SmPC (samenvatting van de productkenmerken) - Diclofenac HTP
1. NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
Diclofenac HTP 1%, gel
2. KWALITATIEVE EN KWANTITATIEVE SAMENSTELLING
Elke gram gel bevat 10 mg diclofenacnatrium overeenkomend met 10 mg diclofenac.
Hulpstoffen met bekend effect:
Elke gram gel bevat 0,5 mg methylparahydroxybenzoaat, 0,5 mg propylparahydroxybenzoaat en 80 mg propyleenglycol.
Voor de volledige lijst van hulpstoffen, zie rubriek 6.1.
3. FARMACEUTISCHE VORM
Gel.
Witte, gladde, homogene, gel met een lichte karakteristieke geur.
4. KLINISCHE GEGEVENS
4.1 Therapeutische indicaties
Ter lokale verlichting van milde tot matige gewrichtspijn, veroorzaakt door exacerbatie van osteoartrose van de knie en van de vingers.
Het effect van Diclofenac HTP 1% wordt gedurende de eerste week van de behandeling geleidelijk opgebouwd.
4.2 Dosering en wijze van toediening
Dosering
Volwassenen
Diclofenac HTP 1% moet 4 maal per dag aangebracht worden op de te behandelen zone van de knie of hand en dient zacht in de huid te worden ingewreven. De benodigde hoeveelheid gel is ongeveer 2 à 4 gram, voldoende om een oppervlakte van ongeveer 4 à 8 dm2 te behandelen. De handen wassen na toepassing, tenzij de handen worden behandeld.
Het effect van Diclofenac HTP 1% wordt gedurende de eerste week van de behandeling geleidelijk opgebouwd. Indien de situatie niet is verbeterd of indien de situatie verergert na 7 dagen, dient een arts te worden geconsulteerd. De gel dient niet langer dan 3 weken te worden gebruikt.
Kinderen en adolescenten
Diclofenac HTP 1% wordt niet aangeraden bij kinderen en adolescenten.
Patiënten met nier- of leverfalen
Er is geen dosisaanpassing nodig bij deze patiënten.
Ouderen:
De gebruikelijke volwassen dosering is van toepassing.
4.3 Contra-indicaties
- Overgevoeligheid voor de werkzame stof of voor een van de in rubriek 6.1 vermelde hulpstoffen.
- Patiënten bij wie de inname van acetylsalicylzuur of een ander niet-steorïdaal anti-inflammatoir geneesmiddel (NSAID), gevolgd wordt door een astma-exacerbatie, urticaria of acute rhinitis.
- Gedurende het derde trimester van de zwangerschap.
4.4 Bijzondere waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik
- De kans op ongewenste systemische effecten bij toepassing van Diclofenac HTP 1% kan niet worden uitgesloten bij gebruik op grote huidoppervlakten en gedurende een langere periode (zie productinformatie van de systemische vormen van diclofenac).
- Cutane veiligheid van NSAIDs: ernstige huidreacties geassocieerd met de toediening van NSAIDs, waaronder exfoliatieve dermatitis, Stevens-Johnson-syndroom en toxische epidermale necrolyse, soms met een fataal verloop, werden zeer zelden gerapporteerd (zie rubriek 4.8). Kennelijk is het risico op het optreden van dergelijke reacties hoger aan het begin van de behandeling en in de meeste gevallen openbaren deze reacties zich gedurende de eerste maand van de behandeling. Stop het gebruik van Diclofenac HTP 1% als er zich een huiduitslag, mucosale beschadigingen of andere uitingen van overgevoeligheid ontwikkelen.
- Diclofenac HTP 1% mag enkel op een intacte, gezonde huid worden aangebracht en niet op wonden of een beschadigde huid. Het mag niet in aanraking worden gebracht met ogen of slijmvliezen, en mag nooit worden ingeslikt.
- Stel de met Diclofenac HTP 1% behandelde huid niet bloot aan zonlicht.
- Diclofenac HTP 1% dient met voorzichtigheid te worden gebruikt bij patiënten met astma of maagzweren in de medische voorgeschiedenis.
- Diclofenac HTP 1% kan gebruikt worden met niet-occlusieve verbanden, maar mag niet gebruikt worden onder een luchtdicht occlusief verband.
Informatie met betrekking tot hulpstoffen:
- Diclofenac HTP 1% bevat methylparahydroxybenzoaat en propylparahydroxybenzoaat, welke allergische reacties (wellicht vertraagd) kunnen veroorzaken.
- Diclofenac HTP 1% bevat ook propyleenglycol, wat huidirritatie kan veroorzaken.
4.5 Interacties met andere geneesmiddelen en andere vormen van interactie
Aangezien de systemische absorptie van diclofenac na lokale toe[passing van Diclofenac HTP 1% zeer klein is, zijn interacties met andere geneesmiddelen en andere vormen van interacties onwaarschijnlijk.
4.6 Vruchtbaarheid, zwangerschap en borstvoeding
Zwangerschap
Er zijn geen klinische gegevens op basis van het gebruik van Diclofenac HTP 1%, gel tijdens de zwangerschap. Hoewel de systemische blootstelling lager is dan bij orale toediening, is niet bekend of de systemische blootstelling aan Diclofenac HTP 1%, gel die wordt bereikt na topische toediening schadelijk kan zijn voor een embryo/foetus. Diclofenac HTP 1%, gel mag niet worden gebruikt tijdens het eerste en tweede trimester van de zwangerschap, tenzij daar een duidelijke noodzaak voor is. Indien het toch wordt gebruikt, moet de dosis zo laag mogelijk en de behandelingsduur zo kort mogelijk worden gehouden.
Tijdens het derde trimester van de zwangerschap kan systemisch gebruik van prostaglandinesynthetaseremmers cardiopulmonale toxiciteit en niertoxiciteit induceren bij de foetus. Aan het eind van de zwangerschap kan een verlengde bloedingstijd optreden bij moeder en kind en de bevalling kan worden vertraagd. Om deze reden is Diclofenac HTP 1%, gel gecontra-indiceerd tijdens het laatste trimester van de zwangerschap (zie rubriek 4.3).
Borstvoeding
Zoals andere NSAIDs gaat diclofenac in kleine hoeveelheden over in de moedermelk. Echter, bij therapeutische doseringen van Diclofenac HTP 1% verwacht men geen effecten op de zuigeling. Omwille van een gebrek aan gecontroleerde studies bij vrouwen die borstvoeding geven, mag het geneesmiddel enkel toegediend worden tijdens de borstvoeding op advies van een beroepsbeoefenaar in de gezondheidszorg. Onder deze omstandigheden, mag Diclofenac HTP 1% niet toegediend worden op de borsten van vrouwen die borstvoeding geven, noch elders op grote huidoppervlakten of gedurende langere periodes (zie rubriek 4.4).
Vruchtbaarheid
Het gebruik van diclofenac kan de vruchtbaarheid van vrouwen nadelig beïnvloeden en wordt niet aanbevolen bij vrouwen die proberen zwanger te worden. Bij vrouwen die problemen hebben bij het zwanger worden of die onvruchtbaarheidonderzoeken ondergaan, moet onthouding van diclofenac overwogen worden.
4.7 Beïnvloeding van de rijvaardigheid en het vermogen om machines te bedienen
Diclofenac HTP 1% heeft geen invloed op de rijvaardigheid of op het vermogen om machines te bedienen.
4.8 Bijwerkingen
De bijwerkingen worden hieronder gerangschikt naar frequentie, de meest frequente eerst, waarbij de volgende conventie gebruikt wordt: zeer vaak (> 1/10), vaak (≥ 1/100, < 1/10), soms (≥ 1/1.000,< 1/100), zelden (≥ 1/10.000, < 1/1.000), zeer zelden (< 1/10.000), niet bekend (kan met de beschikbare gegevens niet worden bepaald).
Infecties en parasitaire aandoeningen
Zeer zelden: Pustulaire rash
Immuunsysteem aandoeningen
Zeer zelden: Overgevoeligheid (inclusief urticaria), angioneurotisch oedeem
Ademhalingsstelsel-, borstkas- en mediastinumaandoeningen
Zeer zelden: Astma
Maagdarmstelselaandoeningen
Niet bekend: Langdurig gebruik van Diclofenac HTP 1% op relatief grote oppervlakten kan systemische reacties, zoals misselijkheid, braken, diarree en epigastrische pijn, veroorzaken.
Huid- en onderhuidaandoeningen
Vaak: Rash, eczeem, dermatitis (inclusief contactdermatitis), pruritus
Zelden: Bulleuze dermatitis inclusief Stevens-Johnson syndroom en toxische epidermale necrolyse
Zeer zelden: Fotosensibiliteit, overmatig blozen, erytheem
Melding van vermoedelijke bijwerkingen
Het is belangrijk om na toelating van het geneesmiddel vermoedelijke bijwerkingen te melden. Op deze wijze kan de verhouding tussen voordelen en risico’s van het geneesmiddel voortdurend worden gevolgd. Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg wordt verzocht alle vermoedelijke bijwerkingen te melden via het Nederlands Bijwerkingen Centrum Lareb, website: www.lareb.nl.
4.9 Overdosering
De kans op ongewenste systemische effecten bij toepassing van Diclofenac HTP 1% kan niet worden uitgesloten bij gebruik op grote huidoppervlakten en gedurende een langere periode (zie productinformatie van de systemische vormen van diclofenac).
Ook kunnen ongewenste effecten, vergelijkbaar met die waargenomen na overdosering van diclofenac tabletten, verwacht worden indien Diclofenac HTP 1% wordt ingeslikt (1 tube van 100 g komt overeen met 1000 mg diclofenacnatrium). In geval van accidentele inname, resulterend in significante systemische bijwerkingen, moeten algemene therapeutische maatregelen, zoals deze normaal toegepast worden om een vergiftiging met niet-steroïdale anti-inflammatoire geneesmiddelen te behandelen, genomen worden. Maagspoeling en het gebruik van actief kool moet in overweging worden genomen, vooral kort na de inname.
5. FARMACOLOGISCHE EIGENSCHAPPEN
5.1 Farmacodynamische eigenschappen
Farmacotherapeutische categorie: lokaal product voor gewrichtspijn. Anti-inflammatoir preparaat, niet-steroïdaal, voor topisch gebruik.
ATC code: M02A A15.
Diclofenac is een fenylazijnzuur derivaat. Het leidt tot de remming van de cyclo-oxygenase activiteit, hetgeen leidt tot remming van de synthese van prostaglandines en andere ontstekingsfactoren. Diclofenac werkt als een anti-inflammatoir en analgetisch geneesmiddel bij de topische behandeling van milde tot matige gewrichtspijn, veroorzaakt door exacerbatie van osteoartrose van de knie en van de vingers..
5.2 Farmacokinetische eigenschappen
Absorptie
Na topische toediening, wordt diclofenac goed geabsorbeerd in de subcutane huidlagen. De maximale spiegel van diclofenac na een dosis van 7,5 g met een concentratie van 1% is gemiddeld ongeveer 3,9 ng/ml bij gezonde vrijwilligers. Na behandeling gedurende meerdere dagen, wordt een huid- en wekedelen-spiegel bereikt die 30 tot 40 maal hoger is dan die in het plasma. De absorptie van diclofenac na het aanbrengen van de 1% concentratie op de gezonde huid was 6 tot 7% bij gezonde individuen.
Distributie
Diclofenac-concentraties werden gemeten in het plasma, synoviale weefsels en synoviale vloeistof na topische toepassing van diclofenac gel op de hand en knie. De maximale plasmaconcentraties zijn ongeveer 100 maal lager dan na orale toediening van dezelfde hoeveelheid diclofenac. 99,7% van diclofenac wordt gebonden aan serumeiwitten, voornamelijk aan albumine (99,4%).
Metabolisme
Bij de biotransformatie van diclofenac is gedeeltelijke glucuronidatie van het intacte molecuul betrokken, maar vooral de enkelvoudige en meervoudige hydroxylatie. De belangrijkste metaboliet is 4-hydroxy-diclofenac (30%-40%). De meeste van deze hydroxymetabolieten worden geconjugeerd met glucuronide (hydroxyl-gluconaten). Alle metabolieten zijn biologisch actief, alhoewel in mindere mate dan diclofenac.
Eliminatie
Diclofenac en zijn metabolieten worden hoofdzakelijk in de urine uitgescheiden. De totale systemische klaring van diclofenac uit het plasma is 263 ± 56 ml/min. De terminale plasma halfwaardetijd is 1-2 uur. De metabolieten hebben een vergelijkbare plasma halfwaardetijden van 1-3 uur. Ongeveer 60% van de toegediende dosering wordt via de urine uitgescheiden in de vorm van metabolieten, slechts 1% in de vorm van diclofenac. Het overige wordt als metabolieten uitgescheiden via gal en feces.
5.3 Gegevens uit het preklinisch veiligheidsonderzoek
Preklinische gegevens over diclofenac tonen geen bijzondere gevaren aan voor de mens bij de gebruikte therapeutische dosering, op basis van conventionele studies over veiligheidsfarmacologie, herhaalde dosistoxiciteit, genotoxiciteit, mutageniciteit en carcinogene studies.
NSAID’s vertonen teratogene effecten in dierstudies. Diclofenac remt ovulatie in konijnen, veroorzaakt gespleten gehemelte in muizen, en remt implantatie en aanleg van de placenta in ratten. Toxische doses in ratten zijn geassocieerd met dystocia, verlengde zwangerschap, verlaagd foetaal gewicht en groei, en verminderde foetale overleving. Een bekend effect van remming van de prostaglandine synthese is sluiting van de ductus arteriosus.
6. FARMACEUTISCHE GEGEVENS
6.1 Lijst van hulpstoffen
Natriumhydroxide, hydroxyethylcellulose, carbomeer, propyleenglycol, triglyceriden, methylparahydroxybenzoaat (E218), propylparahydroxybenzoaat (E216), gezuiverd water.
6.2 Gevallen van onverenigbaarheid
Niet bekend.
6.3 Houdbaarheid
24 maanden.
Na opening van de tube is de houdbaarheid beperkt tot 3 maanden.
6.4 Speciale voorzorgsmaatregelen bij bewaren
Bewaren beneden 30°C.
6.5 Aard en inhoud van de verpakking
Aluminium tube met een sealing membraan. De tube wordt gesloten met een HDPE schroefdop.
Verpakkingsgrootten: tubes van 60 g en 100 g.
6.6 Speciale voorzorgsmaatregelen voor het verwijderen
Geen bijzondere vereisten.
7. HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
Healthypharm B.V.
Van de Reijtstraat 31-E
4814 NE Breda
Nederland
8. NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
RVG 116368 Diclofenac HTP 1%, gel
9. DATUM VAN EERSTE VERLENING VAN DE VERGUNNING/VERLENGING VAN DE VERGUNNING
Datum van eerste verlening van de vergunning: 09 juni 2016
10. DATUM VAN HERZIENING VAN DE TEKST
Laatste gedeeltelijke wijziging betreft rubriek 4.6: 21 september 2024
