SmPC (samenvatting van de productkenmerken) - Flecainide Alkaloid-INT
1. NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
Flecainide Alkaloid-INT 50 mg tabletten
Flecainide Alkaloid-INT 100 mg tabletten
2. KWALITATIEVE EN KWANTITATIEVE SAMENSTELLING
Elke tablet bevat 50 mg of 100 mg flecaïnideacetaat.
Voor de volledige lijst van hulpstoffen, zie rubriek 6.1.
3. FARMACEUTISCHE VORM
Flecainide Alkaloid-INT 50 mg tabletten
Witte tot gebroken witte, ronde, bolronde tabletten met een diameter van 7 mm.
Flecainide Alkaloid-INT 100 mg tabletten
Witte tot gebroken witte, ronde, bolronde tabletten met een diameter van 9 mm met een breuklijn op een zijde.
De tablet kan worden verdeeld in gelijke doses.
4. KLINISCHE GEGEVENS
4.1 Therapeutische indicaties
Behandeling van
- AV re-entry tachycardie, aritmieën geassocieerd met het wolff-parkinson-whitesyndroom en gelijksoortige aandoeningen met geleiding over accessoire bundels, wanneer andere behandelingen geen effect hebben gehad.
- Ernstige, symptomatische en levensbedreigende paroxysmale ventriculaire aritmie die niet hebben gereageerd op andere vormen van therapie of wanneer andere behandelingen niet goed worden verdragen.
- Behandeling van paroxysmale boezemaritmieën (boezemfibrilleren, flutter en tachycardie) bij patiënten met invaliderende symptomen na conversie, indien er sprake is van een duidelijke noodzaak tot behandelen als gevolg van ernstige klinische symptomen en andere therapie geen effect heeft gehad.
Structureel hartlijden en/of een slechte linkerkamerfunctie dient daarbij uitgesloten te zijn, vanwege de toegenomen kans op pro-aritmische effecten.
Flecaïnideacetaat tabletten kunnen gebruikt worden voor het in stand houden van een normaal ritme na conversie via andere middelen.
4.2 Dosering en wijze van toediening
Dosering
De behandeling met flecaïnideacetaat dient onder medisch toezicht te worden ingesteld en doseringsaanpassingen dienen onder medisch toezicht doorgevoerd te worden onder controle van ECG en plasmaspiegel.
Ziekenhuisopname kan hierbij noodzakelijk zijn voor bepaalde patiënten, met name patiënten met levensbedreigende ventriculaire aritmieën. De beslissing om te starten met flecaïnidebehandeling dient in overleg met een specialist te worden gemaakt.
Bij patiënten met een onderliggende organische cardiomyopathie en vooral degene met een hartinfarct in de anamnese, mag een behandeling met flecaïnide alleen geïnitieerd worden wanneer andere antiaritmica, die niet behoren tot klasse IC (vooral amiodaron), ineffectief zijn of niet worden verdragen en waarbij is gegeven dat non-farmacologische therapie (operatie, ablatie of geïmplanteerde defibrillator) niet geïndiceerd is. Nauwlettende medische controle van ECG en plasmaspiegels tijdens de behandeling is hierbij vereist.
Volwassenen en jongeren (van 12 jaar en ouder)
Supraventriculaire aritmieën: de aanbevolen begindosering is twee maal daags 50 mg. Indien nodig kan de dosering worden verhoogd tot een maximum van 300 mg per dag.
Ventriculaire aritmieën: de aanbevolen begindosering is twee maal daags 100 mg. De maximale dosering bedraagt 400 mg per dag en deze dosering wordt gewoonlijk toegepast bij patiënten met een groot postuur of indien snelle coupering van de aritmie vereist is. Aanbevolen wordt de dosering na 3-5 dagen stapsgewijs te verlagen tot de laagst mogelijke dosering waarmee de ritmestoornis nog te couperen is. Zo nodig kan tijdens langdurige behandeling de dosering verlaagd worden.
Oudere patiënten
Bij oudere patiënten dient de maximale dagelijkse startdosering twee maal daags 50 mg te zijn, omdat de eliminatiesnelheid uit het plasma verlaagd kan zijn bij personen op hoge leeftijd. Hiermee dient rekening te worden gehouden bij dosisaanpassingen. De dosis voor oudere patiënten mag niet hoger zijn dan 300 mg per dag (of 150mg tweemaal daags).
Pediatrische patiënten
Er zijn onvoldoende gegevens beschikbaar over het gebruik van flecaïnide bij kinderen. De veiligheid en de werkzaamheid zijn niet vastgesteld en daarom mag flecaïnide niet worden gebruikt bij kinderen tot 12 jaar.
Plasmaspiegels
Vanwege PVC-suppressie schijnt dat plasmaspiegels van 200-1000 ng/ml nodig zijn om het maximale therapeutisch effect te bereiken. Plasmaspiegels boven 700-1000 ng/ml zijn geassocieerd met toename van de kans op het optreden van bijwerkingen.
Nierinsufficiëntie
Bij patiënten met nierinsufficiëntie (creatinineklaring ≤ 35 ml/min/1,73 m2 of serumcreatinine > 1,5 mg/dl) is de maximale begindosering 100 mg per dag (of 2 maal daags 50 mg). Aanbevolen wordt om bij zulke patiënten regelmatig de plasmaspiegel te bepalen. Afhankelijk van de werking en de tolerantie kan de dosering voorzichtig worden verhoogd. Na 6-7 dagen kan de dosering worden aangepast, afhankelijk van de werking en de tolerantie. Sommige patiënten met een ernstig verminderde nierfunctie hebben een zeer lage klaring van flecaïnide en daardoor een verlengde halfwaardetijd (60-70 uur).
Verminderde leverfunctie
Patiënten met leverinsufficiëntie dienen nauwlettend te worden gecontroleerd, de dosering mag niet hoger zijn dan 100 mg per dag (of twee maal daags 50 mg).
Patiënten met een permanente pacemaker in situ dienen met voorzichtigheid te worden behandeld. De dosering mag niet de 200 mg per dag (of tweemaal daags 100 mg) niet overschrijden. Dit omdat flecaïnide de endocardiale prikkeldrempel kan verhogen.
Bij patiënten die tegelijkertijd worden behandeld met cimetidine of amiodaron is nauwlettende controle vereist. Bij sommige patiënten kan het zijn dat de dosering dient verlaagd te worden en mag deze de 200 mg per dag (of tweemaal daags 100 mg) niet overschrijden. Deze patiënten dienen onder toezicht te worden gehouden aanvangs- en onderhoudstherapie.
Plasmaspiegel- en ECG-controle op reguliere intervallen worden tijdens de behandeling aanbevolen (ECG één keer per maand en een lange termijn ECG om de 3 maanden). Gedurende de start van de behandeling en bij een verhoging van de dosering, dient elke 2-4 dagen een ECG te worden gemaakt.
Wanneer flecaïnide wordt gebruikt door patiënten met doseringsrestricties, dient frequente ECG-controle te worden uitgevoerd (naast de gebruikelijke controle van de flecaïnideplasmaspiegel). Aanpassing van de dosering kan met intervallen van 6-8 dagen. Bij deze patiënten dient in week 2 en 3 een ECG te worden gedaan om de individuele dosering te controleren.
Wijze van toediening
Voor oraal gebruik. De tabletten moeten met wat vloeistof worden ingenomen.
4.3 Contra-indicaties
- Overgevoeligheid voor de werkzame stof of voor één van de in rubriek 6.1 vermelde hulpstoffen.
- Flecaïnide is gecontra-indiceerd bij hartfalen en bij patiënten met een voorgeschiedenis van myocardinfarct met hetzij asymptomatische ventriculaire ectopie, hetzij asymptomatische niet-aanhoudende ventriculaire tachycardie.
- Patiënten met reeds langer bestaand boezemfibrilleren bij wie er geen poging is ondernomen om het sinusritme te veranderen.
- Bij patiënten met een verminderde ventriculaire functie, cardiogene shock, ernstige bradycardie (minder dan 50 hartslagen per minuut) en ernstige hypotensie.
- Gebruik in combinatie met klasse I-antiaritmica (natriumkanaal blokkers).
- Patiënten met hemodynamisch significante hartklepziekten.
- Tenzij pacingapparatuur beschikbaar is mag flecaïnide niet worden toegediend aan patiënten met een gestoorde sinusknoopfunctie, afwijkingen in de boezemgeleiding, tweedegraads AV-blok of ernstiger atrio-ventriculair blok, bundeltakblok of distaal blok.
- Patiënten met asymptomatische of licht symptomatische ventriculaire aritmieën mogen flecaïnide niet gebruiken.
- Bekend brugadasyndroom.
4.4 Bijzondere waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik
De behandeling met oraal flecaïnide dient plaats te vinden onder rechtstreekse supervisie in het ziekenhuis of door een specialist bij patiënten met:
- AV re-entry tachycardie, aritmieën geassocieerd met het wolff-parkinson-whitesyndroom en gelijksoortige aandoeningen met geleiding over accessoire bundels.
- Paroxismaal atriumfibrilleren bij patiënten met invaliderende symptomen.
De behandeling met flecaïnide dient onder medisch toezicht te worden ingesteld en doseringsaanpassingen dienen onder medisch toezicht doorgevoerd te worden onder controle van ECG en plasmaspiegel. Ziekenhuisopname kan tijdens deze procedures noodzakelijk zijn voor bepaalde patiënten, met name patiënten met levensbedreigende ventriculaire aritmieën.
Flecaïnide kan, net als andere anti-aritmica, pro-aritmische effecten hebben. Dit kan een beeld geven van een ernstig type aritmie, verhoogde frequentie van een bestaande aritmie of het verergeren van de symptomen (zie rubriek 4.8).
Flecaïnide moet vermeden worden bij patiënten met een structurele hartaandoening of abnormale functie van de linkerventrikel (zie rubriek 4.8).
Stoornissen in het elektrolytenevenwicht (bijv. hypo- en hyperkaliëmie) dienen hersteld te zijn voordat flecaïnide wordt gebruikt (zie rubriek 4.5 voor geneesmiddelen die een stoornis in het elektrolytenevenwicht veroorzaken).
Hypokaliëmie of hyperkaliëmie kunnen invloed hebben op de werking van klasse I-antiaritmica. Hypokaliëmie kan voorkomen bij patiënten die diuretica, corticosteroïden en laxeermiddelen gebruiken.
Ernstige bradycardie of aanzienlijke hypotensie dient gecorrigeerd te worden voordat flecaïnide wordt gebruikt.
Aangezien de plasma-eliminatie van flecaïnide aanzienlijk langzamer kan zijn bij patiënten met een ernstige leverfunctiestoornis, mag flecaïnide bij deze patiënten niet worden gebruikt, tenzij de mogelijke voordelen opwegen tegen de risico's. Aangeraden wordt om de plasmaspiegel te controleren.
Flecaïnide dient met voorzichtigheid te worden gebruikt bij patiënten met nierinsufficiëntie (creatinineklaring ≤ 35 ml/min/1,73m2), en aangeraden wordt het therapeutisch effect van het geneesmiddel te monitoren.
Bij ouderen kan de eliminatiesnelheid van flecaïnide uit het plasma verminderd zijn. Hiermee dient rekening te worden gehouden bij dosisaanpassingen.
Flecaïnide is niet aanbevolen bij kinderen jonger dan 12 jaar, omdat er te weinig bekend is over het gebruik in deze leeftijdsgroep.
Flecaïnide verhoogt de endocardiale pacingdrempel, d.w.z. het vermindert de endocardiale pacinggevoeligheid. Dit effect is reversibel, en is bij de acute pacingdrempel groter dan bij de chronische. Daarom dient flecaïnide met voorzichtigheid te worden gebruikt bij alle patiënten met een permanente pacemaker of tijdelijke pacingelektroden, en mag het niet worden toegediend aan patiënten met een bestaande verminderde prikkelbaarheid of een niet-programmeerbare pacemaker, tenzij er geschikte pacingapparatuur beschikbaar is.
In het algemeen geldt dat een verdubbeling van de pulsbreedte of -amplitude voldoende is om weer een ventrikelrespons te verkrijgen, maar het kan moeilijk zijn om met flecaïnide bij de eerste implantatie een ventrikeldrempel van minder dan 1 volt te verkrijgen.
Het geringe negatief inotrope effect van flecaïnide kan van klinisch belang zijn bij patiënten met een neiging tot hartfalen. Bij sommige patiënten hebben zich problemen met defibrilleren voorgedaan. In de meeste van de gemelde gevallen was een reeds bestaande hartaandoening aanwezig met hartvergroting, een voorgeschiedenis van myocardinfarct, arteriosclerotische hartaandoening en hartfalen.
Flecaïnide dient met voorzichtigheid te worden gebruikt bij patiënten met acuut atriumfibrilleren na hartchirurgie.
Flecaïnide kan het risico op mortaliteit van postmyocardiaal-infarctpatiënten met asymptomatische ventriculaire aritmieën verhogen.
Een versnelling van de ventriculaire graad van atriumfibrilleren is in het geval van therapiefalen voorgekomen.
Flecaïnide verlengt het QT-interval en verbreedt het QRS-complex met 12-20%. Er is geen significant effect op het JT-interval.
Door behandeling met flecaïnide kan een brugadasyndroom aan het licht komen. Als er tijdens de behandeling met flecaïnide veranderingen in het ECG ontstaan die kunnen wijzen op het brugadasyndroom , dient overwogen te worden de behandeling te staken.
Natrium
Dit medicijn bevat minder dan 1 mmol natrium (23 mg) per tablet, d.w.z. dat het in feite ‘natriumvrij’ is.
4.5 Interacties met andere geneesmiddelen en andere vormen van interactie
Klasse I-antiaritmica: flecaïnide mag niet tegelijk met andere klasse I-anti-aritmica (zoals kinidine) worden toegediend.
Klasse II-antiaritmica: men dient rekening te houden met de kans op additieve negatieve inotrope effecten van klasse II-anti-aritmica zoals bètablokkers, als deze tegelijk met flecaïnide worden gebruikt.
Klasse III-antiaritmica: als flecaïnide tegelijk met amiodaron wordt toegediend, moet de gebruikelijke dosering van flecaïnide met 50% worden verlaagd en dient de patiënt zorgvuldig gecontroleerd te worden op bijwerkingen. Aangeraden wordt om de plasmaspiegel te controleren.
Klasse IV-antiaritmica: het gebruik van flecaïnide met calciumkanaalblokkers, bijv. verapamil, dient met voorzichtigheid plaats te vinden.
Er kunnen levensbedreigende en zelfs letale bijwerkingen ontstaan als gevolg van interacties die verhoogde plasmaspiegels veroorzaken (zie rubriek 4.9). Flecaïnide wordt in hoge mate gemetaboliseerd door CYP2D6, en gelijktijdig gebruik van geneesmiddelen die dit iso-enzym remmen (o.a. antidepressiva, neuroleptica, propranolol, ritonavir, sommige antihistaminica) of induceren (o.a. fenytoïne, fenobarbital, carbamazepine) kan de plasmaspiegels van flecaïnide resp. verhogen of verlagen (zie onderstaande tekst).
Verhoogde plasmaspiegels kunnen ook het gevolg zijn van een verminderde nierfunctie, waardoor de klaring van flecaïnide verminderd is (zie rubriek 4.4).
Hypokaliëmie, hyperkaliëmie en andere stoornissen in het elektrolytenevenwicht dienen voor toediening van flecaïnide gecorrigeerd te zijn. Hypokaliëmie kan het gevolg zijn van het gelijktijdige gebruik van diuretica, corticosteroïden of laxeermiddelen en kan het risico op cardiotoxiciteit verhogen.
Anithistaminica: verhoogd risico van ventriculaire aritmie met mizolastine, astemizol en terfenadine (vermijd gelijktijdig gebruik).
Antivirale middelen: de plasmaspiegels worden verhoogd door ritonavir, lopinavir en indinavir (verhoogd risico van ventriculaire aritmie) (vermijd gelijktijdig gebruik).
Antidepressiva: paroxetine, fluoxetine en andere antidepressiva verhogen de plasmaspiegel van flecaïnide; er is een verhoogd risico van aritmie met gebruik van tricyclische antidepressiva.
Anti-epileptica: uit beperkte gegevens bij patiënten die bekende enzyminductoren krijgen (fenytoïne, fenobarbital, carbamazepine) blijkt dat de eliminatiesnelheid van flecaïnide met slechts 30% toeneemt.
Antipsychotica: clozapine, haloperidol en risperidon – verhoogd risico van aritmie.
Middelen tegen malaria: kinine en halofantrine verhogen de plasmaspiegel van flecaïnide.
Antimycotica: terbinafine kan de plasmaspiegel van flecaïnide verhogen als gevolg van zijn remming van de CYP2D6-activiteit.
Diuretica: klasse-effecten als gevolg van hypokaliëmie kunnen cardiotoxiciteit verhogen.
H2-antihistaminen (voor de behandeling van gastrische ulcera): De H2-antagonist cimetidine remt het metabolisme van flecaïnide. Bij gezonde proefpersonen die gedurende 1 week cimetidine kregen (1 g per dag) nam de AUC van flecaïnide met ongeveer 30% toe en de halfwaardetijd met ongeveer 10%.
Hulpmiddelen voor het stoppen met roken: gelijktijdige toediening van bupropion (gemetaboliseerd door CYP2D6) met flecaïnide dient met voorzichtigheid plaats te vinden, en moet begonnen worden met de laagste dosis uit het doseringsbereik van bupropion. Als bupropion wordt toegevoegd aan het behandelschema van een patiënt die al flecaïnide gebruikt dient dosisverlaging van het oorspronkelijke geneesmiddel overwogen te worden.
Hartglycosiden: door flecaïnide kan de plasmaspiegel van digoxine ongeveer 15% stijgen, maar dit is waarschijnlijk niet klinisch significant bij patiënten met plasmaspiegels in het therapeutische bereik. Aanbevolen wordt de plasmaspiegels van digoxine bij gedigitaliseerde patiënten niet minder dan zes uur na een dosis digoxine te meten, voor of na toediening van flecaïnide.
Anticoagulantia: de behandeling met flecaïnide is compatibel met het gebruik van orale anticoagulantia.
4.6 Vruchtbaarheid, zwangerschap en borstvoeding
Zwangerschap
Er zijn geen gegevens over de veiligheid van het middel tijdens zwangerschap bij de mens. Bij Nieuw-Zeelandse witte konijnen veroorzaakte flecaïnide enige foetale afwijkingen, maar deze effecten werden niet waargenomen bij ‘Dutch Belted’ konijnen of ratten (zie rubriek 5.3). De relevantie van deze bevindingen voor de mens is niet vastgesteld. Gegevens hebben aangetoond dat flecaïnide via de placenta in de foetus terechtkomt bij patiënten die tijdens de zwangerschap flecaïnide gebruiken.
Flecaïnide mag tijdens de zwangerschap alleen worden gebruikt als de voordelen opwegen tegen de risico’s. Als flecaïnide gebruikt wordt tijdens de zwangerschap moet de flecaïnide plasmaconcentratie van de moeder tijdens de zwangerschap worden gecontroleerd.
Borstvoeding
Flecaïnide wordt in de moedermelk bij de mens uitgescheiden. De plasmaconcentraties bij een zuigeling zijn 5-10 maal zo laag als de therapeutische geneesmiddelspiegels (zie rubriek 5.2). Hoewel het risico van bijwerkingen voor de zuigeling heel laag is, mag flecaïnide tijdens de borstvoedingsperiode alleen worden gebruikt als de voordelen opwegen tegen de risico’s.
4.7 Beïnvloeding van de rijvaardigheid en het vermogen om machines te bedienen
Flecaïnideacetaat heeft een matige invloed op de rijvaardigheid en op het vermogen om machines te bedienen. De rijvaardigheid, het vermogen om machines te bedienen en het werken zonder veiligheidssysteem kan beïnvloed worden door bijwerkingen zoals duizeligheid en gezichtsstoornissen, indien aanwezig.
4.8 Bijwerkingen
Zoals andere antiaritmica kan flecaïnide een aritmie induceren.
De bestaande aritmie kan verergeren of een nieuwe aritmie kan ontstaan. Het risico van pro-aritmische effecten is het meest waarschijnlijk bij patiënten met een structurele hartaandoening en/of een significante verslechtering van het linkerventrikel.
De meest voorkomende cardiovasculaire bijwerkingen zijn tweede- en derdegraads AV-blok, bradycardie, hartfalen, pijn op de borst, myocardinfarct, hypotensie, sinusarrest, tachycardie (AT en VT) en palpitaties.
De meest voorkomende bijwerkingen zijn draaierigheid en visuele stoornissen die bij ongeveer 15% van behandelde patiënten optreden. Deze bijwerkingen zijn doorgaans van voorbijgaande aard en verdwijnen na het staken van de behandeling of een verlaging van de dosis.
De volgende lijst van bijwerkingen is gebaseerd op ervaringen uit klinische studies en ervaringen nadat het geneesmiddel in de handel is gebracht.
De bijwerkingen staan hieronder vermeld volgens systeem/orgaanklassen en frequentie. De frequenties zijn gedefinieerd als:
Zeer vaak (≥1/10)
Vaak (≥1/100 en <1/10)
Soms (≥1/1000 en <1/100)
Zelden (≥1/10.000 en <1/1000)
Zeer zelden (<1/10.000)
Niet bekend (kan met de beschikbare gegevens niet worden bepaald)
Bloed- en lymfestelselaandoeningen
Soms: afgenomen aantal rode bloedcellen, witte bloedcellen en bloedplaatjes.
Immuunsysteemaandoeningen
Zeer zelden: verhoogde hoeveelheid antinucleaire antilichamen met en zonder systemische ontsteking.
Psychische stoornissen
Zelden: hallucinaties, depressie, verwardheid, angst, amnesie, slapeloosheid.
Zenuwstelselaandoeningen
Zeer vaak: duizeligheid, draaierigheid en licht gevoel in het hoofd, doorgaans van voorbijgaande aard.
Zelden: paresthesie, ataxie, hypo-esthesie, hyperhidrose, syncope, tremor, flushing, slaperigheid, hoofdpijn, perifere neuropathie, convulsies, dyskinesie.
Oogaandoeningen
Zeer vaak: gezichtsstoornissen zoals diplopie en wazig zien.
Zeer zelden: corneale neerslag.
Evenwichtsorgaan- en ooraandoeningen
Zelden: tinnitus, vertigo.
Hartaandoeningen
Vaak: proaritmie (het meest waarschijnlijk bij patiënten met een structurele hartaandoening en/of een significante verslechtering van het linkerventrikel).
Soms: patiënten met atriumfibrilleren kunnen een 1:1 AV-geleiding krijgen met een toegenomen hartritme.
Frequentie niet bekend (kan niet aan de hand van de beschikbare gegevens worden bepaald): er kan een dosisgerelateerde toename van het PR- en QRS-interval optreden (zie rubriek 4.4). Veranderde pacingdrempel (zie rubriek 4.4). Tweede- en derdegraads AV-blok, hartstilstand, bradycardie, hartfalen/congestief hartfalen, pijn op de borst, hypotensie, myocardinfarct, palpitaties, sinusarrest en tachycardie (AT of VT of ventriculair fibrilleren).
Aan het licht komen van een reeds bestaand brugadasyndroom.
Ventriculaire aritmieën kunnen verergeren en incidenteel kunnen onherstelbare ventrikelfibrillaties optreden.
Ademhalingsstelsel-, borstkas- en mediastinumaandoeningen
Vaak: dyspneu.
Zelden: pneumonitis.
Niet bekend: longfibrose, interstitiële longaandoening.
Maagdarmstelselaandoeningen
Soms: misselijkheid, braken, obstipatie, buikpijn, verminderde eetlust, diarree, dyspepsie, flatulentie, droge mond, smaakstoornissen.
Lever- en galaandoeningen
Zelden: verhoogde hoeveelheid leverenzymen met of zonder geelzucht.
Niet bekend: leverfunctiestoornis.
Huid- en onderhuidaandoeningen
Soms: allergische dermatitis inclusief huiduitslag, alopecia.
Zelden: ernstige urticaria.
Zeer zelden: fotosensitiviteitsreactie.
Skeletspierstelsel- en bindweefselaandoeningen
Niet bekend: artralgie en myalgie.
Algemene aandoeningen en toedieningsplaatsstoornissen
Vaak: asthenie, vermoeidheid, pyrexie, oedeem, gevoel van onbehaaglijkheid.
Melding van vermoedelijke bijwerkingen
Het is belangrijk om na toelating van het geneesmiddel vermoedelijke bijwerkingen te melden. Op deze wijze kan de verhouding tussen voordelen en risico's van het geneesmiddel voortdurend worden gevolgd. Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg wordt verzocht alle vermoedelijke bijwerkingen te melden via het Nederlands Bijwerkingen Centrum Lareb, website: www.lareb.nl.
4.9 Overdosering
Overdosering met flecaïnide is een mogelijk levensbedreigende medische noodsituatie. Ook geneesmiddelinteracties kunnen leiden tot een toegenomen gevoeligheid voor het geneesmiddel of tot plasmaspiegels die hoger zijn dan de therapeutische (zie rubriek 4.5).
Overdosering kan leiden tot hypotensie, toevallen, bradycardie, geleidingsvertraging (sinoarteriaal of AV-blok) en asystolie. De QRS en QT-intervallen worden verlengd en ventriculaire aritmiën kunnen optreden. Flecaïnide kan atriumfibrilleren vertragen of omzetten in atriumflutter met snelle geleiding.
Er is geen manier bekend om flecaïnide snel uit het systeem te verwijderen. Dialyse en hemoperfusie zijn niet effectief. Zo mogelijk kan niet-geabsorbeerd geneesmiddel uit het maagdarmkanaal verwijderd worden. Geforceerde diurese met acidificatie van de urine bevordert in theorie de uitscheiding van het geneesmiddel. Intraveneuze vetemulsie zou de effectieve vrije concentratie van flecaïnide kunnen verlagen.
Er is geen specifiek antidotum bekend. Intraveneus natriumbicarbonaat 8,4% vermindert op receptorniveau de flecaïnide activiteit vaak binnen enkele minuten.
Andere maatregelen moeten ondersteunend zijn en kunnen bestaan uit toediening van inotrope middelen of hartstimulerende middelen zoals dopamine, dobutamine of isoproterenol, evenals mechanische beademing en ondersteuning van de circulatie (bijv. een ballonpomp).
Overwogen kan worden om tijdelijk een transveneuze pacemaker te plaatsen, mocht er een geleidingsblokkering ontstaan. In individuele gevallen kan Extra Corporele Membraan Oxygenatie (ECMO) overwogen worden. Uitgaande van een plasmahalfwaardetijd van ongeveer 20 uur kan het nodig zijn dat deze ondersteunende maatregelen gedurende langere tijd worden voortgezet.
5. FARMACOLOGISCHE EIGENSCHAPPEN
5.1 Farmacodynamische eigenschappen
Farmacotherapeutische categorie: Antiaritmica, klasse Ic, ATC-code: C01BC04
Flecaïnide-acetaat behoort tot de klasse Ic-antiaritmica, die gebruikt worden voor de behandeling van ernstige symptomatische levensbedreigende ventriculaire en supraventriculaire aritmieën. Het mag niet gebruikt worden bij de onderdrukking van asymptomatische ventriculaire aritmieën bij patiënten met een myocardinfarct in de anamnese. De meeste bijwerkingen zijn op het centrale zenuwstelsel.
Elektrofysiologisch is flecaïnide een lokaal-anaesthesthische type (klasse Ic) anti-aritmische verbinding. Het is een amide-type lokaal-anaestheticum, dat structureel gerelateerd is aan procaïnamide en encainide aangezien deze ook benzamidederivaten zijn.
De karakterisering van flecaïnide als een klasse Ic-verbinding is gebaseerd op een drietal kenmerken: significante depressie van de snelle natrium kanalen in het hart; langzame aanvang en compensatoire inhibitie kinetiek van de natrium kanalen (duidt op langzame verbinding naar de dissociatie van natrium kanalen); en het differentieel effect van het geneesmiddel op de duur van de actiepotentiaal in de ventriculaire spier ten opzichte van de purkinjevezels, dat geen effect heeft in de eerst genoemde en significant korter in de laatstgenoemde.
Deze verscheidenheid aan eigenschappen leidt tot een significante depressie van de geleidingssnelheid in vezels afhankelijk van de snelle-kanaalvezels voor depolarisatie, maar geeft een bescheiden toename in de effectieve refractaire periode te zien bij testen in geïsoleerd hartweefsel. Deze elektrofysiologische effecten van flecaïnide kunnen leiden tot verlenging van het PR-interval en verbreding van het QRS-complex in het ECG. Bij hele hoge concentraties laat flecaïnide een zwak depressief effect zien op de langzame kanalen in het myocard. Dit gaat vergezeld van een negatief inotroop effect. Flecaïnide geeft geen significante interactie met het autonome zenuwstelsel. Het geneesmiddel schijnt geen meetbaar effect te hebben op het coronair, pulmonair of op andere regionale circulatiesystemen.
5.2 Farmacokinetische eigenschappen
Absorptie
Flecainide wordt nagenoeg volledig geabsorbeerd na orale toediening en ondergaat nauwelijks first-passmetabolisme. De biologische beschikbaarheid van flecaïnide acetaat tabletten bedraagt ongeveer 90%. De therapeutische plasma concentratie range bedraagt in het algemeen 200 tot 1000 ng/ml.
Distributie
Flecainide wordt voor ongeveer 40% aan plasma-eiwitten gebonden. Flecaïnide passeert de placenta en wordt in de moedermelk uitgescheiden.
Biotransformatie
Flecaïnide wordt voor een groot deel gemetaboliseerd (ondergaat genetische polymorfisme). Hiervan zijn de twee belangrijkste metabolieten m-O-des-alkylflecaïnide en m-O-desalkyllactamflecaïnide, die beiden enige activiteit kunnen vertonen. Het metabolisme wordt ondermeer bepaald door het cytochroom P450 iso-enzym CYP2D6, dat genetisch polymorfisme vertoont.
Eliminatie
Flecaïnide wordt grotendeels in de urine uitgescheiden, ongeveer 30% als onveranderd flecaïnide en de rest als metabolieten. Ongeveer 5% wordt met de feces uitgescheiden. De eliminatiehalfwaarde tijd van flecaïnide bedraagt ongeveer 20 uur.
Met hemodialyse wordt ongeveer 1% van het onveranderd flecaïnide verwijderd.
Uitscheiding van flecaïnide neemt af bij nierfalen, leverziekten, hartinsufficiëntie en bij alkalische urine.
5.3 Gegevens uit het preklinisch veiligheidsonderzoek
De enige relevante preklinische gegevens voor de voorschrijver en die een toegevoegde waarde hebben tot hetgeen vermeld staat in andere rubrieken van de SmPC zijn de effecten op de reproductie. Bij één soort konijnen bleek flecaïnide teratogeen en embryotoxisch, er waren onvoldoende gegevens aanwezig om de veiligheidsmarge van dit effect vast te stellen. Deze effecten zijn echter niet waargenomen bij andere soorten konijnen, ratten en muizen.
6. FARMACEUTISCHE GEGEVENS
6.1 Lijst van hulpstoffen
Gepregelatiniseerd zetmeel (gedeeltelijk gepregelatiniseerd maïszetmeel)
Croscarmellose-natrium
Microkristallijne cellulose
Gehydrogeneerde plantaardige olie
Magnesiumstearaat
6.2 Gevallen van onverenigbaarheid
Niet van toepassing.
6.3 Houdbaarheid
3 jaar.
6.4 Speciale voorzorgsmaatregelen bij bewaren
Voor dit medicijn gelden geen speciale bewaarcondities.
6.5 Aard en inhoud van de verpakking
Flecainide Alkaloid-INT tabletten zijn verpakt in PVC/PVDC/aluminium blisterverpakkingen.
Elke blisterverpakking bevat 10 tabletten
Doos met 20, 30, 50 of 100 tabletten in blisterverpakkingen is beschikbaar.
Het is mogelijk dat niet alle genoemde verpakkingsgrootten in de handel worden gebracht.
6.6 Speciale voorzorgsmaatregelen voor het verwijderen
Geen bijzondere vereisten.
7. HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
ALKALOID-INT d.o.o.
Šlandrova ulica 4
1231 Ljubljana – Črnuče
Slovenië
email: info@alkaloid.si
8. NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
Flecainide Alkaloid-INT 50 mg tabletten RVG 125437
Flecainide Alkaloid-INT 100 mg tabletten RVG 125445
9. DATUM EERSTE VERGUNNINGVERLENING/VERLENGING VAN DE VERGUNNING
Datum van eerste verlening van de vergunning: 10 juni 2021 Datum van laatste verlenging: 23 maart 2026
10. DATUM VAN DE HERZIENING VAN DE TEKST
Laatst gedeeltelijke wijziging betreft rubriek 9: 26 augustus 2025.
