SmPC (samenvatting van de productkenmerken) - Mycofenolaat Mofetil Accord 250 mg capsule, hard
1. NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
Mycofenolaat Mofetil Accord 250 mg capsules
2. KWALITATIEVE EN KWANTITATIEVE SAMENSTELLING
Elke capsule bevat 250 mg mycofenolaatmofetil.
Voor de volledige lijst van hulpstoffen, zie rubriek 6.1.
3. FARMACEUTISCHE VORM
Capsule, hard
Lichtblauwe/perzikkleurige ‘1’ capsule van harde gelatine, met opdruk ‘MMF’ boven en ‘250’ onder, met daarin wit of gebroken wit poeder.
4. KLINISCHE GEGEVENS
4.1 Therapeutische indicaties
Mycofenolaatmofetil wordt gebruikt samen met ciclosporine en corticosteroïden als profylaxe tegen acute orgaanafstoting, bij volwassen patiënten en bij pediatrische patiënten (in de leeftijd van 1 tot 18 jaar) die een allogene nier-, hart- of levertransplantatie ondergaan.
4.2 Dosering en wijze van toediening
De behandeling gestart en voortgezet te worden door een gekwalificeerde specialist in transplantaties.
Dosering
Volwassenen:
Niertransplantaties
De behandeling dient binnen 72 uur na de transplantatie begonnen te worden. De aanbevolen dosis bij niertransplantatiepatiënten is tweemaal daags 1,0 g (dagelijkse dosis 2 g).
Harttransplantaties
De behandeling moet worden gestart binnen 5 dagen na de harttransplantatie. De aanbevolen dosis bij harttransplantatiepatiënten is tweemaal daags 1,5 g (dagelijkse dosis 3 g).
Levertransplantaties
Behandeling met intraveneus mycofenolaatmofetil moet de eerste 4 dagen na de levertransplantatie worden toegediend. Daarna kan toediening van oraal mycofenolaatmofetil worden gestart zodra dit wordt verdragen. De aanbevolen dosis bij levertransplantatiepatiënten is tweemaal daags 1,5 g (dagelijkse dosis 3 g).
Pediatrische patiënten (1 tot 18 jaar):
De pediatrische doseringsinformatie in deze rubriek is, waar gepast, van toepassing op alle orale formuleringen binnen het mycofenolaatmofetil-productassortiment. Verschillende orale formuleringen mogen niet verwisseld worden zonder klinisch toezicht.
De aanbevolen eerste dosis mycofenolaatmofetil voor pediatrische nier-, hart- en levertransplantatiepatiënten is 600 mg/m2 (van het lichaamsoppervlak (BSA)), tweemaal daags oraal toegediend (eerste totale dagelijkse dosis niet hoger dan 2 g of 10 ml van de suspensie voor oraal gebruik).
De dosis en toedieningsvorm moeten individueel worden vastgesteld op basis van klinische beoordeling. Als de aanbevolen eerste dosis goed wordt verdragen maar er geen klinisch adequate immunosuppressie wordt bereikt bij pediatrische hart- en levertransplantatie patiënten, kan de dosis worden verhoogd tot 900 mg/m2 BSA tweemaal daags (maximale totale dagelijkse dosis van 3 g of 15 ml van de suspensie voor oraal gebruik). De aanbevolen onderhoudsdosering voor pediatrische niertransplantatie patiënten blijft 600 mg/m2 tweemaal daags (maximale totale dagelijkse dosis van 2 g of 10 ml van de suspensie voor oraal gebruik).
Mycofenolaatmofetil poeder voor suspensie voor oraal gebruik moet worden gebruikt door patiënten die niet in staat zijn om capsules en tabletten te slikken en/of een BSA minder dan 1,25 m2 hebben, vanwege het verhoogde risico op verstikking. Bij patiënten met een BSA van 1,25 tot 1,5 m2 kunnen mycofenolaatmofetil capsules worden voorgeschreven in een dosis van tweemaal daags 750 mg (dagelijkse dosis 1,5 g). Bij patiënten met een BSA van meer dan 1,5 m2 kunnen mycofenolaatmofetil capsules of tabletten worden voorgeschreven in een dosis van tweemaal daags 1 g (dagelijkse dosis 2 g). Omdat sommige bijwerkingen in vergelijking met volwassenen met een grotere frequentie optreden in deze leeftijdsgroep (zie rubriek 4.8), kan een tijdelijke dosisverlaging of onderbreking vereist zijn waarbij het noodzakelijk is relevante klinische factoren, waaronder de ernst van de reactie, in aanmerking te nemen.
Toepassing bij speciale populaties
Ouderen:
De aanbevolen dosis van tweemaal daags 1 g bij niertransplantatiepatiënten en tweemaal daags 1,5 g bij hart- of levertransplantatiepatiënten is ook geschikt voor bejaarden.
Verminderde nierfunctie:
Bij niertransplantatiepatiënten met ernstige chronisch gestoorde nierfunctie (glomerulaire filtratiesnelheid < 25 ml/min/1,73 m2) dienen, met uitzondering van de periode onmiddellijk na de transplantatie, doses hoger dan tweemaal daags 1 g te worden vermeden. Deze patiënten dienen ook zorgvuldig te worden geobserveerd. Aanpassing van de dosis is niet nodig bij patiënten met een vertraagde niertransplantaatfunctie na operatie (zie rubriek 5.2). Er zijn geen gegevens beschikbaar over hart- of levertransplantatiepatiënten met een ernstige chronisch gestoorde nierfunctie.
Ernstig verminderde leverfunctie:
Aanpassing van de dosis is niet nodig bij niertransplantatiepatiënten met ernstige parenchymale leverziekte. Er zijn geen gegevens beschikbaar over harttransplantatiepatiënten met ernstige parenchymale leverziekte.
Behandeling tijdens afstotingsepisoden:
Volwassenen
Mycofenolzuur (MPA) is de actieve metaboliet van mycofenolaatmofetil. Afstoting van het niertransplantaat leidt niet tot veranderingen van de farmacokinetiek van MPA; een dosisverlaging of een onderbreking van de behandeling is niet vereist. Er is geen grond voor dosisaanpassing na afstoting van het harttransplantaat. Er zijn geen farmacokinetische gegevens beschikbaar bij afstoting van het levertransplantaat.
Pediatrische patiënten
Er zijn geen gegevens beschikbaar over de behandeling van eerste of refractaire afstoting bij pediatrische transplantatiepatiënten.
Wijze van toediening
Orale toediening
Te nemen voorzorgen voorafgaand aan gebruik of toediening van het geneesmiddel.
Omdat mycofenolaatmofetil teratogene effecten heeft laten zien bij ratten en konijnen mogen de capsules niet worden geopend of vermalen om inademing of direct contact van de huid of slijmvliezen met de poeder in de capsules te vermijden. Als er contact optreedt, was dan grondig met water en zeep; spoel de ogen met alleen water.
4.3 Contra-indicaties
- Mycofenolaatmofetil mag niet gegeven worden aan patiënten die overgevoelig zijn voor mycofenolaatmofetil, mycofenolzuur of voor een van de in rubriek 6.1 vermelde hulpstoffen. Overgevoeligheidsreacties op dit geneesmiddel zijn waargenomen (zie rubriek 4.8).
- Behandeling mag niet gestart worden bij vruchtbare vrouwen die geen zeer effectieve anticonceptie gebruiken (zie rubriek 4.6).
- Behandeling mag niet gestart worden bij vruchtbare vrouwen zonder een uitslag van een zwangerschapstest om onopzettelijk gebruik tijdens de zwangerschap uit te sluiten (zie rubriek 4.6).
- Behandeling mag niet gegeven worden tijdens de zwangerschap, tenzij er geen geschikte alternatieve behandeling is om orgaanafstoting te voorkomen (zie rubriek 4.6).
- Behandeling niet gegeven worden aan vrouwen die borstvoeding geven (zie rubriek 4.6).
4.4 Bijzondere waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik
Neoplasmata
Bij patiënten die immunosuppressieve behandelingen ondergaan, waarbij een combinatie van geneesmiddelen is betrokken waaronder mycofenolaatmofetil, bestaat een toegenomen risico van het ontwikkelen van lymfomen en andere maligniteiten, vooral van de huid (zie rubriek 4.8). Het risico lijkt meer gerelateerd aan de intensiteit en duur van de immunosuppressie dan aan het gebruik van een specifiek middel.
Beperkte blootstelling aan zonlicht en UV- licht door het dragen van beschermende kleding en het gebruik van een zonnebrandmiddel met een hoge beschermingsfactor, dient als algemeen advies gegeven te worden om het risico van huidkanker te minimaliseren.
Infecties
Patiënten die worden behandel met immunosuppressiva inclusief mycofenolaatmofetil lopen het risico van opportunistische infecties (bacterieel, schimmel, viraal en protozoïsch), fatale infecties en sepsis (zie rubriek 4.8). Onder deze infecties vallen ook infecties veroorzaakt door reactivatie van een latente virusinfectie, zoals hepatitis B- of hepatitis C-reactivatie en infecties veroorzaakt door polyomavirussen (BK-virus geassocieerde nefropathie, de met JC-virus geassocieerde progressieve multifocale leukoencefalopathie (PML)). Gevallen van hepatitis door reactivatie van hepatitis B of hepatitis C zijn gemeld in patiënten die drager zijn en behandeld werden met immunosuppressiva. Deze infecties houden vaak verband met een hoge totale immunosuppressieve belasting en kunnen leiden tot ernstige of fatale aandoeningen die de arts moet overwegen in de differentiële diagnosis bij immunodeficiënte patiënten met verminderende nierfunctie of neurologische symptomen. Mycofenolzuur heeft een cytostatisch effect op B- en T-lymfocyten, wat kan leiden tot verergering van COVID-19 en passend medisch ingrijpen moet worden overwogen.
Bij patiënten die mycofenolaatmofetil gebruiken in combinatie met andere immunosuppressiva, zijn er gevallen van hypogammaglobulinemie gemeld die verband hielden met recidiverende infecties. In sommige van deze gevallen werden de serum IgG-spiegels weer normaal na vervanging van mycofenolaatmofetil door een ander immunosuppressivum. Bij patiënten die mycofenolaatmofetil gebruiken en recidiverende infecties krijgen, moeten de serumglobulinespiegels worden bepaald. In gevallen van aanhoudende, klinisch relevante hypogammaglobulinemie moeten gepaste klinische maatregelen worden overwogen, waarbij gelet moet worden op de krachtige cytostatische effecten van mycofenolzuur op T- en B-lymfocyten.
Er zijn gevallen gepubliceerd van bronchiëctasieën bij volwassenen en kinderen die mycofenolaatmofetil kregen in combinatie met andere immunosuppressiva. In sommige van deze gevallen werden de respiratoire symptomen verlicht na vervanging van mycofenolaatmofetil door een ander immunosuppressivum. Het risico op bronchiëctasieën kan verband houden met hypogammaglobulinemie of met een direct effect op de longen. Er zijn ook incidentele gevallen gemeld van interstitiële longaandoeningen en longfibrose, waarvan enkele met fatale afloop (zie rubriek 4.8). Het verdient aanbeveling om patiënten die aanhoudende pulmonale symptomen zoals hoest en dyspneu ontwikkelen, te onderzoeken.
Bloed en immuunsysteem
Patiënten die met mycofenolaatmofetil behandeld worden, dienen te worden gecontroleerd op neutropenie die gerelateerd kan zijn aan de behandeling zelf, co-medicatie, virale infecties of een combinatie van deze factoren. Bij patiënten die mycofenolaatmofetil toegediend krijgen, dient eenmaal per week gedurende de eerste maand het complete bloedbeeld te worden bepaald en vervolgens twee keer per maand gedurende de tweede en derde maand van de behandeling, daarna maandelijks gedurende het eerste jaar. Indien er neutropenie optreedt (ANC < 1,3 x 103/µl), kan het aangewezen zijn de toediening van mycofenolaatmofetil te onderbreken of te stoppen.
Bij patiënten die met mycofenolaat-mofetil in combinatie met andere immunosuppressiva werden behandeld, zijn gevallen van Pure Red Cell Aplasia (PRCA) gemeld. Het mechanisme van door mycofenolaatmofetil geïnduceerde PRCA is onbekend. PRCA zou kunnen verdwijnen door verlaging van de dosis of het staken van de behandeling met mycofenolaatmofetil. Wijzigingen in de behandeling met mycofenolaatmofetil mogen alleen worden uitgevoerd onder strikt toezicht bij ontvangers van een transplantaat om zo het risico op orgaanafstoting te minimaliseren (zie rubriek 4.8).
Patiënten die met mycofenolaat-mofetil behandeld worden, dienen geïnstrueerd te worden om onmiddellijk elke aanwijzing voor een infectie, onverwachte blauwe plekken, bloedingen of elke andere uiting van beenmergfalen te melden.
Patiënten dienen erop gewezen te worden dat tijdens de behandeling met mycofenolaatmofetil vaccinaties minder effectief kunnen zijn en het gebruik van levend verzwakt vaccin dient vermeden te worden (zie rubriek 4.5). Influenzavaccinatie kan van waarde zijn. Voorschrijvers worden verwezen naar de nationale richtlijnen voor influenzavaccinatie.
Gastro-intestinaal
Mycofenolaatmofetil is in verband gebracht met een toegenomen incidentie van bijwerkingen van het spijsverteringsstelsel, waaronder infrequente gevallen van gastro-intestinale ulceratie, bloedingen en perforatie. Voorzichtigheid is geboden bij het toedienen van dit geneesmiddel aan patiënten met een ernstige, actieve ziekte van het spijsverteringsstelsel.
Mycofenolaatmofetil is een IMPDH (inosine monofosfaat dehydrogenase) remmer. Daarom moet het vermeden worden bij patiënten met de zeldzame hereditaire deficiëntie van hypoxanthine-guanine-fosforibosyl-tranferase (HGPRT) zoals het Lesch-Nyhan- en het Kelley-Seegmiller-syndroom.
Interacties
Voorzichtigheid is geboden wanneer bij een combinatietherapie die immunosuppressiva bevat die interfereren met de enterohepatische recirculatie van MPA, bijv. ciclosporine, overgestapt wordt naar andere middelen die dit effect niet hebben, bijv. tacrolimus, sirolimus, belatacept, of vice versa, aangezien dit een verandering in de blootstelling aan MPA kan veroorzaken. Middelen die interfereren met de enterohepatische cyclus van MPA (bijv. colestyramine, antibiotica) moeten met voorzichtigheid worden gebruikt vanwege hun potentieel om de plasmaspiegels van mycofenolaat en de werkzaamheid ervan te verminderen (zie ook rubriek 4.5).
Het wordt aanbevolen mycofenolaat-mofetil niet gelijktijdig met azathioprine toe te dienen omdat een dergelijke combinatie niet is onderzocht.
De baten/risico-verhouding van mycofenolaat-mofetil in combinatie met sirolimus is niet vastgesteld (zie ook rubriek 4.5).
Controle van de therapeutische concentraties
Controle van de therapeutische concentraties van MPA kan wenselijk zijn als er naar een andere combinatietherapie wordt overgestapt (bijv. van ciclosporine naar tacrolimus of vice versa) of om adequate immuunsuppressie te waarborgen bij patiënten met een hoog immunologisch risico (bijv. risico van afstoting, behandeling met antibiotica, het toevoegen of staken van geneesmiddelen die een interactie aangaan).
Speciale populaties
Pediatrische patiënten
Zeer beperkte post-marketing informatie duidt op een hogere frequentie van de volgende bijwerkingen bij patiënten jonger dan 6 jaar in vergelijking met oudere patiënten:
- lymfomen en andere maligniteiten, met name van post-transplantatie lymfoproliferatieve aandoening bij harttransplantatiepatiënten.
- bloed- en lymfestelselaandoeningen, waaronder anemie en neutropenie bij harttransplantatie- patiënten. Dit geldt voor kinderen jonger dan 6 jaar in vergelijking met oudere patiënten en in vergelijking met pediatrische lever-/niertransplantatiepatiënten.
- Bij patiënten die mycofenolaatmofetil krijgen toegediend, moet eenmaal per week gedurende de eerste maand het complete bloedbeeld worden bepaald, vervolgens twee keer per maand gedurende de tweede en derde maand van de behandeling en daarna maandelijks gedurende het eerste jaar. Indien neutropenie ontstaat, kan het nodig zijn om de behandeling met mycofenolaatmofetil te onderbreken of te staken.
- Maagdarmstelselaandoeningen, waaronder diarree en braken. Voorzichtigheid is geboden bij de behandeling van patiënten met een ernstige, actieve ziekte van het spijsverteringsstelsel.
Ouderen
Oudere patiënten kunnen een verhoogd risico hebben op bijwerkingen zoals bepaalde infecties (waaronder weefselinvasieve cytomegalovirusinfectie) en mogelijk gastro-intestinale bloedingen en pulmonair oedeem, vergeleken met jongere personen (zie rubriek 4.8).
Teratogene effecten
Bij mensen heeft mycofenolaat krachtige teratogene effecten. Spontane abortus (incidentie 45% tot 49%) en congenitale misvormingen (geschatte incidentie 23% tot 27%) zijn gemeld na blootstelling aan mycofenolaatmofetil tijdens de zwangerschap. Daarom is de behandeling gecontra-indiceerd tijdens de zwangerschap, tenzij er geen geschikte alternatieve behandelingen zijn om transplantaatafstoting te voorkomen. Vrouwelijke patiënten in de vruchtbare leeftijd moeten worden gewezen op de risico’s en moeten de in rubriek 4.6 beschreven aanbevelingen (waaronder anticonceptiemethoden, zwangerschapstesten) volgen zowel vóór, tijdens als na de behandeling met mycofenolaat-mofetil. Artsen moeten ervoor zorgen dat vrouwen die mycofenolaat gebruiken zowel het risico op schadelijke effecten voor de baby begrijpen, alsook de noodzaak van effectieve anticonceptie en de noodzaak om onmiddellijk contact op te nemen met hun arts bij een mogelijke zwangerschap.
Anticonceptie (zie rubriek 4.6)
Vanwege het duidelijke klinische bewijs dat het gebruik van mycofenolaatmofetil tijdens de zwangerschap een groot risico inhoudt op spontane abortus en congenitale misvormingen, moet tijdens de behandeling alles in het werk worden gesteld om zwangerschap te voorkomen. Daarom moeten vrouwen in de vruchtbare leeftijd tenminste één betrouwbare vorm van anticonceptie gebruiken (zie rubriek 4.3) vóór, tijdens en gedurende zes weken na beëindiging van de behandeling met Mycofenolaat Mofetil Accord, tenzij onthouding de gekozen vorm van anticonceptie is. Het verdient de voorkeur om twee vormen van anticonceptie tegelijkertijd te gebruiken om de kans op falen van de anticonceptie en onbedoelde zwangerschap te minimaliseren.
Zie rubriek 4.6 voor anticonceptie-adviezen voor mannen.
Educatief materiaal
Om patiënten te helpen blootstelling van de foetus aan mycofenolaatmofetil te vermijden en om verdere belangrijke informatie te verschaffen, zal de registratiehouder educatief materiaal verstrekken aan artsen. Het educatief materiaal zal de waarschuwingen over teratogeniciteit van mycofenolaatmofetil benadrukken, advies verstrekken over anticonceptie voordat de behandeling is gestart en richtlijnen geven over de noodzaak van zwangerschapstesten. Volledige patiënteninformatie over teratogene risico’s en maatregelen voor het voorkomen van zwangerschap moeten door de arts aan vruchtbare vrouwen worden gegeven en, indien nodig, aan mannelijke patiënten.
Aanvullende voorzorgsmaatregelen
Patiënten mogen geen bloed doneren tijdens de behandeling of tot ten minste 6 weken na het stoppen met mycofenolaat. Mannen mogen geen sperma doneren tijdens de behandeling of gedurende 90 dagen na het stoppen met mycofenolaat.
Natrium
Dit geneesmiddel bevat minder dan 1 mmol natrium (23 mg) per capsule, dat wil zeggen dat het in wezen ‘natriumvrij’ is.
4.5 Interactie met andere geneesmiddelen en andere vormen van interactie
Aciclovir
Bij co-medicatie van mycofenolaatmofetil en aciclovir zijn hogere aciclovirplasmaconcentraties waargenomen dan werden gezien bij de toediening van aciclovir afzonderlijk. De veranderingen in de farmacokinetische eigenschappen van MPAG (de fenolglucuronide van MPA) (MAPG toegenomen met 8 %) waren minimaal en worden niet als klinisch relevant beschouwd.
Omdat zowel de MPAG-plasmaconcentratie als de aciclovirconcentratie verhoogd is bij nierfunctiestoornis bestaat de mogelijkheid dat mycofenolaatmofetil en aciclovir of de prodrugs ervan, bijv. valaciclovir, elkaar beconcurreren wat betreft tubulaire uitscheiding, waardoor verdere stijgingen van de concentraties van beide middelen kunnen optreden.
Antacida en protonpompremmers (PPI’s)
Een verminderde blootstelling aan MPA is waargenomen wanneer antacida, zoals magnesium- en aluminiumhydroxides, en PPI’s, waaronder lansoprazol en pantoprazol, samen werden toegediend met mycofenolaatmofetil. Wanneer het percentage transplantaatafstotingen of transplantaatverliezen werd vergeleken tussen mycofenolaatmofetil-patiënten die PPI’s gebruikten ten opzichte van mycofenolaatmofetil-patiënten die geen PPI’s gebruikten, werden geen significante verschillen gezien. Deze gegevens ondersteunen de extrapolatie van deze bevinding naar alle antacida, omdat de reductie in de blootstelling aanzienlijk minder is wanneer mycofenolaatmofetil tegelijk wordt toegediend met magnesium- en aluminiumhydroxides dan wanneer mycofenolaatmofetil tegelijk wordt toegediend met PPI’s.
Geneesmiddelen die de enterohepatische kringloop beïnvloeden (bijv. cholestyramine, ciclosporine A, antibiotica)
Voorzichtigheid dient betracht te worden bij geneesmiddelen die invloed hebben op de enterohepatische kringloop, vanwege een mogelijk verminderde werkzaamheid van mycofenolaatmofetil.
Colestyramine
Na toediening van een enkelvoudige dosis mycofenolaatmofetil van 1,5 g aan normale gezonde vrijwilligers, die waren voorbehandeld met driemaal daags 4 g colestyramine gedurende 4 dagen, trad er een 40 % reductie van de AUC van MPA op. (Zie rubriek 4.4 en rubriek 5.2.) Er dient voorzichtigheid betracht te worden tijdens co-medicatie vanwege een mogelijk verminderde werkzaamheid van mycofenolaatmofetil.
Ciclosporine A
De farmacokinetiek van ciclosporine A (CsA) werd niet beïnvloed door mycofenolaatmofetil.
Als de gelijktijdige behandeling met CsA daarentegen wordt beëindigd, kan een verhoging van MPA AUC van zo’n 30 % worden verwacht. CsA interfereert met de enterohepatische recirculatie van MPA, wat resulteert in een verminderde blootstelling aan MPA met 30-50% bij niertransplantatiepatiënten behandeld met mycofenolaat-mofetil en CsA in vergelijking met patiënten die sirolimus of belatacept en vergelijkbare doses mycofenolaat-mofetil kregen (zie ook rubriek 4.4). Omgekeerd moeten veranderingen in de blootstelling aan MPA worden verwacht wanneer patiënten worden overgezet van CsA naar een van de immunosuppressiva die niet met de enterohepatische cyclus van MPA interfereren.
Antibiotica die β-glucuronidase-producerende bacteriën in het darmkanaal elimineren (bijv. aminoglycoside-, cefalosporine-, fluoroquinolon- en penicilline-antibiotica) kunnen interfereren met de enterohepatische recirculatie van MPAG/MPA, met een verminderde systemische blootstelling aan MPA tot gevolg. Informatie over de volgende antibiotica is beschikbaar:
Ciprofloxacine of amoxicilline met clavulaanzuur
In de dagen onmiddellijk na de start van orale ciprofloxacine of amoxicilline met clavulaanzuur is een afname van de dalspiegel MPA van ongeveer 50% gemeld bij niertransplantatiepatiënten. Dit effect leek te verminderen bij voortzetting van het antibioticumgebruik en verdween binnen een paar dagen na het staken van het antibioticumgebruik. De verandering van dalspiegels is geen accurate weergave van veranderingen in de totale blootstelling aan MPA. Daarom is bij afwezigheid van klinisch bewijs van transplantaatdysfunctie een aanpassing van de dosering van mycofenolaat-mofetil normaal gesproken niet noodzakelijk. Nauwlettende klinische controle dient echter plaats te vinden tijdens en vlak na de antibioticumbehandeling.
Norfloxacine en metronidazol
Bij gezonde vrijwilligers werd geen significante interactie gezien wanneer mycofenolaat-mofetil gelijktijdig werd gebruikt met norfloxacine danwel metronidazol. Echter, de combinatie van norfloxacine en metronidazol verlaagde de blootstelling aan MPA met ongeveer 30% na een enkelvoudige dosis mycofenolaat-mofetil.
Trimethoprim/sulfamethoxazol
Er is geen invloed op de biologische beschikbaarheid van MPA waargenomen.
Geneesmiddelen die glucuronidering beïnvloeden (bijv. isavuconazol, telmisartan)
Gelijktijdige toediening van geneesmiddelen die de glucuronidering van MPA beïnvloeden kan de blootstelling aan MPA veranderen. Daarom is voorzichtigheid geboden wanneer deze geneesmiddelen gelijktijdig met mycofenolaat-mofetil toegediend worden.
Isavuconazol
Een verhoging van 35% van de MPA-blootstelling (AUC0-∞) werd gezien bij gelijktijdig gebruik van isavuconazol.
Telmisartan
Gelijktijdige toediening van telmisartan en mycofenolaat-mofetil resulteerde in een verlaging van ongeveer 30% in de concentratie MPA. Telmisartan verandert de eliminatie van MPA door de expressie van PPAR gamma (peroxisoomproliferatorgeactiveerde receptor gamma) te verhogen, wat vervolgens resulteert in een verhoogde expressie en -activiteit van uridinedifosfaatglucuronyltransferase-isovorm 1A9 (UGT1A9). Wanneer het percentage transplantaatafstotingen, het percentage transplantaatverliezen of de bijwerkingenprofielen werden vergeleken tussen patiënten die mycofenolaat-mofetil gelijktijdig met of zonder telmisartan gebruiken, werden er geen klinische consequenties gezien van deze farmacokinetische geneesmiddelinteractie.
Ganciclovir
Op grond van de resultaten uit een onderzoek met een enkelvoudige toediening van de aanbevolen doses van oraal mycofenolaatmofetil en intraveneus ganciclovir en van de bekende effecten van nierinsufficiëntie op de farmacokinetiek van mycofenolaatmofetil (zie rubriek 4.2) en ganciclovir, kan worden verwacht dat de gecombineerde toediening van deze middelen (die competitief zijn voor renale tubulaire uitscheidingsmechanismen) zal leiden tot een toename van de concentratie van MPAG en ganciclovir. Een wezenlijke verandering van de farmacokinetiek van MPA wordt niet verwacht en aanpassing van de dosis van mycofenolaatmofetil is niet vereist. Bij patiënten met nierinsufficiëntie, aan wie mycofenolaatmofetil en ganciclovir of de prodrugs ervan, bijv. valganciclovir, samen worden toegediend, dienen de aanbevelingen voor de dosis van ganciclovir in acht te worden genomen en de patiënten dienen nauwkeurig te worden gevolgd.
Orale contraceptiva
De farmacodynamiek en de farmacokinetiek van orale contraceptiva werden niet in een klinisch relevante mate beïnvloed door gelijktijdige toediening van mycofenolaatmofetil (zie ook rubriek 5.2).
Rifampicine
Bij patiënten die niet gelijktijdig behandeld werden met ciclosporine, had gelijktijdige toediening van mycofenolaatmofetil en rifampicine een verlaging van MPA-blootstelling (AUC0-12u) van 18 tot 70 % tot gevolg. Bij gelijktijdige toediening met rifampicine wordt aanbevolen om de MPA-blootstellingsniveaus te bewaken en de dosering van mycofenolaatmofetil dienovereenkomstig aan te passen om de klinische efficiëntie te handhaven.
Sevelamer
Bij gelijktijdige toediening van mycofenolaatmofetil en sevelamer werd een vermindering van MPA Cmax van 30 % en van AUC0-12u van 25 % waargenomen, zonder dat dit klinische gevolgen had (bijv. afstoting van de graft). Het verdient echter aanbeveling om mycofenolaatmofetil minstens één uur voor of drie uur na sevelamer toe te dienen om de invloed op de absorptie van MPA te minimaliseren. Over de wisselwerking van mycofenolaatmofetil met andere fosfaatbinders dan sevelamer zijn geen gegevens bekend.
Tacrolimus
Bij levertransplantatiepatiënten bij wie de behandeling met mycofenolaatmofetil en tacrolimus werd ingesteld, werden de AUC en Cmax van MPA, de actieve metaboliet van mycofenolaatmofetil, niet significant beïnvloed bij gelijktijdige toediening van tacrolimus. Als levertransplantatiepatiënten die met tacrolimus behandeld werden daarentegen meerdere doses mycofenolaatmofetil (1,5 g tweemaal daags, ’s morgens en ‘s avonds) toegediend kregen, werd er een verhoging van ongeveer 20 % in tacrolimus AUC waargenomen. Bij niertransplantatiepatiënten leek de plasmaconcentratie van tacrolimus niet te worden beïnvloed door mycofenolaatmofetil (zie ook rubriek 4.4).
Levend vaccin
Levend vaccin dient niet aan patiënten met een verminderde immuunrespons te worden toegediend. De antilichaamreactie op andere vaccins kan afnemen (zie rubriek 4.4).
Pediatrische patiënten
Interactiestudies zijn alleen bij volwassenen uitgevoerd.
Mogelijke interacties
Bij gelijktijdige toediening van probenecide en mycofenolaatmofetil bij apen is de AUC van MPAG driemaal verhoogd. Andere stoffen die in de niertubuli worden uitgescheiden kunnen derhalve concurreren met MPAG en daardoor kunnen de plasmaconcentraties van MPAG of van deze andere stoffen worden verhoogd.
4.6 Vruchtbaarheid, zwangerschap en borstvoeding
Vrouwen in de vruchtbare leeftijd
Tijdens de behandeling met mycofenolaatmofetil moet zwangerschap worden voorkomen. Daarom moeten vrouwen in de vruchtbare leeftijd tenminste één betrouwbare vorm van anticonceptie gebruiken (zie rubriek 4.3) vóór, tijdens en gedurende zes weken na beëindiging van de behandeling, tenzij onthouding de gekozen vorm van anticonceptie is. Het verdient de voorkeur om twee vormen van anticonceptie tegelijkertijd te gebruiken.
Zwangerschap
Mycofenolaatmofetil is gecontra-indiceerd tijdens de zwangerschap, tenzij er geen geschikte alternatievebehandeling is om transplantaatafstoting te voorkomen. De behandeling mag niet gestart worden zonder een negatieve uitslag van een zwangerschapstest om onopzettelijk gebruik tijdens de zwangerschap uit te sluiten (zie rubriek 4.3).
Vruchtbare vrouwelijke patiënten moeten worden gewezen op het toegenomen risico van zwangerschapsafbreking en congenitale misvormingen bij het begin van de behandeling en moeten voorlichting krijgen over zwangerschapspreventie en -planning.
Vóór het starten van de behandeling moeten vruchtbare vrouwen twee serum- of urine-zwangerschapstesten met een gevoeligheid van ten minste 25 mIE/ml ondergaan om onopzettelijke blootstelling van een embryo aan mycofenolaat uit te sluiten. Aanbevolen wordt om de tweede test 8 – 10 dagen na de eerste test uit te voeren. Als het bij transplantaten van overleden donors niet mogelijk is om vóór het begin van de behandeling twee tests te doen met een tussenpoos van 8-10 dagen (vanwege het tijdstip dat het te transplanteren orgaan beschikbaar wordt), moet onmiddellijk voor de start van de behandeling een zwangerschapstest worden uitgevoerd, gevolg door een tweede test 8-10 dagen later. Zwangerschapstesten moeten herhaald worden indien klinisch geïndiceerd (bijv. bij vermelding van een onderbreking in het gebruik van anticonceptie). De resultaten van alle zwangerschapstesten moeten besproken worden met de patiënt. Patiënten moeten de instructie krijgen onmiddellijk hun arts te raadplegen in geval van zwangerschap.
Bij mensen heeft mycofenolaat krachtige teratogene effecten, met een verhoogd risico op spontane abortus en congenitale misvormingen bij blootstelling tijdens de zwangerschap:
- Spontane abortus is gemeld bij 45-49% van de zwangere vrouwen die blootgesteld werden aan mycofenolaatmofetil, vergeleken met een gemelde incidentie van 12-33% bij patiënten die een orgaantransplantatie hadden ondergaan en die behandeld werden met immunosuppressiva anders dan mycofenolaat-mofetil.
- Meldingen in de literatuur laten zien dat misvormingen voorkwamen bij 23 tot 27% van de levendgeborenen na blootstelling van vrouwen aan mycofenolaat-mofetil tijdens de zwangerschap (vergeleken met 2 tot 3% bij levendgeborenen in de algemene populatie en circa 4 tot 5% bij de levendgeborenen van patiënten die een orgaantransplantatie hadden ondergaan en die behandeld werden met immunosuppressiva anders dan mycofenolaat-mofetil).
Na het op de markt brengen zijn congenitale misvormingen, inclusief meerdere misvormingen, waargenomen bij kinderen van patiënten die tijdens de zwangerschap blootgesteld zijn aan mycofenolaat in combinatie met andere immunosuppressiva. De volgende misvormingen zijn het meest gemeld:
- Afwijkingen van het oor (bijv. afwijkend gevormd of niet aanwezig uitwendig oor), atresie van de uitwendige gehoorgang (middenoor);
- Aangezichtsmisvormingen zoals hazenlip, gespleten verhemelte, micrognathia en hypertelorisme van de oogkassen;
- Afwijkingen van het oog (bijv. coloboma);
- Congenitale hartaandoeningen zoals atriale en ventriculaire septumdefecten;
- Misvormingen van de vingers (bijv. polydactylie, syndactylie);
- Tracheo-oesofageale misvormingen (bijv. slokdarmatresie);
- Misvormingen van het zenuwstelsel zoals spina bifida;
- Nierafwijkingen
Tevens zijn er incidenteel meldingen gedaan van de volgende misvormingen:
- Microftalmie;
- Congenitale choroïdplexuscyste;
- Agenesie van het septum pellucidum;
- Agenesie van de reukzenuw.
Uit experimenteel onderzoek bij dieren is reproductietoxiciteit gebleken (zie rubriek 5.3).
Borstvoeding
Beperkte gegevens tonen aan dat mycofenolzuur wordt uitgescheiden in de moedermelk. Vanwege de mogelijkheid van ernstige bijwerkingen door mycofenolzuur bij kinderen die borstvoeding krijgen, is de behandeling gecontra-indiceerd bij vrouwen die borstvoeding geven (zie rubriek 4.3).
Mannen
De beperkte beschikbare klinische gegevens wijzen niet op een verhoogd risico op congenitale misvormingen of spontane abortus na paternale blootstelling aan mycofenolaatmofetil.
Mycofenolzuur is een krachtig teratogeen. Het is niet bekend of mycofenolzuur aanwezig is in het semen. Uit berekeningen op basis van gegevens uit dieronderzoek blijkt dat de maximale hoeveelheid mycofenolzuur die potentieel aan een vrouw kan worden doorgegeven zo laag is, dat het onwaarschijnlijk is dat dit enig effect heeft. In dierstudies is mycofenolaat genotoxisch gebleken in concentraties die slechts iets boven de therapeutische blootstelling bij mensen lag. Derhalve kan het risico op genotoxische effecten op spermacellen niet volledig worden uitgesloten.
Daarom worden de volgende voorzorgsmaatregelen aanbevolen: Het wordt aanbevolen dat seksueel actieve mannen of hun vrouwelijke partners betrouwbare anticonceptie gebruiken tijdens de behandeling van de mannelijke patiënt en gedurende ten minste 90 dagen na de beëindiging van de behandeling met mycofenolaatmofetil. Vruchtbare mannelijke patiënten moeten worden gewezen op het feit dat het verwekken van een kind potentiële risico’s met zich meebrengt en deze risico’s met een medische zorgverlener bespreken.
Vruchtbaarheid
Mycofenolaatmofetil had geen effect op de vruchtbaarheid van mannelijke ratten bij orale doses tot 20 mg/kg/dag. De systemische blootstelling bij deze dosis komt overeen met 2 – 3 maal de klinische blootstelling bij de aanbevolen klinische dosis van 2 g/dag bij niertransplantatie- patiënten en met 1,3 – 2 maal de klinische blootstelling bij de aanbevolen klinische dosis van 3 g/dag bij harttransplantatiepatiënten.
In een onderzoek naar de vrouwelijke vruchtbaarheid en voortplanting bij ratten veroorzaakten orale doses van 4,5 mg/kg/dag misvormingen (inclusief anoftalmie, agnathie en hydrocefalie) in de eerste generatie nakomelingen in afwezigheid van toxiciteit bij het moederdier. De systemische blootstelling bij deze dosis was ongeveer 0,5 maal de klinische blootstelling bij de aanbevolen klinische dosis van 2 g/dag bij niertransplantatiepatiënten en ongeveer 0,3 maal de klinische blootstelling bij de aanbevolen klinische dosis van 3 g/dag bij harttransplantatiepatiënten. Er was geen duidelijk effect op vruchtbaarheids- of voortplantingsparameters bij de moederdieren noch bij de volgende generatie.
4.7 Beïnvloeding van de rijvaardigheid en het vermogen om machines te bedienen
Mycofenolaatmofetil heeft een matige invloed op de rijvaardigheid en op het vermogen om machines te bedienen.
De behandeling kan slaperigheid, verwarring, duizeligheid, tremors of hypotensie veroorzaken en daarom moet patiënten worden geadviseerd voorzichtig te zijn bij het rijden of bedienen van machines.
4.8 Bijwerkingen
Samenvatting van het veiligheidsprofiel
Diarree (tot 52,6 %), leukopenie (tot 45,8%), bacteriële infecties (tot 39,9 %) en braken (tot 39,1 %) waren enkele van de meest voorkomende en/of meest ernstige bijwerkingen die in verband werden gebracht met het gebruik van mycofenolaatmofetil in combinatie met ciclosporine en corticosteroïden. Er zijn ook aanwijzingen voor een verhoogde frequentie van bepaalde soorten infecties (zie rubriek 4.4).
Lijst van bijwerkingen in tabelvorm
De bijwerkingen van de klinische onderzoeken en sinds het in de handel brengen worden per MedDRA-systeem/orgaanklasse met corresponderende frequenties vermeld in tabel 1. De corresponderende frequentiecategorieën voor elke bijwerking zijn gebaseerd op de volgende conventie: zeer vaak (≥1/10), vaak (≥1/100, <1/10), soms (≥1/1000, <1/100), zelden (≥1/10.000, <1/1000), zeer zelden (<1/10.000) en niet bekend (kan met de beschikbare gegevens niet worden bepaald). Gezien de grote verschillen in de frequenties van bepaalde bijwerkingen tussen de verschillende transplantatie-indicaties worden de frequenties voor nier-, lever- en harttransplantatiepatiënten apart weergegeven.
Tabel 1 Bijwerkingen in onderzoeken naar de behandeling met mycofenolaatmofetil bij volwassenen en jongeren tot 18 jaar, of door geneesmiddelenbewaking sinds het in de handel brengen
| Bijwerkingen | Nier-transplantatie | Lever-transplantatie | Hart-transplantatie |
|---|---|---|---|
| Bijwerkingen | Nier-transplantatie | Lever-transplantatie | Hart-transplantatie |
| Bijwerkingen | Nier-transplantatie | Lever-transplantatie | Hart-transplantatie |
| MedDRA-systeem-orgaanklasse | Frequentie | Frequentie | Frequentie |
| Infecties en parasitaire aandoeningen | |||
| Bacteriële infecties | Zeer vaak | Zeer vaak | Zeer vaak |
| Schimmelinfecties | Vaak | Zeer vaak | Zeer vaak |
| Protozoaire infecties | Soms | Soms | Soms |
| Virale infecties | Zeer vaak | Zeer vaak | Zeer vaak |
| Neoplasmata, benigne, maligne en niet-gespecificeerd (inclusief cysten en poliepen) | |||
| Benigne neoplasmata van de huid | Vaak | Vaak | Vaak |
| Lymfoom | Soms | Soms | Soms |
| Lymfoproliveratieve aandoeningen | Soms | Soms | Soms |
| Neoplasma | Vaak | Vaak | Vaak |
| Huidkanker | Vaak | Soms | Vaak |
| Bloed- en lymfestelselaandoeningen | |||
| Anemie | Zeer vaak | Zeer vaak | Zeer vaak |
| Pure Red Cell Aplasia (PRCA) | Soms | Soms | Soms |
| Beenmergfalen | Soms | Soms | Soms |
| Ecchymose | Vaak | Vaak | Zeer vaak |
| Leukocytose | Vaak | Zeer vaak | Zeer vaak |
| Leukopenie | Zeer vaak | Zeer vaak | Zeer vaak |
| Pancytopenie | Vaak | Vaak | Soms |
| Pseudolymfoom | Soms | Soms | Vaak |
| Trombocytopenie | Vaak | Zeer vaak | Zeer vaak |
| Voedings- en stofwisselingsstoornissen | |||
| Acidose | Vaak | Vaak | Zeer vaak |
| Hypercholesterolemie | Zeer vaak | Vaak | Zeer vaak |
| Hyperglykemie | Vaak | Zeer vaak | Zeer vaak |
| Hyperkaliëmie | Vaak | Zeer vaak | Zeer vaak |
| Hyperlipidemie | Vaak | Vaak | Zeer vaak |
| Hypocalciëmie | Vaak | Zeer vaak | Vaak |
| Hypokaliëmie | Vaak | Zeer vaak | Zeer vaak |
| Hypomagnesiëmie | Vaak | Zeer vaak | Zeer vaak |
| Hypofosfatemie | Zeer vaak | Zeer vaak | Vaak |
| Hyperurikemie | Vaak | Vaak | Zeer vaak |
| Jicht | Vaak | Vaak | Zeer vaak |
| Gewichtsafname | Vaak | Vaak | Vaak |
| Psychische stoornissen | |||
| Verwarde toestand | Vaak | Zeer vaak | Zeer vaak |
| Depressie | Vaak | Zeer vaak | Zeer vaak |
| Slapeloosheid | Vaak | Zeer vaak | Zeer vaak |
| Agitatie | Soms | Vaak | Zeer vaak |
| Angst | Vaak | Zeer vaak | Zeer vaak |
| Abnormaal denken | Soms | Vaak | Vaak |
| Zenuwstelselaandoeningen | |||
| Duizeligheid | Vaak | Zeer vaak | Zeer vaak |
| Hoofdpijn | Zeer vaak | Zeer vaak | Zeer vaak |
| Hypertonie | Vaak | Vaak | Zeer vaak |
| Paresthesie | Vaak | Zeer vaak | Zeer vaak |
| Slaperigheid | Vaak | Vaak | Zeer vaak |
| Tremor | Vaak | Zeer vaak | Zeer vaak |
| Convulsie | Vaak | Vaak | Vaak |
| Dysgeusie | Soms | Soms | Vaak |
| Hartaandoeningen | |||
| Tachycardie | Vaak | Zeer vaak | Zeer vaak |
| Bloedvataandoeningen | |||
| Hypertensie | Zeer vaak | Zeer vaak | Zeer vaak |
| Hypotensie | Vaak | Zeer vaak | Zeer vaak |
| Lymfokèle | Soms | Soms | Soms |
| Veneuze trombose | Vaak | Vaak | Vaak |
| Vasodilatatie | Vaak | Vaak | Zeer vaak |
| Ademhalingsstelsel-, borstkas- en mediastinumaandoeningen | |||
| Bronchiëctasie | Soms | Soms | Soms |
| Hoest | Zeer vaak | Zeer vaak | Zeer vaak |
| Dyspneu | Zeer vaak | Zeer vaak | Zeer vaak |
| Interstitiële longziekte | Soms | Zeer zelden | Zeer zelden |
| Pleurale effusie | Vaak | Zeer vaak | Zeer vaak |
| Longfibrose | Zeer zelden | Soms | Soms |
| Maagdarmstelselaandoeningen | |||
| Abdominale distensie | Vaak | Zeer vaak | Vaak |
| Abdominale pijn | Zeer vaak | Zeer vaak | Zeer vaak |
| Colitis | Vaak | Vaak | Vaak |
| Constipatie | Zeer vaak | Zeer vaak | Zeer vaak |
| Verminderde eetlust | Vaak | Zeer vaak | Zeer vaak |
| Diarree | Zeer vaak | Zeer vaak | Zeer vaak |
| Dyspepsie | Zeer vaak | Zeer vaak | Zeer vaak |
| Oesofagitis | Vaak | Vaak | Vaak |
| Oprisping | Soms | Soms | Vaak |
| Flatulentie | Vaak | Zeer vaak | Zeer vaak |
| Gastritis | Vaak | Vaak | Vaak |
| Gastro-intestinale bloeding | Vaak | Vaak | Vaak |
| Gastro-intestinale zweer | Vaak | Vaak | Vaak |
| Tandvleeshyperplasie | Vaak | Vaak | Vaak |
| Ileus | Vaak | Vaak | Vaak |
| Mondulceratie | Vaak | Vaak | Vaak |
| Nausea | Zeer vaak | Zeer vaak | Zeer vaak |
| Pancreatitis | Soms | Vaak | Soms |
| Stomatitis | Vaak | Vaak | Vaak |
| Braken | Zeer vaak | Zeer vaak | Zeer vaak |
| Immuunsysteemaandoeningen | |||
| Overgevoeligheid | Soms | Vaak | Vaak |
| Hypogammaglobulinemie | Soms | Zeer zelden | Zeer zelden |
| Anafylactische reacties | Niet bekend | Niet bekend | Niet bekend |
| Lever- en galaandoeningen | |||
| Verhoogd alkalische fosfatase in bloed | Vaak | Vaak | Vaak |
| Verhoogd lactaatdehydrogenase in bloed | Vaak | Soms | Zeer vaak |
| Verhoogde leverenzymen | Vaak | Zeer vaak | Zeer vaak |
| Hepatitis | Vaak | Zeer vaak | Soms |
| Hyperbilirubinemie | Vaak | Zeer vaak | Zeer vaak |
| Geelzucht | Soms | Vaak | Vaak |
| Huid- en onderhuidaandoeningen | |||
| Acne | Vaak | Vaak | Zeer vaak |
| Alopecia | Vaak | Vaak | Vaak |
| Rash | Vaak | Zeer vaak | Zeer vaak |
| Huidhypertrofie | Vaak | Vaak | Zeer vaak |
| Skeletspierstelsel- en bindweefselaandoeningen | |||
| Artralgie | Vaak | Vaak | Zeer vaak |
| Spierzwakte | Vaak | Vaak | Zeer vaak |
| Nier- en urinewegaandoeningen | |||
| Verhoogd creatinine in bloed | Vaak | Zeer vaak | Zeer vaak |
| Verhoogd ureum in bloed | Soms | Zeer vaak | Zeer vaak |
| Hematurie | Zeer vaak | Vaak | Vaak |
| Verminderde nierfunctie | Vaak | Zeer vaak | Zeer vaak |
| Algemene aandoeningen en toedieningsplaatsstoornissen | |||
| Asthenie | Zeer vaak | Zeer vaak | Zeer vaak |
| Rillingen | Vaak | Zeer vaak | Zeer vaak |
| Oedeem | Zeer vaak | Zeer vaak | Zeer vaak |
| Hernia | Vaak | Zeer vaak | Zeer vaak |
| Malaise | Vaak | Vaak | Vaak |
| Pijn | Vaak | Zeer vaak | Zeer vaak |
| Pyrexie | Zeer vaak | Zeer vaak | Zeer vaak |
| de novo purine synthesis inhibitors associated acute inflammatory syndrome | Soms | Soms | Soms |
Beschrijving van geselecteerde bijwerkingen
Maligniteiten
Bij patiënten die immunosuppressieve behandelingen ondergaan, waarbij een combinatie van geneesmiddelen is betrokken waaronder mycofenolaatmofetil, bestaat een toegenomen risico van lymfomen en andere maligniteiten, vooral van de huid (zie rubriek 4.4). Vergeleken met de gegevens over 1 jaar lieten de veiligheidsgegevens over 3 jaar bij nier- en harttransplantatiepatiënten geen onverwachte veranderingen zien in de incidentie van maligniteiten. Levertransplantatiepatiënten werden ten minste gedurende 1 jaar maar minder dan 3 jaar gevolgd.
Infecties
Alle patiënten die met immunosuppressiva worden behandeld hebben een verhoogd risico op bacteriële, virale en schimmelinfecties (waarvan sommige een fatale afloop kunnen hebben), waaronder infecties veroorzaakt door opportunistische agentia en reactivatie van latente virussen. Het risico neemt toe met de totale immunosuppressieve belasting (zie rubriek 4.4). De meest ernstige infecties waren sepsis, peritonitis, meningitis, endocarditis, tuberculose en atypische mycobacteriële infecties. In vergelijkende klinische studies bij nier-, hart- en levertransplantatiepatiënten die gedurende ten minste 1 jaar werden gevolgd, werd mycofenolaatmofetil toegediend (2 g of 3 g per dag) in combinatie met andere immunosuppressiva; bij deze patiënten waren de meest voorkomende opportunistische infecties candida mucocutaneus, CMV-viremie/syndroom en Herpes simplex. Het aandeel van patiënten met CMV-viremie/syndroom was 13,5%. Gevallen van BK-virus-geassocieerde nefropathie, alsmede gevallen van JC-virus-geassocieerde progressieve multifocale leukoencefalopathie (PML) zijn gemeld bij patiënten die met immunosuppressiva, waaronder mycofenolaatmofetil, behandeld werden.
Bloed- en lymfestelselaandoeningen
Cytopenieën, waaronder leukopenie, anemie, trombocytopenie en pancytopenie, zijn bekende risico’s geassocieerd met mycofenolaat-mofetil en kunnen leiden tot of bijdragen aan het ontstaan van infecties en bloedingen (zie rubriek 4.4). Agranulocytose en neutropenie ziin gemeld, daarom wordt het aangeraden om patiënten die mycofenolaatmofetil krijgen regelmatig te controleren (zie rubriek 4.4). Aplastische anemie en beenmergfalen zijn gemeld bij patiënten die met mycofenolaatmofetil behandeld werden, waarvan sommige een fatale afloop hadden.
Gevallen van Pure Red Cell Aplasia (PRCA) zijn gemeld bij patiënten die met mycofenolaatmofetil werden behandeld (zie rubriek 4.4).
Op zichzelf staande gevallen van morfologisch afwijkende neutrofielen, waaronder verworven PelgerHuët anomalie, zijn waargenomen bij patiënten die met mycofenolaatmofetil werden behandeld. Deze veranderingen werden niet in verband gebracht met een verstoorde neutrofielenfunctie. Deze veranderingen suggereren mogelijk een “left shift” (linksverschuiving) in de rijpheid van neutrofielen bij hematologische onderzoeken, die abusievelijk geïnterpreteerd kan worden als een teken van infectie bij immuungecompromitteerde patiënten, zoals patiënten die mycofenolaatmofetil krijgen.
Maagdarmstelselaandoeningen
De meest ernstige maagdarmstelselaandoeningen waren zweren en bloedingen, welke bekende risico’s zijn die geassocieerd worden met mycofenolaatmofetil. Mond-, slokdarm-, maag-, duodenale en intestinale zweren, vaak verergerd door bloedingen, alsmede hematemese, melena en gastritis en colitis gepaard gaande met bloedingen werden vaak gemeld gedurende de registratieonderzoeken. De meest voorkomende maagdarmstelselaandoeningen waren echter diarree, nausea en braken. Endoscopisch onderzoek bij patiënten met mycofenolaatmofetil-gerelateerde diarree liet op zichzelf staande gevallen van villusatrofie (zie rubriek 4.4)
Overgevoeligheid
Overgevoeligheidsreacties, waaronder angioneurotisch oedeem en anafylactische reactie, zijn gemeld.
Zwangerschap, puerperium en perinatale periode
Gevallen van spontane abortus zijn gemeld bij patiënten die blootgesteld werden aan mycofenolaatmofetil, voornamelijk tijdens het eerste trimester; zie rubriek 4.6.
Congenitale misvormingen
Na het op de markt brengen zijn congenitale misvormingen waargenomen bij kinderen van patiënten die blootgesteld werden aan mycofenolaat in combinatie met andere immunosuppressiva; zie rubriek 4.6.
Ademhalingsstelsel-, borstkas- en mediastinumaandoeningen
Er zijn geïsoleerde meldingen van interstitiële longziekte en longfibrose bij patiënten die met mycofenolaatmofetil werden behandeld in combinatie met andere immunosuppressiva, in sommige gevallen met fatale afloop. Er zijn ook meldingen geweest van bronchiëctasie bij kinderen en volwassenen.
Immuunsysteemaandoeningen
Hypogammaglobulinemie is gemeld bij patiënten die mycofenolaatmofetil kregen in combinatie met andere immunosuppressiva.
Algemene aandoeningen en toedieningsplaatsstoornissen
Oedeem, waaronder perifeer, gezichts- en scrotumoedeem, werden zeer vaak gemeld gedurende de registratrieonderzoeken. Skeletspierpijn zoals myalgie, en nek- en rugpijn werden ook zeer vaak gemeld.
De novo purine synthesis inhibitors associated acute inflammatory syndrome is beschreven op basis van ervaring na het in de handel brengen als een paradoxale pro-inflammatoire reactie geassocieerd met mycofenolaatmofetil en mycofenolzuur, gekenmerkt door koorts, artralgie, artritis, spierpijn en verhoogde inflammatoire markers. Case reports in de literatuur beschreven snelle verbetering na het stoppen met het geneesmiddel.
Speciale populaties
Pediatrische patiënten:
De soort en frequentie van bijwerkingen zijn beoordeeld in een langlopend klinisch onderzoek waaraan 33 pediatrische niertransplantatiepatiënten, in de leeftijd van 3 tot 18 jaar, hebben deelgenomen en die 23 mg/kg mycofenolaatmofetil tweemaal daags oraal kregen toegediend. Over het algemeen was het veiligheidsprofiel bij deze 33 kinderen en jongeren gelijk aan het profiel dat werd waargenomen bij volwassen patiënten die een solide allogeen orgaantransplantaat ontvingen.
Vergelijkbare waarnemingen werden gedaan in een ander klinisch onderzoek, waaraan 100 pediatrische niertransplantatiepatiënten hebben deelgenomen in de leeftijd van 1 tot 18 jaar. De soort en frequentie van de bijwerkingen bij patiënten die 600 mg/m2 tot 1 g/m2 mycofenolaatmofetil tweemaal daags oraal kregen, waren vergelijkbaar met de bijwerkingen waargenomen bij volwassen patiënten die 1 g mycofenolaatmofetil tweemaal daags kregen. Een samenvatting van de bijwerkingen die vaker optreden wordt weergegeven in tabel 2 hieronder:
Tabel 2 Samenvatting van de bijwerkingen die vaker zijn waargenomen in een klinisch onderzoek waarin mycofenolaatmofetil bij 100 pediatrische niertransplantatiepatiënten werd onderzocht (leeftijd/oppervlakte-gebaseerde dosering [600 mg/m2 tot 1 g/m2 tweemaal daags])
Bijwerkingen MedDRA- systeem/orgaanklasse | <6 jaar (n=33) | 6-11 jaar (n=34) | 12-18 jaar (n=33) | |
|---|---|---|---|---|
| Infecties en parasitaire aandoeningen | Zeer vaak (48,5%) | Zeer vaak (44,1%) | Zeer vaak (51,5%) | |
| Bloed- en lymfestelselaandoeningen | ||||
| Leukopenie | Zeer vaak (30,3%) | Zeer vaak (29,4%) | Zeer vaak (12,1%) | |
| Anemie | Zeer vaak (51,5%) | Zeer vaak (32,4%) | Zeer vaak (27,3%) | |
| Maagdarmstelselaandoeningen | ||||
| Diarree | Zeer vaak (87,9%) | Zeer vaak (67,6%) | Zeer vaak (30,3%) | |
| Braken | Zeer vaak (69,7%) | Zeer vaak (44,1%) | Zeer vaak (36,4%) | |
Op basis van beperkte subsetgegevens (d.w.z. 33 van de 100 patiënten) was er een hogere frequentie van ernstige diarree (vaak, 9,1%) en mucocutane candida (zeer vaak, 21,2%) bij kinderen jonger dan 6 jaar, in vergelijking met het oudere pediatrische cohort waarin geen gevallen van ernstige diarree werden gemeld (0,0%) en mucocutane candida vaak werd gemeld (7,5%).
Een analyse van de beschikbare medische literatuur over pediatrische lever- en harttransplantatiepatiënten laat zien dat de soort en frequentie van de gerapporteerde bijwerkingen overeenkomen met die zijn waargenomen bij pediatrische en volwassen patiënten na niertransplantatie.
Zeer beperkte post-marketing informatie duidt op een hogere frequentie van de volgende bijwerkingen bij patiënten jonger dan 6 jaar in vergelijking met oudere patiënten (zie rubriek 4.4):
- lymfomen en andere maligniteiten, met name van post-transplantatie lymfoproliferatieve aandoening bij harttransplantatiepatiënten.
- bloed- en lymfestelselaandoeningen, waaronder anemie en neutropenie bij harttransplantatiepatiënten jonger dan 6 jaar in vergelijking met oudere patiënten en in vergelijking met pediatrische lever-/niertransplantatiepatiënten.
- Maagdarmstelselaandoeningen, waaronder diarree en braken.
Niertransplantatiepatiënten jonger dan 2 jaar hebben mogelijk een hoger risico op infecties en luchtwegaandoeningen in vergelijking met oudere patiënten. Deze gegevens moeten echter met voorzichtigheid worden geïnterpreteerd vanwege een zeer beperkt aantal post-marketing meldingen over meervoudige infecties in dezelfde patiënten.
In het geval van bijwerkingen kan een tijdelijke dosisverlaging of onderbreking als klinisch noodzakelijk worden beschouwd.
Ouderen:
In het algemeen kunnen bejaarde patiënten (≥ 65 jaar) een groter risico lopen van bijwerkingen tengevolge van immunosuppressie. In vergelijking met jongere personen kunnen oudere patiënten die mycofenolaatmofetil krijgen toegediend als onderdeel van een immunossuppressieve combinatietherapie, een verhoogd risico lopen van bepaalde infecties (inclusief weefselinvasieve cytomegalovirusinfectie) en mogelijke gastro-intestinale bloedingen en longoedeem.
Melding van vermoedelijke bijwerkingen
Het is belangrijk om na toelating van het geneesmiddel vermoedelijke bijwerkingen te melden. Op deze wijze kan de verhouding tussen voordelen en risico’s van het geneesmiddel voortdurend worden gevolgd. Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg wordt verzocht alle vermoedelijke bijwerkingen te melden via het Nederlands Bijwerkingen Centrum Lareb Website: www.lareb.nl.
4.9 Overdosering
Overdosering met mycofenolaatmofetil is gemeld tijdens klinische studies en tijdens post-marketing gebruik. In de overgrote meerderheid van deze incidenten werden ofwel geen bijwerkingen gemeld, of kwamen deze overeen met het bekende veiligheidsprofiel van het geneesmiddel en hadden ze een gunstige uitkomst. Geïsoleerde ernstige bijwerkingen werden echter waargenomen gedurende post-marketing gebruik, waaronder een fataal geval.
Het is te verwachten dan een overdosis van mycofenolaatmofetil kan leiden tot overmatige suppressie van het immuunsysteem met toegenomen gevoeligheid voor infecties en beenmergsuppressie (zie rubriek 4.4). Indien neutropenie ontstaat, moet de behandeling met mycofenolaatmofetil onderbroken worden of moet de dosering verlaagd worden (zie rubriek 4.4).
Het valt niet te verwachten dat klinisch significante hoeveelheden MPA of MPAG door hemodialyse worden verwijderd. Galzuur uitscheiding bevorderende stoffen zoals colestyramine kunnen MPA verwijderen door vermindering van de enterohepatische kringloop van het geneesmiddel (zie rubriek 5.2).
5. FARMACOLOGISCHE EIGENSCHAPPEN
5.1 Farmacodynamische eigenschappen
Farmacotherapeutische groep: Immunosuppressieve middelen, ATC-code LO4A A06
Werkingsmechanisme
Mycofenolaatmofetil is de 2-morfolino-ethylester van mycofenolzuur (MPA). MPA is een, selectieve, niet-competitieve en reversibele remmer van inosine-monofosfaatdehydrogenase (IMPDH) en remt daarom de de novo-route van guanosinenucleotidesynthese zonder incorporatie in DNA. Omdat T- en B-lymfocyten sterk afhankelijk zijn voor hun proliferatie van de novo-synthese van purines, terwijl andere celtypes gebruik kunnen maken van de salvage-routes, heeft MPA groter cytostatisch effect op lymfocyten dan op andere cellen.
Naast de remming van IMPDH en de resulterende deprivatie van lymfocyten, heeft MPA ook invloed op cellulaire checkpoints die verantwoordelijk zijn voor metabole programmering van lymfocyten. Met behulp van humane CD4+ T-cellen is aangetoond dat MPA de transcriptieactiviteiten in lymfocyten verschuift van een proliferatieve toestand naar katabole processen die relevant zijn voor metabolisme en overleving, wat leidt tot een anerge toestand van T-cellen waarin de cellen niet meer reageren op hun specifieke antigen.
5.2 Farmacokinetische eigenschappen
Absorptie
Na orale toediening is mycofenolaatmofetil onderhevig aan een snelle en extensieve absorptie en een totaal presystemisch metabolisme tot de werkzame metaboliet MPA. Zoals is gebleken uit de suppressie van de acute afstoting na niertransplantatie, is de immunosuppressieve werking van mycofenolaatmofetil gecorreleerd aan de MPA-concentratie. De gemiddelde biologische beschikbaarheid van oraal mycofenolaatmofetil, gebaseerd op de AUC van MPA is 94 % in verhouding tot mycofenolaatmofetil intraveneus. Voedsel had geen effect op de mate van absorptie (AUC van MPA) van mycofenolaatmofetil bij toediening, tweemaal daags, van doses van 1,5 g aan niertransplantatiepatiënten. De Cmax van MPA was echter 40 % lager in aanwezigheid van voedsel. Mycofenolaatmofetil is na orale toediening systemisch niet meetbaar in het plasma.
Distributie
Door de enterohepatische kringloop worden secundaire verhogingen van de MPA-concentratie in plasma gewoonlijk 6-12 uur na het tijdstip van toediening waargenomen. Het gelijktijdig toedienen van colestyramine (4 g driemaal per dag) gaat samen met een reductie in de AUC van MPA van ongeveer 40 %, wat aangeeft dat er een significante mate van enterohepatische kringloop bestaat.
Bij klinisch relevante concentraties is MPA voor 97 % gebonden aan plasma-albumine.
In de vroege posttransplantatieperiode (< 40 dagen na transplantatie) waren bij nier-, hart- en levertransplantatiepatiënten de gemiddelde MPA-AUC’s ongeveer 30 % lager en de Cmax ongeveer 40 % lager in vergelijking met de late posttransplantatieperiode (3-6 maanden na transplantatie).
Biotransformatie
MPA wordt voornamelijk gemetaboliseerd door glucuronyltransferase (isovorm UGT1A9) tot het fenolglucuronide van MPA (MPAG). In vivo wordt MPAG terug omgezet naar vrij MPA via enterohepatische recirculatie. Er wordt ook een minder belangrijk acylglucoronide (AcMPAG) gevormd. AcMPAG is farmacologisch actief en is mogelijk verantwoordelijk voor sommige van de bijwerkingen van mycofenolaatmofetil (diarree, leukopenie).
Eliminatie
Een te verwaarlozen hoeveelheid van het middel (< 1 % van de dosis) wordt als MPA uitgescheiden in de urine. Bij orale toediening van radio-actief gemerkt mycofenolaatmofetil werd de toegediende volledig dosis teruggevonden: 93 % van de toegediende dosis in de urine en 6 % van de toegediende dosis in de faeces. Het merendeel (ongeveer 87 %) van de toegediende dosis wordt in de urine uitgescheiden als MPAG.
MPA en MPAG worden bij klinisch bereikte concentraties niet verwijderd door hemodialyse. Bij hoge MPAG-plasmaconcentraties (> 100µg/ml) worden echter kleine hoeveelheden MPAG verwijderd. Door de enterohepatische recirculatie van het middel te beïnvloeden, verminderen galzuursequestranten zoals colestyramine de AUC van MPA (zie rubriek 4.9).
De eliminatie van MPA is afhankelijk van verschillende transporters. Organische aniontransporterende polypeptides (OATP’s) en “multidrug resistance-associated protein 2”(MRP2) spelen een rol in de eliminatie van MPA; isovormen van OATP, MRP2 en “breast cancer resistance protein” (BCRP) zijn transporters die in verband worden gebracht met de uitscheiding van de glucuronides in de gal. “Multidrug resistance protein 1”(MDR1) kan MPA ook transporteren, maar de bijdrage hiervan lijkt zich te beperken tot het absorptieproces. In de nier gaan MPA en de metabolieten ervan mogelijk een interactie aan met renale organische aniontransporters.
Enterohepatische recirculatie verstoort de nauwkeurige bepaling van de dispositieparameters van MPA; er kunnen alleen schijnbare waarden worden aangegeven. Bij gezonde vrijwilligers en patiënten met auto-immuunziekte werden benaderende klaringswaarden van respectievelijk 10,6 l/u en 8,27 l/u en halfwaardetijden van 17 u waargenomen. Bij transplantatiepatiënten waren de gemiddelde klaringswaarden hoger (spreiding 11,6-34,9 l/u) en de halfwaardetijden korter (5-11 u), met weinig verschil tussen nier-, lever- of harttransplantatiepatiënten. Bij de individuele patiënten variëren deze eliminatieparameters op basis van het type gelijktijdige behandeling met andere immunosuppressiva, tijd na transplantatie, plasma-albumineconcentratie en nierfunctie. Deze factoren verklaren waarom er een verlaagde blootstelling wordt gezien aan mycofenolaat wanneer mycofenolaatmofetil gelijktijdig met ciclosporine wordt toegediend (zie rubriek 4.5) en waarom de plasmaconcentraties doorgaans in de tijd toenemen in vergelijking met wat er onmiddellijk na transplantatie wordt waargenomen.
Speciale populaties
Verminderde nierfunctie:
Bij een onderzoek van enkelvoudige doses (6 proefpersonen per groep) waren de gemiddelde plasma MPA AUC, waargenomen bij patiënten met een ernstige chronische nierfunctiestoornis (glomerulaire filtratiesnelheid < 25 ml/min/1,73 m-2) 28-75 % hoger dan de gemiddelden bij normale, gezonde personen of bij personen met een geringere nierfunctiestoornis. De gemiddelde enkelvoudige dosis-AUC van MPAG was 3-6 keer hoger bij patiënten met een ernstige nierfunctiestoornis dan bij personen met een milde nierstoornis of bij normale gezonde personen, hetgeen overeenkomt met het bekende excretiepatroon van MPAG door de nieren. Meervoudige dosering van mycofenolaatmofetil bij patiënten met ernstige chronische nierfunctiestoornis is niet onderzocht. Er zijn geen gegevens beschikbaar over hart- of levertransplantatiepatiënten met een ernstige chronisch gestoorde nierfunctie.
Vertraagde niertransplantatiefunctie:
Bij post-transplantatiepatiënten met een vertraagde niertransplantaatfunctie was de gemiddelde MPA-AUC0-12 vergelijkbaar met die bij post-transplantatiepatiënten zonder een vertraagde transplantaatfunctie. De gemiddelde MPAG-AUC0-12 was echter 2 tot 3 maal hoger bij de patiëntn met een vertraagde transplantaatfunctie. Er kan een voorbijgaande toename van de vrije fractie en de concentratie van plasma-MPA voorkomen bij patiënten met een vertraagde niertransplantaatfunctie. Dosisaanpassing van mycofenolaatmofetil lijkt niet noodzakelijk te zijn.
Verminderde leverfunctie:
Bij vrijwilligers met alcoholcirrose werden de hepatische MPA-glucuronidatieprocessen relatief weinig beïnvloed door de leverparenchymziekte. Effecten van een leveraandoening op dit proces hangen waarschijnlijk af van de onderhavige ziekte. Leverziekte met voornamelijk biliaire schade, zoals primaire biliaire cirrose, zou een ander effect kunnen vertonen.
Pediatrische patiënten:
Bij 33 pediatrische patiënten die een allogeen niertransplantaat ontvingen bleek dat de dosis waarvan werd voorspeld dat deze een MPA AUC0-12u zou opleveren die het dichtst bij de beoogde blootstelling van 27,2 u⋅mg/l lag, 600 mg/m2 was en dat doses die werden berekend op basis van het geschatte BSA de interindividuele variabiliteit (variatiecoëfficiënt (CV)) met ongeveer 10% verminderden. Daarom heeft dosering op basis van lichaamsoppervlak de voorkeur boven dosering op basis van lichaamsgewicht.
Farmacokinetische parameters werden geëvalueerd bij maximaal 55 pediatrische niertransplantatiepatiënten (van 1 tot 18 jaar) aan wie 600 mg/m2 tot maximaal 1 g/m2 mycofenolaatmofetil tweemaal daags oraal werd toegediend. De met deze dosis verkregen AUC-waarden van MPA waren gelijk aan die welke werden gezien bij volwassen niertransplantiepatiënten aan wie 1 g mycofenolaatmofetil tweemaal daags in de vroege en late posttransplantatie-periode werd toegediend zoals aangegeven in tabel 3 hieronder. De AUC-waarden van MPA waren over beide pedriatische leeftijdsgroepen gelijk in de vroege en late posttransplantatieperiode.
Aan een open-label onderzoek naar de veiligheid, verdraagbaarheid en farmacokinetiek van oraal mycofenolaatmofetil bij pediatrische levertransplantatiepatiënten die gelijktijdig met ciclosporine en corticosteroïden werden behandeld, hebben 7 evalueerbare patiënten deelgenomen. De voorspelde dosis om een blootstelling van 58 u⋅mg/l in de stabiele post-transplantatieperiode te bereiken werd geschat. De gemiddelde ± SD AUC0-12 (aangepast aan een dosis van 600 mg/m2) was 47,0 ± 21,8 u⋅mg/l, de aangepaste Cmax was 14,5 ± 4,21 mg/l, met een mediane tijd tot een maximale concentratie van 0,75 u. Om de beoogde AUC0-12 van 58 u⋅mg/l in de late post-transplantatieperiode te bereiken, zou daarom in de onderzoekspopulatie een dosis in het bereik van 740 – 806 mg/m2 tweemaal daags nodig zijn geweest.
Een vergelijking van de dosis-genormaliseerde (tot 600 mg/m2) AUC-waarden van MPA bij 12 pediatrische niertransplantatiepatiënten jonger dan 6 jaar op 9 maanden post-transplantatie, met de waarden bij 7 pediatrische levertransplantatiepatiënten [mediane leeftijd 17 maanden (bereik: 10 - 60 maanden bij start deelname)] op 6 maanden en later post-transplantatie, liet zien dat bij dezelfde dosis de AUC-waarden gemiddeld 23% lager waren bij pediatrische leverpatiënten in vergelijking met pediatrische nierpatiënten. Dit is consistent met de hogere doses die nodig zijn bij volwassen levertransplantatiepatiënten ten opzichte van volwassen niertransplantatiepatiënten om dezelfde blootstelling te bewerkstelligen.
Bij volwassen transplantatiepatiënten die dezelfde dosis mycofenolaatmofetil toegediend krijgen, is voor nier- en harttransplantatiepatiënten de blootstelling aan MPA vergelijkbaar. In lijn met de vastgestelde vergelijkbaarheid in blootstelling aan MPA bij pediatrische niertransplantatiepatiënten en volwassen niertransplantatiepatiënten bij hun respectievelijk goedgekeurde doses, maken bestaande gegevens het mogelijk om te concluderen dat de blootstelling aan MPA bij de aanbevolen dosering bij pediatrische harttransplantatiepatiënten en bij volwassen harttransplantatiepatiënten vergelijkbaar zal zijn.
Tabel 3 Gemiddelde berekende PK-parameters van MPA op basis van leeftijd en tijd post-transplantatie (nier)
| Leeftijdsgroep (n) | Aangepaste Cmax mg/lA gemiddelde ± SD | Aangepaste AUC0-12 u⋅mg/l gemiddelde ± SD (CI)A | |||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Dag 7 | |||||||||||
| <6 j | (17) | 13,2±7,16 | 27,4±9,54 (22,8-31,9) | ||||||||
| 6 - <12 j | (16) | 13,1±6,30 | 33,2±12,1 (27,3-39,2) | ||||||||
| 12-18 j | (21) | 11,7±10,7 | 26,3±9,14 (22,3-30,3)D | ||||||||
| p-waardeB | - | - | |||||||||
| <2 jC | (6) | 10,3±5,80 | 22,5±6,68 (17,2-27,8) | ||||||||
| >18 j | (141) | 27,2±11,6 | |||||||||
| Maand 3 | |||||||||||
| <6 j | (15) | 22,7±10,1 | 49,7±18,2 | ||||||||
| 6 - <12 j | (14)E | 27,8±14,3 | 61,9±19,6 | ||||||||
| 12-18 j | (17) | 17,9±9,57 | 53,6±20,2F | ||||||||
| p-waardeB | - | - | |||||||||
| <2 jC | (4) | 23,8±13,4 | 47,4±14,7 | ||||||||
| >18 j | (104) | 50,3±23,1 | |||||||||
| Maand 9 | |||||||||||
| <6 j | (12) | 30,4±9,16 | 60,9±10,7 | ||||||||
| 6 - <12 j | (11) | 29,2±12,6 | 66,8±21,2 | ||||||||
| 12-18 j | (14) | 18,1±7,29 | 56,7±14,0 | ||||||||
| p-waardeB | 0,004 | - | |||||||||
| <2 jC | (4) | 25,6±4,25 | 55,8±11,6 | ||||||||
| >18 j | (70) | 53,5±18,3 | |||||||||
AUC0-12 u =oppervlakte onder de plasmaconcentratie-tijdcurve vanaf tijdstip 0 uur tot tijdstip 12 uur; BI=betrouwbaarheidsinterval; Cmax=maximale concentratie; MPA=mycofenolzuur; SD=standaarddeviatie; n=aantal patiënten; j=jaar.
A In de pediatrische leeftijdsgroepen worden Cmax en AUC0-12 u aangepast tot een dosis van 600 mg/m2 (95% betrouwbaarheidsintervallen (BI’s) alleen voor dag 7 van de AUC0-12 u); in de volwassen groep wordt de AUC0-12 u aangepast tot een dosis van 1 g.
B p-waarde vertegenwoordigt de gecombineerde p-waarde voor de drie belangrijkste pediatrische leeftijdsgroepen en wordt alleen aangegeven indien significant (p < 0,05).
C De groep < 2 jaar is een subgroep van de groep < 6 jaar: er werden geen statistische vergelijkingen gemaakt.
D n = 20.
E Gegevens voor één patiënt waren niet beschikbaar vanwege een fout met een monster.
F n = 16.
Ouderen:
Bij ouderen (≥ 65 jaar) is vergeleken met jongere transplantatiepatiënten geen veranderde farmacokinetiek van mycofenolaatmofetil en de metabolieten ervan waargenomen.
Patiënten die orale contraceptiva gebruiken:
In een studie, uitgevoerd bij 18 vrouwen (die geen transplantatie hadden ondergaan en geen andere immunosuppressiva gebruikten), werd mycofenolaatmofetil (1 g tweemaal daags) gedurende 3 opeenvolgende cycli gelijktijdig toegediend met orale combinatie-contraceptiva die ethinyloestradiol (0,02 mg tot 0,04 mg) en levonorgestrel (0,05 mg tot 0,20 mg), desogestrel (0,15 mg) of gestodeen (0,05 mg tot 0,10 mg) bevatten; er werd geen klinisch relevante invloed van mycofenolaatmofetil op de ovulatie remmende werking van de orale contraceptiva aangetoond. De serumspiegels van het luteïniserend hormoon (LH), follikelstimulerend hormoon (FSH) en progesteron werden niet significant beïnvloed. De farmacokinetiek van orale contraceptiva werd niet in een klinisch relevante mate beïnvloed door gelijktijdige toediening van mycofenolaatmofetil (zie ook rubriek 4.5).
5.3 Gegevens uit het preklinisch veiligheidsonderzoek
In onderzoeksmodellen was mycofenolaatmofetil niet tumorverwekkend. De hoogste dosis in de carcinogeniteitonderzoeken bij dieren resulteerde in ongeveer 2 tot 3 maal de systemische blootstelling (AUC of Cmax) waargenomen bij niertransplantatiepatiënten bij de aanbevolen klinische dosis van 2 g/dag en in 1,3 - 2 maal de systemische blootstelling (AUC of Cmax) waargenomen bij harttransplantatiepatiënten bij de aanbevolen klinische dosis van 3 g/dag.
Twee genotoxiciteitstesten (in vitro de muis lymfoomtest en in vivo de muis beenmerg micronucleustest) wezen op de mogelijkheid dat mycofenolaatmofetil chromosomale afwijkingen kan veroorzaken. Deze effecten kunnen gerelateerd zijn aan de farmacodynamische werkingswijze, d.w.z. remming van nucleotidesynthese in gevoelige cellen. Andere in vitro testen ter bepaling van genmutatie lieten geen genotoxische activiteit zien.
In onderzoeken naar teratologie bij ratten en konijnen trad foetale resorptie en misvorming op bij ratten bij 6 mg/kg/dag (inclusief anophtalmie, agnathie en hydrocefalie) en bij konijnen bij 90 mg/kg/dag (inclusief cardiovasculaire en renale afwijkingen, zoals ectopia cordis en ectopische nieren, hernia diaphragmatica en hernia umbilicalis) in afwezigheid van toxiciteit bij het moederdier. De systemische blootstelling bij deze waarden is ongeveer gelijk aan of minder dan 0,5 maal de klinische blootstelling bij de aanbevolen klinische dosis van 2 g/dag bij niertransplantatiepatiënten en ongeveer 0,3 maal de klinische blootstelling bij de aanbevolen klinische dosis van 3 g/dag bij harttransplantatiepatiënten.
Zie rubriek 4.6.
De hematopoëse- en lymfesystemen waren de belangrijkste aangetaste orgaansystemen in toxicologische studies, uitgevoerd met mycofenolaatmofetil bij de rat, muis, hond en aap. Deze verschijnselen kwamen voor bij niveaus van systemische blootstelling die gelijk aan of lager waren dan de klinische blootstlling bij de aanbevolen dosis van 2g/dag bij niertransplantatiepatiënten. Gastro-intestinale verschijnselen werden waargenomen bij de hond bij systemische blootstellingniveaus gelijk aan of lager dan de klinische blootstelling bij de aanbevolen dosis. Gastro-intestinale en renale verschijnselen samengaand met dehydratie werden eveneens waargenomen bij de aap bij de hoogste dosis (systemische blootstellingniveaus gelijk aan of groter dan klinische blootstelling). Het niet-klinische toxiciteitsprofiel van mycofenolaatmofetil lijkt overeen te komen met de bijwerkingen die werden waargenomen in klinische studies bij de mens die nu gegevens over de veiligheid verschaffen die relevanter zijn voor de patiëntenpopulatie. (Zie rubriek 4.8).
Milieurisicobeoordeling (Environmental Risk Assessment, ERA)
Uit onderzoeken voor de milieurisicobeoordeling is gebleken dat de werkzame stof mycofenolzuur (MPA) een risico voor grondwater kan vormen via oeverfiltratie.
6. FARMACEUTISCHE GEGEVENS
6.1 Lijst van hulpstoffen
Inhoud van capsules:
microkristallijne cellulose
hydroxypropylcellulose povidon K-90
croscarmellose natrium
talk
magnesiumstearaat
Capsuleomhulsel:
gelatine
natriumlaurylsulfaat
FD & C blauw 2 (E132)
titaandioxide (E171)
rood ijzeroxide (E172)
geel ijzeroxide (E172)
Samenstelling zwarte inkt:
shellak
zwart ijzeroxide (E172)
6.2 Gevallen van onverenigbaarheid
Niet van toepassing.
6.3 Houdbaarheid
36 maanden
6.4 Speciale voorzorgsmaatregelen bij bewaren
Bewaren beneden 30 ºC.
6.5 Aard en inhoud van de verpakking
Mycofenolaat Mofetil 250 mg capsules zijn verpakt in doordrukstrips van PVC/PVCD/aluminium.
1 doosje bevat 100 capsules (in doordrukstrips van 10)
1 doosje bevat 300 capsules (in doordrukstrips van 10).
Niet alle genoemde verpakkingsgrootten worden in de handel gebracht.
6.6 Speciale voorzorgsmaatregelen voor het verwijderen en andere instructies
Alle ongebruikte producten en afvalstoffen dienen te worden vernietigd overeenkomstig lokale voorschriften.
7. HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
Accord Healthcare B.V.
Winthontlaan 200
3526 KV Utrecht
Nederland
8. NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
Mycofenolaat Mofetil Accord 250 mg capsules : RVG 110114
9. DATUM VAN EERSTE VERLENING VAN DE VERGUNNING/HERNIEUWING VAN DE VERGUNNING
Datum van eerste verlening van de vergunning: 28 november 2011
Datum van hernieuwing van de vergunning 7 oktober 2016
10. DATUM VAN HERZIENING VAN DE TEKST
Laatst gedeeltelijke wijziging betreft rubriek 4.8: 28 mei 2026
