SmPC (samenvatting van de productkenmerken) - Metoclopramide HCl CF
1. NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
Metoclopramide HCl CF 10 mg, tabletten.
2. KWALITATIEVE EN KWANTITATIEVE SAMENSTELLING
Metoclopramide HCl CF 10 mg, tabletten bevatten per tablet metoclopramidemonohydrochloridemonohydraat overeenkomend met 10 mg watervrij metoclopramidemonohydrochloride.
Hulpstof met bekend effect: lactose.
Voor de volledige lijst van hulpstoffen, zie rubriek 6.1.
3. FARMACEUTISCHE VORM
Tabletten.
De tabletten zijn wit tot gebroken wit, rond, biconvex met een diameter van 7 mm, een breukstreep aan één zijde en de inscriptie “10” aan de andere zijde.
De tablet kan worden verdeeld in gelijke doses.
4. KLINISCHE GEGEVENS
4.1 Therapeutische indicaties
Volwassenen
Metoclopramide HCl CF is geïndiceerd bij volwassenen voor:
- Preventie van vertraagde door chemotherapie geïnduceerde misselijkheid en braken (CINV).
- Preventie van door radiotherapie geïnduceerde misselijkheid en braken (RINV).
- Symptomatische behandeling van misselijkheid en braken, waaronder door acute migraine geïnduceerde misselijkheid en braken. Metoclopramide kan worden gebruikt in combinatie met orale analgetica om de absorptie te verbeteren van analgetica bij acute migraine.
Pediatrische patiënten
Metoclopramide HCl CF is geïndiceerd bij kinderen (leeftijd 1-18 jaar) voor:
- Preventie van vertraagde door chemotherapie geïnduceerde misselijkheid en braken (CINV) als tweedelijnsoptie.
4.2 Dosering en wijze van toediening
Dosering voor alle indicaties (volwassen patiënten)
De aanbevolen enkelvoudige dosis is 10 mg, tot drie keer per dag herhaald.
De maximale aanbevolen dagelijkse dosis is 30 mg of 0,5 mg/kg lichaamsgewicht.
De maximale aanbevolen behandelingsduur is 5 dagen.
Dosering voor preventie van vertraagde door chemotherapie geïnduceerde misselijkheid en braken (CINV) (pediatrische patiënten van 1-18 jaar)
De aanbevolen dosis is 0,1 tot 0,15 mg/kg lichaamsgewicht, tot drie keer per dag herhaald via de orale weg.
De maximale dosis gedurende 24 uur is 0,5 mg/kg lichaamsgewicht.
Doseringstabel
| Leeftijd | Lichaamsgewicht | Dosis | Frequentie |
| 1-3 jaar | 10-14 kg | 1 mg | Tot 3 keer per dag |
| 3-5 jaar | 15-19 kg | 2 mg | Tot 3 keer per dag |
| 5-9 jaar | 20-29 kg | 2,5 mg | Tot 3 keer per dag |
| 9-18 jaar | 30-60 kg | 5 mg | Tot 3 keer per dag |
| 15-18 jaar | Meer dan 60 kg | 10 mg | Tot 3 keer per dag |
De maximale behandelingsduur is 5 dagen voor preventie van vertraagde door chemotherapie geïnduceerde misselijkheid en braken (CINV).
Deze tabletten zijn niet geschikt voor gebruik bij kinderen met minder dan 30 kg lichaamsgewicht.
Andere farmaceutische vormen/sterktes kunnen geschikter zijn voor toediening aan deze populatie.
Wijze van toediening
Voor oraal gebruik.
Een minimale tussentijd van 6 uur tussen twee toedieningen dient te worden gerespecteerd, zelfs in het geval van uitbraken van de dosis (zie rubriek 4.4).
Speciale patiëntengroepen
Oudere patiënten
Bij oudere patiënten dient een dosisverlaging te worden overwogen, op basis van lever- en nierfunctie en algemene zwakheid.
Nierfunctiestoornis
Bij patiënten met een nierziekte in het eindstadium (creatinineklaring ≤ 15 ml/min) dient de dagelijkse dosis te worden verlaagd met 75%.
Bij patiënten met een matige tot ernstige nierfunctiestoornis (creatinineklaring 15-60 ml/min) dient de dosis te worden verlaagd met 50% (zie rubriek 5.2).
Leverfunctiestoornis
Bij patiënten met een ernstige leverfunctiestoornis dient de dosis te worden verlaagd met 50% (zie rubriek 5.2).
Pediatrische patiënten
Metoclopramide is gecontra-indiceerd bij kinderen jonger dan 1 jaar (zie rubriek 4.3).
4.3 Contra-indicaties
- Overgevoeligheid voor de werkzame stof of voor een van de in rubriek 6.1 vermelde hulpstoffen.
- Gastro-intestinale bloeding, mechanische obstructie of gastro-intestinale perforatie waarbij stimulatie van de gastro-intestinale motiliteit een risico vormt.
- Vastgesteld of vermoed feochromocytoom in verband met het risico op ernstige hypertensie-episodes.
- Een voorgeschiedenis van door neuroleptica of metoclopramide geïnduceerde tardieve dyskinesie.
- Epilepsie (verhoging van frequentie en intensiteit van crises).
- Ziekte van Parkinson.
- Combinatie met levodopa of dopaminerge agonisten (zie rubriek 4.5).
- Bekende voorgeschiedenis van methemoglobinemie met metoclopramide of van NADH cytochroom-b5-deficiëntie.
- Gebruik bij kinderen jonger dan 1 jaar omwille van een verhoogd risico van extrapiramidale stoornissen (zie rubriek 4.4).
4.4 Bijzondere waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik
Neurologische aandoeningen
Met name bij kinderen en jongvolwassenen, en/of bij hoge doseringen, kunnen zich extrapiramidale stoornissen voordoen. Deze reacties treden meestal op in het begin van de behandeling en kunnen optreden na één enkele toediening. Metoclopramide moet onmiddellijk worden stopgezet wanneer extrapiramidale symptomen optreden. Deze effecten verdwijnen in het algemeen geheel na het staken van de behandeling, maar kunnen een symptomatische behandeling noodzakelijk maken (benzodiazepines bij kinderen en/of anticholinergische anti-Parkinsonmiddelen bij volwassenen).
Om overdosering te voorkomen, zelfs na overgeven van de dosis, dient een tijdsinterval van ten minste 6 uur tussen elke metoclopramidetoediening in acht te worden genomen zoals aangegeven in rubriek 4.2.
Langdurige behandeling met metoclopramide kan tardieve dyskinesie veroorzaken, die mogelijk onomkeerbaar is, vooral bij oudere patiënten. Behandeling mag niet langer dan 3 maanden duren vanwege het risico op het optreden van tardieve dyskinesie (zie rubriek 4.8).
De behandeling dient te worden stopgezet indien klinische verschijnselen van tardieve dyskinesie optreden.
Maligne neuroleptisch syndroom werd gerapporteerd bij metoclopramide in combinatie met neuroleptica evenals bij metoclopramidemonotherapie (zie rubriek 4.8). Metoclopramide dient onmiddellijk te worden stopgezet in geval van symptomen van maligne neuroleptisch syndroom en er dient te worden gestart met een passende behandeling.
Bijzondere voorzichtigheid is geboden bij patiënten met onderliggende neurologische aandoeningen en patiënten die worden behandeld met andere geneesmiddelen die op het centrale zenuwstelsel inwerken (zie rubriek 4.3).
Symptomen van de ziekte van Parkinson kunnen door metoclopramide ook worden versterkt.
Methemoglobinemie
Er werd methemoglobinemie gerapporteerd die verband kan houden met NADH cytochroom-b5-reductasedeficiëntie. In dergelijke gevallen dient metoclopramide onmiddellijk en permanent te worden stopgezet en dienen passende maatregelen te worden genomen (zoals behandeling met methyleenblauw).
Hartaandoeningen
Er waren rapporten van ernstige cardiovasculaire bijwerkingen waaronder gevallen van circulatoire collaps, ernstige bradycardie, hartstilstand en verlenging van het QT-interval na toediening van metoclopramide per injectie, vooral via de intraveneuze weg (zie rubriek 4.8).
Bijzondere voorzichtigheid dient te worden betracht bij intraveneus toedienen van metoclopramide aan oudere patiënten, patiënten met cardiale geleidingsstoornissen (inclusief verlenging van het QT-interval), patiënten met niet gecorrigeerde elektrolytenverstoringen, patiënten met bradycardie en patiënten die andere geneesmiddelen nemen waarvan bekend is dat ze verlenging van het QT-interval veroorzaken.
Intraveneuze doses dienen te worden toegediend als een trage bolus (minstens 3 minuten) om het risico van bijwerkingen (bijv. hypotensie, acathisie) te verminderen.
Nier- en leverinsufficiëntie
Bij patiënten met nierinsufficiëntie of met ernstige leverinsufficiëntie wordt een dosisverlaging aanbevolen (zie rubriek 4.2).
Hulpstoffen
Dit middel bevat lactose. Patiënten met zeldzame erfelijke aandoeningen als galactose-intolerantie, algehele lactasedeficiëntie of glucose-galactose malabsorptie, dienen dit geneesmiddel niet te gebruiken.
Dit middel bevat minder dan 1 mmol natrium (23 mg) per tablet, dat wil zeggen dat het in wezen ‘natriumvrij’ is.
4.5 Interacties met andere geneesmiddelen en andere vormen van interactie
Gecontra-indiceerde combinatie
Gelijktijdig gebruik van levodopa of dopaminerge agonisten en metoclopramide is gecontra-indiceerd in verband met wederzijds antagonisme (zie rubriek 4.3).
Te vermijden combinatie
Alcohol versterkt het sedatieve effect van metoclopramide.
Combinatie waarmee rekening moet worden gehouden
Door het prokinetische effect van metoclopramide kan de opname van bepaalde geneesmiddelen worden gewijzigd.
Anticholinergica en morfinederivaten
Anticholinergica en morfinederivaten kunnen een wederzijds antagonisme hebben met metoclopramide ten aanzien van de motiliteit van het maagdarmstelsel.
Depressoren van het centraal zenuwstelsel (morfinederivaten, anxiolytica, sedatieve H1-antihistaminica, sedatieve antidepressiva, barbituraten, clonidine en gerelateerde producten)
De sedatieve effecten van depressoren van het centraal zenuwstelsel en metoclopramide worden versterkt.
Neuroleptica
Metoclopramide kan een additief effect hebben op andere neuroleptica wat betreft het optreden van extrapiramidale stoornissen.
Serotonerge geneesmiddelen
Het gebruik van metoclopramide met serotonerge geneesmiddelen zoals SSRI's kunnen het risico op serotoninesyndroom vergroten.
Digoxine
Metoclopramide kan de biologische beschikbaarheid van digoxine verminderen. Zorgvuldige controle van de digoxineconcentratie in plasma is vereist.
Ciclosporine
Metoclopramide verhoogt de biologische beschikbaarheid van ciclosporine (Cmax met 46% en blootstelling met 22%). Zorgvuldige controle van de ciclosporineconcentratie in plasma is vereist. De klinische gevolgen zijn onzeker.
Mivacurium en suxamethonium
Injectie met metoclopramide kan de duur van het neuromusculaire blok verlengen (door inhibitie van plasmacholinesterase).
Sterke CYP2D6-remmers
De blootstellingsniveaus van metoclopramide verhogen wanneer metoclopramide samen wordt toegediend met sterke CYP2D6-remmers zoals fluoxetine en paroxetine. Hoewel de klinische significantie onzeker is, dienen de patiënten te worden gecontroleerd op bijwerkingen.
4.6 Vruchtbaarheid, zwangerschap en borstvoeding
Zwangerschap
Een grote hoeveelheid gegevens over zwangere vrouwen (meer dan 1000 zwangerschapsuitkomsten) duidt erop dat metoclopramide niet misvormend of foetotoxisch is. Metoclopramide kan tijdens de zwangerschap worden gebruikt indien dit klinisch nodig is. Vanwege farmacologische eigenschappen (zoals bij andere neuroleptica) kan in geval van toediening van metoclopramide aan het einde van de zwangerschap extrapiramidaal syndroom bij pasgeborenen niet worden uitgesloten. Metoclopramide dient te worden vermeden aan het einde van de zwangerschap. Indien metoclopramide wordt gebruikt, dient neonatale controle te worden uitgevoerd.
Borstvoeding
Metoclopramide wordt in kleine mate uitgescheiden in moedermelk. Bij baby's die borstvoeding krijgen kunnen bijwerkingen niet worden uitgesloten. Daarom wordt metoclopramide niet aanbevolen in de periode dat borstvoeding wordt gegeven. Bij zogende vrouwen dient staken van metoclopramide te worden overwogen.
4.7 Beïnvloeding van de rijvaardigheid en het vermogen om machines te bedienen
Metoclopramide kan slaperigheid, duizeligheid, dyskinesie en dystonie veroorzaken die het zicht kunnen beïnvloeden en ook de rijvaardigheid en het vermogen om machines te bedienen kunnen verstoren.
4.8 Bijwerkingen
Bijwerkingen worden opgesomd volgens systeem/orgaanklasse. Frequenties worden gedefinieerd met gebruik van de volgende conventie:
| Zeer vaak | ≥1/10 |
|---|---|
| Vaak | ≥1/100, <1/10 |
| Soms | ≥1/1.000, <1/100 |
| Zelden | ≥1/10.000, <1/1.000 |
| Zeer zelden | <1/10.000 |
| Onbekend | op basis van de bekende gegevens kan de frequentie niet worden vastgesteld |
Systeem/orgaanklasse / Frequentie | Bijwerkingen |
| Bloed- en lymfestelselaandoeningen | |
| Onbekend | Methemoglobinemie, die geassocieerd zou kunnen zijn aan NADH cytochroom-b5-reductasedeficiëntie, vooral bij pasgeborenen (zie rubriek 4.4) Sulfahemoglobinemie, hoofdzakelijk bij gelijktijdige toediening van hoge doses geneesmiddelen die zwavel afgeven |
| Immuunsysteemaandoeningen | |
| Soms | Overgevoeligheid |
| Onbekend | Anafylactische reactie (waaronder anafylactische shock, vooral bij intraveneuze preparaten) |
| Endocriene aandoeningen* | |
| Soms | Amenorroe Hyperprolactinemie |
| Zelden | Galactorroe |
| Onbekend | Gynaecomastie |
| Psychische stoornissen | |
| Vaak | Depressie |
| Soms | Hallucinatie |
| Zelden | Verwarde toestand |
| Zenuwstelselaandoeningen | |
| Zeer vaak | Slaperigheid |
| Vaak | Extrapiramidale stoornissen (vooral bij kinderen en jongvolwassenen en/of wanneer de aanbevolen dosis wordt overschreden, zelfs na toediening van een enkelvoudige dosis van het geneesmiddel) (zie rubriek 4.4) Parkinsonachtige verschijnselen Acathisie |
| Soms | Dystonie (inclusief visuele stoornissen en oculogyrische crisis) Dyskinesie Verlaagd bewustzijn |
| Zelden | Convulsie, vooral bij epileptische patiënten |
| Onbekend | Tardieve dyskinesie die hardnekkig kan zijn, tijdens of na langdurige behandeling, vooral bij oudere patiënten (zie rubriek 4.4) Maligne neuroleptisch syndroom (zie rubriek 4.4) |
| Hartaandoeningen | |
| Soms | Bradycardie, vooral bij intraveneuze preparaten |
| Onbekend | Hartstilstand, optredend kort na injecteerbaar gebruik, en die kan volgen op bradycardie (zie rubriek 4.4) Atrioventriculair blok Sinuspauze vooral bij intraveneuze preparaten Verlengd QT op elektrocardiogram Torsade de Pointes |
| Bloedvataandoeningen | |
| Vaak | Hypotensie, vooral bij intraveneuze preparaten |
| Onbekend | Shock Syncope (flauwvallen) na injecteerbaar gebruik Acute hypertensie bij patiënten met feochromocytoom (zie rubriek 4.3) Tijdelijke verhoging van de bloeddruk |
| Maagdarmstelselaandoeningen | |
| Vaak | Diarree |
| Algemene aandoeningen en toedieningsplaatsstoornissen | |
| Vaak | Asthenie |
* Endocriene aandoeningen tijdens langdurige behandeling met betrekking tot hyperprolactinemie (amenorroe, galactorroe, gynaecomastie).
De volgende reacties, soms geassocieerd, treden frequenter op wanneer hoge doses worden gebruikt:
- Extrapiramidale symptomen: acute dystonie en dyskinesie, parkinsonsyndroom, acathisie, zelfs na toediening van een enkelvoudige dosis van het geneesmiddel, vooral bij kinderen en jongvolwassenen (zie rubriek 4.4).
- Slaperigheid, verlaagd bewustzijn, verwardheid, hallucinatie.
Melding van vermoedelijke bijwerkingen
Het is belangrijk om na toelating van het geneesmiddel vermoedelijke bijwerkingen te melden. Op deze wijze kan de verhouding tussen voordelen en risico’s van het geneesmiddel voortdurend worden gevolgd. Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg wordt verzocht alle vermoedelijke bijwerkingen te melden via het Nederlands Bijwerkingen Centrum Lareb, website: www.lareb.nl.
4.9 Overdosering
Symptomen
Extrapiramidale stoornissen, slaperigheid, verlaagd bewustzijn, verwardheid, hallucinatie en cardiorespiratoir arrest kunnen optreden.
Behandeling
In het geval van extrapiramidale symptomen, al dan niet gerelateerd aan overdosering, is de behandeling enkel symptomatisch (benzodiazepines bij kinderen en/of anticholinerge geneesmiddelen tegen de ziekte van Parkinson bij volwassenen).
Een symptomatische behandeling en een continue bewaking van de cardiovasculaire en respiratoire functies dienen te worden uitgevoerd op geleide van de klinische toestand.
5. FARMACOLOGISCHE EIGENSCHAPPEN
5.1 Farmacodynamische eigenschappen
Farmacotherapeutische categorie: preparaten tegen misselijkheid/braken, ATC-code: A03F A01
Metoclopramide, een benzamidederivaat, versterkt de peristaltiek van het proximale gedeelte van het maagdarmkanaal, verhoogt de tonus van de onderste sluitspier van de oesophagus, ontspant de pylorus en werkt anti-emetisch. Het oefent geen invloed uit op de maagsapsecretie. De werking begint 1-3 minuten na intraveneuze toediening, 3-5 minuten na intramusculaire toediening en 15-20 minuten na orale toediening.
Het werkingsmechanisme is nog niet geheel opgehelderd, maar berust waarschijnlijk op cholinerge eigenschappen (activering van cholinerge intramurale neuronen), een centrale en perifere anti-dopaminerge werking en een directe werking op gladde spieren.
Metoclopramide is niet werkzaam bij braken van vestibulaire oorsprong, zoals bij reisziekte.
5.2 Farmacokinetische eigenschappen
Absorptie
Na orale toediening wordt metoclopramide snel en meestal volledig uit het maagdarmkanaal geresorbeerd: maximale plasmaspiegels worden meestal binnen het uur bereikt (40-120 minuten).
De biologische beschikbaarheid varieert van 30-100%. Mede door een sterk en variabel first-pass-metabolisme is de interindividuele spreiding in de plasmaspiegels groot (tot een factor 5).
Distributie
Het verdelingsvolume is 2-3 l/kg; 13-22% wordt gebonden aan plasma-eiwitten.
Biotransformatie
Ca. 80% wordt binnen 24 uur onveranderd of in geconjugeerde vorm met de urine uitgescheiden.
Eliminatie
De eliminatiehalfwaardetijd is ca. 4 uur (2-5 uur), bij matige tot ernstige nierfunctiestoornis ca. 14 uur.
Metoclopramide wordt uitgescheiden met de moedermelk, waarin 2 uur na het innemen concentraties worden bereikt die hoger zijn dan in het plasma.
Nierfunctiestoornis
De klaring van metoclopramide is tot 70% verminderd bij patiënten met ernstige nierfunctiestoornis, terwijl de plasma-eliminatiehalfwaardetijd verhoogd is (ongeveer 10 uur bij een creatinineklaring van 10-50 ml/minuut en 15 uur bij een creatinineklaring <10 ml/minuut).
Leverfunctiestoornis
Bij patiënten met levercirrose werd accumulatie van metoclopramide waargenomen, gepaard gaand met een daling van 50% in plasmaklaring.
5.3 Gegevens uit het preklinisch veiligheidsonderzoek
Geen bijzonderheden.
6. FARMACEUTISCHE GEGEVENS
6.1 Lijst van hulpstoffen
lactose
croscarmellosenatrium
magnesiumstearaat
6.2 Gevallen van onverenigbaarheid
Niet van toepassing.
6.3 Houdbaarheid
3 jaar.
6.4 Speciale voorzorgsmaatregelen bij bewaren
Bewaren beneden 25 °C, in de oorspronkelijke verpakking.
6.5 Aard en inhoud van de verpakking
- 30, 50, 100, 150, 200, 250, 500, 1000, 1500, 2000 of 2500 tabletten in PP-flacons met PE-deksel.
- 50 tabletten in EAV (PVC/Al).
- 10 tabletten in een PVC/Al-blister, verpakt in veelvouden van 10 tabletten.
Niet alle genoemde verpakkingsgrootten worden in de handel gebracht.
6.6 Speciale voorzorgsmaatregelen voor het verwijderen
Geen bijzondere vereisten.
7. HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
Centrafarm B.V.
Van de Reijtstraat 31-E
4814 NE Breda
Nederland
8. NUMMER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
RVG 55926
9. DATUM VAN EERSTE VERLENING VAN DE VERGUNNING/VERLENGING VAN DE VERGUNNING
Datum van eerste verlening van de vergunning: 11 april 1984.
Datum van laatste verlenging: 11 april 2014.
10. DATUM VAN HERZIENING VAN DE TEKST
Laatste gedeeltelijke wijziging betreft rubriek 6.5: 25 oktober 2021
