SmPC (samenvatting van de productkenmerken) - Atropinesulfaat Accord
1. NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
Atropinesulfaat Accord 0,1 mg/ml oplossing voor injectie in een voorgevulde spuit
2. KWALITATIEVE EN KWANTITATIEVE SAMENSTELLING
Elke ml oplossing voor injectie bevat 0,1 mg atropinesulfaat monohydraat, overeenkomend met 0,083 mg atropine.
Elke injectiespuit van 5 ml bevat 0,5 mg atropinesulfaat monohydraat, overeenkomend met 0,415 mg atropine.
Elke injectiespuit van 10 ml bevat 1 mg atropinesulfaat monohydraat, overeenkomend met 0,83 mg atropine.
Hulpstof met bekend effect: Natrium
Elke ml oplossing voor injectie bevat 3,5 mg natrium, overeenkomend met 0,154 mmol.
Elke injectiespuit van 5 ml bevat 17,7 mg natrium, overeenkomend met 0,770 mmol.
Elke injectiespuit van 10 ml bevat 35,4 mg natrium, overeenkomend met 1,54 mmol.
Voor de volledige lijst van hulpstoffen, zie rubriek 6.1.
3. FARMACEUTISCHE VORM
Oplossing voor injectie in een voorgevulde spuit.
Heldere en kleurloze oplossing, vrij van zichtbare deeltjes.
pH 3,0 – 4,0.
4. KLINISCHE GEGEVENS
4.1 Therapeutische indicaties
Atropinesulfaat Accord is geïndiceerd voor volwassenen en voor pediatrische patiënten vanaf de geboorte, maar met een lichaamsgewicht hoger dan 3 kg (zie rubriek 4.2).
- Als medicatie voorafgaand aan de verdoving ter voorkoming van vagale reacties door endotracheale intubatie en chirurgische manipulatie;
- Om de muscarine-effecten van neostigmine te beperken, wanneer het postoperatief wordt toegediend om niet-depolariserende spierverslappers te neutraliseren;
- Behandeling van hemodynamisch compromitterende bradycardie en/of atrioventriculair blok door overmatige vagale tonus in een noodsituatie;
- Cardiopulmonaire reanimatie: voor het behandelen van symptomatische bradycardie en AV-blok;
- Als antidotum na overdosering of vergiftiging met acetylcholinesteraseremmers bv. anticholinesterasen, organofosfor, carbamaten en muscarine bevattende paddenstoelen.
4.2 Dosering en wijze van toediening
Atropinesulfaat Accord moet onder medisch toezicht worden toegediend.
Dosering
Medicatie voorafgaand aan verdoving
Intraveneuze toediening onmiddellijk vóór de operatie; indien nodig is een intramusculaire toediening 30-60 minuten vóór de operatie mogelijk.
Volwassenen:
0,3-0,6 mg IV (3-6 ml)
Pediatrische patiënten:
De gebruikelijke dosis bij kinderen is tussen 0,01-0,02 mg/kg lichaamsgewicht (maximaal 0,6 mg per dosis); de dosering dient te worden aangepast volgens de respons en tolerantie van de patiënt.
In combinatie met neostigmine, om de muscarine-effecten ervan te beperken:
Volwassenen:
0,6-1,2 mg IV (6-12 ml)
Pediatrische patiënten
0,02 mg/kg IV
Behandeling van hemodynamisch compromitterende bradycardie, atrioventriculair blok, cardiopulmonaire reanimatie:
Volwassenen:
- Sinus bradycardie: 0,5 mg IV (5 ml), om de 2-5 minuten tot de gewenste hartslag is bereikt.
- AV-blok: 0,5 mg IV (5 ml), om de 3-5 minuten (maximaal 3 mg)
Pediatrische patiënten
0,02 mg/kg IV in één enkele dosis (maximale dosis 0,6 mg).
Als een antidotum voor organofosfaten (pesticiden, zenuwgassen), voor cholinesteraseremmers en bij vergiftiging met muscarine bevattende paddenstoelen:
Voor intraveneus gebruik.
Volwassenen:
0,5-2 mg atropinesulfaat (5-20 ml), kan na 5 minuten worden herhaald en daarna om de 10-15 minuten naarmate dit nodig is, tot de tekenen en symptomen verdwijnen (deze dosis kan meerdere keren worden overschreden).
Pediatrische patiënten:
0,02 mg atropinesulfaat/kg lichaamsgewicht mogelijk verschillende keren herhaald tot tekenen en symptomen verdwijnen.
Dosisaanpassing
Over het algemeen moet de dosis worden aangepast aan de respons en tolerantie van de patiënt.
De dosering tot een totale maximale dosis van 3 mg bij volwassenen en 0,6 mg bij kinderen wordt doorgaans verhoogd tot de bijwerkingen ondraaglijk worden; een licht verlaagde dosis levert dan over het algemeen de maximale voor de patiënt verdraagbare dosis op.
Pediatrische patiënten
Dit geneesmiddel is niet geschikt om een dosis lager dan 0,5 ml af te leveren en mag bijgevolg niet worden gebruikt bij pasgeborenen met een lichaamsgewicht lager dan 3 kg (zie rubriek 4.1).
Het dosisbereik voor de pediatrische gewichtsgroepen zoals hieronder vermeld, is een richtwaarde. De gebruikelijke dosis bij kinderen is tussen 0,01-0,02 mg/kg lichaamsgewicht (maximaal 0,6 mg per dosis); de dosering dient te worden aangepast volgens de respons en tolerantie van de patiënt.
| Lichaamsgewicht (kg) | Dosis van 0,01 mg/kg lichaamsgewicht Atropinesulfaat Accord 0,1 mg/ml oplossing voor injectie in een voorgevulde spuit (ml) | Dosis van 0,02 mg/kg lichaamsgewicht Atropinesulfaat Accord 0,1 mg/ml oplossing voor injectie in een voorgevulde spuit (ml) |
|---|---|---|
| 3-5 | 0,5 ml | 0,5-1,0 ml |
| 5-10 | 0,5-1,0 ml | 1,0-2,0 ml |
| 10-15 | 1,0-1,5 ml | 2,0-3,0 ml |
| 15-20 | 1,5-2,0 ml | 3,0-4,0 ml |
| 20-30 | 2,0-3,0 ml | 4,0-6,0 ml |
| 30-50 | 3,0-5,0 ml | 6,0 ml |
Speciale patiëntengroepen
Voorzichtigheid is geboden voor patiënten met een nier- of leverfunctiestoornis en bij ouderen (zie rubriek 4.4).
Wijze van toediening
Atropine wordt toegediend via intraveneuze of intramusculaire injectie. Andere farmaceutische vormen/sterkten kunnen beter geschikt zijn in gevallen waarbij een dosis hoger dan 1 mg is vereist.
4.3 Contra-indicaties
- Overgevoeligheid voor de werkzame stof of voor een van de in rubriek 6.1 vermelde hulpstoffen
- Nauwekamerhoekglaucoom
- Risico op urineretentie door een aandoening van de prostaat of urethra
- Achalasie van de slokdarm, paralytische ileus en toxisch megacolon
Al deze contra-indicaties zijn echter niet relevant bij levensbedreigende noodgevallen (zoals bradyaritmie, vergiftiging).
4.4 Bijzondere waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik
Met zorg gebruiken bij:
- Prostaatvergroting
- Nier- of leverinsufficiëntie
- Hartinsufficiëntie, aritmie, hyperthyreoïdie
- Chronische obstructieve longaandoening, omdat een afname van de bronchiale afscheiding kan leiden tot de vorming van slijmproppen in de longen
- Intestinale atonie bij ouderen
- Pylorusstenose
- Koorts of wanneer de omgevingstemperatuur hoog is
- Bij kinderen en ouderen, die vatbaarder kunnen zijn voor de bijwerkingen van dit middel
- Bij oesofageale refluxziekte, omdat atropine de maaglediging kan vertragen, de gastrische motiliteit kan verminderen en de oesofageale sfincter kan doen verslappen
Atropine mag niet worden gegeven aan patiënten met myasthenia gravis behalve wanneer het samen met anticholinesterase wordt toegediend.
Door het toedienen van atropine mag de externe pacing voor onstabiele patiënten niet worden vertraagd, in het bijzonder voor patiënten met een AV-blok van hoge graad (Mobitz type II van tweede of derde graad).
Antimuscarinica blokkeren de vagale remming van de pacemaker van de SA-knoop en moeten dus met voorzichtigheid worden gebruikt bij patiënten met tachyaritmieën, congestief hartfalen of coronaire hartziekte.
Dit geneesmiddel bevat 17,7 mg natrium per voorgevulde spuit van 5 ml, overeenkomend met 0,885 % van de door de WHO aanbevolen maximale dagelijkse hoeveelheid (2 g) natrium voor volwassenen. De spuit van 10 ml bevat 35,4 mg natrium, overeenkomend met 1,77 % van de door de WHO aanbevolen maximale dagelijkse hoeveelheid (2 g) natrium voor volwassenen.
4.5 Interacties met andere geneesmiddelen en andere vormen van interactie
Combinaties waarmee rekening dient te worden gehouden
Overige geneesmiddelen met anticholinerge werking, zoals tricyclische antidepressiva, bepaalde H1-antihistaminica, anti-Parkinsonmiddelen, disopyramide, mequitazine, fenothiazinen, neuroleptica, atropine-antispasmodica, clozapine en kinidine, wegens het risico op een versterking van de atropineachtige bijwerkingen (urineretentie, constipatie, droge mond).
4.6 Vruchtbaarheid, zwangerschap en borstvoeding
Zwangerschap
Gegevens over een beperkt aantal blootgestelde zwangerschappen wijzen erop dat atropine geen negatief effect heeft op de zwangerschap of op de gezondheid van de foetus/pasgeborene.
Dieronderzoek wees niet op directe of indirecte schadelijke effecten wat betreft reproductietoxiciteit (zie rubriek 5.3). Onderzoeken naar de farmacokinetiek van atropine bij moeder en foetus tijdens de late zwangerschap wezen erop dat atropine de placentabarrière snel passeert. Een intraveneuze toediening van atropine tijdens de zwangerschap of op het einde ervan kan tachycardie veroorzaken bij de foetus en de moeder.
Atropine mag niet worden gebruikt tijdens de zwangerschap tenzij dit duidelijk noodzakelijk is.
Borstvoeding
Kleine hoeveelheden atropine kunnen bij mensen in de moedermelk overgaan. Zuigelingen hebben een verhoogde gevoeligheid voor de anticholinerge effecten van atropine. Atropine kan de melkproductie remmen, in het bijzonder bij herhaald gebruik. Er moet worden besloten of borstvoeding moet worden gestaakt of dat de behandeling moet worden gestaakt/van de behandeling moet worden afgezien, waarbij het voordeel van borstvoeding voor het kind en het voordeel van behandeling voor de vrouw in overweging moeten worden genomen. Indien wordt beslist om tijdens de behandeling door te gaan met de borstvoeding, moet het kind onder toezicht worden gehouden voor anticholinerge effecten.
Vruchtbaarheid
Er zijn geen gegevens over de effecten van dit atropinesulfaat op de vruchtbaarheid bij de mens. Atropinesulfaat deed de vruchtbaarheid bij mannetjesratten dalen, waarschijnlijk als gevolg van een remmend effect op het transport van sperma en semen tijdens het emissieproces.
4.7 Beïnvloeding van de rijvaardigheid en het vermogen om machines te bedienen
Atropine kan verwardheid of een wazig zicht veroorzaken. Patiënten mogen niet rijden en geen machines bedienen als ze een injectie hebben gehad.
4.8 Bijwerkingen
Het patroon van bijwerkingen waargenomen met atropine kan hoofdzakelijk verbonden zijn met hun farmacologische werking op het niveau van muscarine- en, in hoge doses, nicotinereceptoren. Bijwerkingen zijn dosisgerelateerd en gewoonlijk omkeerbaar wanneer de behandeling wordt gestopt. De meest voorkomende bijwerkingen met relatief kleine doses zijn stoornissen van het gezichtsvermogen, verminderde bronchiale secretie, droge mond, constipatie, reflux, flushing, problemen bij de mictie en droge huid. Transiënte bradycardie kan optreden gevolgd door tachycardie, met palpitaties en aritimieën.
De evaluatie van bijwerkingen is gebaseerd op de volgende frequentiedefinitie:
Zeer vaak: ≥1/10;
Vaak: ≥1/100, <1/10;
Soms: ≥1/1000, <1/100;
Zelden: ≥1/10.000, <1/1000;
Zeer zelden: <1/10.000;
Niet bekend: kan met de beschikbare gegevens niet worden bepaald
Frequentie Systeem / orgaanklasse | Zeer vaak (≥1/10) | Vaak (≥1/100, <1/10) | Soms (≥1/1.000, <1/100) | Zelden (≥1/10.000, <1/1000) | Zeer zelden (<1/10.000) | Niet bekend (kan met de beschikbare gegevens niet worden bepaald) |
|---|---|---|---|---|---|---|
Immuun-systeem- aandoeningen | Allergische reacties | Anafylaxie | ||||
Zenuwstelsel- aandoeningen | Opwinding, incoördinatie, mentale verwarring en/of hallucinaties (vooral met hogere doseringen), hyperthermie | Psycho-tische reacties | Toevallen, slaperighei d | Hoofdpijn, rusteloosheid, ataxie, slapeloosheid | ||
| Oog-aandoeningen | Gezichts-stoornissen (mydriase, remming van de accommodatie, wazig zicht, fotofobie) | |||||
| Hart-aandoeningen | Tachycardie (aritmieën, voorbijgaande exacerbatie van bradycardie) | Atriale aritmieën, ventrikel-fibrilleren, angina, hypertensiev e crisis | ||||
| Bloedvat-aandoeningen | Overmatig blozen | |||||
Ademhalings-stelsel-, borstkas- en mediastinum-aandoeningen | Verminderde bronchiale secretie | |||||
Maagdarm-stelsel- aandoeningen | Droge mond (moeilijk slikken en spreken, dorst), parasympathisch e remming van het maagdarmkanaal | |||||
(constipatie en reflux), remming van maagafscheiding , smaakverlies, misselijkheid, braken, opgeblazen gevoel | ||||||
| Huid- en onderhuid-aandoeningen | Anhidrose, urticaria, uitslag | |||||
| Nier- en urineweg-aandoeningen | Remming van de para-sympathische controle van de urineblaas, urineretentie | |||||
Pediatrische patiënten
Zuigelingen, kinderen en kinderen met spastische verlamming of hersenschade kunnen vatbaarder zijn voor antimuscarine-effecten.
Speciale patiëntengroepen
Atropine kan opwinding, incoördinatie, verwardheid en/of hallucinaties veroorzaken, vooral bij ouderen. Een epidemiologisch onderzoek rapporteerde ook lagere cognitieve prestaties bij oudere patiënten die antimuscarinica kregen. Patiënten met het syndroom van Down kunnen vatbaarder zijn voor antimuscarine-effecten.
Melding van vermoedelijke bijwerkingen
Het is belangrijk om na toelating van het geneesmiddel vermoedelijke bijwerkingen te melden. Op deze wijze kan de verhouding tussen voordelen en risico’s van het geneesmiddel voortdurend worden gevolgd. Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg wordt verzocht alle vermoedelijke bijwerkingen te melden via het Nederlands Bijwerkingen Centrum Lareb. Website: www.lareb.nl.
4.9 Overdosering
Symptomen:
Flushing en droge huid, verwijde pupillen met fotofobie, droge mond en tong gepaard gaand met een brandend gevoel, moeilijk slikken, tachycardie, snelle ademhaling, hyperpyrexie, misselijkheid, braken, hypertensie, uitslag en opwinding. Symptomen van stimulatie van het centrale zenuwstelsel omvatten rusteloosheid, verwarring, hallucinaties, paranoïde en psychotische reacties, incoördinatie, delirium en af en toe stuiptrekkingen. Bij ernstige overdosering kunnen slaperigheid, stupor en depressie van het centrale zenuwstelsel gepaard gaan met coma, circulatie- en ademhalingsinsufficiëntie, en de dood.
Behandeling:
De behandeling moet ondersteunend zijn. De luchtwegen moeten voldoende vrijgehouden worden. Er kan diazepam worden toegediend om opwinding en stuiptrekkingen onder controle te houden, maar daarbij moet rekening worden gehouden met het risico op depressie van het centrale zenuwstelsel.
5. FARMACOLOGISCHE EIGENSCHAPPEN
5.1 Farmacodynamische eigenschappen
Farmacotherapeutische categorie: Belladonna-alkaloïden, tertiaire amines.
ATC-code: A03BA01.
Atropine is een antimuscarinicum dat acetylcholine competitief antagoniseert op de postganglionaire zenuwuiteinden, en zo de receptoren in de exocriene klieren, gladde spieren, de hartspier en het centrale zenuwstelsel beïnvloedt.
Perifere effecten zijn onder meer: verminderde productie van speeksel, zweet, neusvocht, traanvocht en maagafscheiding, verminderde darmmotiliteit en remming van de mictie.
Atropine verhoogt de sinusfrequentie, en de sinoatriale en AV-geleiding. Het hartritme verhoogt gewoonlijk, maar er kan eerst bradycardie optreden.
Atropine remt afscheidingen in de luchtwegen en ontspant de bronchiale gladde spieren, wat tot bronchodilatatie leidt.
5.2 Farmacokinetische eigenschappen
Absorptie
Na intraveneuze toediening treedt de piekstijging van de hartslag in binnen de 2 tot 4 minuten. Na intramusculaire toediening worden de piekplasmaconcentraties van atropine bereikt binnen de 30 minuten, hoewel de piekeffecten op het hart, zweten en de speekselafscheiding 1 uur na de intramusculaire toediening kunnen plaatsvinden.
Distributie
Plasmaconcentraties na intramusculaire en intraveneuze injectie zijn vergelijkbaar na 1 uur. Atropine wordt door het gehele lichaam verspreid en gaat door de bloed-hersenbarrière en de placentabarrière.
Biotransformatie
Atropine wordt onvolledig gemetaboliseerd in de lever en ongewijzigd en als metabolieten uitgescheiden in de urine. Ongeveer 50% van de dosis wordt binnen de 4 uur uitgescheiden en 90% binnen de 24 uur.
Eliminatie
De eliminatiehalfwaardetijd bedraagt ongeveer 2 tot 5 uur. Tot 50% van de dosis is eiwitgebonden.
Pediatrische patiënten
Kinderen, in het bijzonder kinderen jonger dan twee jaar, kunnen vatbaarder zijn voor de werking van atropine. De eliminatiehalfwaardetijd bij kinderen jonger dan twee jaar is, in vergelijking met volwassenen, meer dan het dubbele.
Ouderen
De eliminatiehalfwaardetijd van atropine bij ouderen (> 65 jaar) is, in vergelijking met volwassenen, meer dan het dubbele.
5.3 Gegevens uit het preklinisch veiligheidsonderzoek
Effecten bij niet-klinische onderzoeken werden uitsluitend waargenomen na blootstelling die geacht wordt beduidend hoger te liggen dan het maximale niveau waaraan de mens wordt blootgesteld, zodat deze weinig relevant zijn voor klinische doeleinden.
Atropinesulfaat deed de vruchtbaarheid bij mannetjesratten dalen, waarschijnlijk als gevolg van een remmend effect op het transport van sperma en semen tijdens het emissieproces.
6. FARMACEUTISCHE GEGEVENS
6.1 Lijst van hulpstoffen
Natriumchloride
Zwavelzuur (om de pH te corrigeren)
Natriumhydroxide (om de pH te corrigeren)
Water voor injectie
6.2 Gevallen van onverenigbaarheid
Dit geneesmiddel mag niet gemengd worden met andere geneesmiddelen.
6.3 Houdbaarheid
Ongeopende spuit:
5ml: 2 jaar
10ml: 3 jaar
6.4 Speciale voorzorgsmaatregelen bij bewaren
Voor dit geneesmiddel zijn er geen speciale bewaarcondities.
6.5 Aard en inhoud van de verpakking
Voorgevulde spuit (van helder type I glas) van 5 ml met afsluitdop, plunjerstop (broombutylrubber) en plunjerstang (polypropyleen). Op de cilinder van de spuit staan merktekens van 0,5 ml, van 0 ml tot 5 ml.
Voorgevulde spuit (van helder type I glas) van 10 ml met afsluitdop, plunjerstop (broombutylrubber) en plunjerstang (polypropyleen). Op de cilinder van de spuit staan merktekens van 1 ml, van 0 ml tot 10 ml.
De voorgevulde spuit wordt zonder naald geleverd en is verpakt in een buitendoos.
Verpakkingsgroottes: 1 voorgevulde spuit
6.6 Speciale voorzorgsmaatregelen voor het verwijderen en andere instructies
De voorgevulde spuit is uitsluitend bestemd voor gebruik bij één patiënt. Na gebruik de injectiespuit weggooien. NIET OPNIEUW GEBRUIKEN.
Voorafgaand aan de toediening moet het product visueel geïnspecteerd worden op deeltjes en verkleuringen. Alleen heldere, kleurloze oplossingen die geen deeltjes of neerslag bevatten mogen worden gebruikt.
De geschikte naalddiktes voor gebruik met de spuit zijn 23 tot 30 gauge voor IV-toediening en 23 tot 21 gauge voor IM-toediening.
Al het ongebruikte geneesmiddel of afvalmateriaal dient in overeenstemming met lokale voorschriften te worden vernietigd.
7. HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
Accord Healthcare B.V.
Winthontlaan 200
3526KV Utrecht
Nederland
8. NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
RVG 124780
9. DATUM VAN EERSTE VERLENING VAN DE VERGUNNING/VERLENGING VAN DE VERGUNNING
Datum van eerste verlening van de vergunning: 29 oktober 2020
Datum van laatste verlenging: 17 september 2025
10. DATUM VAN HERZIENING VAN DE TEKST
Laatst gedeeltelijke wijziging betreft rubriek 9: 26 maart 2025
