SmPC (samenvatting van de productkenmerken) - Copaxone 40 mg/ml oplossing voor injectie
1. NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
Copaxone 40 mg/ml, oplossing voor injectie in een voorgevulde spuit
2. KWALITATIEVE EN KWANTITATIEVE SAMENSTELLING
1 voorgevulde spuit (1 ml) met oplossing bevat 40 mg glatirameeracetaat* overeenkomend met 36 mg glatirameer.
* Glatirameeracetaat is het acetaat zout van synthetische polipeptiden bestaande uit 4 natuurlijke aminozuren: L-glutaminezuur, L-alanine, L-tyrosine en L-lysine in molaire fracties variërend van respectievelijk 0,129-0,153, 0,392-0,462, 0,086-0,100 en 0,300-0,374. Het gemiddelde molecuul gewicht van glatirameeracetaat ligt tussen de 5.000-9.000 Dalton. Door samenstellingscomplexiteit is het niet mogelijk om specifieke polypeptiden volledig te karakteriseren in termen van de aminozuursequentie, hoewel de uiteindelijke glatirameeracetaatsamenstelling niet geheel willekeurig is.
Voor de volledige lijst van hulpstoffen, zie rubriek 6.1.
3. FARMACEUTISCHE VORM
Oplossing voor injectie in een voorgevulde spuit (injectie).
Heldere oplossing zonder zichtbare deeltjes.
De oplossing voor injectie heeft een pH van 5,5 – 7,0 en een osmolariteit van ongeveer 300 mOsmol/L.
4. KLINISCHE GEGEVENS
4.1 Therapeutische indicaties
Copaxone 40 mg/ml is geïndiceerd voor de behandeling van relapsing vormen van multipele sclerose (MS) (zie rubriek 5.1 voor belangrijke informatie over de populatie waarbij de werkzaamheid is vastgesteld).
Copaxone is niet geïndiceerd bij patiënten met de primair of secundair progressieve MS.
4.2 Dosering en wijze van toediening
De behandeling met Copaxone dient te worden gestart onder toezicht van een neuroloog of een arts die ervaring heeft met de behandeling van MS.
Dosering
De aanbevolen dosering bij volwassen is 40 mg glatirameeracetaat (1 voorgevulde spuit), toegediend als subcutane injectie driemaal per week met tussenpozen van minimaal 48 uur.
Op dit moment is het onbekend hoe lang de patiënt dient te worden behandeld.
De beslissing om de behandeling langdurig voort te zetten, dient per patiënt te worden genomen door de behandelend arts.
Patiënten met een verminderde nierfunctie
Copaxone is niet specifiek onderzocht bij patiënten met een verminderde nierfunctie (zie rubriek 4.4).
Oudere patiënten
Copaxone is niet specifiek onderzocht bij ouderen.
Pediatrische patiënten
De veiligheid en werkzaamheid van glatirameeracetaat bij kinderen en adolescenten is niet vastgesteld. Over het gebruik van Copaxone 40 mg/ml driemaal per week (t.i.w.) bij kinderen en adolescenten onder de 18 jaar is niet genoeg informatie beschikbaar om aanwijzingen voor het gebruik te geven. Daarom mag Copaxone 40 mg/ml t.i.w. niet gebruikt worden bij kinderen en adolescenten onder de 18 jaar.
Wijze van toediening
Copaxone is voor subcutaan gebruik.
De patiënten dienen instructies te krijgen met betrekking tot zelf-injectie technieken en dienen de eerste keer dat zij zichzelf injecteren en tot 30 minuten daarna onder toezicht te staan van een arts of verpleegkundige.
Voor elke injectie dient een andere plaats te worden gekozen, om de kans op irritatie of pijn op de injectieplaats te verminderen. Plaatsen waar de patiënt zichzelf kan injecteren zijn buik, arm, heup en dijbeen.
Het CSYNC-apparaat is beschikbaar voor als de patiënt zijn injectie wil laten uitvoeren met een injectieapparaat. Het CSYNC-apparaat is een auto-injector die gebruikt dient te worden met voorgevulde Copaxone spuiten. Het apparaat is niet getest met andere voorgevulde spuiten. Het CSYNC-apparaat dient gebruikt te worden zoals aanbevolen volgens de informatie verstrekt door de fabrikant van het apparaat.
4.3 Contra-indicaties
Copaxone is gecontra-indiceerd bij:
- overgevoeligheid voor de werkzame stof (glatirameeracetaat) of voor (één van) de in rubriek 6.1 vermelde hulpstoffen.
4.4 Bijzondere waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik
Copaxone dient uitsluitend subcutaan te worden toegediend. Copaxone dient niet intraveneus (IV) of intramusculair (IM) te worden toegediend.
Glatirameeracetaat kan postinjectiereacties en anafylactische reacties veroorzaken (zie rubriek 4.8):
Postinjectiereacties
De behandelend arts dient aan de patiënt uit te leggen dat binnen enkele minuten na toediening van een Copaxone injectie een reactie met tenminste één van de volgende verschijnselen kan optreden: vasodilatatie (blozen), pijn op de borst, dyspneu, palpitaties of tachycardie (zie rubriek 4.8).
De meeste van deze symptomen zijn van korte duur en verdwijnen spontaan zonder restverschijnselen. Indien er een ernstige bijwerking optreedt, dan moet de patiënt de Copaxone behandeling onmiddellijk staken en een arts raadplegen. Symptomatische behandeling kan – naar inzicht van de arts - worden ingesteld.
Er zijn geen aanwijzingen dat een bepaalde patiëntengroep een extra hoog risico heeft op deze reacties. Desalniettemin dient men voorzichtig te zijn met toediening van Copaxone aan patiënten met reeds aanwezige cardiale stoornissen. Deze patiënten dienen tijdens de behandeling regelmatig te worden gecontroleerd.
Anafylactische reacties
Anafylactische reacties kunnen optreden kort na toediening van glatirameeracetaat, zelfs maanden tot jaren na de start van de behandeling (zie rubriek 4.8). Er zijn gevallen met fatale afloop gemeld. Sommige tekenen en symptomen van anafylactische reacties kunnen overlappen met postinjectiereacties. Alle patiënten die een behandeling met Copaxone krijgen en alle verzorgers dienen te worden geïnformeerd over de specifieke tekenen en symptomen van anafylactische reacties, en dat ze onmiddellijk spoedeisende medische hulp moeten inroepen als ze deze symptomen ervaren (zie rubriek 4.8).
Als een anafylactische reactie optreedt, moet de behandeling met Copaxone worden gestaakt (zie rubriek 4.3).
Glatirameeracetaat-reactieve antilichamen zijn aangetoond in sera van patiënten die dagelijks en chronisch behandeld werden met Copaxone. Maximale spiegels werden verkregen na een gemiddelde behandelingsduur van 3-4 maanden, en namen daarna af en stabiliseerden tot een niveau nauwelijks hoger dan de uitgangsspiegel.
Er zijn geen aanwijzingen dat deze glatirameeracetaat-reactieve antilichamen neutraliserend zijn of dat de vorming ervan de klinische werkzaamheid van Copaxone beïnvloedt.
Bij patiënten met nierinsufficiëntie dient tijdens de behandeling met Copaxone de nierfunctie te worden gecontroleerd. Hoewel er geen bewijzen zijn voor glomerulaire afzetting van immuuncomplexen bij patiënten, kan deze mogelijkheid niet worden uitgesloten.
Zeldzame gevallen van ernstige leverbeschadiging (waaronder hepatitis met geelzucht, leverfalen en in geïsoleerde gevallen levertransplantatie) zijn waargenomen. Leverbeschadiging trad binnen dagen tot jaren na aanvang van de behandeling met Copaxone op. De meeste gevallen van ernstige leverbeschadiging verdwenen na stopzetting van de behandeling. In sommige gevallen kwamen deze bijwerkingen voor bij aanwezigheid van overmatig alcoholgebruik, bestaande of voorgeschiedenis van leverbeschadiging en gebruik van andere potentiële hepatotoxische medicatie. Patiënten moeten regelmatig worden gecontroleerd op tekenen van leverbeschadiging en moeten de instructie krijgen onmiddellijk medisch advies in te winnen in geval van symptomen van leverbeschadiging. In geval van klinisch significante leverbeschadiging dient het staken van Copaxone overwogen te worden.
4.5 Interacties met andere geneesmiddelen en andere vormen van interactie
Interacties tussen Copaxone en andere geneesmiddelen zijn niet formeel geëvalueerd.
Observaties vanuit bestaande klinische onderzoeken en post-marketing gegevens tonen niet aan dat er een significante interactie van Copaxone is met behandelingen die gebruikt worden bij MS patiënten, waaronder het gelijktijdig gebruik tot aan 28 dagen van corticosteroïden.
In vitro onderzoek wijst erop dat glatirameeracetaat in het bloed zich sterk bindt aan plasma eiwitten, maar dat het niet wordt verdrongen door fenytoïne of carbamazepine en op zijn beurt deze stoffen niet verdringt. Desalniettemin dient gelijktijdig gebruik van dergelijke geneesmiddelen zorgvuldig te worden bewaakt, omdat het theoretisch mogelijk is dat Copaxone invloed heeft op de distributie van stoffen die zich binden aan eiwitten.
4.6 Vruchtbaarheid, zwangerschap en borstvoeding
Zwangerschap
Een grote hoeveelheid gegevens over zwangere vrouwen (meer dan 1.000 blootgestelde uitkomsten) duidt niet op misvormingen of foetale/neonatale toxiciteit.
Copaxone kan, indien klinische noodzakelijk, tijdens de zwangerschap worden gebruikt.
Borstvoeding
De fysisch-chemische eigenschappen en de lage orale absorptie suggereren dat de blootstelling van pasgeborenen/zuigelingen aan glatirameeracetaat via menselijke moedermelk verwaarloosbaar is. Een niet-interventionele retrospectieve studie bij 60 zuigelingen die borstvoeding kregen van moeders die waren blootgesteld aan glatirameeracetaat in vergelijking met 60 zuigelingen die borstvoeding kregen van moeders die niet waren blootgesteld aan een ziektemodificerende therapie en beperkte postmarketinggegevens bij de mens toonden geen negatieve effecten van glatirameeracetaat aan.
Copaxone kan worden gebruikt tijdens het geven van borstvoeding.
4.7 Beïnvloeding van de rijvaardigheid en het vermogen om machines te bedienen
Er is geen onderzoek verricht met betrekking tot de effecten op de rijvaardigheid en op het vermogen om machines te bedienen.
4.8 Bijwerkingen
De meeste gegevens met betrekking tot de veiligheid zijn verzameld met Copaxone 20 mg/ml, eenmaal daags toegediend als subcutane injectie. In deze rubriek worden de samengevoegde veiligheidsgegevens gepresenteerd van vier placebogecontroleerde studies met Copaxone 20 mg/ml, eenmaal daags toegediend, en van één placebogecontroleerde studie met Copaxone 40 mg/ml, driemaal per week toegediend.
Er is geen directe vergelijking gemaakt, in dezelfde studie, van de veiligheid van Copaxone 20 mg/ml (dagelijks toegediend) en Copaxone 40 mg/ml (driemaal per week toegediend).
Copaxone 20 mg/ml (eenmaal daags toegediend)
Bij alle klinische onderzoeken met Copaxone 20 mg/ml werden reacties op de injectieplaats als meest frequente bijwerking waargenomen en deze werden door een meerderheid van de patiënten, die Copaxone kregen toegediend, gemeld.
Bij gecontroleerde studies was het aantal patiënten dat een dergelijke reactie minstens één keer meldde, hoger na behandeling met Copaxone 20 mg/ml (70%) vergeleken met placebo (37%). Op de injectieplaats traden de volgende reacties het meest op in Copaxone 20 mg/ml behandelde patiënten vs. placebo behandelde patiënten: roodheid van de huid, pijn, zwelling, jeuk, oedeem, ontsteking en overgevoeligheid.
Een reactie die gepaard gaat met tenminste één of meer van de volgende symptomen is beschreven als de onmiddellijke post-injectie-reactie: vasodilatatie (blozen), pijn op de borst, dyspneu, palpitaties of tachycardie (zie rubriek 4.4). Deze reactie kan binnen enkele minuten na injectie van Copaxone optreden. Eén of meer van deze symptomen van deze onmiddellijke post-injectie-reactie werd tenminste eenmaal gemeld door 31% van de patiënten die Copaxone 20 mg/ml kregen toegediend vergeleken met 13% in de placebogroep.
Bijwerkingen die op basis van klinische studies en post-marketingervaring zijn vastgesteld, worden weergegeven in onderstaande tabel. Gegevens afkomstig van klinische studies zijn verkregen uit vier belangrijke, dubbelblind, placebo-gecontroleerde klinische studies met in totaal 512 patiënten die met Copaxone 20 mg/dag werden behandeld en 509 patiënten die met een placebo werden behandeld gedurende 36 maanden. Drie studies in relapsing-remitting MS (RRMS) includeerden in totaal 269 patiënten die met Copaxone 20 mg/dag werden behandeld en 271 patiënten die met een placebo werden behandeld gedurende 35 maanden. De vierde studie in patiënten die voor het eerst een klinische episode hebben doorgemaakt en waarbij is vastgesteld dat zij een hoog risico hebben op het ontwikkelen van klinisch definitieve MS, includeerden 243 patiënten die met Copaxone 20 mg/dag werden behandeld en 238 patiënten die met een placebo werden behandeld gedurende 36 maanden.
| Systeem orgaanklasse | Zeer vaak (≥1/10) | Vaak (≥ 1/100, < 1/10) | Soms (≥ 1/1000, <1/100) | Zelden (≥ 1/10.000, <1/1.000) | Niet bekend (kan met de beschikbare gegeven niet worden bepaald) |
| Infecties en parasitaire aandoeningen | Griep, Infectie | Bronchitis, Gastro-enteritis, Herpes simplex, Otitis media, Rhinitis, Tandabces, Vaginale candidiasis* | Abces, Cellulitis, Furunkel, Herpes zoster, Pyelonefritis | ||
| Neoplasmata, benigne, maligne en niet-gespecificeerd (inclusief cysten en poliepen) | Benigne neoplasma van de huid, Neoplasma | Huid carcinoom | |||
| Bloed- en lymfestelsel-aandoeningen | Lymfadenopathie* | Leukocytose, Leukopenie, Splenomegalie, Trombocyto-penie, Abnormale lymfocyten-morfologie | |||
| Immuunsysteem-aandoeningen | Allergische reactie | Anafylactische reactie | |||
| Endocriene aandoeningen | Struma, Hyperthyroïdie | ||||
| Voedings- en stofwisselings-stoornissen | Anorexie, Gewichtstoename* | Alcohol-intolerantie, Jicht, Hyperlipidemie, Verhoogde bloednatrium-spiegel, Verlaagde serumferritine-spiegel | |||
| Psychische stoornissen | Angst*, Depressie | Nervositeit* | Abnormale dromen, Verwarring, Euforie, Hallucinaties, Vijandigheid, Manie, Persoonlijk-heidsstoornis, Zelfmoord-neigingen | ||
| Zenuwstelsel-aandoeningen | Hoofdpijn | Dysgeusie, Hypertonie, Migraine, Spraakstoornis, Syncope, Tremor* | Carpaal tunnel syndroom, Cognitieve stoornis, Convulsie, Dysgrafie, Dyslexie, Dystonie, Bewegings-stoornis, Spierkrampen, Neuritis, Neuro-musculaire blokkade, Nystagmus, Paralyse, Peroneale zenuw-verlamming, Stupor, Gezichtsveld-stoornis | ||
| Oogaandoeningen | Diplopie, Oogaandoening* | Cataract, Corneale laesie, Droog oog, Oogbloeding, Ooglid ptosis, Mydriasis, Optische atrofie | |||
| Evenwichtsorgaan- en ooraandoeningen | Ooraandoening | ||||
| Hartaandoeningen | Palpitaties*, Tachycardie* | Extrasystolen, Sinus bradycardie, | |||
| Paroxysmale tachycardie | |||||
| Bloedvat-aandoeningen | Vaso-dilatatie* | Spataderen | |||
| Ademhalings-stelsel-, borstkas- en mediastinum- aandoeningen | Dyspneu* | Hoest, Seizoensrhinitis | Apneu, Epistaxis, Hyperventilatie, Laryngospasme, Longaandoening, Ademhalings-stoornis | ||
| Maagdarmstelsel-aandoeningen | Nausea* | Anorectale aandoening, Constipatie, Tandbederf, Dyspepsie, Dysfagie, Fecale incontinentie, Braken* | Colitis, Darmpoliep, Enterocolitis, Oprispingen, Oesofageale zweer, Periodontitis, Rectale bloeding, Vergroting van de speekselklieren | ||
| Lever- en gal-aandoeningen | Abnormale leverfunctietesten | Cholelithiasis, Leververgroting | Toxische hepatitis, Lever-beschadiging | Leverfalen# | |
| Huid- en onderhuid-aandoeningen | Rash* | Bloeduitstortingen, Hyperhidrose, Pruritus, Huidaandoening*, Urticaria | Angio-oedeem, Contactdermatitis, Erythema nodosum, Huid nodule | ||
| Skeletspier-stelsel- en bindweefsel-aandoeningen | Artralgie, Rugpijn* | Nekpijn | Artritis, Bursitis, Pijn in de flanken, Spieratrofie, Osteoartritis | ||
| Nier- en urineweg-aandoeningen | Aandrang tot mictie, Pollakisurie, Urine retentie | Hematurie, Nefrolithiase, Urineweg-aandoening, Urineafwijking | |||
| Voortplantings-stelsel- en borstaandoeningen | Gespannen borsten, Impotentie, Bekken-verzakking, Priapisme, Prostaat-aandoening, Afwijking van uitstrijkje van de baarmoederhals, Testisaandoening, Vaginale bloeding, Vulvovaginale aandoening | ||||
| Algemene aandoeningen en toedieningsplaats-stoornissen | Asthenie, Pijn op de borst*, Reactie op de injectie-plaats*§, Pijn* | Rillingen*, Oedeem in het gezicht*, Atrofie op de injectieplaats♣, Lokale reactie*, Perifeer oedeem, Oedeem, Pyrexie | Cyste, Kater gevoel, Hypothermie, Onmiddellijke Post-injectie reactie, Ontsteking, Necrose op de injectieplaats, Slijmvlies-aandoening | ||
| Letsels, intoxicaties en verrichtings-complicaties | Post vaccinatie syndroom | ||||
* meer dan 2% (>2/100) hogere incidentie in de Copaxone behandelingsgroep dan in de placebogroep. Bijwerkingen zonder het symbool * hebben een verschil van ≤ 2%
§ de term “Reactie op de injectieplaats” (verschillende soorten) omvat alle bijwerkingen die plaatsvinden op de injectieplaats, uitgezonderd “atrofie op de injectieplaats” en “Necrose op de injectieplaats”, welke apart in de tabel zijn weergegeven
♣ dit heeft betrekking op termen die gerelateerd zijn aan gelokaliseerde lipoatrofie op de injectieplaatsen
# enkele gevallen zijn gemeld met levertransplantatie
In de vierde trial welke hierboven wordt genoemd, werd een open-label behandelingsfase gevolgd na een placebogecontroleerde periode. Er werd geen verandering in het bekende risicoprofiel van Copaxone 20 mg/ml gezien tijdens de open-label follow-up periode van maximaal 5 jaar.
Copaxone 40 mg/ml (driemaal per week toegediend)
De veiligheid van Copaxone 40 mg/ml is beoordeeld op basis van een dubbelblinde, placebogecontroleerde klinische studie met RRMS-patiënten, waarin in totaal 943 patiënten werden behandeld met Copaxone 40 mg/ml driemaal per week en 461 patiënten met placebo, gedurende 12 maanden.
Over het algemeen waren de soorten bijwerkingen die werden gezien bij patiënten die werden behandeld met Copaxone 40 mg/ml, driemaal per week toegediend, dezelfde als de al bekende en in de productinformatie beschreven bijwerkingen voor Copaxone 20 mg/ml, dagelijks toegediend. In het bijzonder werden bijwerkingen op de injectieplaats (ISR, adverse injection site reactions) en direct na de injectie optredende bijwerkingen (IPIR, immediate post-injection reactions) met Copaxone 40 mg/ml, driemaal per week toegediend, minder vaak gemeld dan met Copaxone 20 mg/ml, dagelijks toegediend (respectievelijk 35,5% vs. 70% voor ISR’s en 7,8% vs. 31% voor IPIR’s).
Reacties op de injectieplaats werden gemeld bij 36% van de patiënten die Copaxone 40 mg/ml kregen, vergeleken met 5% van de patiënten die placebo kregen. Direct na de injectie optredende reacties werden gemeld bij 8% van de patiënten die Copaxone 40 mg/ml kregen, vergeleken met 2% van de patiënten die placebo kregen.
Er zijn enkele specifieke bijwerkingen geregistreerd:
- anafylactische reacties kunnen optreden kort na toediening van glatirameeracetaat, zelfs maanden tot jaren na de start van de behandeling (zie rubriek 4.4)
- er is geen necrose op de injectieplaats gemeld
- erytheem van de huid en pijn in de ledematen, niet beschreven in de productinformatie van Copaxone 20 mg/ml, werden elk gemeld door 2,1% van de patiënten die Copaxone 40 mg/ml kregen (Vaak: ≥1/100, <1/10)
- door geneesmiddel geïnduceerde leverbeschadiging en toxische hepatitis, werden elk gemeld door één patiënt (0,1%) die werd behandeld met Copaxone 40 mg/ml (Soms: ≥1/1.000, <1/100).
Melding van vermoedelijke bijwerkingen
Het is belangrijk om na toelating van het geneesmiddel vermoedelijke bijwerkingen te melden. Op deze wijze kan de verhouding tussen voordelen en risico’s van het geneesmiddel voortdurend worden gevolgd. Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg wordt verzocht alle vermoedelijke bijwerkingen te melden via het Nederlands Bijwerkingen Centrum Lareb, website: www.lareb.nl.
4.9 Overdosering
Symptomen
Er zijn enkele gevallen gerapporteerd van overdosering met Copaxone (tot 300 mg glatirameeracetaat). Deze gevallen werden niet geassocieerd met bijwerkingen anders dan die worden genoemd in rubriek 4.8.
Behandeling In geval van overdosering dienen patiënten te worden gemonitord en dient de aangewezen symptomatische en ondersteunende behandeling te worden ingesteld.
5. FARMACOLOGISCHE EIGENSCHAPPEN
5.1 Farmacodynamische eigenschappen
Farmacotherapeutische categorie: antineoplastische en immunomodulerende middelen, immunostimulantia, ATC-code: L03A X13.
Werkingsmechanisme
Het is niet volledig opgehelderd volgens welk werkingsmechanisme glatirameeracetaat zijn effecten uitoefent in patiënten met relapsing vormen van multipele sclerose (MS). Naar men aanneemt moduleert glatirameeracetaat immuunprocessen. Studies in proefdieren en MS-patiënten suggereren dat glatirameeracetaat werkt op de aangeboren imuuncellen, waaronder monocyten, dendritische cellen en B-cellen. Deze cellen moduleren op hun beurt de adaptieve functies van B- en T-cellen en induceren de secretie van cytokines. Of het therapeutische effect wordt gemedieerd door de hierboven beschreven cellulaire effecten is niet bekend doordat de pathofysiologie van MS slechts gedeeltelijk wordt begrepen.
Klinische werkzaamheid en veiligheid
Relapsing-remitting multipele sclerose
Aanwijzingen ter ondersteuning van de effectiviteit van injectie met Copaxone 40 mg/ml, driemaal per week subcutaan toegediend, in het verlagen van de frequentie van recidieven, zijn afkomstig van één 12 maanden durende, placebogecontroleerde studie.
In de klinische hoofdstudies werd relapsing-remitting multipele sclerose gekenmerkt door ofwel ten minste één gedocumenteerd recidief in de afgelopen 12 maanden, of ten minste twee gedocumenteerde recidieven in de afgelopen 24 maanden, of één gedocumenteerd recidief in de periode van 12 tot 24 maanden geleden met ten minste één gedocumenteerde T1-gadolinium-versterkte laesie op een MRI-opname die in de afgelopen 12 maanden is gemaakt.
De maat voor het primaire resultaat was het totale aantal bevestigde recidieven. Secundaire MRI-resultaten waren het cumulatieve aantal nieuwe/vergrote T2-laesies en het cumulatieve aantal zichtbare laesies op T1-gewogen beelden, gemeten na 6 maanden en na 12 maanden.
In totaal werden 1404 patiënten in een verhouding van 2:1 gerandomiseerd voor het krijgen van Copaxone 40 mg/ml (n=943) of placebo (n=461). De twee behandelgroepen waren vergelijkbaar wat betreft hun demografische kenmerken bij baseline, MS-ziektekenmerken en MRI-parameters. De patiënten hadden in de 2 jaar voorafgaand aan screening een mediane waarde van 2,0 recidieven.
In vergelijking met placebo vertoonden patiënten die werden behandeld met Copaxone 40 mg/ml, driemaal per week, statistisch significante dalingen van betekenis in de metingen voor de primaire en secundaire resultaten, die consistent zijn met het behandeleffect van Copaxone 20 mg/ml, eenmaal daags toegediend.
In de volgende tabel worden de waarden voor de primaire en secundaire resultaten weergegeven voor de intent-to-treat-populatie:
| Maat voor resultaat | Schatting gecorrigeerd gemiddelde | P-waarde |
Copaxone (40 mg/ml) (N=943) | Placebo (N=461) | |
| Relapspercentage, omgerekend per jaar (ARR, Annualized Relapse Rate) | 0,331 | |
| 0,505 | p<0,0001 | |
| Absoluut verschil in risico’s* (95% betrouwbaarheidsinterval) | -0,174 [-0,2841 tot -0,0639] | |
| Cumulatief aantal nieuwe/vergrote T2-laesies in maand 6 en 12 | 3,650 | |
| 5,592 | p<0,0001 | |
| Percentageverhouding** (95% betrouwbaarheidsinterval) | 0,653 [0,546 tot 0,780] | |
| Cumulatief aantal zichtbare laesies op T1-gewogen beelden in maand 6 en 12 | 0,905 | |
| 1,639 | p<0,0001 | |
| Percentageverhouding** (95% betrouwbaarheidsinterval) | 0,552 [0,436 tot 0,699] | |
* het absolute verschil in risico's (ARD, Absolute Risk Difference) is gedefinieerd als het verschil tussen de gecorrigeerde gemiddelde ARR voor GA 40 mg t.i.w. en de gecorrigeerde gemiddelde ARR voor placebo
** de percentageverhouding (Rate Ratio) is gedefinieerd als de verhouding tussen de gecorrigeerde gemiddelde percentages voor GA 40 mg t.i.w. en voor placebo
Er is geen directe vergelijking in dezelfde studie gemaakt van de verschillen in werkzaamheid en veiligheid tussen Copaxone 20 mg/ml (dagelijks toegediend) en Copaxone 40 mg/ml (driemaal per week toegediend).
Copaxone 40 mg/ml: het percentage patiënten met een bevestigde invaliditeitsprogressie van 3 maanden (CDP (confirmed disability progression) was een verkennend eindpunt in een 12- maanden-durend placebogecontroleerd onderzoek (GALA). Drie maanden CDP werd ervaren door respectievelijk 3% en 3,5% van de met placebo en Copaxonebehandelde patiënten (Odds ratio, OR [95% BI]: 1,182 [0,661, 2,117] (p=0,5726)). Voor het onderzoek inclusief de open-label verlenging (tot 7 jaar), was de tijd tot 6-maands CDP een verkennend eindpunt. De hazard ratio (HR) [95% CI] voor het ‘intent to treat’-cohort, waarbij de Copaxonegroep met vroege start werd vergeleken met de groep met de vertraagde start was 0,892 [0,688, 1,157] (p=0,3898).
Het is momenteel niet bewezen dat het gebruik van Copaxone bij patiënten met de primair of secundair progressieve ziekte effect heeft.
5.2 Farmacokinetische eigenschappen
Farmacokinetische studies bij patiënten zijn niet uitgevoerd.
In vitro gegevens en een beperkte hoeveelheid gegevens bij gezonde vrijwilligers laten zien dat, na subcutane toediening, glatirameeracetaat gemakkelijk wordt geresorbeerd en dat een groot deel van de dosis al in het subcutane weefsel snel wordt afgebroken in kleinere fragmenten.
5.3 Gegevens uit het preklinisch veiligheidsonderzoek
Non-klinische gegevens, betrekking hebbend op de farmacologische veiligheid, toxiciteit na herhaalde toediening, genotoxiciteit, carcinogeniciteit, toxiciteit met betrekking tot voortplanting, laten geen extra risico zien voor de mens, afgezien van de informatie zoals opgenomen in de overige rubrieken van deze SmPC. Door het ontbreken van farmacokinetische gegevens bij de mens, is het niet mogelijk om grenswaarden vast te stellen aan blootstelling van mens en dier.
Afzettingen van immuuncomplexen in de glomeruli van de nier werden gerapporteerd bij een klein aantal ratten en apen, die gedurende een periode van tenminste zes maanden werden behandeld. In een twee jaar durende studie bij ratten, werd geen indicatie voor afzetting van immuuncomplexen in de glomeruli van de nier waargenomen.
Anafylaxie werd gerapporteerd na toediening aan gesensibiliseerde dieren (cavia’s en muizen). De relevantie van deze bevindingen voor mensen is onbekend.
Toxiciteit op de injectieplaats werd regelmatig gezien na herhaalde toediening bij dieren.
In ratten werd een lichte maar significante afname in de toename van het lichaamsgewicht waargenomen bij de nakomelingen die geboren waren uit moederdieren die tijdens de zwangerschap en de periode van borstvoeding gedoseerd werden met subcutane doseringen ≥ 6 mg / kg / dag (2,83 keer de maximale aanbevolen dagelijkse doseringen voor een volwassene van 60 kg gebaseerd op mg / m2) in vergelijking met de controlegroep. Verder werden er geen andere significante effecten op de groei en ontwikkeling van het nageslacht waargenomen.
6. FARMACEUTISCHE GEGEVENS
6. 1 Lijst van hulpstoffen
Mannitol
Water voor injecties
6.2 Gevallen van onverenigbaarheid
Aangezien er geen gegevens beschikbaar zijn uit compatibiliteit studies, dient dit geneesmiddel niet te worden gemengd met andere geneesmiddelen.
6.3 Houdbaarheid
3 jaar
6.4 Speciale voorzorgsmaatregelen bij bewaren
Bewaren in de oorspronkelijke verpakking ter bescherming tegen licht.
Bewaren in de koelkast (2°C - 8°C). Niet in de vriezer bewaren.
Indien de voorgevulde spuiten niet in een koelkast bewaard kunnen worden, kunnen ze 1 periode bewaard worden tussen 15°C en 25°C, tot maximaal één maand.
Als na deze periode van 1 maand, de Copaxone voorgevulde spuiten nog niet gebruikt zijn en nog in hun originele verpakking zitten, moeten deze weer bewaard worden in de koelkast (2°C tot 8°C).
6.5 Aard en inhoud van de verpakking
Een voorgevulde spuit met Copaxone 40 mg/ml oplossing voor injectie bevat een 1,0 ml type I kleurloze glazen injectiespuit met ingezette naald, een blauwe polypropyleen (mogelijk polystyreen) zuigerstang, een rubber stop en een beschermdop voor de naald.
Elke voorgevulde spuit is afzonderlijk verpakt in een PVC-blisterverpakking.
Copaxone is beschikbaar in verpakkingen van 3, 12 en 36 voorgevulde spuiten met 1 ml oplossing voor injectie en in een multiverpakking van 36 (3 verpakkingen van 12 stuks) voorgevulde spuiten met 1 ml oplossing voor injectie.
Niet alle genoemde verpakkingsgrootten worden in de handel gebracht.
6.6 Speciale voorzorgsmaatregelen voor het verwijderen en andere instructies
Voor eenmalig gebruik. Al het ongebruikte geneesmiddel of afvalmateriaal dient te worden vernietigd overeenkomstig lokale voorschriften.
7. HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
Teva GmbH
Graf-Arco-Strasse 3
89079 Ulm
Duitsland
Voor informatie in Nederland:
Teva Nederland B.V.
Swensweg 5
2031 GA Haarlem
☎ 0800-0228400
8. NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
RVG 113849
9. DATUM VAN EERSTE VERLENING VAN DE VERGUNNING/VERLENGING VAN DE VERGUNNING
Datum van eerste verlening van de vergunning: 23 december 2014
Datum van laatste verlenging: 4 december 2019
10. DATUM VAN HERZIENING VAN DE TEKST
Laatste gedeeltelijke wijziging betreft rubriek 4.6: 28 oktober 2025
1025.22v.LD
