SmPC (samenvatting van de productkenmerken) - Glucose 5% oplossing voor infusie (Laboratoire Aguettant)
1. NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
Glucose 5% Aguettant, oplossing voor infusie
2. KWALITATIEVE EN KWANTITATIEVE SAMENSTELLING
Watervrije glucose 50 mg/ml
In de vorm van glucose monohydraat 55 mg/ml
Osmolariteit 278 mOsm/l
Glucose 278 mmol/l
pH 3,5 – 6,5
Voor de volledige lijst van hulpstoffen, zie rubriek 6.1.
3. FARMACEUTISCHE VORM
Oplossing voor infusie
Heldere en kleurloze oplossing, vrij van zichtbare deeltjes, in plastic zak.
4. KLINISCHE GEGEVENS
4.1 Therapeutische indicaties
Glucose 5% is geïndiceerd:
- Vor aanvulling van vocht bij de behandeling van aandoeningen, zoals shock, bloedingen, chronische diarree en overgeven.
- Om water en koolhydraten toe te dienen aan patiënten bij wie de inname van voedsel en vocht via de normale weg beperkt is.
- Als oplosmiddel en verdunningsmiddel voor injectiepreparaten en andere geneesmiddelen.
4.2 Dosering en wijze van toediening
Dosering
De dosering dient aangepast te worden op basis van de leeftijd, gewicht en klinische conditie van de patiënt.
Bij volwassenen is de maximale dosering 40 ml/kg lichaamsgewicht per dag en de maximale infusiesnelheid 5 ml/kg lichaamsgewicht per uur = 0,25 g/kg lichaamsgewicht per uur.
De aanbevolen dosering indien gebruikt als oplosmiddel of verdunningsmiddel varieert van 50 tot 250 ml per dosis van het toe te dienen geneesmiddel.
Als glucose 5% gebruikt wordt als oplos- of verdunningsmiddel voor injectiepreparaten van andere geneesmiddelen zijn de dosering en toedieningssnelheid vooral afhankelijk van de aard en het doseringsschema van het voorgeschreven geneesmiddel.
Vloeistofbalans, serumglucose, serumnatrium en andere elektrolyten moeten wellicht worden gecontroleerd voor en tijdens toediening, met name bij patiënten met een verhoogde niet-osmotische afgifte van vasopressine (antidiuretisch hormoonsecretiedeficiëntiesyndroom, SIADH) en bij patiënten die gelijktijdig worden behandeld met vasopressine-agonisten vanwege het risico op hyponatriëmie.
Controle van serumnatrium is vooral belangrijk voor fysiologisch hypotone vloeistoffen.
Glucose 5% Aguettant, oplossing voor infusie kan uitermate hypotoon worden na toediening als gevolg van metabolisering van glucose in het lichaam (zie rubrieken 4.4, 4.5 en 4.8).
Pediatrische patiënten
Bij kinderen is de infusiesnelheid afhankelijk van de leeftijd en het gewicht en dient in het algemeen de 10-18 mg glucose (0,2-0,36 ml oplossing)/kg/min niet te overschrijden.
- 0-10 kg: 100 ml/kg/24 uur,
- 10-20 kg: 1000 ml + 50 ml/kg per 24 uur voor het gewicht boven 10 kg,
- boven 20 kg: 1500 ml + 20 ml/kg per 24 uur voor het gewicht boven 20 kg.
Wijze van toediening
Parenterale toediening via een intraveneuze infusie.
4.3 Contra-indicaties
Dit product moet niet toegediend worden in het geval van
- een zwelling veroorzaakt door vocht/oedeem hyperglycaemie
- hyperlactataemie
- hyperhydratie
- ernstig verminderde glucosetolerantie, inclusief hyperosmolair coma
Infusie van glucoseoplossing is gecontra-indiceerd in de eerste 24 uur na een craniocerebraal trauma.
4.4 Bijzondere waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik
Bijzondere waarschuwingen
Voor gebruik dient de vervaldatum gecontroleerd te worden en te worden nagegaan of de infuuszak intact en de oplossing helder is. Gedeeltelijk gebruikte of kapotte zakken dienen niet te worden gebruikt.
Stel een langzame intraveneuze infusiesnelheid in. Dit in verband met het risico op de ontwikkeling van een ongewenste osmotische diurese.
Easyflex +: Gebruik geen naalden of spikes voor de aansluiting op de naaldloze connector. Gebruik ook geen van de standaard afwijkende luer-connectors. Deze kunnen de naaldloze connector beschadigen.
Bijzondere voorzorgen voor het gebruik
Voorzichtigheid is geboden bij diabetische patiënten en patiënten met verminderde glucose tolerantie, oedeem, hepatisch-, hart- en longfalen en ernstig nierfalen, vooral als hoge infusiesnelheden gebruikt worden. Bij patiënten met centraal zenuwstelsel trauma en verhoogde intracerebrale druk dienen de toestand van de patiënt en de bloed-glucose-spiegel nauwkeurig gevolgd te worden. In het geval van acute ischemische hersenbeschadiging wordt het toedienen van glucoseoplossing 50 mg/ml niet aanbevolen.
Volg de klinische conditie van de patiënt en laboratoriumwaarden, vooral de vloeistof/natrium balans, kalium-, fosfor-, aceton-, lactaat- en glucosebloedspiegels en het urine-glucosegehalte.
Zo nodig kunt u insuline en/of kalium aan het infuus toevoegen.
Vitamine B1 is essentieel voor het glucosemetabolisme. Speciale aandacht dient geschonken te worden aan patiënten die een risico hebben op vitamine B1deficiëntie (bijvoorbeeld alcoholisten). Indien nodig dient dit tekort vooraf gecorrigeerd te worden.
Dien niet gelijktijdig bloed toe via dezelfde toedieningsset in verband met het risico op pseudo-agglutinatie en/of hemolyse.
Voordat een geneesmiddel wordt toegevoegd dient de verenigbaarheid van het geneesmiddel met de oplossing en het materiaal van de zak gecontroleerd te worden (zie rubriek 6.2 ).
Controleer ook de bijsluiter van het geneesmiddel dat toegevoegd wordt.
Als een geneesmiddel aan de glucoseoplossing wordt toegevoegd, moet het mengsel onmiddellijk worden toegediend.
Intraveneuze glucose-infusies zijn gewoonlijk isotone oplossingen. In het lichaam kunnen glucosebevattende vloeistoffen echter uitermate fysiologisch hypotoon worden als gevolg van snelle metabolisering van glucose (zie rubriek 4.2).
Intraveneuze toediening van glucose kan verstoring van de elektrolytenbalans veroorzaken, met name hypo- of hyperosmotische hyponatriëmie, afhankelijk van de toniciteit van de oplossing, het volume en de snelheid van de infusie en afhankelijk van de onderliggende aandoening van de patiënt en diens vermogen om glucose te metaboliseren.
Hyponatriëmie:
Patiënten met niet-osmotische afgifte van vasopressine (bijvoorbeeld bij acute ziekte, pijn, postoperatieve stress, infecties, brandwonden en ziekten van het centrale zenuwstelsel), patiënten met hart-, lever- of nierziekten en patiënten blootgesteld aan vasopressine-agonisten (zie rubriek 4.5) lopen een specifiek risico op acute hyponatriëmie bij infusie van hypotone vloeistoffen.
Acute hyponatriëmie kan leiden tot acute hyponatriëmische encefalopathie (hersenoedeem) die wordt gekenmerkt door hoofdpijn, misselijkheid, epileptische aanvallen, lethargie en braken. Patiënten met hersenoedeem hebben een extra hoog risico op ernstig, onomkeerbaar en levensbedreigend hersenletsel.
Kinderen, vrouwen in de vruchtbare leeftijd en patiënten met een verminderde hersenwerking(bijvoorbeeld meningitis, intracraniële bloeding en hersenschudding) hebben een extra hoog risico op ernstige en levensbedreigende hersenzwelling veroorzaakt door acute hyponatriëmie.
Voorzorgen bij het gebruik van de zak
Gebruik de zak onmiddellijk na het openen van de omzak.
Controleer of de oplossing helder is.
Controleer of de ophangring open is.
Controleer of de zak niet lekt, gebruik geen kapotte of gedeeltelijk gebruikte zak of een zak waarvan de suspensie ring niet open is.
Gebruik geen beluchting voor de zak. Gebruik de zak niet in een serieverbinding.
4.5 Interacties met andere geneesmiddelen en andere vormen van interactie
+ Geneesmiddelen die leiden tot een verhoogd vasopressine-effect
De hieronder genoemde geneesmiddelen verhogen het effect van vasopressine, wat leidt tot verminderde renale excretie van electrolytenvrij water, en verhogen het risico op in het ziekenhuis opgelopen hyponatriëmie na incorrect uitgebalanceerde behandeling met i.v.-vloeistoffen (zie rubrieken 4.2, 4.4 en 4.8).
Geneesmiddelen die de afgifte van vasopressine stimuleren, bijvoorbeeld:
chloorpropamide, clofibraat, carbamazepine, vincristine, selectieve serotonineheropnameremmers, 3,4-methyleendioxy-N-methamfetamine, ifosfamide, antipsychotica, narcotica
Geneesmiddelen die de werking van vasopressine versterken, bijvoorbeeld:
chloorpropamide, NSAID’s, cyclofosfamide
Vasopressine-analogen, bijvoorbeeld:
desmopressine, oxytocine, vasopressine, terlipressine
Andere geneesmiddelen die het risico op hyponatriëmie verhogen zijn onder meer diuretica in het algemeen en anti-epileptica zoals oxcarbazepine.
Zie rubriek 4.4.
4.6 Vruchtbaarheid, zwangerschap en borstvoeding
Dit product kan indien noodzakelijk, toegediend worden aan zwangere vrouwen en vrouwen die borstvoeding geven.
Glucose 5% Aguettant, oplossing voor infusie dient met voorzichtigheid te worden toegediend bij zwangere vrouwen gedurende de bevalling, met name indien het wordt toegediend in combinatie met oxytocine vanwege het risico op hyponatriëmie (zie rubrieken 4.4, 4.5 en 4.8).
4.7 Beïnvloeding van de rijvaardigheid en het vermogen om machines te bedienen
Niet van toepassing.
4.8 Bijwerkingen
De volgende bijwerkingen kunnen gezien worden:
- Hyperglycaemie
- Hypokalaemie
- Hypomagnesaemie
- Hypofosfataemie
- Hypolactataemie
- Polyurie, veroorzaakt door glucose
- Bijwerkingen kunnen veroorzaakt worden door de toedieningsmethode en bestaan uit koortsreacties, infecties van de injectieplaats, lokale pijn of reacties, veneuze irritatie, veneuze trombose of flebitis uitgaande van de injectieplaats, extravasatie en hypervolaemie.
- Voedings- en stofwisselingsstoornissen: in het ziekenhuis opgelopen hyponatriëmie* (frequentie niet bekend)
- Zenuwstelselaandoeningen: Hyponatriëmische encefalopathie* (frequentie niet bekend)
* In het ziekenhuis opgelopen hyponatriëmie kan onomkeerbaar hersenletsel en overlijden veroorzaken door de ontwikkeling van hyponatriëmische encefalopathie (zie rubrieken 4.2 en 4.4).
De aard van de toevoeging bepaalt de waarschijnlijkheid van het ontstaan van andere bijwerkingen.
Stop de toediening als bijwerkingen optreden.
Melding van vermoedelijke bijwerkingen
Het is belangrijk om na toelating van het geneesmiddel vermoedelijke bijwerkingen te melden. Op deze wijze kan de verhouding tussen voordelen en risico’s van het geneesmiddel voortdurend worden gevolgd. Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg wordt verzocht alle vermoedelijke bijwerkingen te melden via:
Nederlands Bijwerkingen Centrum Lareb
Website: www.lareb.nl
4.9 Overdosering
Overdosering kan leiden tot hyperosmolariteit, uitdroging, hyperglycaemie, hyperglucosurie en osmotische diurese.
Verlengde toediening en snelle infusie kunnen een vloeistofzwelling met oedeem of waterintoxicatie (met hyponatraemie) veroorzaken. Behandeling dient symptomatisch te zijn.
5. FARMACOLOGISCHE EIGENSCHAPPEN
5.1 Farmacodynamische eigenschappen
Farmacotherapeutische categorie: oplossingen voor parenterale voeding, ATC code: B05BA03.
Deze isotone oplossing (osmolariteit 278 mOsm/l) maakt een milde koolhydraat opname mogelijk.
De koolhydraatcalorieopname is 200kcal/l, dan wel 836kJ/l.
Deze oplossing maakt vloeistofopname mogelijk zonder elektrolyten.
5.2 Farmacokinetische eigenschappen
Het product wordt op dezelfde manier als glucose, via pyrodruiven- of melkzuur tot kooldioxide en water gemetaboliseerd met het ontstaan van energie.
Het wordt gefilterd en onder normale omstandigheden geheel door de nieren gereabsorbeerd.
5.3 Gegevens uit het preklinisch veiligheidsonderzoek
Niet van toepassing.
6. FARMACEUTISCHE GEGEVENS
6.1 Lijst van hulpstoffen
Water voor injectie.
6.2 Gevallen van onverenigbaarheid
Voordat geneesmiddelen toegevoegd worden, dient hun verenigbaarheid met de oplossing en de verpakking gecontroleerd te worden en of zij oplosbaar en stabiel zijn in water bij de pH van glucose 5% oplossing voor infusie.
Het is de verantwoordelijkheid van de arts om de onverenigbaarheid van een toegevoegd geneesmiddel met de glucose 5% oplossing voor infusie te bepalen. Dit kan door te letten op een kleurverandering en/of de vorming van een neerslag, onoplosbaar complex of kristallen.
6.3 Houdbaarheid
Voor het openen van de omzak:
Voor PVC-zakken (COSINUSPVC Monoluer, COSINUSPVC Bi-Luer):
- 50, 100, 250 ml: 18 maanden
- 500 en 1000 ml: 2 jaar
Voor polyolefine-zakken (COSINUS, COSINUS EMBASE, Easyflex+): 2 jaar
Na opening van de omverpakking: onmiddellijk gebruiken na verwijderen van de omzak.
6.4 Speciale voorzorgsmaatregelen bij bewaren
Voor PVC-zakken (COSINUSPVC Monoluer, COSINUSPVC Bi-Luer):
Bewaren beneden 25 °C. Bewaren in de oorspronkelijke buitenverpakking.
Voor polyolefine-zakken (COSINUS, COSINUS EMBASE, Easyflex+): Bewaren in de oorspronkelijke buitenverpakking.
6.5 Aard en inhoud van de verpakking
- COSINUS: polyolefine zak in omzak, bevattende 50, 100, 250, 500 of 1000 ml.
- COSINUS EMBASE: polyolefine zak in omzak, bevattende 50, 100, 250, 500 of 1000 ml.
- Easyflex +: polyolefine zak met een naaldloze connector, in omzak, bevattende 50, 100, 250, 500 of 1000 ml
- COSINUSPVC Monoluer: geplastificeerde PVC mono-luer zak in omzak, bevattende 50, 100, 250, 500 of 1000 ml.
- COSINUSPVC Bi-Luer: geplastificeerde PVC bi-luer zak in omzak, bevattende 50, 100, 250, 500 of 1000 ml.
Niet alle genoemde verpakkingsgrootten worden in de handel gebracht.
6.6 Speciale voorzorgsmaatregelen voor het verwijderen en andere instructies
De oplossing moet met steriele hulpmiddelen worden toegediend, waarbij een aseptische techniek moet worden gebruikt. De hulpmiddelen moeten met de oplossing worden doorgespoeld om het binnendringen van lucht in het systeem te voorkomen.
Hoe de zak te gebruiken COSINUS?
- Verwijder de zak uit de omzak: gebruik de zak onmiddellijk na openen;
- Verwijder de infusieplaatsbeschermer;
- Verbind de zak met de toedieningsset;
- Alle geneesmiddelen moeten via de toevoegingspoort worden toegevoegd.
Hoe gebruikt u de Easyflex + zakken?
- Verwijder de zak uit de omzak: gebruik de zak onmiddellijk na openen;
- De Easyflex zak bevat een infuuspoort voor de aansluiting van een infuussysteem met een spike om een intraveneuze oplossing toe te dienen en een injectiepoort met een naaldloze connector. De laatste is voorzien van een tweerichtingsklep voor het bijspuiten, of de infusie van vloeistof.
Het aansluiten van spuiten op de naaldloze connector voor het bijspuiten van een geneesmiddel of het optrekken van oplossingen.
- 1. Verbind de male luer-lock connector van de spuit met de naaldvrije connector van de zak door de spuit in de connector te drukken en daarna kloksgewijs vast te draaien. Gebruik geen naalden of spikes om via de naaldloze connector toegang te verkrijgen.
- 2. Injecteer de oplossing of het geneesmiddel in de zak of trek de intraveneuze oplossing op vanuit de zak in de spuit.
- 3. Ontkoppel de spuit van de naaldloze connector door deze tegen de klok in los te draaien.
- 4. De naaldloze connector sluit automatisch.
- 5. De naaldloze connector kan meerdere keren worden gebruikt. Hierbij dienen steeds de stappen 1 tot 3 herhaald te worden.
Het aansluiten van een infuussysteem met een spike voor de toediening van een intraveneuze oplossing:
- 1. Verwijder de infusieplaats beschermer door deze af te breken;
- 2. Verbind het infuussysteem met de zak door de poort door te prikken zonder een draaiende beweging te maken;
- 3. Dien de intraveneuze vloeistof of het geneesmiddel toe.
Het aansluiten van een infuussysteem met een male luer-connector op de naaldloze connector voor het toedienen van een intraveneus infuus
De naaldvrije connector plek kan gebruikt worden voor infusie van een IV oplossing met een toedieningssysteem dat een male luer-lock connector heeft om een koppeling met de infuuszak te maken.
- 1. Verbind de male luer-lock connector van het toedieningssysteem met de female luer connector van de naaldvrije connector op de infuuszak door de male luer-lock connector in de connector op de zak te drukken en daarna kloksgewijs vast te draaien.
- 2. Dien de intraveneuze vloeistof of het geneesmiddel toe.
- 3. Ontkoppel het toedieningssysteem van de naaldloze connector door de luer-lock verbinding tegen de klok in los te draaien.
De naaldloze connector sluit automatisch.
Hoe gebruikt u de mono-luer en bi-luer zakken?
- Verwijder de zak uit de omzak; gebruik de zak onmiddellijk na openen;
- Verwijder de infusieplaats beschermer;
- Verbind de toedieningsset met behulp van de luer-aansluiting met de zak;
- Verbreek de openbreekcanule door de slang flink twee kanten op te vouwen (klikklak);
- Alle geneesmiddelen moeten via de toevoegingspoort worden toegevoegd (verbreek de openbreek canule in het geval van de bi-luer zakken).
7 HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
Laboratoire Aguettant
1, rue Alexander Fleming
69007 Lyon
Frankrijk
8. NUMMER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
In het register ingeschreven onder: RVG 32474
9. DATUM VAN EERSTE VERLENING VAN DE VERGUNNING / VERLENGING VAN DE VERGUNNING
Datum van eerste verlening van de vergunning: 12 April 2006
Datum van laatste verlenging: 14 September 2009
10. DATUM VAN HERZIENING VAN DE TEKST
Laatste gedeeltelijke wijziging betreft de rubrieken 6.5 en 6.6: 3 april 2026.
