SmPC (samenvatting van de productkenmerken) - Cardene IV
1. NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
Cardene IV, 1 mg/ml oplossing voor infusie
2. KWALITATIEVE EN KWANTITATIEVE SAMENSTELLING
Elke ml oplossing bevat 1 mg nicardipinehydrochloride, overeenkomend met een concentratie van 1 mg/ml. Elke 10 ml ampul bevat 10 mg nicardipinehydrochloride.
Hulpstof met bekend effect:
Elke 10 ml ampul bevat 500 mg sorbitol. Voor de volledige lijst van hulpstoffen, zie rubriek 6.1.
3. FARMACEUTISCHE VORM
Oplossing voor infusie.
Een heldere, licht geelgroene oplossing, vrij van deeltjes.
4. KLINISCHE GEGEVENS
4.1 Therapeutische indicaties
Cardene IV is geïndiceerd voor de behandeling van acute levensbedreigende hypertensie, met name als er sprake is van:
- Maligne arteriële hypertensie/hypertensieve encefalopathie
- Aortadissectie, wanneer een kortwerkende bètablokker therapie niet geschikt is, of in combinatie met een bètablokker wanneer bètablokkade alleen niet effectief is.
- Ernstige pre-eclampsie, wanneer andere intraveneuze antihypertensiva niet aanbevolen worden of gecontra-indiceerd zijn.
Nicardipine IV is tevens geïndiceerd voor de behandeling van postoperatieve hypertensie.
4.2 Dosering en wijze van toediening
Nicardipine IV dient uitsluitend te worden toegediend als continue intraveneuze infusie.
Nicardipine IV dient uitsluitend door specialisten te worden toegediend in een goedgecontroleerde omgevingen, zoals ziekenhuizen en intensive care units, waarbij de bloeddruk continu wordt bewaakt. De snelheid van de toediening dient nauwkeurig te worden gereguleerd met een elektronisch injectieapparaat of een volumetrische pomp. De bloeddruk en hartslag dienen tijdens de infusie ten minste om de 5 minuten te worden gecontroleerd, totdat de vitale functies stabiel zijn, maar tot minstens 12 uur na beëindiging van de toediening van nicardipine IV.
Het antihypertensieve effect is afhankelijk van de toegediende dosis. Het dosisschema voor het bereiken van de gewenste bloeddruk kan variëren afhankelijk van de bloeddruk die als doel is gesteld, de respons van de patiënt en leeftijd of conditie van de patiënt.
Tenzij toegediend middels een centrale veneuze lijn, vóór gebruik verdunnen tot een concentratie van 0,1 - 0,2 mg/ml (zie rubriek 6.6 voor details van verenigbare oplossingen).
Volwassenen
Startdosis: De behandeling dient gestart te worden met de continue toediening van nicardipine IV met een snelheid van 3-5 mg/u gedurende 15 minuten. De snelheid kan worden verhoogd met stappen van 0,5 of 1 mg per 15 minuten. De infusiesnelheid mag niet hoger zijn dan 15 mg/u.
Onderhoudsdosering: Wanneer de doelbloeddruk bereikt is, dient de dosis progressief te worden verlaagd, meestal naar 2 tot 4 mg/u, om het therapeutische effect te behouden.
Overgang naar een oraal antihypertensivum: staak nicardipine IV of titreer omlaag terwijl een geschikte orale therapie wordt ingesteld. Wanneer een oraal antihypertensivum ingesteld wordt, houd dan rekening met het later intreden van het effect van het orale middel. Blijf de bloeddruk bewaken totdat het gewenste effect bereikt is.
Ouderen
Klinische studies van nicardipine omvatten onvoldoende aantallen van patiënten van 65 jaar of ouder om te bepalen of zij anders reageren dan jongere patiënten.
Oudere patiënten kunnen gevoeliger zijn voor de nicardipine-effecten vanwege gestoorde nier- en/of leverfunctie. Aanbevolen wordt een continu infuus van nicardipine IV te geven, met een startdosis van 1 tot 5 mg/u, afhankelijk van de bloeddruk en de klinische situatie. Na 30 minuten kan, afhankelijk van het waargenomen effect, de snelheid worden verhoogd of verlaagd met stappen van 0,5 mg/u. De snelheid mag niet hoger liggen dan 15 mg/u.
Zwangerschap
Aanbevolen wordt een continu infuus van nicardipine te geven, met een startdosis van 1 tot 5 mg/u, afhankelijk van de bloeddruk en de klinische situatie. Na 30 minuten kan, afhankelijk van het waargenomen effect, deze snelheid worden verhoogd of verlaagd met stappen van 0,5 mg/u.
Doses hoger dan 4 mg/u worden bij de behandeling van pre-eclampsie gewoonlijk niet overschreden; de snelheid mag echter niet hoger zijn dan 15 mg/u (zie rubriek 4.4, 4.6 en 4.8).
Leverinsufficiëntie
Nicardipine moet voorzichtig gebruikt worden bij deze patiënten. Omdat nicardipine in de lever wordt gemetaboliseerd, wordt aanbevolen om bij patiënten met een verminderde leverfunctie of gereduceerde leverdoorbloeding dezelfde dosisschema's te gebruiken als voor oudere patiënten.
Nierinsufficiëntie
Nicardipine moet voorzichtig gebruikt worden bij deze patiënten. Bij sommige patiënten met een matige nierfunctiestoornis is een significant lagere systemische klaring en hogere area under the curve (AUC) waargenomen. Het verdient daarom aanbeveling om bij patiënten met een nierfunctiestoornis dezelfde dosisschema's te gebruiken als voor oudere patiënten.
Pediatrische patiënten
De veiligheid en werkzaamheid bij zuigelingen met een laag geboortegewicht, pasgeborenen, zuigelingen en kinderen is niet vastgesteld.
Nicardipine IV dient uitsluitend te worden gebruikt bij levensbedreigende hypertensie in een pediatrische intensive care setting of postoperatieve context.
Startdosis: in noodgevallen wordt een startdosis van 0,5 tot 5 µg/kg/min aanbevolen.
Onderhoudsdosering: aanbevolen wordt een onderhoudsdosering van 1 tot 4 µg/kg/min.
Nicardipine IV moet voorzichtig gebruikt worden bij kinderen met nierfunctiestoornissen. In dit geval dient alleen de laagste dosering te worden gebruikt.
4.3 Contra-indicaties
- Overgevoeligheid voor de werkzame stof of voor (één van) de in rubriek 6.1 vermelde hulpstoffen.
- Ernstige aortastenose
- Compensatoire hypertensie, d.w.z. in geval van een arterioveneuze shunt of coarctatio aortae
- Instabiele angina pectoris
- Binnen 8 dagen na myocardinfarct
4.4 Bijzondere waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik
Waarschuwingen
Snelle farmacologische dalingen van de bloeddruk kunnen systemische hypotensie en reflextachycardie veroorzaken. Indien een van deze optreedt met nicardipine, overweeg dan de dosis te halveren of het infuus te staken.
Nicardipine IV mag niet als een bolustoediening of als intraveneuze toediening welke niet gereguleerd wordt middels een elektronisch injectieapparaat of een volumetrische pomp worden toegediend, omdat dit het risico op ernstige hypotensie kan verhogen, met name bij ouderen, kinderen en patiënten met gestoorde nier- of leverfunctie en tijdens de zwangerschap.
Hartfalen
Nicardipine dient met voorzichtigheid te worden gebruikt bij patiënten met congestief hartfalen of pulmonaal oedeem, met name wanneer deze patiënten gelijktijdig bètablokkers krijgen, omdat er verslechtering van de cardiale insufficiëntie kan optreden.
Ischemische hart- en vaataandoening
Nicardipine is gecontra-indiceerd bij instabiele angina pectoris en onmiddellijk na een myocardinfarct (zie rubriek 4.3).
Nicardipine dient voorzichtig te worden gebruikt bij patiënten met een verdenking op coronaire ischemie. Incidenteel is er bij patiënten een verhoogde frequentie, duur of ernst van angina pectoris opgetreden na start of verhoging van de nicardipine-dosering, of tijdens het verloop van de behandeling.
Zwangerschap
Vanwege het risico van ernstige maternale hypotensie en potentiële fatale foetale hypoxie, dient de daling van de bloeddruk progressief te zijn en altijd nauwkeurig bewaakt te worden. Vanwege het mogelijke risico van pulmonaal oedeem of excessieve daling van de bloeddruk, dient voorzichtigheid te worden betracht indien gelijktijdig magnesiumsulfaat wordt gebruikt.
Patiënten met een voorgeschiedenis van leverinsufficiëntie of gestoorde leverfunctie
Er zijn zeldzame gevallen van afwijkende leverfunctie gemeld die in verband worden gebracht met het gebruik van nicardipine. Potentiële risicogroepen zijn patiënten met een voorgeschiedenis van leverinsufficiëntie of patiënten met gestoorde leverfunctie bij aanvang van de behandeling met nicardipine.
Patiënten met portale hypertensie
Er zijn meldingen geweest dat intraveneus nicardipine in hoge doses verhoogde bloeddruk in de vena porta en de portale-systemische collaterale bloeddoorstromingsindex bij cirrhotische patiënten kan verslechteren.
Patiënten met pre-existente verhoogde intracraniële druk
De intracraniële druk dient te worden bewaakt, om berekening van de cerebrale perfusiedruk mogelijk te maken.
Patiënten met een herseninfarct
Nicardipine dient voorzichtig te worden gebruikt bij patiënten met een acuut cerebraal infarct. Een hypertensieve episode die vaak samengaat met een infarct is geen indicatie voor een acute behandeling met antihypertensiva. Het gebruik van antihypertensiva wordt niet aanbevolen bij patiënten met een ischemische beroerte tenzij acute hypertensie de toediening van adequate behandeling (bijv. trombolyse) in de weg staat, of als er andere eindorgaan-schade is die op korte termijn levensbedreigend is.
Hypoxie
Er zijn gevallen van hypoxie gemeld na intraveneuze toediening van nicardipine, met name bij patiënten met reeds bestaande longziekten of andere aandoeningen die de ademhalingsfunctie in gevaar kunnen brengen. Bij deze patiënten wordt een zorgvuldige controle van de zuurstoftoevoer aanbevolen. (Zie rubriek 4.8).
Voorzorgsmaatregelen voor gebruik
Combinatie met bètablokkers
Het gelijktijdig gebruik van nicardipine IV en een bètablokker dient bij patiënten met verminderde cardiale functie voorzichtig plaats te vinden. In een dergelijk geval dient de dosering van de bètablokker afgestemd te worden op de klinische situatie (zie rubriek 4.5).
Reacties op de injectieplaats
Reacties op de infusieplaats kunnen voorkomen, met name bij langdurige toediening en in perifere aderen. Geadviseerd wordt de infusieplaats te wijzigen wanneer er verdenking is op irritatie van de infusieplaats (flebitis). Het gebruik van een centrale veneuze lijn of van een hogere verdunning van de oplossing kan het risico op optreden van de infusieplaatsreactie verminderen.
Pediatrische patiënten
De veiligheid en werkzaamheid van nicardipine IV zijn niet getest in gecontroleerde klinische studies bij zuigelingen en kinderen, daarom is bijzondere voorzichtigheid vereist bij deze populatie (raadpleeg rubriek 4.2)
Hulpstoffen
Dit geneesmiddel bevat sorbitol. Patiënten met zeldzame erfelijke aandoeningen als fructose-intolerantie dienen dit geneesmiddel niet te gebruiken.
4.5 Interacties met andere geneesmiddelen en andere vormen van interactie
Versterking van negatief inotropisch effect
Nicardipine kan het negatieve inotropische effect van bètablokkers versterken en hartfalen veroorzaken bij patiënten met latent of ongereguleerd hartfalen (zie rubriek 4.4)
Dantroleen
In dierstudies veroorzaakte toediening van verapamil en intraveneuze dantroleen fatale ventriculaire fibrillatie. De combinatie van een calciumkanaalblokker en dantroleen is daarom potentieel gevaarlijk.
Magnesium
Vanwege het mogelijke risico van pulmonaal oedeem of excessieve daling van de bloeddruk, dient voorzichtigheid te worden betracht indien gelijktijdig magnesiumsulfaat wordt gebruikt (zie rubriek 4.4).
CYP3A4-induceerders en -remmers
Nicardipine wordt gemetaboliseerd door cytochroom P450 3A4. Gelijktijdige toediening van CYP 3A4- enzyminducerende middelen (bijv. carbamazepine, fenobarbital, fenytoïne, fosfenytoïne, primidon en rifampicine) kan een daling van de plasmaconcentraties van nicardipine veroorzaken.
Gelijktijdige toediening van CYP3A4-enzymremmende middelen (bijv. cimetidine, itraconazol en grapefruitsap) kan een stijging van de plasmaconcentraties van nicardipine veroorzaken. Gelijktijdige toediening van calciumkanaalblokkers met itraconazol toonde een verhoogd risico van bijwerkingen, met name oedeem vanwege een verlaagd metabolisme van de calciumkanaalblokker in de lever.
Cyclosporine, tacrolimus en sirolimus
Gelijktijdige toediening van nicardipine en cyclosporine, tacrolimus of sirolimus resulteert in verhoogde plasmaconcentraties van cyclosporine, tacrolimus of sirolimus. De concentratie van cyclosporine, tacrolimus of sirolimus dient te worden gecontroleerd en de dosering van het immunosuppressivum en / of nicardipine dient (indien nodig) te worden verlaagd.
Digoxine
In farmacokinetische studies is melding gemaakt van verhoogde digoxine-plasmaspiegels. De digoxinespiegels dienen te worden gecontroleerd wanneer een gelijktijdige therapie met nicardipine geïnitieerd wordt.
Potentieel additief antihypertensief effect
Gelijktijdig gebruikte geneesmiddelen die het antihypertensieve effect van nicardipine kunnen versterken zijn onder meer baclofen, alfablokkers, tricyclische antidepressiva, neuroleptica, opiaten en amifostine.
Daling van antihypertensief effect
Nicardipine in combinatie met intraveneuze corticosteroïden en tetracosactide (met uitzondering van hydrocortison gebruikt als vervangingstherapie bij de ziekte van Addison) kan een daling van het antihypertensieve effect veroorzaken.
Inhalatieanesthetica
De gelijktijdige toediening van nicardipine met inhalatieanesthetica kan een potentieel additief of synergistisch hypotensief effect veroorzaken, alsmede een remming door anesthetica van de baroreflex hartfrequentiestijging geassocieerd met perifere vasodilatoren. Beperkte klinische data suggereren dat
de effecten van geïnhaleerde anesthetica (bijv. isofluraan, sevofluraan en enfluraan) op nicardipine matig lijken te zijn.
Competitieve neuromusculaire blokkers
Beperkte data suggereren dat nicardipine, net als andere calciumkanaalblokkers, de neuromusculaire blokkade mogelijk versterkt door werking op de post-junctionale regio. Vecuronium infusiedosisbehoeften kunnen verlaagd worden door het gelijktijdige gebruik van nicardipine. Omkering van het neuromusculaire blok door neostigmine lijkt niet beïnvloed te worden door nicardipine IV. Er is geen extra bewaking nodig.
4.6 Vruchtbaarheid, zwangerschap en borstvoeding
Zwangerschap
Er zijn geen of een beperkte hoeveelheid gegevens over het gebruik van nicardipine bij zwangere vrouwen.
In de klinische praktijk toonde het gebruik van nicardipine i.v. gedurende de eerste twee trimesters in een beperkt aantal zwangerschappen tot op heden geen malformatie of specifiek foetotoxisch effect. Het gebruik van nicardipine voor ernstige pre-eclampsie gedurende het derde trimester van de zwangerschap kan potentieel een ongewenst tocolytisch effect veroorzaken dat mogelijk interfereert met spontane inductie van de bevalling.
Acuut pulmonaal oedeem werd waargenomen wanneer nicardipine gebruikt werd als tocolyticum tijdens de zwangerschap (zie rubriek 4.8), met name in gevallen van meerlingzwangerschap (tweelingen of meer), via de intraveneuze route en/of gelijktijdig gebruik van bèta-2-agonisten. Een afname van het geboortegewicht bij pasgeborenen is ook gemeld.
Dieronderzoek heeft onvoldoende gegevens opgeleverd wat betreft reproductietoxiciteit (zie rubriek 5.3).
Nicardipine mag alleen tijdens de zwangerschap worden gebruikt als het verwachte voordeel opweegt tegen het potentiële risico. Het dient niet te worden gebruikt bij meerlingzwangerschappen of bij zwangere vrouwen met een gecompromitteerde cardiovasculaire conditie, tenzij er geen ander aanvaardbaar alternatief is.
Borstvoeding
Uit beschikbare farmacodynamische en toxicologische gegevens bij dieren blijkt dat nicardipine en de metabolieten ervan in melk worden uitgescheiden (zie rubriek 5.3 voor bijzonderheden). Risico voor zuigelingen kan niet worden uitgesloten.
Nicardipine mag niet worden gebruikt in de periode dat borstvoeding wordt gegeven.
Vruchtbaarheid
Geen gegevens beschikbaar.
4.7 Beïnvloeding van de rijvaardigheid en het vermogen om machines te bedienen
Niet van toepassing.
4.8 Bijwerkingen
Samenvatting van het veiligheidsprofiel
De meerderheid van de bijwerkingen zijn het gevolg van de vasodilatoire effecten van nicardipine. De meest frequente bijwerkingen zijn hoofdpijn, duizeligheid, perifeer oedeem, palpitaties en blozen.
Tabel van bijwerkingen
De onderstaande bijwerkingen zijn waargenomen tijdens klinische studies en/of tijdens gebruik na marktlancering en zijn gebaseerd op data uit klinische studies en geclassificeerd volgens de systeem/orgaanklassen van MedDRA. Frequenties worden volgens de volgende conventie weergegeven: Zeer vaak (≥1/10); vaak (≥ 1/100, <1/10); soms (≥1/1.000, <1/100); zelden (≥1/10.000, <1/1.000); zeer zelden (< 1 /10.000) en niet bekend (kan met de beschikbare gegevens niet worden bepaald).
| Systeem/orgaanklassen | Frequentie |
| Bloed- en lymfestelselaandoeningen | Niet bekend - trombocytopenie |
| Immuunsysteemaandoeningen | Niet bekend – anafylactische reactie |
| Zenuwstelselaandoeningen | Zeer vaak - hoofdpijn |
| Vaak - duizeligheid | |
| Hartaandoeningen | Vaak - oedeem van de onderste ledematen, palpitaties |
| Vaak - hypotensie, tachycardie | |
| Niet bekend - atrioventriculair blok, angina pectoris | |
| Bloedvataandoeningen | Vaak - orthostatische hypotensie |
| Vaak - flushes | |
| Ademhalingsstelsel-, borstkas- en mediastinumaandoeningen | Niet bekend - longoedeem*, hypoxie |
| Maagdarmstelselaandoeningen | Vaak - nausea, braken |
| Niet bekend - paralytische ileus | |
| Huid en onderhuidaandoeningen | Niet bekend - erytheem |
| Niet bekend - huiduitslag | |
| Onderzoeken | Niet bekend - Verhoogde leverenzymen |
| Algemene aandoeningen en toedieningsplaatsstoornissen | Niet bekend - flebitis |
*gevallen zijn tevens gerapporteerd bij gebruik als tocolyticum tijdens de zwangerschap (zie rubriek 4.6)
Melding van vermoedelijke bijwerkingen
Het is belangrijk om na toelating van het geneesmiddel vermoedelijke bijwerkingen te melden. Op deze wijze kan de verhouding tussen voordelen en risico’s van het geneesmiddel voortdurend worden gevolgd. Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg wordt verzocht alle vermoedelijke bijwerkingen te melden via het Nederlandse Bijwerkingen Centrum Lareb, website: www.lareb.nl.
4.9 Overdosering
Symptomen
Een overdosis met nicardipinehydrochloride kan potentieel resulteren in duidelijke hypotensie, bradycardie, palpitaties, flushes, sufheid, collaps, perifeer oedeem, verwardheid, met dubbele tong praten en hyperglykemie. In laboratoriumdieren had overdosering tevens reversibele leverfunctieafwijkingen, sporadische focale hepatische necrose en progressief atrioventriculair blok tot gevolg.
Behandeling
In geval van overdosering wordt geadviseerd routinemaatregelen te treffen waaronder bewaking van de cardiale en respiratoire functies. Naast algemene ondersteunende maatregelen zijn intraveneuze calciumbereidingen en vasopressoren klinisch geïndiceerd voor patiënten die effecten van
calciumingangblokkade vertonen. Ernstige hypotensie kan worden behandeld door intraveneuze infusie van een plasmavolumevergroter en rugligging met de benen omhoog.
Nicardipine is niet dialyseerbaar.
5. FARMACOLOGISCHE EIGENSCHAPPEN
5.1 Farmacodynamische eigenschappen
Farmacotherapeutische categorie: selectieve calciumremmers met vasculaire effecten, ATC code: C08CA04
Nicardipine is een tweede generatie langzame calciumkanaalblokker, en behoort tot de fenyl-dihydropyridinegroep. Nicardipine heeft een grotere selectiviteit voor L-type calciumkanalen in glad vasculair spierweefsel dan voor cardiale myocyten. In zeer lage concentraties remt het de instroom van calcium in de cel. De werking vindt voornamelijk plaats in arterieel glad spierweefsel. Dit wordt weerspiegeld in relatief grote en snelle veranderingen in de bloeddruk, met minimale inotropische veranderingen in de cardiale functie (baroreflex effect).
Toegediend via de systemische route is nicardipine een krachtige vasodilator die de totale perifere weerstand verlaagt en de bloeddruk verlaagt. De hartslag is tijdelijk verhoogd; als een gevolg van de afname in afterload is de cardiale output duidelijk en langdurig verhoogd.
Bij mensen treedt de vasodilatoire werking op in zowel acute dosistoediening als chronische toediening in de grote en kleine arteriën, waardoor de bloeddoorstroming verhoogt en de arteriële compliantie verbetert. De renale vasculaire weerstand is verlaagd.
5.2 Farmacokinetische eigenschappen
Distributie
Nicardipine wordt sterk aan eiwit gebonden in het humane plasma over een breed concentratiebereik.
Metabolisme
Nicardipine wordt gemetaboliseerd door cytochroom P450 3A4. Studies met een enkele dosis, of toediening 3 maal daags gedurende 3 dagen, toonden dat minder dan 0,03% van ongewijzigd nicardipine teruggevonden wordt in de urine in mensen na orale of intraveneuze toediening. Het meest in het oog springende metaboliet in de menselijke urine is de glucoronide van de hydroxyvorm, gevormd door de oxidatieve splitsing van de N-Methylbenzyl-groep en de oxidatie van de pyridine-ring.
Excretie
Na gelijktijdige toediening van een radioactieve intraveneuze dosis van nicardipine met een orale 30 mg dosis om de 8 uur, werd 49% van de radioactiviteit in de urine en 43% in de faeces teruggevonden binnen 96 uur na toediening. Niets van de dosis werd teruggevonden in de urine als onveranderd nicardipine. Het eliminatieprofiel van het geneesmiddel na een intraveneuze dosis bestaat uit drie fasen, met een corresponderende halfwaardetijd: alfa 6,4 min, bèta 1,5 uur, gamma 7,9 uur.
Nierfunctiestoornissen
De farmacokinetiek van intraveneuze toediening van nicardipine werd onderzocht in personen met ernstige nierinsufficiëntie waarvoor hemodialyse noodzakelijk is (creatinineklaring < 10 ml/min), lichte/matige nierinsufficiëntie (creatinineklaring 10- 50 ml/min) en normale nierfunctie (creatinineklaring > 50 ml/min). In steady state waren de Cmax en AUC significant hoger en de klaring significant lager bij personen met lichte/matige nierinsufficiëntie in vergelijking met personen met een normale nierfunctie. Er waren geen significante verschillen in de belangrijkste farmacokinetische parameters tussen ernstige nierinsufficiëntie en normale nierfunctie (zie rubriek 4.4).
5.3 Gegevens uit het preklinisch veiligheidsonderzoek
Nicardipine wordt uitgescheiden in de melk van lacterende dieren. Dierexperimenten melden dat het geneesmiddel uitgescheiden wordt in de moedermelk. In dierexperimenten waarbij dit geneesmiddel toegediend werd in hoge doses in de eindfase van de zwangerschap, werden toename van foetusdood, gestoorde bevallingen, afname van het lichaamsgewicht van het nageslacht en onderdrukking van postnatale lichaamsgewichttoename gemeld. Reproductieve toxiciteit is echter niet aangetoond.
6. FARMACEUTISCHE GEGEVENS
6.1 Lijst van hulpstoffen
Sorbitol (E420)
Zoutzuur
Water voor injectie
6.2 Gevallen van onverenigbaarheid
Cardene IV mag niet gemengd worden met:
- 5% natriumbicarbonaat – oplossing
- Ringer lactaat – oplossing
- oplossingen met een pH ≥ 6
Bij gebruik van oplossing met een pH ≥ 6 is er een risico op vorming van een neerslag met Cardene IV.
Door het ontbreken van onderzoek naar verenigbaarheden, mag dit geneesmiddel niet worden gemengd met andere geneesmiddelen.
6.3 Houdbaarheid
3 jaar.
De chemische en fysische stabiliteit tijdens gebruik is aangetoond gedurende 24 uur bij 15-25°C.
Vanuit microbiologisch oogpunt dient het product onmiddellijk te worden gebruikt. Indien niet direct gebruikt, zijn de bewaartijden en condities voorafgaande aan het gebruik de verantwoordelijkheid van de gebruiker en zouden normaal niet langer dan 24 uur zijn bij 2-8 °C, tenzij de opening/verdunning (etc.) heeft plaatsgevonden onder gecontroleerde en gevalideerde aseptische omstandigheden.
6.4 Speciale voorzorgsmaatregelen bij bewaren
Bewaren beneden 25°C. Bewaren in de oorspronkelijke verpakking, ter bescherming tegen licht.
Voor de bewaarcondities na verdunning van het geneesmiddel, zie rubriek 6.3.
6.5 Aard en inhoud van de verpakking
Bruine glazen ampullen (type I) van 10 ml. Elke ampul bevat 10 ml oplossing.
Verpakkingsgrootte: 5 of 10 glazen ampullen. Niet alle genoemde verpakkingsgrootten worden in de handel gebracht.
6.6 Speciale voorzorgsmaatregelen voor het verwijderen en andere instructies
Alleen voor eenmalig gebruik.
De mengbaarheid van Cardene IV is getest met de volgende infusievloeistoffen: • 5% glucose–oplossing
- 5% glucose en 0,45% NaCl–oplossing
- 5% glucose en 0,9% NaCl–oplossing
- 5% glucose en 40 mEq KCl–oplossing
- 0,45% NaCl–oplossing
- 0,9% NaCl–oplossing
De verenigbaarheid van Cardene IV is getest in glazen en polyethyleen containers. De combinaties in glazen of PE containers waren stabiel gedurende 24 uur bij kamertemperatuur. De verenigbaarheid van Cardene IV is niet getest in PVC containers.
Al het ongebruikte geneesmiddel of afvalmateriaal dient te worden vernietigd overeenkomstig lokale voorschriften.
7. HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
Laboratoire X.O
170 Bureaux de la Colline
92213 Saint-Cloud Cedex
Frankrijk
8. NUMMER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
Cardene IV, 1 mg/ml oplossing voor infusie is ingeschreven in het register onder RVG 14835
9. DATUM VAN EERSTE VERLENING VAN DE VERGUNNING/VERLENGING VAN
DE VERGUNNING
Datum van eerste verlening van de vergunning: 16 juni 1992
10. DATUM VAN HERZIENING VAN DE TEKST
Laatste gedeeltelijke wijziging betreft de rubrieken 4.4 en 4.8: 10 april 2026
