopyrronium het gebruik van noodmedicatie met 0,25 pufjes per dag vergeleken met fluticason/salmeterol (p<0,001).

Inspanningstolerantie

Indacaterol/glycopyrronium, gedoseerd in de ochtend, verminderde de dynamische hyperinflatie en verbeterde de duur van de tijd dat inspanning gehandhaafd kon worden vanaf de eerste dosis. Op de eerste behandelingsdag was de inspiratoire capaciteit tijdens inspanning significant verbeterd (behandelingsverschil in “LS mean” 250 ml; p<0,001) vergeleken met placebo. Na drie weken van behandeling was de verbetering van de inspiratoire capaciteit met indacaterol/glycopyrronium groter (behandelingsverschil in “LS mean” 320 ml; p<0,001) en was de duur van inspanningsuithoudings-vermogen toegenomen (behandelingsverschil in “LS mean” 59,5 seconden, p=0,006) vergeleken met placebo.

Pediatrische patiënten

Het Europees Geneesmiddelenbureau heeft besloten af te zien van de verplichting voor de fabrikant om de resultaten in te dienen van onderzoek met indacaterol/glycopyrronium in alle subgroepen van pediatrische patiënten met chronisch obstructieve longziekte (COPD) (zie rubriek 4.2 voor informatie over pediatrisch gebruik).

5.2 Farmacokinetische eigenschappen

Absorptie

Indacaterol/Glycopyrronium

Na inhalatie van indacaterol/glycopyrronium was de mediane tijd tot het bereiken van piekplasmaconcentraties van indacaterol en glycopyrronium respectievelijk ongeveer 15 minuten en 5 minuten.

Gebaseerd op de in vitro prestatiegegevens wordt verwacht dat de indacateroldosis die in de long wordt afgeleverd vergelijkbaar is voor indacaterol/glycopyrronium en het indacaterolmono-therapieproduct. De “steady-state” blootstelling aan indacaterol na indacaterol/glycopyrronium-inhalatie was vergelijkbaar of iets lager dan systemische blootstelling na inhalatie van het indacaterolmonotherapieproduct.

Na inhalatie van indacaterol/glycopyrronium wordt de absolute biologische beschikbaarheid van indacaterol geschat tussen 61 en 85% van de afgeleverde dosis, die van glycopyrronium was ongeveer 47% van de afgeleverde dosis.

“Steady-state” blootstelling aan glycopyrronium na indacaterol/glycopyrronium inhalatie was vergelijkbaar aan de systemische blootstelling na inhalatie van het glycopyrroniummono-therapieproduct.

Indacaterol

“Steady-state” concentraties van indacaterol werden bereikt binnen 12 tot 15 dagen na eenmaaldaagse toediening. De gemiddelde accumulatieratio van indacaterol, d.w.z. AUC tijdens het doseringsinterval van 24 uur, op dag 14 of dag 15 ten opzichte van dag 1, was in het bereik van 2,9 tot 3,8 voor eenmaaldaags geïnhaleerde doses tussen 60 microgram en 480 microgram (afgeleverde dosis).

Glycopyrronium

Bij COPD-patiënten werd een farmacokinetische “steady-state” van glycopyrronium bereikt binnen één week na de start van de behandeling. De gemiddelde piek- en dalplasmaconcentraties van glycopyrronium bij de aanbevolen eenmaal daagse dosering waren respectievelijk 166 picogram/ml en 8 picogram/ml. De blootstelling aan glycopyrronium in “steady-state” (AUC tijdens het doseringsinterval van 24 uur) was ongeveer 1,4 tot 1,7 maal hoger dan na de eerste dosis.

Distributie

Indacaterol

Na intraveneuze infusie was het distributievolume van indacaterol tijdens de terminale eliminatiefase 2.557 liter, hetgeen duidt op een uitgebreide verdeling. De in vitro humane serum- en plasma eiwitbinding was ongeveer 95%.

Glycopyrronium

Na intraveneuze toediening was het distributievolume van glycopyrronium in “steady-state” 83 liter en het distributievolume in de terminale fase was 376 liter. Het schijnbare distributievolume in de terminale fase na inhalatie was bijna 20 maal hoger, wat de veel tragere eliminatie weerspiegelt na inhalatie. In vitro bedroeg de binding van glycopyrronium aan humane plasma-eiwitten 38% tot 41% bij concentraties van 1 tot 10 nanogram/ml.

Biotransformatie

Indacaterol

Na orale toediening van radiogelabeld indacaterol in een humaan ADME- (absorptie, distributie, metabolisme, excretie) onderzoek, was onveranderd indacaterol het hoofdbestanddeel in serum en nam dit ongeveer eenderde van de totale geneesmiddelgerelateerde AUC over 24 uur voor zijn rekening. De meest prominente metaboliet in serum was een gehydroxyleerd derivaat. Andere prominente metabolieten waren fenol-O-glucuroniden van indacaterol en gehydroxyleerd indacaterol. Andere geïdentificeerde metabolieten waren een diastereomeer van het gehydroxyleerde derivaat, een N-glucuronide van indacaterol, en C- en N-gedealkyleerde producten.

In vitro levert de UGT1A1-isoform een belangrijke bijdrage aan de metabole klaring van indacaterol. In een klinische studie bij populaties met verschillende UGT1A1-genotypen is echter aangetoond dat systemische blootstelling aan indacaterol niet significant wordt beïnvloed door de UGT1A1-genotypen.

Oxidatieve metabolieten werden gevonden in incubaties met recombinant CYP1A1, CYP2D6 en CYP3A4. Vastgesteld is dat CYP3A4 het voornaamste iso-enzym is dat verantwoordelijk is voor hydroxylering van indacaterol. In vitro onderzoeken wezen verder uit dat indacaterol een substraat met lage affiniteit is voor de effluxpomp P-gp.

Glycopyrronium

In in vitro studies van het metabolisme waren de metabole pathways van glycopyrroniumbromide vergelijkbaar bij dieren en mensen. Er werd hydroxylering gezien die leidde tot allerhande mono- en dihydroxylmetabolieten en directe hydrolyse die leidde tot de vorming van een carboxylzuurderivaat (M9). In vivo wordt M9 gevormd uit de ingeslikte fractie van de dosis van geïnhaleerd glycopyrroniumbromide. Na herhaalde inhalatie werden bij de mens glucuronide- en/of sulfaatconjugaten van glycopyrronium in de urine gevonden, goed voor ongeveer 3% van de afgeleverde dosis.

Multipele CYP-iso-enzymen dragen bij tot de oxidatieve biotransformatie van glycopyrronium. Remming of inductie van het metabolisme van glycopyrronium resulteert waarschijnlijk niet in een relevante verandering van de systemische blootstelling aan de werkzame stof.

In vitro studies toonden aan dat glycopyrroniumbromide geen relevante remming veroorzaakt van CYP1A2, CYP2A6, CYP2C8, CYP2C9, CYP2C19, CYP2D6, CYP2E1 of CYP3A4/5, de effluxtransportereiwitten MDR1, MRP2 en MXR en de opnametransportereiwitten OCT1 of OCT2. In vitro enzyminductiestudies lieten geen klinisch relevant inducerend effect van glycopyrroniumbromide zien op geteste cytochroom P450-iso-enzymen, of op UGT1A1 en de transportereiwitten MDR1 en MRP2.

Eliminatie

Indacaterol

In klinische onderzoeken was de hoeveelheid indacaterol die onveranderd via de urine werd uitgescheiden in het algemeen minder dan 2,5% van de afgeleverde dosis. De renale klaring van indacaterol was gemiddeld tussen 0,46 en 1,2 liter/uur. Het is duidelijk dat de renale klaring een geringe rol speelt (ongeveer 2 tot 5% van de systemische klaring) in de eliminatie van systemisch beschikbare indacaterol, in vergelijking met de serumklaring van indacaterol van 23,3 liter/uur.

In een humaan ADME-onderzoek werd oraal gegeven indacaterol voornamelijk uitgescheiden in humane feces als onveranderde verbinding (54% van de dosis) en in mindere mate als gehydroxyleerde indacaterolmetabolieten (23% van de dosis).

Indacaterolserumconcentraties namen af op multifasische wijze met een gemiddelde terminale halfwaardetijd variërend van 45,5 tot 126 uur. De effectieve halfwaardetijd, berekend uit de accumulatie van indacaterol na herhaalde toediening, varieerde van 40 tot 52 uur hetgeen consistent is met de waargenomen tijd tot “steady-state” van ongeveer 12-15 dagen.

Glycopyrronium

Na intraveneuze toediening van [3H]-gelabeld glycopyrroniumbromide was de gemiddelde urinaire excretie van radioactiviteit in 48 uur 85% van de dosis. In de gal werd een verdere 5% van de dosis gevonden.

Renale eliminatie van het oorspronkelijk geneesmiddel is ongeveer 60 tot 70% van de totale klaring van systemisch beschikbaar glycopyrronium, terwijl niet-renale klaring ongeveer 30 tot 40% is. De biliaire klaring draagt bij tot de niet-renale klaring, maar de niet-renale klaring zou grotendeels toe te schrijven zijn aan metabolisatie.

De gemiddelde renale klaring van glycopyrronium na inhalatie lag tussen de 17,4 en 24,4 liter/uur. Actieve tubulaire secretie draagt bij aan de renale eliminatie van glycopyrronium. Tot 23% van de afgeleverde dosis werd in de urine teruggevonden als oorspronkelijk geneesmiddel.

De plasmaconcentraties van glycopyrronium daalden op multifasische wijze. De gemiddelde terminale eliminatiehalfwaardetijd was veel langer na inhalatie (33 tot 57 uur) dan na intraveneuze (6,2 uur) en orale (2,8 uur) toediening. Het eliminatiepatroon wijst op een aanhoudende absorptie in de longen en/of opname van glycopyrronium in de systemische circulatie na 24 uur en langer na inhalatie.

Lineariteit/non-lineariteit

Indacaterol

Systemische blootstelling aan indacaterol steeg dosis-proportioneel met een toegenomen (afgeleverde) dosis (120 microgram tot 480 microgram).

Glycopyrronium

Bij COPD-patiënten stegen de systemische blootstelling en de totale urinaire excretie van glycopyrronium in farmacokinetische “steady-state” ongeveer dosis-proportioneel bij (afgeleverde) doses in het bereik van 44 tot 176 microgram.

Speciale populaties

Indacaterol/Glycopyrronium

Een farmacokinetische populatieanalyse van gegevens van COPD-patiënten na inhalatie van indacaterol/glycopyrronium gaf aan dat er geen significant effect van leeftijd, geslacht en (vetvrij lichaams-) gewicht was op de systemische blootstelling aan indacaterol en glycopyrronium. Het vetvrije lichaamsgewicht (wat een functie is van gewicht en lengte) werd geïdentificeerd als een covariabele. Er werd een negatieve correlatie waargenomen tussen de systemische blootstelling en het vetvrije lichaamsgewicht (of lichaamsgewicht); er wordt echter geen dosisaanpassing aanbevolen vanwege de grootte van de verandering of de voorspellende precisie van vetvrij lichaamsgewicht.

Rookgedrag en de baseline-FEV1 hadden geen duidelijk effect op de systemische blootstelling aan indacaterol en glycopyrronium na inhalatie van indacaterol/glycopyrronium.

Indacaterol

Een farmacokinetische populatieanalyse liet zien dat er geen klinisch relevant effect is van leeftijd (volwassenen tot 88 jaar), geslacht, gewicht (32-168 kg) of ras op de farmacokinetiek van indacaterol. Er was geen enkele aanwijzing voor verschillen tussen etnische subgroepen in deze populatie.

Glycopyrronium

In een farmacokinetische populatieanalyse van gegevens van COPD-patiënten werd vastgesteld dat lichaamsgewicht en leeftijd factoren waren die bijdroegen aan de inter-individuele variabiliteit van systemische blootstelling. Glycopyrronium in de aanbevolen dosis kan veilig worden gebruikt in alle leeftijdsgroepen en alle gewichtsgroepen.

Het geslacht, het rookgedrag en de baseline-FEV1 hadden geen duidelijk effect op de systemische blootstelling.

Patiënten met een gestoorde leverfunctie

Indacaterol/Glycopyrronium

Gebaseerd op de klinische farmacokinetische eigenschappen van de monotherapiebestanddelen, kan indacaterol/glycopyrronium de aanbevolen dosis bij patiënten met lichte tot matige leverfunctiestoornissen. Er zijn geen gegevens beschikbaar voor patiënten met een ernstige leverfunctiestoornis.

Indacaterol:

Patiënten met lichte of matige leverinsufficiëntie hadden geen relevante veranderingen in Cmax of AUC van indacaterol, noch verschilde de eiwitbinding tussen personen met milde of matige leverinsufficiëntie en hun gezonde controles. Er zijn geen onderzoeken uitgevoerd bij personen met ernstige leverinsufficiëntie.

Glycopyrronium:

Er zijn geen klinische studies uitgevoerd bij patiënten met een gestoorde leverfunctie. Glycopyrronium wordt voornamelijk door renale excretie uit de systemische bloedsomloop geklaard. Een stoornis van het levermetabolisme van glycopyrronium zal naar verwachting niet resulteren in een klinisch relevante toename van de systemische blootstelling.

Patiënten met een gestoorde nierfunctie

Indacaterol/Glycopyrronium

Gebaseerd op de klinische farmacokinetische eigenschappen van de monotherapiebestanddelen, kan indacaterol/glycopyrronium gebruikt worden in de aanbevolen dosis bij patiënten met lichte tot matige nierfunctiestoornissen. Bij patiënten met een ernstig gestoorde nierfunctie of terminale nierziekte die dialyse nodig hebben, mag indacaterol/glycopyrronium alleen gebruikt worden als de verwachte voordelen opwegen tegen het mogelijke risico.

Indacaterol:

Vanwege de zeer lage bijdrage van de urinaire route aan de totale lichaamseliminatie van indacaterolmaleaat, werd er geen onderzoek uitgevoerd bij patiënten met nierinsufficiëntie.

Glycopyrronium:

Een gestoorde nierfunctie heeft invloed op de systemische blootstelling aan glycopyrroniumbromide. Een matige gemiddelde stijging van de totale systemische blootstelling (AUClast) met een factor tot 1,4 werd gezien bij patiënten met een licht tot matig gestoorde nierfunctie en met een factor tot 2,2 bij patiënten met een ernstig gestoorde nierfunctie en terminale nierziekte. Bij COPD-patiënten met een licht tot matig gestoorde nierfunctie (geschatte glomerulusfiltratiesnelheid, eGFR ≥30 ml/min/1,73 m2) kan glycopyrroniumbromide worden gebruikt in de aanbevolen dosis.

Etniciteit

Indacaterol/Glycopyrronium

Er waren geen grote verschillen in de totale systemische blootstelling (AUC) van beide werkzame stoffen tussen Japanse en blanke proefpersonen. Er zijn onvoldoende farmacokinetische gegevens beschikbaar van andere etnische groepen of rassen.

Indacaterol:

Er is geen verschil aangetoond tussen etnische subgroepen. Er is beperkte behandelingservaring beschikbaar voor de zwarte populatie.

Glycopyrronium:

Er waren geen grote verschillen in de totale systemische blootstelling (AUC) stoffen tussen Japanse en blanke proefpersonen. Er zijn onvoldoende farmacokinetische gegevens beschikbaar van andere etnische groepen of rassen.

5.3 Gegevens uit het preklinisch veiligheidsonderzoek

Indacaterol/Glycopyrronium

Preklinische studies omvatten in vitro en in vivo farmacologische veiligheidsevaluaties, inhalatietoxiciteitsstudies bij herhaalde dosering bij ratten en honden, en een embryo-foetale inhalatieontwikkelingsstudie bij ratten.

Verhoogde hartslagen waren duidelijk in honden bij alle doseringen van indacaterol/glycopyrronium en ieder monotherapiebestanddeel. De effecten van indacaterol/glycopyrronium op de hartslagfrequentie namen toe in omvang en duur vergeleken met de veranderingen die waargenomen werden bij ieder bestanddeel alleen, consistent met een additieve respons. Verkorte elektrocardiografische intervallen en verminderde systolische en diastolische bloeddruk waren ook aanwezig. Indacaterol alleen of in indacaterol/glycopyrronium toegediend aan honden, werd geassocieerd met een vergelijkbare incidentie en ernst van myocardlaesies. Systemische blootstellingen (AUC) bij de “no-observed-adverse-effect level” (NOAEL) voor myocardlaesies waren voor elk bestanddeel respectievelijk 64- en 59-maal hoger dan in mensen.

Er werden geen effecten waargenomen op het embryo of de foetus met ieder dosisniveau van Plungymed gedurende een embryo-foetale ontwikkelingsstudie bij ratten. Systemische blootstellingen (UAC) bij de “no-observed-adverse-effect level” (NOAEL) waren voor respectievelijk indacaterol en glycopyrronium 79- en 126-maal hoger dan in mensen.

Indacaterol

Effecten op het cardiovasculair systeem die toe te schrijven zijn aan de bèta-2-agonistische eigenschappen van indacaterol omvatten tachycardie, aritmieën en myocardiale laesies bij honden. Milde irritatie van de neusholte en larynx werden gezien bij knaagdieren. Al deze bevindingen traden op bij blootstellingen die ruim boven de verwachte blootstelling bij de mens liggen.

Hoewel indacaterol geen invloed had op de algemene reproductie in een fertiliteitsonderzoek bij de rat, werd een afname in het aantal zwangere F1-nakomelingen waargenomen in het peri- en postontwikkelingsonderzoek bij de rat, bij een blootstelling die 14 keer hoger was dan bij mensen, behandeld met indacaterol. Indacaterol en de metabolieten gingen snel over in de melk van zogende ratten. Indacaterol en de metabolieten waren niet embryotoxisch of teratogeen bij ratten of konijnen.

Genotoxiciteitsonderzoeken lieten geen mutageen of clastogeen potentieel zien. Carcinogeniteit werd beoordeeld in een twee jaar durend onderzoek bij de rat en een zes maanden durend onderzoek bij transgene muizen. Verhoogde incidenties van benigne ovariumleiomyomen en focale hyperplasie van glad spierweefsel in het ovarium bij de rat waren consistent met vergelijkbare bevindingen die gemeld zijn voor andere bèta-2-adrenerge agonisten. Er is geen bewijs van carcinogeniteit gezien bij de muis. Systemische blootstellingen (AUC) bij ratten en muizen bij de “no-observed-adverse-effect levels” in deze onderzoeken waren respectievelijk ten minste 7- en 49-maal hoger dan bij de mens, behandeld met indacaterol eenmaal daags met de maximale aanbevolen therapeutische dosis.

Glycopyrronium

Niet-klinische gegevens duiden niet op een speciaal risico voor mensen. Deze gegevens zijn afkomstig van conventioneel onderzoek op het gebied van veiligheidsfarmacologie, toxiciteit bij herhaalde dosering, genotoxiciteit, carcinogeen potentieel, reproductie- en ontwikkelingstoxiciteit.

Effecten die konden worden toegeschreven aan de muscarinereceptorantagonistische eigenschappen van glycopyrroniumbromide waren een lichte tot matige stijging van de hartslag bij honden, lensopaciteiten bij ratten en reversibele veranderingen geassocieerd met verminderde kliersecreties bij ratten en honden. Bij ratten werden lichte irritatie of adaptieve veranderingen van de luchtwegen gezien. Al deze bevindingen zijn opgetreden na blootstelling ruim boven die verwacht bij de mens.

Na inhalatie was glycopyrronium niet teratogeen bij ratten of konijnen. De vruchtbaarheid en de pre- en postnatale ontwikkeling werden niet beïnvloed bij ratten. Glycopyrroniumbromide en de metabolieten gingen niet significant door de placentabarrière bij zwangere muizen, konijnen en honden.

Glycopyrroniumbromide (en metabolieten) werd uitgescheiden in de melk van zogende ratten en de concentraties in de moedermelk waren tot 10-maal hoger dan in het bloed van het moederdier.

Bij genotoxiciteitsstudies waren er geen aanwijzingen van een mutageen of clastogeen potentieel van glycopyrroniumbromide. Carcinogeniteitsstudies bij transgene muizen met orale toediening en bij ratten met toediening via inhalatie toonden geen carcinogeen potentieel aan bij systemische blootstelling (AUC) die ongeveer 53-maal hoger bij muizen en ongeveer 75-maal hoger bij ratten was dan de maximale aanbevolen dosering eenmaal daags bij de mens.

6. FARMACEUTISCHE GEGEVENS

6.1 Lijst van hulpstoffen

Inhoud van de capsule

Lactosemonohydraat (kan melkeiwit bevatten)

Magnesiumstearaat

Omhulsel van de capsule

Hypromellose

Kaliumchloride

Carrageen

FD & C Geel/Tartrazine (E102)

Gezuiverd water

6.2 Gevallen van onverenigbaarheid

Niet van toepassing.

6.3 Houdbaarheid

2 jaar

Na eerste opening: 90 dagen (fles van 90 capsules).

De inhalator in elke verpakking of een hergebruikte inhalator moet na 90 dagen worden weggegooid, te rekenen vanaf het eerste gebruik van de inhalator.

6.4 Speciale voorzorgsmaatregelen bij bewaren

Blisterverpakking: Dit geneesmiddel vereist geen speciale bewaaromstandigheden.

Flesverpakking: Bewaren beneden 30°C.

De capsules moeten altijd worden bewaard in de originele blisterverpakking/flesverpakking ter bescherming tegen vocht en mogen uitsluitend direct voor gebruik uit de verpakking worden gehaald.

6.5 Aard en inhoud van de verpakking

De behuizing en het witte beschermkapje van de inhalator zijn gemaakt van acrylonitril-butadieen-styreen, de rode, doorzichtige drukknoppen zijn gemaakt van methylmethacrylaat-acrylnitril-butadieen-styreen. Naalden en springveren zijn gemaakt van roestvrij staal.

PA/Alu/PVC – PET/Alu geperforeerde enkelvoudige dosis blister met verwijderbare folie en fles van hoogwaardig polyethyleen (HDPE) met schroefdop van polypropyleen (PP) met polypropyleen (PP) verzegelingsring.

Verpakkingen met 10 x 1, 30 x 1, 60 x 1, 90 x 1 harde capsules in geperforeerde enkelvoudige dosis blister met verwijderbare folie, samen met één inhalator.

Verpakkingen met 10 x 1, 30 x 1, 60 x 1 harde capsules in geperforeerde enkelvoudige dosis blister met verwijderbare folie.

Verpakking met 90 harde capsules in fles, samen met één inhalator.

Het is mogelijk dat niet alle genoemde verpakkingsgrootten in de handel worden gebracht.

6.6 Speciale voorzorgsmaatregelen voor het verwijderen en andere instructies

De inhalator die bij elk nieuw recept wordt geleverd, moet worden gebruikt. De inhalator van elke verpakking of een hergebruikte inhalator moet na 90 dagen worden weggegooid, te rekenen vanaf het eerste gebruik van de inhalator.

Alle ongebruikte geneesmiddelen en afvalmaterialen dienen te worden weggegooid overeenkomstig de lokale voorschriften.

HDPE-fles moet onmiddellijk worden gesloten na het gebruik van één capsule.

Instructies voor gebruik

Lees de volledige Instructies voor gebruik voordat u Plungymed gebruikt.

Plaats Prik door en laat los Inhaleer diep Controleer of de capsule leeg is

Stap 1a:

Verwijder het beschermkapje

Stap 2a:

Prik de capsule in één keer door Houd de inhalator rechtop. Prik de capsule door, door beide knoppen aan de zijkanten gelijktijdig stevig in te drukken. U moet een geluid horen wanneer de capsule wordt doorgeprikt. Prik de capsule slechts één keer door.

Stap 3a:

Adem volledig uit Blaas niet in de inhalator.

Controleer of de capsule leeg is

Open de inhalator om te zien of er poeder is achtergebleven in de capsule.

Als er poeder is achtergebleven in de capsule:

  • Sluit de inhalator.
  • Herhaal stappen 3a tot 3c.

Achtergebleven poeder

Stap 1b:

Open de inhalator

Stap 2b:

Laat de knoppen aan de zijkanten los

Stap 3b:

Inhaleer het geneesmiddel diep

Houd de inhalator vast zoals op het plaatje. Stop het mondstuk in uw mond en sluit uw lippen er stevig omheen. Druk niet op de knoppen aan de zijkant.

Leeg

1

2

3

Adem snel in en zo diep als u kunt. Tijdens het inhaleren zult u een zoemend geluid horen. U kunt het geneesmiddel proeven als u inhaleert.

Stap 1c:

Verwijder de capsule uit de fles of blister. Voor de blister: scheur een van de blisters van de blisterverpakking af.

Trek de blister open en haal de capsule eruit.

Druk de capsule niet door de folie van de blister heen.

Slik de capsule niet in.

Stap 3c:

Houd uw adem in

Houd uw adem in gedurende maximal 5 seconden.

Verwijder de lege capsule

Gooi de lege capsule weg met uw huisvuil.

Sluit de inhalator en zet het beschermkapje er weer op.

Belangrijke informatie

  • Plungymed capsules moeten altijd in de blister-verpakking/fles worden bewaard en mogen uitsluitend direct voor gebruik uit de blister worden gehaald.
  • Druk de capsule niet door de folie van de blister heen om deze uit de blister te halen.
  • Slik de capsule niet in.
  • Gebruik de Plungymed capsules niet met een andere inhalator.
  • Gebruik de Plungymed inhalator niet om een ander geneesmiddel in capsules in te nemen.
  • Plaats de capsule nooit in uw mond of in het mondstuk van de inhalator.
  • Druk de knoppen aan de zijkant niet meer dan één keer in.
  • Blaas niet in het mondstuk.
  • Druk niet op de knoppen aan de zijkant tijdens het inhaleren door het mondstuk.
  • Raak de capsules niet aan met natte handen.
  • Was uw inhalator nooit met water.

Stap 1d:

Stop een capsule in de inhalator Stop een capsule nooit direct in het mondstuk.

Stap 1e:

Sluit de inhalator

Uw Plungymed Inhalator verpakking bevat:

  • Eén Plungymed inhalator
  • Eén of meer blisterverpakkingen, elk met Plungymed capsules voor gebruik in de inhalator

Inhalator Onderkant van Blisterverpakking

de inhalator

Veel gestelde vragen

Waarom maakte de inhalator geen geluid toen ik inhaleerde?

De capsule kan vastzitten in de uitsparing voor de capsule. Als dit gebeurt, maak de capsule voorzichtig los door op de onderkant van de inhalator te tikken. Inhaleer het geneesmiddel opnieuw door de stappen 3a tot 3c te herhalen.

Wat moet ik doen als er poeder is achter gebleven in de capsule?

U heeft niet voldoende van het geneesmiddel binnengekregen. Sluit de inhalator en herhaal de stappen 3a tot 3c.

Ik hoestte na inhalatie –maakt dit uit?

Dit kan gebeuren. Als de capsule leeg is, heeft u voldoende van het geneesmiddel binnengekregen.

Ik voelde kleine stukjes van de capsule op mijn tong – maakt dit uit?

Dit kan gebeuren. Het is niet schadelijk. De kans op het verbrokkelen van de capsule neemt toe als de capsule meer dan één keer wordt doorgeprikt.

Schoonmaken van de inhalator

Veeg het mondstuk aan de binnen- en buitenkant af met een schoon, droog, pluisvrij doekje om poederresten te verwijderen. Houd de inhalator droog. Was uw inhalator nooit met water.

Weggooien van de inhalator na gebruik

Elke inhalator dient te worden weggegooid zodra alle capsules zijn gebruikt. Vraag uw apotheker hoe u geneesmiddelen en inhalatoren moet weggooien die niet meer nodig zijn.

7. HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN

Medical Valley Invest AB

Brädgårdsvägen 28

236 32 - Höllviken

Zweden

8. NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN

RVG 134536

9. DATUM VAN EERSTE VERLENING VAN DE VERGUNNING/VERLENGING VAN DE VERGUNNING

kapje

onderkant

knoppen

blister

mondstuk

uitsparing voor de capsule

rooster

Datum van eerste verlening van de vergunning: 7 september 2026

10. DATUM VAN HERZIENING VAN DE TEKST

Over dit document

Bron: CBG-MEB – Geneesmiddeleninformatiebank · Registratienummer: RVG 134536

Een fout gevonden? Schrijf ons via de contactpagina.

De informatie op deze website vervangt niet het advies van uw arts of apotheker.

Gegevens over het medicijn Plungymed

Afleverstatus
Alleen op recept?
  • Afleverstatus: alleen op recept (UR, uitsluitend recept)
Werkzame stoffen Glycopyrronium, Indacaterol
Farmaceutische vorm Inhalatiepoeder in harde capsule
Toedieningsweg Inhalatie
Hulpstoffen
carrageenan (e 407), hypromellose (e 464), kaliumchloride (e 508), lactose 1-water … (+3)+

carrageenan (e 407), hypromellose (e 464), kaliumchloride (e 508), lactose 1-water, magnesiumstearaat (e 470b), tartrazine (e 102), water, gezuiverd

ATC-indeling
  1. R Middelen voor de ademhalingswegen
    1. R03 Middelen bij obstructieve luchtwegaandoeningen
      1. R03A Adrenergica voor inhalatie
        1. R03AL Adrenergica in combinatie met anticholinergica, incl. drievoudige combinaties met corticosteroïden
          1. R03AL04 indacaterol and glycopyrronium bromide
Registratiehouder Medical Valley Invest AB
Registratie 134536 sinds 07-09-2026 Procedure: NL/H/6307/001

Bron: CBG-MEB – Geneesmiddeleninformatiebank, gegevens van 31-10-2026. Gegevens uit de Geneesmiddeleninformatiebank van het CBG-MEB, zonder garantie. Ze vervangen niet het advies van uw arts of apotheker.