SmPC (samenvatting van de productkenmerken) - Naramig, filmomhulde tabletten
1. NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
Naramig, filmomhulde tabletten 2,5 mg.
2. KWALITATIEVE EN KWANTITATIEVE SAMENSTELLING
Tabletten met 2,5 mg naratriptan (als naratriptanhydrochloride).
Hulpstof(fen) met bekend effect:
94,07 mg watervrij lactose/filmomhulde tablet.
Voor de volledige lijst van hulpstoffen, zie rubriek 6.1.
3. FARMACEUTISCHE VORM
Filmomhulde tablet.
Groene, filmomhulde, D-vormige, biconvexe tabletten met aan één zijde GX CE5 gegraveerd.
4. KLINISCHE GEGEVENS
4.1 Therapeutische indicaties
Acute behandeling van de hoofdpijnfase van migraineaanvallen met of zonder aura.
4.2 Dosering en wijze van toediening
Naramig-tabletten moeten zo snel mogelijk, na het begin van migraine hoofdpijn, worden ingenomen, maar ze zijn ook werkzaam als ze in een later stadium worden ingenomen.
Naramig-tabletten mogen niet profylactisch worden gebruikt.
Dosering
Volwassenen (18-65 jaar)
De aanbevolen dosis van Naramig is één tablet van 2,5 mg.
Indien de symptomen van migraine terugkeren nadat aanvankelijk een reactie optrad, kan een tweede dosis worden ingenomen op voorwaarde dat de periode tussen de twee doses ten minste vier uur bedraagt. De totale dosis mag niet meer dan twee tabletten van 2,5 mg in een periode van 24 uur bedragen.
Als een patiënt niet op de eerste dosis Naramig reageert, mag voor dezelfde aanval geen tweede dosis worden ingenomen aangezien geen gunstig effect werd waargenomen. Naramig-tabletten kunnen voor daaropvolgende migraineaanvallen worden gebruikt.
Jongeren (12-17 jaar )
In klinisch onderzoek werd bij jongeren een zeer hoog placebo-effect waargenomen. De werkzaamheid van naratriptan bij deze populatie is niet aangetoond en het gebruik ervan kan niet worden aanbevolen.
Kinderen (jonger dan 12 jaar )
Naramig wordt niet aanbevolen voor het gebruik bij kinderen jonger dan 12 jaar vanwege het ontbreken van gegevens over veiligheid en werkzaamheid.
Ouderen (ouder dan 65 jaar)
De veiligheid en werkzaamheid van naratriptan bij personen ouder dan 65 jaar werden niet beoordeeld en daarom kan het gebruik ervan bij deze leeftijdsgroep niet worden aanbevolen.
Verminderde nierfunctie
De totale dagelijkse maximumdosis bij patiënten met een licht of matig gestoorde nierfunctie is één tablet van 2,5 mg. Het gebruik van naratriptan is gecontra-indiceerd bij patiënten met een ernstig gestoorde nierfunctie (zie rubriek 5.2).
Verminderde leverfunctie
De totale dagelijkse maximumdosis bij patiënten met een licht of matig gestoorde leverfunctie is één tablet van 2,5 mg. Het gebruik van naratriptan is gecontra-indiceerd bij patiënten met een ernstig gestoorde leverfunctie (zie rubriek 5.2).
Wijze van toediening
Naramig tabletten moeten in hun geheel met water worden ingenomen.
4.3 Contra-indicaties
Overgevoeligheid voor de werkzame stof of voor één van de in rubriek 6.1 vermelde hulpstof(fen).
Een eerder myocardinfarct, ischemische hartziekte, Prinzmetal-angina/coronair vasospasme, perifere vasculaire ziekte, patiënten met symptomen of tekenen die wijzen op een ischemische hartziekte.
Voorgeschiedenis van cerebrovasculair accident (CVA) of “transient ischaemic attack” (TIA).
Matige of ernstige hypertensie, licht ongecontroleerde hypertensie.
Ernstig gestoorde nierfunctie (creatinineklaring < 15 ml/min.) of leverfunctie (Child-Pugh klasse C).
Gelijktijdige toediening van ergotamine, derivaten van ergotamine (waaronder methysergide) en elke triptan/5-hydroxytryptamine1 (5-HT1) receptor agonist met naratriptan.
4.4 Bijzondere waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik
Naratriptan mag alleen worden gebruikt als de diagnose van migraine duidelijk kan worden gesteld.
Naratriptan is niet geïndiceerd voor gebruik bij de behandeling van hemiplegische, basilaire of oftalmoplegische migraine.
Zoals met andere behandelingen voor acute migraine moet bij patiënten, die niet eerder als migrainepatiënt werden gediagnosticeerd en bij migrainepatiënten, die atypische symptomen vertonen goed worden opgelet dat eerst andere, mogelijk ernstige neurologische aandoeningen worden uitgesloten voordat hun hoofdpijn wordt behandeld. Het moet worden opgemerkt dat migrainepatiënten een risico kunnen lopen op bepaalde cerebrovasculaire voorvallen (bv. CVA of TIA).
De veiligheid en werkzaamheid van naratriptan moeten nog worden vastgesteld bij inname tijdens de aurafase, voordat de migrainehoofdpijn begint.
Zoals andere 5-HT1 receptor agonisten mag naratriptan niet zonder voorafgaand cardiovasculair onderzoek worden gegeven aan patiënten met risicofactoren voor een ischemische hartaandoening, zoals bij patiënten, die zware rokers zijn of die behandeld worden met een nicotinesubstitutietherapie (zie rubriek 4.3). Speciale aandacht moet worden besteed aan postmenopauzale vrouwen en mannen ouder dan 40 jaar met deze risicofactoren. Het is echter mogelijk dat deze onderzoeken niet elke patiënt met een hartaandoening identificeren. In zeer zeldzame gevallen zijn na toediening van 5-HT1 agonisten ernstige cardiale voorvallen opgetreden bij patiënten zonder een onderliggende cardiovasculaire aandoening.
Na toediening kan naratriptan in verband worden gebracht met symptomen van voorbijgaande aard, waaronder borstkaspijn en benauwdheid, waarbij deze symptomen intens kunnen zijn en zich kunnen uitstrekken tot de keel (zie rubriek 4.8). Indien men denkt dat dergelijke symptomen op een ischemische hartaandoening duiden, mag naratriptan niet meer worden ingenomen en moet een daarvoor geschikt onderzoek plaatsvinden (zie rubriek 4.8).
Naratriptan bevat een sulfonamidecomponent en daarom is er een theoretische kans op een overgevoeligheidsreactie bij patiënten met een bekende overgevoeligheid voor sulfonamiden.
De aanbevolen dosis naratriptan mag niet worden overschreden.
Serotoninesyndroom (waaronder gewijzigde geestestoestand, autonome instabiliteit en neuromusculaire abnormaliteiten) zijn gerapporteerd na gelijktijdige behandeling met triptanen en selectieve serotonineheropnameremmers (SSRI’s) of serotoninenoradrenalineheropnameremmers (SNRI’s). Als een gelijktijdige behandeling met naratriptan en een SSRI of SNRI klinisch aangewezen is, wordt een passende controle van de patiënt aangeraden, vooral bij het instellen van de behandeling, bij dosisverhogingen of bij toevoeging van andere serotonerge medicatie (zie rubriek 4.5).
Bijwerkingen kunnen vaker optreden bij gelijktijdig gebruik van triptanen en kruidenpreparaten, die sint-janskruid (Hypericum perforatum) bevatten.
Langdurig gebruik van pijnstillers voor hoofdpijn kan deze hoofdpijn verergeren. Als deze situatie zich voordoet of vermoed wordt, moet men een arts raadplegen en moet de behandeling worden stopgezet. Men dient rekening te houden met de diagnose van hoofdpijn als gevolg van overmatig gebruik van medicatie bij patiënten, die vaak of dagelijks hoofdpijn hebben ondanks (of omwille van) het regelmatige gebruik van medicatie voor hoofdpijn.
Dit geneesmiddel bevat watervrij lactose. Patiënten met zeldzame erfelijke aandoeningen als galactose-intolerantie, algehele lactasedeficiëntie of glucose-galactose malabsorptie, dienen dit geneesmiddel niet te gebruiken.
Naramig bevat minder dan 1 mmol natrium (23 mg) per tablet, dat wil zeggen dat het in wezen ‘natriumvrij’ is.
4.5 Interacties met andere geneesmiddelen en andere vormen van interactie
Uit klinische onderzoeken is geen interactie gebleken met alcohol of voeding.
Naratriptan had in vitro geen remmende werking op monoamineoxidase-enzymen. Interactiestudies met monoamineoxidaseremmers werden daarom in vivo niet uitgevoerd.
Uit in vitro studies is gebleken dat een groot aantal cytochroom P450 iso-enzymen betrokken is bij het beperkte metabolisme van naratriptan. Daarom zijn significante metabole geneesmiddelinteracties waarbij specifieke cytochroom P450 enzymen betrokken zijn onwaarschijnlijk (zie rubriek 5.2).
In klinische studies zijn geen aanwijzingen gevonden van interactie met β-blokkers, tricyclische antidepressiva of selectieve serotonineheropnameremmers.
Orale anticonceptiva doen de totale klaring van naratriptan met 30% dalen en roken verhoogt de totale klaring met 30%. De dosering hoeft echter niet te worden aangepast.
Aangezien 60% van naratriptan via de nieren wordt uitgescheiden, waarbij ongeveer 30% van de totale klaring plaatsvindt door actieve uitscheiding via de nieren, zijn interacties mogelijk met andere geneesmiddelen, die ook via de nieren worden uitgescheiden. Door het veiligheidsprofiel van naratriptan is remming van de uitscheiding van naratriptan waarschijnlijk van ondergeschikt belang, terwijl met de mogelijkheid moet worden rekening gehouden, dat naratriptan de actieve uitscheiding van andere geneesmiddelen remt.
Er zijn beperkte gegevens beschikbaar over interacties met ergotamine, ergotaminebevattende preparaten, dihydroergotamine (DHE) of sumatriptan. Het verhoogde risico van coronair vasospasme is theoretisch mogelijk bij gelijktijdige toediening van deze en 5-HT1 receptor agonisten (zie rubriek 4.3).
Na toediening van naratriptan moet tenminste 24 uur gewacht worden voordat een ergotaminebevattend preparaat of een andere triptan/5-HT1 receptor agonist wordt gegeven. Omgekeerd moet men na toediening van een ergotaminebevattend preparaat tenminste 24 uur wachten voordat naratriptan kan worden gegeven.
Er zijn meldingen geweest van patiënten met symptomen, die vergelijkbaar zijn met serotoninesyndroom (waaronder gewijzigde geestestoestand, autonome instabiliteit en neuromusculaire abnormaliteiten) na gebruik van selectieve serotonineheropnameremmers (SSRI’s) of serotoninenoradrenalineheropname-remmers (SNRI’s) en triptanen (zie rubriek 4.4).
4.6 Vruchtbaarheid, zwangerschap en borstvoeding
Zwangerschap
De evaluatie van experimenteel onderzoek bij dieren wijst geen directe teratogene effecten uit. Bij konijnen zijn echter een vertraagde botvorming bij de foetus en mogelijke effecten op de levensvatbaarheid van het embryo waargenomen.
Postmarketing gegevens van prospectieve zwangerschapsregisters hebben de uitkomsten van zwangerschappen vastgelegd van minder dan 60 vrouwen die aan naratriptan waren blootgesteld. Vanwege de geringe omvang van de steekproef kan er geen definitieve conclusie worden getrokken over het risico op geboortedefecten als gevolg van blootstelling aan naratriptan.
Toediening van naratriptan mag enkel overwogen worden als het te verwachten voordeel voor de moeder opweegt tegen het mogelijke risico voor de foetus.
Borstvoeding
Naratriptan en/of gerelateerde metabolieten worden bij zogende ratten in de melk uitgescheiden. Effecten van voorbijgaande aard in de pre- en postnatale ontwikkeling van neonatale ratten werden alleen waargenomen, indien de blootstelling van de moeder beduidend hoger was dan de maximale blootstelling bij de mens. Er zijn geen studies uitgevoerd om de hoeveelheid naratriptan vast te stellen, die wordt uitgescheiden in de moedermelk van vrouwen die borstvoeding geven. Het wordt aanbevolen om de zuigeling zo weinig mogelijk hieraan bloot te stellen door gedurende 24 uur na de behandeling geen borstvoeding te geven.
4.7 Beïnvloeding van de rijvaardigheid en het vermogen om machines te bedienen
Er is geen onderzoek verricht met betrekking tot de effecten op de rijvaardigheid en op het vermogen om machines te bedienen.
Sufheid kan voorkomen als gevolg van migraine of als gevolg van de behandeling met naratriptan.
Voorzichtigheid is geboden wanneer bepaalde vaardigheden nodig zijn, bv. een voertuig besturen of machines bedienen.
4.8 Bijwerkingen
Sommige van de symptomen die als bijwerkingen worden vermeld, kunnen deel uitmaken van de migraineaanval.
De bijwerkingen worden gerangschikt onder hoofdjes van frequentie, met gebruikmaking van de volgende conventie: vaak (≥1/100, <1/10); soms (≥1/1.000, <1/100); zelden (≥1/10.000, <1/1.000); zeer zelden (<1/10.000).
| Immuunsysteemaandoeningen |
| Zelden | Anafylactische reacties |
| Zenuwstelselaandoeningen | |
Vaak Zelden | Tintelen, duizeligheid, suf voelen Slaperigheid |
| Oogaandoeningen | |
| Soms | Visuele stoornis |
| Hartaandoeningen | |
| Soms | Bradycardie, tachycardie, hartkloppingen |
| Zeer zelden | Vaatspasme van de kransslagader, angina, myocardinfarct |
| Bloedvataandoeningen | |
| Zeer zelden | Perifere vasculaire ischemie |
| Maagdarmstelselaandoeningen | |
| Vaak | Misselijkheid, braken |
| Zelden | Ischemische colitis |
| Huid- en onderhuidaandoeningen | |
| Zelden | Rash, urticaria, pruritis, gezichtsoedeem |
| Algemene aandoeningen en toedieningsplaatsstoornissen | |
| Vaak | Hittegevoel, malaise/vermoeidheid |
| Soms | Pijn, zwaar gevoel, drukgevoel of een beklemd gevoel Deze symptomen zijn meestal van voorbijgaande aard, kunnen intens zijn en kan elk lichaamsdeel treffen, waaronder de borst en de keel |
| Onderzoeken | |
| Soms | Verhoging van de bloeddruk met ongeveer 5 mmHg (systolisch) en 3 mmHg (diastolisch) in een periode van maximaal 12 uur na toediening. |
Melding van vermoedelijke bijwerkingen
Het is belangrijk om na toelating van het geneesmiddel vermoedelijke bijwerkingen te melden. Op deze wijze kan de verhouding tussen voordelen en risico’s van het geneesmiddel voortdurend worden gevolgd. Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg wordt verzocht alle vermoedelijke bijwerkingen te melden via het Nederlands Bijwerkingen Centrum Lareb, website: www.lareb.nl.
4.9 Overdosering
Toediening van een dosis van 25 mg naratriptan bij één gezonde mannelijke proefpersoon verhoogde de bloeddruk met maximaal 71 mmHg en leidde tot bijwerkingen, waaronder licht gevoel in het hoofd, spanning in de nek, vermoeidheid en coördinatieverlies. Zonder andere farmacologische interventie nam de bloeddruk 8 uur na de dosering opnieuw de aanvangswaarde aan.
Het is niet bekend welk effect hemodialyse of peritoneale dialyse heeft op de plasmaspiegels van naratriptan.
Behandeling
In geval van overdosering met naratriptan moet de patiënt gedurende ten minste 24 uur worden geobserveerd en moet, indien nodig, een standaard ondersteunende behandeling worden toegepast.
5. FARMACOLOGISCHE EIGENSCHAPPEN
5.1 Farmacodynamische eigenschappen
Farmacotherapeutische groep: selectieve 5-HT1 receptor agonisten, ATC-code: N02CC02.
Werkingsmechanisme
Naratriptan is een selectieve agonist voor 5 hydroxytryptamine1 (5-HT1) receptoren, die vasculaire contractie aansturen. Naratriptan heeft een hoge affiniteit voor humane gekloonde 5-HT1B en 5-HT1D receptoren. De humane 5-HT1B receptor wordt verondersteld overeen te komen met de vasculaire 5-HT1 receptor, die contractie van intracraniale bloedvaten aanstuurt. Naratriptan heeft weinig of geen effect op andere subtypes van de 5-HT receptor (5-HT2, 5-HT3, 5-HT4 en 5-HT7).
Bij dieren beperkt naratriptan de bloedsomloop in de arteria carotis. Bovendien blijkt uit experimenteel onderzoek bij dieren dat naratriptan de activiteit van de nervus trigeminus remt. Deze beide werkingen dragen bij aan de antimigraine werking van naratriptan bij de mens.
Klinische werkzaamheid en veiligheid
In klinische studies werd een werkzaamheid gemeten na één uur en een piekwerkzaamheid werd na 4 uur bereikt. De initiële werkzaamheid van 2,5 mg naratriptan was iets lager dan die van 100 mg sumatriptan. Over een periode van 24 uur was de werkzaamheid voor beide geneesmiddelen vergelijkbaar en de incidentie van bijwerkingen in de klinische studies was iets lager na 2,5 mg naratriptan dan na 100 mg sumatriptan. Er zijn geen vergelijkende studies uitgevoerd met 2,5 mg naratriptan en 50 mg sumatriptan.
5.2 Farmacokinetische eigenschappen
Absorptie
Na orale toediening wordt naratriptan geabsorbeerd met maximale plasmaspiegels na 2-3 uur. Na toediening van een tablet van 2,5 mg naratriptan is de Cmax ongeveer 8,3 ng/ml (95% betrouwbaarheidsinterval: 6,5 tot 10,5 ng/ml) bij vrouwen en 5,4 ng/ml (95% betrouwbaarheidsinterval: 4,7 tot 6,1 ng/ml) bij mannen.
De orale biologische beschikbaarheid bedraagt 74% bij vrouwen en 63% bij mannen, zonder verschillen in werkzaamheid en verdraagbaarheid bij klinisch gebruik. Een geslachtsgebonden aanpassing van de dosis is dan ook niet nodig.
Distributie
Het verdelingsvolume van naratriptan is 170 liter. Binding aan plasma-eiwit is laag (29%).
Biotransformatie
De gemiddelde klaring na intraveneuze toediening was 470 ml/min. bij mannen en 380 ml/min. bij vrouwen. De renale klaring is 220 ml/min. voor zowel mannen als vrouwen en is hoger dan de glomerulaire filtratiesnelheid, wat erop wijst dat naratriptan actief wordt uitgescheiden in de renale tubuli. Naratriptan wordt hoofdzakelijk uitgescheiden in de urine, waarbij 50% van de dosis als onveranderd naratriptan en 30% als inactieve metabolieten wordt aangetroffen. In vitro werd naratriptan door een groot aantal cytochroom P450 iso-enzymen gemetaboliseerd. Bijgevolg worden er geen significante metabole geneesmiddelinteracties met naratriptan verwacht (zie rubriek 4.5).
Naratriptan heeft geen remmende werking op cytochroom P450 enzymen. Het is niet bekend of naratriptan een inducerend vermogen heeft op humane iso-enzymen. Bij ratten werden echter geen significante veranderingen waargenomen in de expressie van hepatische cytochroom P450 isovormen.
Eliminatie
De gemiddelde eliminatiehalfwaardetijd (t1/2) is 6 uur.
Speciale patiëntenpopulaties
Ouderen
Bij gezonde oudere proefpersonen (n=12) daalde de klaring met 26% en steeg de AUC met 30% ten opzichte van gezonde jonge proefpersonen (n=12) in dezelfde studie (zie rubriek 4.2).
Geslacht
De AUC en Cmax van naratriptan waren ongeveer 35% lager bij mannen dan bij vrouwen, mogelijk als gevolg van het gelijktijdige gebruik van orale anticonceptiva, hoewel er in klinisch gebruik geen verschillen zijn in werkzaamheid en verdraagbaarheid. Een geslachtsgebonden aanpassing van de dosis is dan ook niet nodig (zie rubriek 4.2).
Gestoorde nierfunctie
Renale excretie is de belangrijkste eliminatieroute van naratriptan. Hierdoor kan de spiegel van naratriptan bij patiënten met een nieraandoening verhoogd zijn. In een studie met mannelijke en vrouwelijke patiënten met een gestoorde nierfunctie (creatinineklaring 18 tot 115 ml/min.; n=15) en gezonde proefpersonen (n=8) waarbij geslacht, leeftijd en gewicht vergelijkbaar waren, vertoonden de patiënten met een gestoorde nierfunctie een stijging met ongeveer 80% voor t1/2 en een afname van de klaring met ongeveer 50% (zie rubriek 4.2).
Gestoorde leverfunctie
De lever speelt een beperktere rol bij de klaring van oraal toegediend naratriptan. In een studie met mannelijke en vrouwelijke patiënten met een gestoorde leverfunctie (Child-Pugh klasse A of B; n=8) en gezonde proefpersonen, die oraal naratriptan kregen en waarbij geslacht, leeftijd en gewicht vergelijkbaar waren, vertoonden de patiënten met een gestoorde leverfunctie een stijging met ongeveer 40% voor t1/2 en een afname van de klaring met ongeveer 30% (zie rubriek 4.2).
5.3 Gegevens uit het preklinisch veiligheidsonderzoek
Niet-klinische effecten werden bij toxiciteitsstudies met enkelvoudige en herhaalde dosering uitsluitend waargenomen na blootstelling, die beduidend hoger lag dan het maximale niveau waaraan de mens wordt blootgesteld.
Een standaard aantal genotoxiciteitstests duidden niet op een genotoxisch potentieel van naratriptan.
Bij carcinogeniciteitsstudies bij de muis en de rat werden er geen tumoren waargenomen die relevant waren voor het klinisch gebruik.
6. FARMACEUTISCHE GEGEVENS
6.1 Lijst van hulpstoffen
Tabletkern:
Microkristallijn cellulose.
Watervrij lactose.
Natriumcroscarmellose.
Magnesiumstearaat.
Filmomhulling:
Hypromellose.
Titaandioxide (E171).
Triacetine.
IJzeroxide geel (E172).
Indigotine aluminium lak (E132).
6.2 Gevallen van onverenigbaarheid
Niet van toepassing.
6.3 Houdbaarheid
3 jaar
6.4 Speciale voorzorgsmaatregelen bij bewaren
Bewaren beneden 30°C.
6.5 Aard en inhoud van de verpakking
Aluminiumfolie blisterverpakking bekleed met PVC en papier/aluminium/polybutylmetacrylaat/PVC.
De blisterverpakkingen bevatten 2, 4, 6 of 12 Naramig-tabletten.
Niet alle genoemde verpakkingsgrootten worden in de handel gebracht.
6.6 Speciale voorzorgsmaatregelen voor het verwijderen
Geen bijzondere vereisten voor verwijdering.
7. HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
In Nederland worden Naramig tabletten op de markt gebracht door:
GlaxoSmithKline BV
Van Asch van Wijckstraat 55H
3811 LP Amersfoort
8. NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
Naramig, filmomhulde tabletten 2,5 mg RVG 21444
9. DATUM VAN EERSTE VERLENING VAN DE VERGUNNING/HERNIEUWING VAN DE VERGUNNING
Datum van eerste verlening van de vergunning: 1 augustus 1997
Datum van laatste hernieuwing: 10 maart 2007
10. DATUM VAN HERZIENING VAN DE TEKST
Laatste gedeeltelijke wijziging betreft rubriek 6.5: 22 september 2023.
Gedetailleerde informatie over dit geneesmiddel is beschikbaar op de website van het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen in Nederland: http://www.cbg-meb.nl/
